Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4386

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
8878597 \ CV EXPL 20-4926
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Woningstichting Vechthorst mag van een huurder verlangen dat zij uit haar woning vertrekt. Volgens de kantonrechter van de rechtbank Overijssel zorgt de vrouw voor zo veel overlast dat zij geen goede huurder is. Buren klagen al jaren over de vrouw vertellen over nachtelijke schreeuwpraktijken waarin ze soms roept dat ze ‘bezeten’ is.

Sinds halverwege 1998 huurt de vrouw een woning van Vechthorst in Nieuwleusen. In de zomer van 2017 trekt één van de buren bij de woningstichting aan de bel. De vrouw zou ’s nachts over straat lopen, foto’s maken en aanbellen bij haar buren. Tegen hen schreeuwt ze dat ze ‘bezeten is door de duivel’. Vanaf dat moment volgen er meerdere overlastmeldingen van buren. Ook de vrouw zelf zoekt meerdere keren contact met de woningstichting. Volgens haar hebben haar buren een pillenmachine die zorgt voor straling. Bemiddeling en hulp, onder andere door de politie en de GGD, geven niet het gewenste effect. Vanaf april vorig jaar nemen de meldingen toe, mede op advies van de politie. Omdat een buurman volledig onderdoor gaat aan de veronderstelde overlast sturen 18 buren in november van dit jaar een brief naar Vechthorst. De woningstichting vraagt de rechtbank nu om toestemming om de woning te ontruimen.

Een huurder moet zich als goed huurder gedragen. Dit is niet alleen vastgelegd in het huurcontract, maar ook in de wet. Om over te gaan tot ontruiming moet er wel sprake zijn van ernstig en structureel overlast. De kantonrechter oordeelt dat daar in dit geval sprake van is. De overlast bestaat onder andere uit schreeuwen, het maken van verwijten richting omwonenden en het naar binnen kijken bij en fotograferen van de huizen van buren. Op zitting gaf de vrouw aan dat ze niet ‘bezeten’ is, maar erkende wel dat zij ’s nachts de straat op gaat. Ook ontkende ze niet dat ze voor overlast zorgt. Haar gedrag is in strijd met de wet: zij is geen goede huurder. Omdat de woningstichting probeerde een oplossing te zoeken – pogingen daartoe slaagden niet – mag zij nu van de vrouw verlangen dat ze vertrekt. De vrouw moet binnen een maand haar woning verlaten. Als extra prikkel om te zorgen dat ze echt vertrekt legt de kantonrechter een dwangsom van 250 euro per dag op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8878597 \ CV EXPL 20-4926

Vonnis in kort geding van 18 december 2020

in de zaak van

de stichting WOONSTICHTING VECHTHORST,
gevestigd en kantoorhoudende te Nieuwleusen,

eisende partij, hierna te noemen Vechthorst,

gemachtigde: mr. A.M. Takkenberg,

tegen

[gedaagde partij] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde partij] ,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Vechthorst is deze procedure begonnen met haar dagvaarding met twintig producties van 24 november 2020. Van de kant van [gedaagde partij] heeft de kantonrechter op 3 december 2020 een e-mail ontvangen van mevrouw [naam 1] van Team Vangnet, Informatie en Advies (VIA) van de GGD IJsselland. Vervolgens heeft Vechthorst op 7 december 2020 nog twee aanvullende producties ingediend.

1.2.

De vordering van Vechthorst is mondeling behandeld op 11 december 2020. Namens Vechthorst is mevrouw [naam 2] verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Takkenberg. [gedaagde partij] is ook verschenen. Om haar bij te staan waren mevrouw [naam 1] en de heer [naam 3] van team VIA van de GGD aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2 Waar deze zaak over gaat

Wat er vaststaat.

2.1.

Vechthorst is een woningstichting die woningen in de sociale sector verhuurt in de gemeente Dalfsen en de gemeente Staphorst.

2.2.

Met ingang van 19 mei 1998 verhuurt Vechthorst aan [gedaagde partij] de woning gelegen aan het [adres 1] (hierna: het gehuurde). Op de huurovereenkomst van 19 mei 1998 zijn de ‘Algemene huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte’ van Vechthorst van toepassing verklaard (hierna: algemene voorwaarden).

2.3.

In artikel 9 van de algemene voorwaarden is de volgende bepaling opgenomen:

1. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken.

2. (…)

3. Huurder zal ervoor zorgdragen dat aan omwonenden geen overlast wordt veroorzaakt.

4. (…)”.

2.4.

Op 21 juni 2017 maakt een buurvrouw van [gedaagde partij] namens meerdere buren bij Vechthorst melding van overlast door [gedaagde partij] . De buurvrouw geeft aan dat [gedaagde partij] ’s nachts door de straat loopt, foto’s maakt van auto’s en woningen, schreeuwt en aanklopt en aanbelt bij buren met de melding dat ze bezeten is door de duivel en dat die uitgedreven moet worden.

2.5.

Vanaf omstreeks juni 2018 maakt [gedaagde partij] meldingen bij Vechthorst. Volgens [gedaagde partij] hebben haar directe buren, de familie [buren] van [adres 2] (hierna ook: [buren] ), een pillenfabriek en/of drugslaboratorium en zenden zij vanuit hun woning straling richting de woning van [gedaagde partij] . Verder meldt [gedaagde partij] dat zij vanuit de woning aan het [adres 3] wordt beschoten met straling en dat haar elektrische apparaten hierdoor uitvallen.

2.6.

Vechthorst is naar aanleiding van de meldingen bij [gedaagde partij] op bezoek geweest en heeft zowel de wijkagent als Team VIA van de GGD ingeschakeld.

2.7.

Op 9 juli 2018 stuurt de heer [buren] een e-mail aan Vechthorst, waarin hij schrijft:

Gisteravond werd ik om circa 22.30 uur door mijn buurvrouw van [adres 4] gebeld met de melding dat mijn buurvrouw van [adres 1] voor zich uit het luchtledige stond te klagen over de bewoners van [adres 2] , over mij en mijn vrouw dus.

Gevraagd naar de reden van haar klaagzang stelde de buurvrouw van [adres 1] [ [gedaagde partij] , kantonrechter] dat onze pillenschudmachine weer veel lawaai maakte. Dit terwijl het enige apparaat dat bij ons aan stond onze desktop PC was, die bovendien aan de kant van [adres 4] staat opgesteld. Verder moesten wij onze rommel opruimen. Gevraagd naar welke rommel dit betrof was het antwoord dat dat straling betrof. (…)

2.8.

Op 22 juli 2018 stuurt de heer [buren] opnieuw een e-mail naar Vechthorst. Hierin staat:

Helaas mag ik u opnieuw een relaas doen over onze ervaringen met de bewoonster van [adres 1] . Dit relaas zal zo feitelijk mogelijk zijn, in 2 gevallen ondersteund met audiovisuele opnamen.

18.07.2018: Luidkeels gezang en gerommel in de woning tot 01.30 uur (19.07.2018). Qua geluid niet veel, maar midden in de nacht duidelijk hoorbaar in onze woning. (…)

19.07.2018: Mevrouw klaagt 's middags tegen mijn vrouw of de pillen machine niet eens een keer op [adres 5] gericht kan worden. Voorval in een paar minuten voorbij.

20.07.2018: Mevrouw staat 's middags te zingen/mediteren/klagen op haar oprit. Zie bijgesloten opname. Kort daarna is ze weer naar binnen gegaan.

21.07.2018: Mevrouw staat 's avonds in de voordeuropening te klagen dat onze elektriciteit te hard staat en dat ze daar tegenwoordig isolatie voor hebben uitgevonden. Meerdere getuigen, helaas geen bruikbare opname. Ook dit voorval een paar minuten.

22.07.2018: Mevrouw staat in de tuin te fulmineren over de pillenmachine en de heg, terwijl wij de tuin aan het opruimen zijn. Zie bijgesloten opname. Ik was helaas niet in staat vriendelijk op te reageren op haar onbegrijpelijke verbale agressie. Totale duur 5 minuten. (…)

2.9.

Vanaf april 2019 maakt de heer [buren] daarnaast (op verzoek van en in overleg met de politie) regelmatig meldingen bij de politie van overlast door [gedaagde partij] . De meldingen komen er op neer dat [gedaagde partij] regelmatig op alle momenten van de dag schreeuwend bij buren voor de deur of voor het raam staat danwel zingend/jodelend in haar eigen huis. Daarbij maakt zij regelmatig allerlei verwijten aan het adres van haar buren. Bovendien roept zij bij herhaling dat zij bezeten is en de duivel moet uitdrijven. Vanaf juli 2020 stuurt [buren] bovendien iedere maand een overzicht aan Vechthorst van de overlast die hij van [gedaagde partij] heeft ondervonden in de achterliggende maand.

2.10.

Ook de meldingen die [gedaagde partij] bij de politie maakt, vanwege overlast door met name [buren] en haar buren van [adres 3] , nemen toe. [gedaagde partij] geeft opnieuw aan dat haar buren een drugslaboratorium hebben en dat zij internetafval en straling richting de woning van [gedaagde partij] schieten. De meldingen lopen vanaf april en mei 2019 op naar circa 60 per maand.

2.11.

Naast [buren] hebben ook andere buren van [gedaagde partij] (in maart 2019 en juli 2020) bij Vechthorst meldingen van overlast door [gedaagde partij] gemaakt. Bovendien heeft er zich in augustus 2019 een voorval voorgedaan waarbij meerdere buren betrokken waren.

2.12.

Op november 2020 hebben in totaal achttien omwonenden van [gedaagde partij] een brief naar Vechthorst gestuurd, hierin schrijven zij: 18

“Zoals inmiddels bekend bij u, zijn er reeds enkele jaren toenemende problemen rondom het gedrag en de psychische toestand van mevrouw [gedaagde partij] , wonende op [adres 1] . De psychische problematiek lijkt toe te nemen. Naast het roepen op straat en het uiten van bijzondere rituelen, staat mevrouw met enige regelmaat bij andere buurtbewoners voor de woning. Zij schendt hiermee op verschillende manieren de privacy van de bewoners. Te denken aan naar binnen kijken, fotograferen van de woning en interieur. Dit geeft hinder rondom de woning en in de directe woonomgeving en zorgt voor sociale overlast.

De situatie loopt nu zo uit de hand dat de directe buurman, de heer [buren] van [adres 2] , zich genoodzaakt voelt om zijn woning te verlaten. Hij ervaart door deze situatie zelf veel stress en spanning en is daardoor zijn veilige haven kwijt. Dit vinden wij als buurt zeer triest en zorgelijk.

Nu de heer [buren] tijdelijk uit zijn eigen huis is, gaat mevrouw [gedaagde partij] bij andere buren voor het huis staan en roept en kijkt bij hen naar binnen. Dit baart ons ernstige zorgen omdat dit veel spanning en irritatie oproept bij de betreffende buren. Wij weten inmiddels hoe haar problematische gedrag toeneemt.

Wij kunnen en willen als buren niet begrijpen en accepteren dat mevrouw [gedaagde partij] met haar gedrag naast de heer [buren] nu ook nog andere buren het zeer moeilijk gaat maken. Dit is inbreuk op de privacy. Maar tevens zijn wij, nu bij een aantal buren de irritatiegrens is bereikt en de stress en spanning door deze situatie zo hoog is, zeer bezorgd dat deze spanning zich op een andere, eventuele ongewilde fysieke manier tot uiting komt. Wij maken ons dus ernstig zorgen om de algemene veiligheid van onze buurt, zowel die van mevrouw [gedaagde partij] als van de buren en de verdere gevolgen. Dit is het laatste wat wij als buurt willen. (…)

Wij maken ons zorgen om de algemene veiligheid van onze kinderen, omdat haar gedrag niet te voorspellen is. Kinderen begrijpen niet in welke toestand zij verkeert en daardoor wordt het vrij buitenspelen beperkt.

Wat Vechthorst wil.

2.13.

Vechthorst wil dat [gedaagde partij] het gehuurde verlaat. Volgens Vechthorst schiet [gedaagde partij] tekort in haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, doordat zij ernstige en langdurige overlast aan omwonenden veroorzaakt. Daarmee gedraagt zij zich niet als goed huurder, aldus Vechthorst. Vechthorst stelt dat er sprake is van een ‘absoluut onhoudbare situatie’. Vooral de heer [buren] gaat volledig aan de situatie onderdoor, maar ook de andere buren maken actief melding van de situatie met [gedaagde partij] . Volgens Vechthorst is ingrijpen op zeer korte termijn noodzakelijk en kan daarom niet van haar worden verlangd om eerst de uitkomst van een (eventuele) bodemprocedure af te wachten.

2.14.

Vechthorst vordert daarom bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de eerste plaats ontruiming van het gehuurde. Dat moet gebeuren binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis en op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00, indien [gedaagde partij] hieraan niet voldoet. Als de rechter deze (primaire) vordering niet toewijst, vraagt Vechthorst de kantonrechter (subsidiair) om [gedaagde partij] bij wijze van ordemaatregel een gedragsaanwijzing op te leggen. Daarnaast wil Vechthorst (zowel primair als subsidiair) dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten, plus wettelijke rente als zij deze kosten niet binnen veertien dagen betaalt.

Het verweer van [gedaagde partij] .

2.15.

[gedaagde partij] voert - kort samengevat - aan dat haar buren, met name [buren] , straling door haar woning schieten. Vanwege de straling is het voor [gedaagde partij] niet te doen om in de woning te blijven. Daarom loopt zij ’s nachts regelmatig door de straat. Volgens [gedaagde partij] schreeuwt zij dan niet. Wel heeft zij een keer iets geroepen als: ‘Stop nou met die straling. Haal dat speelgoed uit mijn woning!’ Toen stond de politie om half vier ’s nachts voor haar deur. Tot slot heeft [gedaagde partij] te kennen gegeven dat zij graag wil verhuizen, omdat de situatie voor haar ook echt onhoudbaar is. Zij heeft echter wel tijd nodig om een nieuwe woning te zoeken. [gedaagde partij] denkt daarbij aan 1 april 2021.

3 De beoordeling

Ontruiming van het gehuurde.

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat uit de aard van het gevorderde al volgt dat Vechthorst daarbij voldoende spoedeisend belang heeft, zodat Vechthorst in zoverre ontvankelijk is in haar vordering. De spoedeisendheid is door [gedaagde partij] ook niet betwist.

3.2.

Verder is voor toewijzing van een vordering in kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

3.3.

Een huurder is gehouden zich als goed huurder te gedragen. Dit betekent onder meer dat zij zich dient te onthouden van het veroorzaken van overlast voor omwonenden. Indien de huurder desondanks overlast veroorzaakt, is sprake van een tekortkoming. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De overlast moet ernstig en structureel zijn en ook moet de verhuurder zich hebben ingespannen, door bijvoorbeeld gesprekken, de overlastgever te bewegen haar gedrag te veranderen.

3.4.

Uit de overgelegde stukken volgt dat er over een geruime tijd (meerdere jaren) veelvuldig meldingen bij Vechthorst en de politie zijn binnengekomen van overlast door [gedaagde partij] . De overlast bestaat onder andere uit schreeuwen, het maken van verwijten richting omwonenden (met name [buren] ) en het naar binnen kijken bij en fotograferen van de huizen van omwonenden. [gedaagde partij] heeft weliswaar aangevoerd dat zij niet bezeten is door de duivel, maar verder heeft zij de in de meldingen omschreven gebeurtenissen niet gemotiveerd betwist. Sterker nog, zij heeft aangegeven dat zij inderdaad regelmatig (’s nachts) door de straat loopt en dat zij dan ook wel eens iets heeft geroepen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is daarmee aannemelijk dat (het grootste deel van) de in de meldingen beschreven gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en dat er dus sprake is van ernstige overlast die veroorzaakt wordt door [gedaagde partij] . Bovendien vindt een deel van de overlast ’s nachts plaats, waardoor de nachtrust van omwonenden verstoord wordt. De gedragingen van [gedaagde partij] zijn in strijd met de wet (het goed huurderschap, artikel 7:213 BW) en de huurovereenkomst (artikel 9 van de algemene voorwaarden).

3.5.

Bovendien heeft Vechthorst verschillende acties ondernomen om de overlast door [gedaagde partij] te laten verminderen. Zo is Vechthorst bij [gedaagde partij] op bezoek geweest en heeft zij de wijkagent en team VIA van de GGD ingeschakeld. Hieruit blijkt dat Vechthorst zich voldoende heeft ingespannen om [gedaagde partij] te bewegen haar gedrag te veranderen, maar dat heeft niet tot verbetering van de situatie geleid.

3.6.

Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate waarschijnlijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Gezien de aard van de overlast is bovendien aannemelijk dat Vechthorst er belang bij heeft dat in dit kort geding op die uitkomst vooruit gelopen wordt. Afweging van de wederzijdse belangen leidt - mede vanwege het feit dat [gedaagde partij] tijdens de mondelinge behandeling zelf ook heeft aangegeven dat de situatie voor haar onhoudbaar is en dat zij graag wil verhuizen - niet tot een ander oordeel. Om die reden zal de vordering tot ontruiming worden toegewezen.

Ontruimingstermijn.

3.7.

Vechthorst heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij akkoord kan gaan met een langere ontruimingstermijn dan de vijf dagen die zij in haar vordering heeft gevraagd, bijvoorbeeld met een termijn tot medio januari 2021. [gedaagde partij] heeft gevraagd om een ontruimingstermijn tot april 2021. De kantonrechter overweegt dat enerzijds geldt dat [gedaagde partij] de gelegenheid moet hebben om een nieuw onderkomen te zoeken, maar anderzijds moet de ontruimingstermijn niet te ver in de toekomst liggen. Volgens team VIA van de GGD is het voor [gedaagde partij] namelijk nodig om een stok achter de deur te hebben om de stap te kunnen zetten om op zoek te gaan naar een nieuwe woning. Bovendien is de situatie met betrekking tot de buren, meer in het specifiek de heer [buren] , erg urgent. Dit alles overwegende, komt de kantonrechter tot de conclusie dat de ontruimingstermijn op één maand na betekening van het vonnis zal worden gesteld.

Dwangsom.

3.8.

De kantonrechter ziet aanleiding voor toewijzing van de gevorderde dwangsom, omdat dit een extra prikkel tot nakoming vormt en daarmee (mogelijk) ook een extra reden voor [gedaagde partij] is om (tijdig) een andere woning te zoeken. De dwangsom zal op de hierna in de beslissing te noemen wijze worden gematigd en gemaximeerd.

Tot slot.

3.9.

Nu de primaire vordering tot ontruiming zal worden toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering geen nadere bespreking.

3.10.

[gedaagde partij] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, omdat zij in het ongelijk is gesteld. De kosten aan de zijde van Vechthorst worden begroot op:

- dagvaarding € 102,96

- griffierecht 124,00

- salaris gemachtigde 480,00

- nakosten 120,00

Totaal € 826,96.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om het gehuurde, gelegen aan het [adres 1] , binnen één maand na betekening van dit vonnis met de daarin aanwezige goederen en personen te ontruimen en te verlaten, en ontruimd en verlaten te houden, met afgifte aan Vechthorst van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Vechthorst te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van
€ 250,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00, indien [gedaagde partij] aan deze veroordeling niet voldoet;

4.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Vechthorst begroot op € 826,96 inclusief nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf vijftien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020. (EB)