Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4277

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
08/910002-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vijf mannen zijn door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor grootschalige Markplaatsoplichting. De hoofdverdachte – een 25-jarige man zonder vaste woon en verblijfplaats – is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden en 2 weken. Ook moet de man een bedrag van 175.000 euro betalen, het bedrag dat hij uit de oplichting heeft verkregen. Hij stond aan het hoofd van de criminele organisatie die mensen heeft opgelicht, identiteitsfraude en computervredebreuk pleegde.

Aan de hand van advertenties op Marktplaats benaderde de hoofdverdachte zijn slachtoffers. Hij deed zich voor als koper of verkoper en wekte zo het vertrouwen van de slachtoffers. Dat deed hij onder andere door het sturen van foto’s van een identiteitskaart. Ook gebruikte hij op WhatsApp een foto met kinderen. De mensen die hij benaderde kregen zo de indruk dat zij met een betrouwbare koper of verkoper te maken hadden. Vervolgens werden zij op geraffineerde wijze opgelicht. In de meeste gevallen troggelde hij bankcodes van zijn slachtoffers af. Als zij weigerden dreigde hij met het inschakelen van een motorclub. Na ontvangst van de codes kon de hoofdverdachte inloggen op het account van zijn slachtoffers. Op die manier boekte hij (forse) bedragen over naar bankrekeningnummers van katvangers of bestelde hij goederen.

Kort na het overschrijven van die bedragen werden die contant opgenomen of werden de bestelde goederen opgehaald, meestal door leden van de criminele organisatie. Drie mannen uit Enschede waren lid van die criminele organisatie en ronselden de katvangers. Twee 27-jarige verdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden en 2 weken en de derde – een 23-jarige man – is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 72 dagen voorwaardelijk en een forse werkstraf. Een vierde verdachte, een 25 jarige man uit Haaksbergen, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken. Hij heeft een bedrag van 890 euro witgewassen.

De criminele organisatie was strak georganiseerd en had een professionele werkwijze. De hoofdverdachte heeft op grove wijze het vertrouwen geschaad dat de slachtoffers in hem als koper of verkoper hadden. Digitale oplichtingszaken zorgen er bovendien voor dat mensen minder vertrouwen hebben in het elektronisch bankieren. De rechtbank rekent hen dit zwaar aan. Slachtoffers van wie persoonsgegevens bij de oplichtingen zijn misbruikt, zijn door andere aangevers benaderd en onheus bejegend omdat zij ten onrechte werden aangezien voor oplichters. De rekeningen van de vele katvangers werden door de bank geblokkeerd waarna vaak de bankrelatie door de bank werd opgezegd. Kortom, de verdachten, lieten een spoor van ellende achter en ze hadden enkel oog voor eigen gewin.

Naast de (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen moeten de verdachten ook een schadevergoeding betalen aan de slachtoffers. In totaal gaat het om een bedrag van meer dan 100.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/910002-17 (P)

Datum vonnis: 17 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 oktober 2020, 30 oktober 2020, 3 november 2020 en 3 december 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. C.T. Tjauw-Foe en G.L.M. Verstegen en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.D. Onland, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er - na wijziging van de tenlastelegging van 27 oktober 2020 - kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte:

feit 1: op 7 januari 2017 zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag dan wel dat hij dit geldbedrag heeft geheeld;

feit 2: op 30 november 2016 medeplichtig is aan een poging tot het witwassen in vereniging van een televisie dan wel medeplichtig is aan een poging tot het helen van die televisie.

feit 3: op 6 januari 2017 medeplichtig is aan een poging tot het witwassen in vereniging van goud met een waarde van ongeveer € 23.000,-- dan wel medeplichtig is aan een poging tot het helen van dit goud.

feit 4: in de periode van 22 november 2016 tot en met 6 februari 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 07 januari 2017, te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (1000 euro) (afkomstig van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en/of een voorwerp, te weten een geldbedrag (1000 euro) (afkomstig van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat voorwerp, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

(aangifte 355, [naam 1] )

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

hij op of omstreeks 07 januari 2017 te Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een hoeveelheid geld (1000 euro) (afkomstig van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(aangifte 355, [naam 1] )

2.

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 30 november 2016 te Enschede en/of Heerlen, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om van een voorwerp, te weten een televisie (met een waarde van 4999 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, en/of

te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten

een televisie (met een waarde van 4999 euro), was, en/of te verbergen en/of te verhullen wie een voorwerp, te weten een televisie (met een waarde van 4999 euro), voorhanden zou hebben, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf, en/of een voorwerp, te weten een televisie (met een waarde van 4999 euro) te verwerven en/of voorhanden te hebben, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

- in een gehuurde auto naar de vestiging van Media Markt in Heerlen is/zijn gereden en/of

- gedurende die rit afspraken met zijn medeverdachte(n) heeft/hebben gemaakt over het transport van die televisie en/of

- zich bij de Media Markt in Heerlen heeft/hebben gelegitimeerd, teneinde die televisie te kunnen meenemen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij die poging tot dat misdrijf hij (verdachte) op 30 november 2016 te Enschede, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] te vertellen een heler/koper voor die televisie te zoeken en/of te hebben;

(aangifte 303, [naam 2] p 11900)

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 30 november 2016 te Enschede en/of

Heerlen, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om een goed, te weten een televisie (merk Sony, met een waarde van 4999 euro) te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen, terwijl hij en zijn mededader(s) bij die verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed zou betreffen,

- in een gehuurde auto naar de vestiging van Media Markt in Heerlen is/zijn gereden en/of

- gedurende die rit afspraken met zijn medeverdachte(n) heeft/hebben gemaakt over het transport van die televisie en/of - zich bij de Media Markt in Heerlen heeft/hebben gelegitimeerd, teneinde die televisie te kunnen meenemen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij die poging tot dat misdrijf hij (verdachte) op 30 november 2016 te Enschede, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] te vertellen een heler/koper voor die televisie te zoeken en/of te hebben;

(aangifte 303, [naam 2] p 11900)

3.

[medeverdachte 1] op of omstreeks 06 januari 2017 te Enschede en/of te elders te Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om van een voorwerp, te weten een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer 23.000 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing te verbergen en/of verhullen, en/of te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer 23.000 euro), was, en/of te verbergen en/of te verhullen wie een voorwerp, te weten een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer 23.000 euro), voorhanden zou hebben, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en/of een voorwerp, te weten een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer 23.000 euro) te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en/of om te zetten, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

- bij de [winkel] dat goud heeft besteld en/of betaald met geld dat daarvoor wederrechtelijk was verkregen, althans heeft/is betaald via de bankrekening van

[naam 3] en/of

- afspraken met de [winkel] heeft gemaakt teneinde die hoeveelheid goud op te halen

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid,

tot en/of bij die poging tot dat misdrijf hij, verdachte op of omstreeks 6 januari 2017 te Enschede, althans in Nederland opzettelijk inlichtingen en/of gelegenheid heeft gegeven en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door - in een telefoongesprek(ken) met die [medeverdachte 1] aan te geven een koper te hebben voor dat goud en/of zelf dat goud te zullen kopen;

(aangifte 353, [naam 3] , p.12300)

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, ter zake dat

[medeverdachte 1] op of omstreeks 06 januari 2017 te Enschede en/of te elders te Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om een goed, te weten een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer 23.000 euro) te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van die verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof,

- bij de [winkel] dat goud heeft besteld en/of betaald met geld dat daarvoor wederrechtelijk was verkregen, althans heeft/is betaald via de bankrekening van

[naam 3] en/of

- afspraken met de [winkel] heeft gemaakt teneinde die hoeveelheid goud op te halen,

terwijl de uitvoering van dat feit niet is voltooid,

tot en/of bij die poging tot dat misdrijf hij, verdachte op of omstreeks 6 januari 2017 te Enschede, althans in Nederland opzettelijk inlichtingen en/of gelegenheid heeft gegeven en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- in een telefoongesprek(ken) met die [medeverdachte 1] aan te geven een koper te hebben voor

dat goud en/of zelf dat goud te zullen kopen;

(aangifte 353, [naam 3] , p.12300)

4.

hij in of omstreeks de periode van 22 november 2016 tot en met 06 februari 2017 te

Enschede, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting in vereniging, computervredebreuk, witwassen, heling en/of één of meer andere misdrijven).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft bepleit dat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) geen deelnemer is geweest aan de organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en heeft verzocht om hem daarvan vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

Onder 1 is aan [verdachte] primair het medeplegen van witwassen van een bedrag € 1.000,-- ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 420bis Sr.

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden af.

[naam 1] heeft aangifte gedaan van (internet)oplichting. Zij is op 7 januari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zich [naam 4] noemde en die reageerde op een advertentie van [naam 1] op Marktplaats, waarin zij een trompet te koop aanbood. [naam 4] heeft haar een foto van de bankpas op naam van [naam 5] gestuurd. Zij heeft op verzoek van [naam 4] een foto van haar bankpas naar hem gestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening doorgegeven, waarmee zij de ontvangst van een overboeking door [naam 4] (voor de trompet) zou bevestigen.

Dezelfde dag is een bedrag van € 1.000,-- van de bankrekening van [naam 1] overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer 1] ten name van [naam 6] . Deze [naam 6] heeft verklaard dat hij op verzoek van een persoon die hij van een foto herkende als [verdachte] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld om een bedrag van € 1.000,-- op te storten. Hij heeft de € 1.000,-- gepind en afgegeven, waarvoor hij een vergoeding van € 150,-- kreeg. Zijn broer [naam 7] was daarbij. [naam 6] heeft medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) van een foto herkend als een persoon die ook bij het pinnen aanwezig was.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [medeverdachte 1] via WhatsApp contact heeft opgenomen met [naam 1] en zich daarbij heeft voorgedaan als [naam 4] . [medeverdachte 1] heeft, nadat hij de benodigde bankgegevens van [naam 1] had ontfutseld, een bedrag van € 1.000,-- van haar rekening overgeboekt naar de rekening van [naam 6] .1

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] de bankpas van één van de broers [familienaam] heeft geregeld. Hij heeft deze bankpas aan [medeverdachte 1] gegeven en, nadat hij de pas van [medeverdachte 1] terug had gekregen, weer aan de broers gegeven. Die hebben vervolgens – in aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 1] – € 1.000,-- van de bankrekening gepind en aan [verdachte] gegeven. Van dit bedrag heeft [verdachte] € 700,-- aan [medeverdachte 1] gegeven en € 150,-- aan de broers [familienaam] . De resterende € 150,-- mocht hij houden.

Met betrekking tot de herkomst van de € 1.000,-- heeft [verdachte] verklaard dat hij er niet bij stilgestaan heeft waar dat geld vandaan kwam en dat hij toen erg jong was. In reactie op aan hem voorgehouden tapgesprekken heeft hij verklaard dat het kan zijn dat [medeverdachte 1] hem vaker benaderd heeft om bankpassen te regelen.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat het bedrag van € 1.000,-- van misdrijf, te weten (internet)oplichting, afkomstig was én dat [verdachte] daarvan op de hoogte was.

Door op herhaald verzoek van [medeverdachte 1] , en ook nog tegen een financiële vergoeding, de bankpas van een willekeurig ander persoon te regelen, waarna een geldbedrag op de bankrekening van die andere persoon wordt gestort dat vervolgens wordt gepind en (voor het grootste deel) aan [medeverdachte 1] wordt afgegeven, heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het betreffende geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank is aldus van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

4.3.2

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

Onder 2 is aan [verdachte] primair medeplichtigheid aan poging tot witwassen/schuldwitwassen in vereniging van een televisie, strafbaar gesteld in de artikelen 48 jo. 420bis / 420quater Sr, ten laste gelegd. Subsidiair is aan hem medeplichtigheid aan poging tot opzetheling/schuldheling in vereniging van een televisie, strafbaar gesteld in de artikelen 48 jo. 416 / 417bis Sr, ten laste gelegd.

De rechtbank leidt in dit verband uit het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden af.

[naam 2] heeft aangifte gedaan van (internet)oplichting. Hij is op 28 november 2016 benaderd door een persoon die zich [naam 8] noemde en die belangstelling toonde voor een door [naam 2] op Marktplaats te koop aangeboden DVD recorder. [naam 8] heeft een foto van de bankpas op naam van [naam 9] (dat zou de vrouw van [naam 8] zijn) naar [naam 2] gestuurd. [naam 2] heeft op aanwijzing van [naam 8] een foto van zijn bankpas gestuurd en de inlog- en transactiecodes van zijn bankrekening doorgegeven, waarmee hij de ontvangst van een overboeking door [naam 8] (voor de DVD recorder) zou bevestigen.

Vervolgens is op 29 november 2016 buiten medeweten van [naam 2] van diens bankrekening een bedrag van € 4.999,-- overgemaakt naar de bankrekening van Media Markt, voor de aankoop van een televisie. Op 30 november 2016 is met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (waarvan [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit zijn nummer was) over deze televisie gebeld met Media Markt.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [medeverdachte 1] via WhatsApp contact heeft opgenomen met [naam 2] en zich daarbij heeft voorgedaan als [naam 8] . [medeverdachte 1] heeft, nadat hij de benodigde bankgegevens van [naam 2] had ontfutseld, een bedrag van € 4.999,-- van de bankrekening van [naam 2] overgeboekt naar de bankrekening van Media Markt, voor de aankoop van een televisie.2

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij een koper voor de televisie heeft gezocht. Hij heeft via de telefoon tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij iemand kende die de televisie wilde overnemen.

Met betrekking tot de herkomst van de televisie heeft [verdachte] verklaard dat hij niet wist hoe [medeverdachte 1] aan de televisie kwam. [medeverdachte 1] had hem verteld dat ene ‘I’ € 2.000,-- voor de televisie wilde betalen. [verdachte] heeft zelf geen bedrag genoemd. Het ging [verdachte] erom dat er een bon zou zijn want dan zou het legaal zijn, en hij begreep dat er ook een bon was.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [verdachte] op 30 november 2016 om 12.18 uur, 12.28 uur, 13.54 uur en 17.43 uur (in totaal vier maal) telefonisch contact heeft opgenomen met [medeverdachte 1] . Deze gesprekken gingen zowel over het ophalen van de televisie bij de Media Markt vestiging in Heerlen, als over het vinden van een mogelijke afnemer van de televisie. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] in het laatste gesprek aan [verdachte] verteld dat het niet gelukt was om de televisie op te halen, dat de politie erbij was gehaald en dat de agenten hadden gezegd dat ze deze truc wel kenden.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de televisie – middellijk – van misdrijf, te weten (internet)oplichting, afkomstig was én dat [verdachte] daarvan op de hoogte was.

De verklaring van [verdachte] dat hij niet wist hoe [medeverdachte 1] aan de televisie kwam en dat hij dacht dat het legaal was omdat er een bon zou zijn, stelt de rechtbank op basis van de genoemde tapgesprekken als ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] niet alleen opzet heeft gehad op zijn eigen bijdrage (het vinden van een koper voor de televisie), maar ook op het misdrijf dat hij heeft ondersteund (het witwassen van de televisie door te verbergen/verhullen wie de rechthebbende op die televisie is). Daarmee is voldaan aan de voor bewezenverklaring van medeplichtigheid vereiste ’dubbele opzet’.

Het onder 2 primair ten laste gelegde medeplichtigheid aan een poging tot (opzet)witwassen in vereniging is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

4.3.3

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde

Onder 3 is aan [verdachte] primair medeplichtigheid aan een poging tot witwassen/schuldwitwassen in vereniging van een hoeveelheid goud, strafbaar gesteld in de artikelen 48 jo. 420bis 420quater Sr, ten laste gelegd. Subsidiair is aan [verdachte] medeplichtigheid aan een poging tot opzetheling/schuldheling in vereniging van die hoeveelheid goud, strafbaar gesteld in de artikelen 48 jo. 416 417bis Sr, ten laste gelegd.

De rechtbank leidt in dit verband uit het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden af.

[naam 3] heeft aangifte gedaan van (internet)oplichting. Zij is op 6 januari 2017 via WhatsApp benaderd door een persoon die zij [naam 10] noemt en die een foto van zijn rijbewijs naar haar stuurde (de rechtbank begrijpt dat dit het rijbewijs van [naam 4] is geweest). [naam 4] heeft een radio van [naam 3] gekocht en ter bevestiging van het aankoopbedrag heeft zij een foto van haar bankpas naar [naam 4] gestuurd en de inlog- en transactiecodes van haar bankrekening aan hem doorgegeven.

Dezelfde dag is van de rekening van [naam 3] een bedrag van € 23.045,38 overgemaakt naar de rekening van [winkel] BV, in verband met de aankoop van twee goudstaven. De factuur stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Op 6 januari 2017 hebben tapgesprekken plaatsgevonden tussen het telefoonnummer dat in gebruik was bij [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 1] ) en [medeverdachte 2] enerzijds (waarin tegen [medeverdachte 2] gezegd wordt dat ‘hij goud gekocht heeft’) en [verdachte] anderzijds (over de doorverkoop van het bestelde goud). [winkel] BV heeft de bestelling niet in behandeling genomen omdat de bank haar heeft laten weten dat er sprake van fraude was.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat [medeverdachte 1] via WhatsApp contact heeft opgenomen met [naam 3] en zich daarbij heeft voorgedaan als [naam 4] . [medeverdachte 1] heeft, nadat hij de benodigde bankgegevens van [naam 3] had ontfutseld, een bedrag van € 23.045,38 van haar bankrekening overgeboekt naar de bankrekening van [winkel] BV, in verband met de aankoop van twee goudstaven. Die goudstaven waren daardoor – middellijk – van misdrijf afkomstig.3

[verdachte] heeft desgevraagd bevestigd dat hij op 6 januari 2017 meerdere malen telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] over goud dat gekocht zou zijn bij de [winkel] BV. [verdachte] wilde dit goud van [medeverdachte 1] niet voor zichzelf kopen, maar voor een familielid van hem die in goud handelde. Hij heeft [medeverdachte 1] een bedrag van € 16.000,-- voor het goud geboden.

Volgens [verdachte] wist hij niet dat het goud van misdrijf afkomstig was. Hij heeft niet aan [medeverdachte 1] gevraagd hoe die aan het goud kwam en hoe hij dat goud kon betalen. [verdachte] heeft wel bekend dat hij af en toe het idee had dat het misschien niet klopte.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat hiervoor bewezen is verklaard dat [verdachte] reeds in november 2016 ervan op de hoogte was dat [medeverdachte 1] met van misdrijf afkomstig geld een televisie had gekocht. In de daarop volgende weken hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] meerdere malen telefonisch contact gehad, waarbij [medeverdachte 1] in versluierde taal aan [verdachte] heeft gevraagd om bankpassen te regelen.

Met deze vaststellingen voor ogen en gezien de tapgesprekken die [medeverdachte 1] en [verdachte] over het goud gevoerd hebben, acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het betreffende goud van misdrijf afkomstig was.

De verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat het goud van misdrijf afkomstig was, stelt de rechtbank op basis van het voren overwogene als ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] niet alleen opzet heeft gehad op zijn eigen bijdrage (het vinden van een koper voor het goud of het goud zelf kopen), maar ook op het misdrijf dat hij heeft ondersteund (het witwassen van het goud door te verbergen/verhullen wie de rechthebbende op dat goud is). Daarmee is voldaan aan de voor bewezenverklaring van medeplichtigheid vereiste ’dubbele opzet’.

Het onder 3 primair ten laste gelegde medeplichtigheid aan een poging tot (opzet)witwassen in vereniging is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

4.3.4

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde

Onder 4 is [verdachte] deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld in artikel 140 Sr, ten laste gelegd.

Volgens bestendige jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Voor het bewijs van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven, zal o.a. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Er is sprake van deelnemen aan de organisatie indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

De bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 4

De rechtbank heeft hiervoor reeds bewezen verklaard dat Malki zich op 30 november 2016 en 6 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een poging tot witwassen in vereniging en zich op 7 januari 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen.

Uit het dossier kan de volgende werkwijze worden vastgesteld.

Een verkoper plaatst op Marktplaats een advertentie waarin hij een goed te koop aanbiedt en vermeldt daarbij zijn telefoonnummer. [medeverdachte 1] reageert via WhatsApp op deze advertentie en bericht dat hij interesse heeft in het aangeboden goed. Hij gebruikt daarbij de naam van een andere persoon. Vervolgens komen [medeverdachte 1] en de koper een bedrag overeen. [medeverdachte 1] wekt op slinkse wijze het vertrouwen van de koper door hem via WhatsApp een kopie van een identiteitsbewijs en/of bankpasje (op naam van die andere persoon of van diens vrouw) toe te sturen. [medeverdachte 1] vraagt de verkoper een afbeelding van zijn identiteitskaart en bankpas terug te sturen. [medeverdachte 1] deelt mee dat hij het overeengekomen bedrag wil betalen via zijn zakelijke bankrekening en dat de verkoper deze betaling moet bevestigen. De verkoper laat zich door [medeverdachte 1] instrueren om de betaling te bevestigen. Op deze wijze ontfutselt [medeverdachte 1] alle noodzakelijke gegevens voor het mobielbankierenaccount van de verkoper. [medeverdachte 1] kan hierdoor het mobielbankierenaccount van de verkoper activeren op zijn telefoon en daarmee toegang krijgen tot de bankrekening van de verkoper. [medeverdachte 1] is in staat om, zonder toestemming van de verkoper, geldbedragen over te schrijven naar de bankrekening van een door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] of [verdachte] geronselde katvanger. Deze katvangers hebben hun rekening, bankpasje en pincode tegen een geringe vergoeding ter beschikking gesteld. Bedragen die door [medeverdachte 1] worden overgeschreven worden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] of [verdachte] en zij komen op deze manier in het bezit van het van de bankrekening overgemaakte geld. Ook betaalt [medeverdachte 1] vanaf de bankrekening van de verkoper goederen die hij online bestelt bij onder meer de Mediamarkt en BCC, waarbij hij laat weten dat de goederen opgehaald zullen worden. De online bestelde goederen worden kort na de bestelling opgehaald door [medeverdachte 2] of een door [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] geregelde katvanger.

[medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben aldus een faciliterende rol gespeeld bij het in het handen krijgen van de door (internet)oplichting verkregen geldbedragen en goederen.

Uit de bij de oplichting van de aangevers gevolgde werkwijze leidt de rechtbank af dat sprake was van een van tevoren afgesproken taakverdeling. In het kader van die werkwijze vonden in een kort tijdsbestek de volgende handelingen plaats:

- contact leggen met een aanbieder naar aanleiding van een advertentie op Marktplaats;

- overhalen/betalen van een katvanger;

- regelen van de pas en bijbehorende pincode;

- verkrijgen van de inloggegevens van de aanbieder;

- overboeken van het geld van de rekening van de aanbieder naar de katvangersrekening;

- informeren van mededaders dat het geld op een rekening is gestort;

- binnen een uur (laten) opnemen van het geld, of

- bestellen van goederen bij webwinkels en het en het (laten) afhalen van die goederen.

Deze handelingen duiden op een samenwerkingsverband, waarbij de rollen van de deelnemers niet gelijk waren. Er bestond een bepaalde hiërarchie binnen het samenwerkingsverband, waarbij [medeverdachte 1] telkens de initiatiefnemer van de oplichtingen was en ook het contact met de aanbieders op Marktplaats onderhield. Voor het regelen van de benodigde bankpasjes en het pinnen van het geld van de rekeningen schakelde [medeverdachte 1] zijn medeverdachten [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in. Het bewijs voor deze handelingen worden op onderdelen ondersteund door meerdere tapgesprekken (tussen enerzijds [medeverdachte 1] en anderzijds [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) en door verklaringen van katvangers die hun bankpas ter beschikking hebben gesteld.

Uit de tapgesprekken kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] veelvuldig met elkaar contact hebben. Op verzoek van [medeverdachte 1] heeft [verdachte] een “R-tje” (bankpas Rabobank), SNS bankpas of “I” (bankpas van de ING Bank) van een katvanger geregeld. Daarnaast heeft [verdachte] een katvanger geregeld om te pinnen. Ook kan uit de tapgesprekken worden afgeleid dat [verdachte] de opnamelimiet van de bankpas heeft verhoogd voorafgaand aan het pinnen, zodat het maximale bedrag van de bankrekening kan worden gepind. Verder wordt in de tapgesprekken gesproken over: “Er staat 20 (€ 20.000,--) op”, “Ik heb er R met meer dan 10 snoepjes (Rabobank rekening met € 10.000,--)” en “Ben je actief” (ben je bezig met oplichten). Voorts blijkt uit de tapgesprekken dat Malki de persoon is die een koper probeert te vinden voor de televisie en het goud waarvan hij wist dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren.

De verdachten hebben rond de tijdstippen van de individuele oplichtingen steeds nauw contact met elkaar en stemmen met elkaar af hoe te handelen voor en na de oplichtingen.

De verklaring van [verdachte]

heeft bekend dat hij een bankpas heeft geregeld. Ook heeft hij bekend dat hij samen met [medeverdachte 1] in de auto zat terwijl er werd gepind door de door hem geregelde katvanger. [verdachte] heeft van het gepinde geld het grootste gedeelte aan [medeverdachte 1] gegeven, een deel aan de door hem geregelde katvanger en een deel zelf gehouden.

Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij steeds op het verzoek van [medeverdachte 1] om bankpasjes te regelen is ingegaan omdat [medeverdachte 1] hem geld verschuldigd was en hij [medeverdachte 1] op deze manier naar hem toe kon lokken.

De verklaring van [verdachte] dat hij enkel op de berichten van [medeverdachte 1] in ging om hem te lokken, stelt de rechtbank op basis van het voren overwogene als ongeloofwaardig terzijde.

Uit het vorenstaande blijkt dat de samenwerking een duurzaam en gestructureerd karakter had, dat [verdachte] behoorde tot dit samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad en ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Malki regelde bankpassen, katvangers en zocht een koper voor een televisie en goud waarvan hij wist dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat Malki wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven.

Conclusie

Op grond van het voren overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] deel heeft uitgemaakt van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, ID-fraude, computervredebreuk en het witwassen van het daarmee verkregen geld.

Het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’

De officieren van justitie hebben ten aanzien van het onderdeel ‘en/of één of meer andere personen’ bij feit 4 ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat niet tot bewezenverklaring gerekwireerd wordt. De rechtbank leidt uit het standpunt van de officieren van justitie af dat het niet de bedoeling van het Openbaar Ministerie is (geweest) om de deelneming aan een criminele organisatie van meer personen dan de drie genoemde personen (naast verdachte [verdachte] ) ten laste te leggen. Om deze reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van dit onderdeel.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 7 januari 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van een voorwerp te weten een geldbedrag (€ 1.000,--) (afkomstig van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ) heeft verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was en heeft verborgen en verhuld wie dat geldbedrag voorhanden had en dat geldbedrag heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2. primair

[medeverdachte 1] op 30 november 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om van een voorwerp, te weten een televisie (met een waarde van 4999 euro), te verhullen wie de rechthebbende op die televisie was en te verbergen en te verhullen wie die televisie voorhanden zou hebben en die televisie te verwerven en voorhanden te hebben, terwijl zij wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

- in een gehuurde auto naar de vestiging van Media Markt in Heerlen zijn gereden en

- gedurende die rit afspraken met zijn medeverdachten heeft gemaakt over het transport van die televisie en

- zich bij de Media Markt in Heerlen hebben gelegitimeerd, teneinde die televisie te kunnen meenemen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid, tot en bij die poging tot dat misdrijf hij (verdachte) op 30 november 2016 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door aan die [medeverdachte 1] te vertellen een heler/koper voor die televisie te zoeken en/of te hebben;

3. primair

[medeverdachte 1] op 06 januari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om van een voorwerp, te weten een hoeveelheid goud (met een waarde van ongeveer 23.000 euro), te verhullen wie de rechthebbende op dat goud was en te verbergen en te verhullen wie dat goud voorhanden zou hebben en dat goud te verwerven, voorhanden te hebben en over te dragen, terwijl zij wisten dat dat voorwerp geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

- bij de [winkel] dat goud heeft besteld en betaald met geld dat daarvoor wederrechtelijk was verkregen en

- afspraken met de [winkel] heeft gemaakt teneinde die hoeveelheid goud op te halen,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid,

tot en bij die poging tot dat misdrijf hij, verdachte op 6 januari 2017 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door in telefoongesprekken met die [medeverdachte 1] aan te geven een koper te hebben voor dat goud en/of zelf dat goud te zullen kopen;

4.

hij in de periode van 22 november 2016 tot en met 6 februari 2017 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (oplichting, computervredebreuk, witwassen en één ander misdrijf).

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 48, 140 en 420bis Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van witwassen;

feit 2 primair en feit 3 primair

telkens het misdrijf: medeplichtigheid aan een poging tot witwassen in vereniging;

feit 4

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn gelet op bijzondere omstandigheden. De officieren van justitie hebben wel acht geslagen op het lange tijdsverloop sinds de inverzekeringstelling en hebben hier rekening mee gehouden in de strafeis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van witwassen, medeplichtigheid aan pogingen tot witwassen in vereniging en aan deelname aan een criminele organisatie.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft zich op geraffineerde en gewetenloze wijze schuldig gemaakt aan Marktplaats oplichtingen. [verdachte] vormde een belangrijke schakel in het geheel aan handelingen die tot het bewezen verklaard medeplegen vane witwasse, medeplichtigheid aan pogingen tot witwassenn en deelname aan de criminele organisatie hebben geleid. [verdachte] is degene die samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , voorafgaand aan de oplichting door [medeverdachte 1] , katvangers ronselde die tegen een geringe vergoeding hun bankrekening, bankpas en pincode ter beschikking stelden. Zo nodig lieten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] katvangers voorafgaand aan het pinnen hun opnamelimieten verhogen. Deze katvangers waren vaak kwetsbare personen met financiële problemen die de vergoeding goed konden gebruiken en de gevolgen voor lief namen. Bedragen die werden overgeschreven door [medeverdachte 1] werden direct na de overschrijving contant opgenomen bij een pinautomaat door [verdachte] of door een van de medeverdachten. Indien er geen bankpas van een katvanger beschikbaar was werden door [medeverdachte 1] goederen besteld die door hem werden betaald vanaf de bankrekeningen van aangevers. Bestelde goederen werden doorgaans door leden van de criminele organisatie opgehaald, soms schakelden zij daar een ander voor in. Vervolgens werd door Malki een koper voor deze goederen gezocht. Dit alles vereiste een strakke organisatie waarbij de leden van de criminele organisatie vrijwel constant met elkaar in verbinding stonden.

[verdachte] heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor de personen die hun bankrekening ter beschikking stelden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van [verdachte] van 6 oktober 2020, waaruit blijkt dat hij recent niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank neemt in aanmerking de inhoud van de over [verdachte] opgemaakte reclasseringsrapportages van 8 februari 2018 en 7 oktober 2020. Hieruit blijkt dat criminogene factoren waren een gokverslaving, invloeden vanuit het criminele circuit, dagbesteding en houding. Om zijn zelfinzicht, probleembesef en -oplossend vermogen te vergroten heeft [verdachte] een behandeling bij Terwille verslavingszorg gevolgd, welke hij positief heeft afgerond. Vanwege de inspanningen die [verdachte] heeft gedaan rondom de begeleiding en behandeling, met verbeterd functioneren tot gevolg, ziet de reclassering geen toegevoegde waarde in reclasseringsbemoeienis.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat de rol van [verdachte] in de organisatie beperkter was dan die van de medeverdachten en gelet op het feit dat hij een stabiel leven leidt en zijn gokverslaving onder controle heeft, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officieren van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf passend en geboden.

De redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 6 februari 2017, de dag dat [verdachte] in verzekering is gesteld. Op 23 mei 2017 heeft een pro forma zitting plaatsgevonden en op 10 december 2019 een regiezitting. Op 27 oktober 2020 is de inhoudelijke behandeling aangevangen en de rechtbank doet uitspraak op 17 december 2020. De totale tijdsduur van deze zaak bedraagt dus ruim drie jaren en tien maanden. Een deel van deze tijdsduur, door de rechtbank begroot op tien maanden, is toe te schrijven aan de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris. De redelijke termijn is dan ook met één jaar overschreden. De rechtbank zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat door de straf te verminderen met 10%.4

In beginsel acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden, maar de rechtbank zal, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn een strafvermindering van 24 uren toepassen en [verdachte] veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 216 uren en daarnaast zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan 72 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaren opleggen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van witwassen;

feit 2 primair en feit 3 primair

telkens het misdrijf: medeplichtigheid aan een poging tot witwassen in vereniging;

feit 4

het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 72 (tweeënzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 216 (tweehonderdzestien) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 108 (honderdacht) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. H. Stam en mr. D. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Greven-Diepenmaat en mr. S.R. Kuiper, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2020.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen. In het geval wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreffen dit pagina’s uit het dossier van [verdachte] van de Politie Eenheid Oost-Nederland. Per bewijsmiddel wordt het betreffende subdossier aangeduid. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een tapgesprek, betreft dit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° Sv, te weten een schriftelijke weergave van een telefoongesprek waarvan de kenmerken worden vermeld – voor zover van toepassing – namelijk datum, tijdstip, sessienummer en paginanummer.

Feit 1

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 13 januari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. pag. 11214 tot en met 11216 van het subdossier MO02 PL0600-2017059580

(Map 17);

Ik ben op 6 januari 2017 door [naam 4] , met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , benaderd op WhatsApp nadat ik een advertentie op Marktplaats had geplaatst waarin ik een trompet te koop had gezet. We kwamen een bedrag overeen en spraken af dat ik het product zou opsturen. Vervolgens heb ik mijn rekeningnummer, te weten [rekeningnummer 2] , naar de man gestuurd. Vervolgens stuurde hij mij een foto van een bankpas op naam van Mellee met rekeningnummer [rekeningnummer 3] . Hij stuurde: ‘M’n vrouw heeft Rabobank zakelijk rekening’. Ook vroeg hij mij een foto te maken, zodat hij er zeker van was dat het goed zou komen. Daarna zou hij het geld overmaken. Hierop heb ik een foto gemaakt en verstuurd. Op 7 januari 2017 stuurde hij dat hij het nu ging overmaken. Hij vroeg mij de zakelijke betaling te bevestigen. Als ik dat zou doen, zou het bedrag direct op mijn rekening staan. Ik moest de betaling bevestigen omdat hij het geld via zakelijk mobiel bankieren zou overmaken. Hij vroeg of ik een Rabobank scanner had. Vervolgens zag ik dat hij mij een QR-code had gestuurd. Hij legde mij uit wat ik moest doen. Hierop heb ik drie keer de QR-code laten lezen via mijn Rabobank scanner. De codes heb ik toen opgestuurd naar de man. De man zei dat het geld zou worden overgemaakt op mijn rekening en dat dit bevestigingscodes betroffen. Later stuurde de man dat het geld in verwerking stond. Hij vroeg mij € 0,01 over te maken omdat mijn rekening dan bekend zou zijn en het geld direct zou worden bijgeschreven. Ik moest dit bedrag overmaken naar [rekeningnummer 1] . Dit heb ik toen gedaan. Ik zag later dat er

€ 1.000,-- was overgemaakt naar voornoemd rekeningnummer.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 oktober 2020, voor zover inhoudende de verklaring die [verdachte] heeft afgelegd, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik een bankpasje heb geregeld. Ik wist dat er geld op het bankpasje zou komen te staan. Het klopt dat het ging om de rekening van de broers [naam 7] en [naam 6] [familienaam] . Ik heb de bankpas aan [medeverdachte 1] gegeven. Vervolgens heb ik de bankpas teruggegeven aan de broers. Zij hebben toen € 1.000,-- gepind. Ik heb € 700,-- aan [medeverdachte 1] gegeven. Ik kreeg € 300,-- waarvan ik € 150,-- aan de broers moest geven.

Het kan best zijn dat vaker aan mij is gevraagd of ik bankpasjes wilde regelen. Wanneer [medeverdachte 1] mij vroeg of ik wat voor hem wilde regelen, zei ik daarop ‘ja’ zodat hij naar mij toe zou komen.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 6] [familienaam] van 20 februari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11338 en 11339 van het subdossier MO02 PL0600-2017059580 (Map 17):

Ik heb samen met mijn broer [naam 7] geld moeten pinnen voor iemand. Er werd gevraagd of er geld op onze rekening mocht worden gezet. Ik zou het er dan weer af moeten halen en dan zou ik er € 150,-- voor krijgen. Wij zijn toen naar de Rabobank in de wijk Boswinkel gegaan. Daar stond een auto met daarin drie personen. Ik zag dat het buitenlandse jongens waren. Ze moesten mijn bankpasje hebben omdat daar het rekeningnummer op stond. Even later kreeg ik mijn bankpasje weer terug en moest ik € 1.000,-- pinnen. Ik heb dat toen gedaan. Verderop heb ik de € 1.000,-- aan een van de mannen die achter het stuur zat gegeven. Die gaf het geld aan de man naast hem. Ik kreeg € 150,--.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 7] [familienaam] van 20 februari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11333 tot en met 11335 van het subdossier MO02 PL0600-2017059580 (Map 17):

Over de oplichting van een persoon op 7 januari 2017 kan ik het volgende verklaren. Ik moest van iemand € 1.000,-- op mijn rekening laten storen. Mijn rekening is geblokkeerd. Daarom zei ik dat mijn broer [naam 6] het wel wilde. Die zat naast mij. Wij gingen toen naar de wijk Boswinkel. De jongen heet [naam 11] . [naam 11] is een Turk. Er was ook nog een andere buitenlandse jongen. Ze zaten in een auto. Mijn broer heeft toen € 1.000,-- gepind en het geld aan [naam 11] gegeven. Hij kreeg daar toen € 150,-- voor.

Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 20 februari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11331 van het subdossier MO02 PL0600-2017059580 (Map 17):

Tijdens de verhoren van [naam 6] en [naam 7] [familienaam] op 20 februari 2017 is aan hen een formulier getoond met daarop vier foto’s van mannenhoofden. Foto twee betreft de politiefoto van [verdachte] . Foto vier betreft de politiefoto van [medeverdachte 1] . Door [naam 6] [familienaam] is foto twee en vier aangewezen als zijnde de mogelijke personen door wie het geld op 7 januari 2017 uit de geldautomaat is gepind. Door [naam 7] [familienaam] is foto twee aangewezen als zijnde de persoon die hem telefonisch had gevraagd om een bankrekening ter beschikking te stellen om daarop geld te kunnen storten en vervolgens het geld uit de geldautomaat te pinnen op 7 januari 2017.

Feit 2

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 1 december 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11922 tot en met 11926 van het subdossier MO03 PL0600-2016604519 (Map 18):

Ik ben op 28 november 2016 door [naam 8] , met telefoonnummer [telefoonnummer 3] , benaderd op WhatsApp nadat ik een advertentie op Marktplaats had geplaatst waarin ik een DVD recorder te koop had gezet. We kwamen een prijs overeen. [naam 8] vertelde mij dat zijn vrouw een zakelijke rekening heeft. Hij stuurde mij een foto van een bankpas met daarop de naam [naam 9] , rekeningnummer [rekeningnummer 4] . Ik stuurde vervolgens een foto van mijn bankpas op naam van [naam 12] met rekeningnummer [rekeningnummer 5] . [naam 8] vroeg mij toen of ik de zakelijke betaling kon bevestigen, daarna zou het geld direct op de rekening staan. [naam 8] zei tegen mij dat ik de edentifier bij de hand moest hebben, mijn pas erin moest steken, op één moest drukken en mijn pincode moest intoetsen. Daarna zou ik een bevestigingsnummer in beeld krijgen. Deze diende ik aan [naam 8] door te geven. Dit heb ik vervolgens gedaan. Daarna moest ik herbevestigen door nogmaals hetzelfde te doen. Ik gaf wederom een bevestigingsnummer aan [naam 8] door. [naam 8] zei mij toen dat hij een verkeerd rekeningnummer had ingetoetst. Ik moest de betaling opnieuw bevestigen. Dit heb ik weer gedaan, op dezelfde manier. Daarna heb ik herbevestigd. [naam 8] zei dat hij een melding kreeg met ‘ter controle opnieuw’. Hij zei tegen mij dat ik de pas erin moest doen, op twee moest klikken en de pin moest invoeren. Ook vroeg hij om het bevestigingsnummer. Ik heb de stappen opgevolgd en hem de bevestigingscode gegeven. Hierna moest ik dit alles nogmaals, voor de laatste keer, doen. Dit heb ik gedaan. [naam 8] zei toen tegen mij dat het was mislukt. Ik heb toen weer een aantal keer de stappen opgevolgd en het bevestigingsnummer aan [naam 8] doorgegeven. Later hoorde ik van een medewerker van de bank dat er € 4.999,-- was overgemaakt naar de Media Markt. Er bleek een televisie te zijn besteld.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 7 februari 2017 zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11049 van het persoonsdossier van [verdachte] (Map 17):

Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 4] .

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 6 april 2017, zakelijk weergegeven, voor zover van belang, inhoudende op pag. 14439 van het subdossier MO02 PL0600-2016577902 (Map 21):

Ik kan u verklaren dat het genoemde nummer (rechtbank: [telefoonnummer 5] ) eindigend op [telefoonnummer 5] mijn eigen telefoonnummer is.

Een tapgesprek met sessienummer 20251, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11988 van het subdossier MO03 PL0600-2016604519 (Map 18):

Datum: 30 november 2016 om 12:18 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 5] heeft een televisie gekocht van 5 kop (opm.verbalisant 5000 euro) en deze staat klaar bij de Mediamarkt in Heerlen, alleen is deze zo groot dat ie niet in een auto past. Er wordt gesproken over hoe ver het rijden is en hoe ze de televisie moeten gaan vervoeren.

Er gaan nog 2 personen mee om de TV op te halen, de TV is 1.63 lang. Bij Bo-Rent kost de borg 300 euro en geen kilometers vrij.

Een tapgesprek met sessienummer 20349, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11989 van het subdossier MO03 PL0600-2016604519 (Map 18):

Datum: 30 november 2016 om 12:28 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

Er wordt gesproken over de bestelbus waarmee ze de TV op gaan halen.

[telefoonnummer 4] : vraagt aan [telefoonnummer 5] aan wie die de TV weg gaat doen.

[telefoonnummer 5] : zegt aan T voor 2 kop.

[telefoonnummer 4] : weet misschien wel iemand anders. Hij gaat het navragen.

Een tapgesprek met sessienummer 20879, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11991 van het subdossier MO03 PL0600-2016604519 (Map 18):

Datum: 30 november 2016 om 13:54 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij een bus heeft gehuurd bij Bo-Rent voor 54 euro, 250 euro borg en 250

kilometer vrij en daarna 12 cent per kilometer.

Een tapgesprek met sessienummer 21966, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 11999 van het subdossier MO03 PL0600-2016604519 (Map 18):

Datum: 30 november 2016 om 17:43 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 4] vraagt waar [telefoonnummer 5] is. [telefoonnummer 5] zegt op de terugweg. [telefoonnummer 4] vraagt of het niet gelukt is. [telefoonnummer 5] zegt dat het weer niet gelukt is.

[telefoonnummer 4] vraagt wie er bij waren dan. Eentje was er door [telefoonnummer 4] geregeld. [telefoonnummer 4] moet raden wie dat is: hij noemt de naam [naam 13] . Die was het niet aldus [telefoonnummer 5] .

[telefoonnummer 4] noemt de naam [naam 14] . Beaamt dat, en dat er nog iemand bij was. Die andere is [naam 15] (fonetisch).

[telefoonnummer 5] zegt dat de politie kwam. [telefoonnummer 5] zegt dat hij had gevraagd aan degene die naar binnen ging om de telefoonlijn open te laten staan, zodat [telefoonnummer 5] vanuit de auto alles mee kon luisteren. De personen binnen gingen met iemand van de MediaMarkt in een lift die uitkwam in een kamertje, en daar was de politie. De politie had tegen [naam 15] en [naam 14] gezegd dat ze deze truc wel kenden. [telefoonnummer 5] zegt dat ze tegen kwart voor 8 thuis zijn, ze bellen elkaar.

Feit 3

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 6 januari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12315 en 12326 van het subdossier MO03 PL0600-2017024843 (Map 19);

Ik ben op 6 januari 2017 door een persoon, met telefoonnummer [telefoonnummer 2] , benaderd op WhatsApp nadat ik een advertentie op Marktplaats had geplaatst waarin ik een radio te koop had gezet. Ik liet de persoon weten dat ik er € 50,-- exclusief verzendkosten voor vroeg. De persoon melde dat het akkoord was en dat hij direct het geld zou overmaken. De persoon zei mij dat zijn zoon een bedrijfsrekening had bij de ABN Amro en dat hij deze rekening ging gebruiken om te betalen. Vervolgens werd mij gevraagd een foto van mijn bankpas te sturen. Dit heb ik gedaan. Hierna moest ik met mijn bankpas inloggen op internetbankieren van de ABN Amro. De koper vroeg mij of ik de zakelijke rekening wilde bevestigen. Ik vertrouwde het niet. De koper stuurde mij toen een foto van zijn rijbewijs op naam van [naam 10] . Ik heb hierna na aandringen de betaling bevestigd. Ik kwam er daarna achter dat er van mijn rekening ( [rekeningnummer 6] ) € 23.045,38 was overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 7] op naam van [winkel] BV.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 16 januari 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12383 tot en met 12385 van het subdossier MO03 PL0600-2017024843 (Map 19);

Ik ben de eigenaar van [winkel] BV. Ik heb op 6 januari 2017 om 04:21 uur een bestelling met een opvallend bedrag binnengekregen, te weten € 23.045,38. Er was twee keer een goudbaar van 10 troy ounce (311 gram per goudbaar) besteld. De tenaamstellingen van de factuurgegevens en de bankgegevens kwamen niet overeen. De tenaamstelling van de factuur was [medeverdachte 2] . De tenaamstelling van de bankrekening waarmee was betaald betrof [naam 3] . De bestelling is niet in behandeling genomen omdat de bank heeft laten weten dat er sprake van fraude was.

Een tapgesprek met sessienummer 216862, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12399 van het subdossier MO03 PL0600-2017024843 (Map 19):

Datum: 6 januari 2017 om 4:43 uur

Beller: [telefoonnummer 6] , [medeverdachte 2]

Gebelde: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 5] heeft ‘goud’ besteld voor 23 K

[telefoonnummer 6] vraagt 23.000

[telefoonnummer 5] zegt ja

[telefoonnummer 5] zegt dat 09.00 de winkel opengaat

[telefoonnummer 5] zegt dat ze straks moeten gaan

[telefoonnummer 6] zegt hoe laat omdat [medeverdachte 3] de auto heeft

[telefoonnummer 5] zegt dat ie factuurnummer en factuuradres [adres 2] heeft gedaan

[telefoonnummer 5] leest voor ‘goudbar 10, troy voor 23.000, goudwinkel’

[telefoonnummer 6] zegt dat [telefoonnummer 5] toch via een andere rekening heeft betaald, en dat ie er eentje geopend heeft en waarom [telefoonnummer 5] dat niet verteld heeft

[telefoonnummer 5] zegt dat dat niet een R was, maar een ABN

[telefoonnummer 6] vraagt of dat dan wel goed gaat

[telefoonnummer 5] zegt natuurlijk

Een tapgesprek met sessienummer 217839, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12401 en 12402 van het subdossier MO03 PL0600-2017024843 (Map 19):

Datum: 6 januari 2017 om 14:38 uur

Beller: [telefoonnummer 5] : [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] : [verdachte]

[telefoonnummer 5] zegt dat hij voor 23 ‘K’ goud heeft gekocht

[telefoonnummer 4] : heb je het ook al verkocht?

[telefoonnummer 5] : nee die komt dinsdag

[telefoonnummer 4] : het goud, als je dat hebt, dan zal ik die kopen. Alles.

[telefoonnummer 5] : he goud komt dinsdag

[telefoonnummer 4] : als het het is, zeg het me dan. Ik koop alles. 100%

[telefoonnummer 5] : bra, kost 23 ‘K’. Hoeveel geef jij?

[telefoonnummer 4] : Ik geef je... euhh even kijken wat kan

[telefoonnummer 5] : 6… 600... even kijken 662 gram

[telefoonnummer 4] : Ja, hoeveel karaat?

[telefoonnummer 5] : 14.662 gram

[telefoonnummer 4] : ja, ik ga die straks uitrekenen. Ik denk dat ik goede prijs kan geven. Waar je blij van wordt

[telefoonnummer 5] : zeg maar een prijs

[telefoonnummer 4] : ja ik moet gaan uitrekenen. Jij koopt het he, ik koop het ook van jou. Maar ja, jij koopt op niet qua goud maar. Wat heb je gekocht? Zijn het sieraden of wat zijn het?

[telefoonnummer 5] : nee...

[telefoonnummer 4] : of… praat niet vanuit. Ik praat later met jou. Maar ik koop

[telefoonnummer 5] : blok

[telefoonnummer 4] : haa... heb je zo dingen gekocht?

[telefoonnummer 5] : ja twee

[telefoonnummer 5] : twee keer 300 dingen

Een tapgesprek met sessienummer 218049, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12403 van het subdossier MO032 PL0600-2017024843 (Map 19):

Datum: 6 januari 2017 om 17:37 uur

Beller: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 4] : heeft net eten besteld

[telefoonnummer 5] : zegt dat als hij klaar is, [telefoonnummer 4] moet komen, hij heeft wat moois

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij R heeft en deze na het eten kan ophalen

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij eerst beter die andere kan doen, daar pakt ie 4 op

[telefoonnummer 4] : vraagt hoeveel k die was, 14 of 24

[telefoonnummer 5] : zegt 14

[telefoonnummer 4] : vraagt of het blokjes zijn

[telefoonnummer 5] : zegt dat elk blok 330 gram is

[telefoonnummer 4] : zegt dat dat geen 14 kan zijn, maar 24 en dat als het 14 is, [telefoonnummer 5] zwaar opgelicht is

[telefoonnummer 5] : zegt dat het inderdaad 24 karaats is en dat het 99,9 goud is

[telefoonnummer 4] : vraagt hoeveel gram het precies is

[telefoonnummer 5] : zegt dat het per blok precies 311 gram is.

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij er een goede prijs voor wil geven, beter als de winkels.

[telefoonnummer 5] : vraagt wat [telefoonnummer 4] dan geeft

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij voor alles 16 kan geven

[telefoonnummer 5] : zegt dat dat 8 kop minder is

[telefoonnummer 4] : zegt 7 kop minder

[telefoonnummer 4] : zegt dat ze naar de winkel kunnen gaan om te kijken wat ze daar geven

[telefoonnummer 4] : vraagt of [telefoonnummer 5] I gebeld heeft

[telefoonnummer 5] : zegt dat ie betaald heeft, I wel, S niet

Ze zien elkaar zo

Een tapgesprek met sessienummer 222723, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12404 en 12405 van het subdossier MO03 PL0600-2017024843 (Map 19):

Datum: 7 januari 2017 om 13:30 uur

Beller: [telefoonnummer 5] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 4] : Ja hij moet kopen, als hij niet koopt is het ook een beetje (onverstaanbaar). Ik heb iets moois voor ons geregeld. Hee wacht even luister.

[telefoonnummer 5] : Hé?

[telefoonnummer 4] : Die ding die jij dinsdag krijgt is dat zeker?

[telefoonnummer 5] : Bra een miljoen procent zeker.

[telefoonnummer 4] : Maar dat moet je ophalen daar?

[telefoonnummer 5] : Bra, ik heb alles (ntv) alles voor jou.

[telefoonnummer 4] : Heb je gewoon daar met pin betaald?

[telefoonnummer 5] : Ja, is betaald bra. Ja. Je weet wel, normaal doen wij, we halen zelf op/ nemen zelf.

[telefoonnummer 4] :Ja?

[telefoonnummer 5] : Maar nee. We hebben gezet en we hebben daar betaald. Je weet wel wat ik bedoel toch?

[telefoonnummer 4] : Ja ik weet, ik weet. Ik weet.

[telefoonnummer 5] : Is toch, (ntv) nog meer.

[telefoonnummer 4] : Ja en dinsdag komt ie he?

[telefoonnummer 5] : Dinsdag.

[telefoonnummer 4] : Wat wil je voor hebben? Dan ga ik even kijken

[telefoonnummer 5] : Ja, bra echt ik zeg je eerlijk. Ik ga eerst gewoon naar normale normale winkel, bij Texaco daarachter. Ik kijk...Hij geeft

beste prijzen. We kijken wel bra.

[telefoonnummer 4] : Ja en luister als je naar hem toe bent gegaan?

[telefoonnummer 5] : Ja? Wij gaan samen. Wij gaan samen.

[telefoonnummer 4] : Ja ik wil met jou mee. Ik koop hem sowieso. Niet aan hem verkopen. Ik koop hem 100%.

[telefoonnummer 5] : Ja moet je meer bieden.

[telefoonnummer 4] : Ja ga jezelf neuken, (ntv)

Feit 4

In aanvulling op de bewijsmiddelen zoals hiervoor genoemd onder 2, 9, 10, 11, 12, 15, 16, 17 en 18:

Een tapgesprek met sessienummer 18803, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12768 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 29 november 2016 om 17:32 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 5] : heb je r nu?

[telefoonnummer 4] : eeeeeeeeeeeuuuuuuuhhhh ja

[telefoonnummer 5] : fiks het snel bro

[telefoonnummer 5] : fiks nu die kanker r even snel

Een tapgesprek met sessienummer 28735, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12772 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 1 december 2016 om 17:58 uur

Beller: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 5] : He, luister, er staat 20 op R. Aub, tekst nu, nu nu nu

[telefoonnummer 4] : S, Ik S?

[telefoonnummer 5] : R, R, R, ik zweer het, er staat 20 op. Ik heb die geopend. Hup, snel bra. Ik heb die geopend, ik nog (ntv).

[telefoonnummer 5] : Jij hebt toch die ene?

[telefoonnummer 4] : Van die junk?

[telefoonnummer 5] : Ja pak hem snel, (ntv) 20. Aub, snel.

[telefoonnummer 4] : Ja ik kan nu niet, ik ben bij mijn ouders

[telefoonnummer 5] : Ik ken ook wel iemand die heeft

[telefoonnummer 5] : Ja euh G

[telefoonnummer 4] : Wie is G?

[telefoonnummer 4] : [naam 16] /(fon)?

Een tapgesprek met sessienummer 28735, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12773 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 3 december 2016 om 23:06 uur

Beller: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 5] : vraagt of [telefoonnummer 4] geen vrienden heeft die ING of SNS heeft.

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij via zijn ouders SNS kan sturen en via Maria ING

[telefoonnummer 4] zegt dat Murat volgens hem SNS

[telefoonnummer 5] : vraagt of [telefoonnummer 4] toch niet met Murat is, en [telefoonnummer 5] zegt dat [telefoonnummer 4] toch geld nodig heeft.

Een tapgesprek met sessienummer 58843, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12774 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 5 december 2016 om 18:36 uur

Beller: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 5] : zegt he ik heb R

[telefoonnummer 4] : zegt ja

[telefoonnummer 5] : zegt ik heb nou R met meer dan 10 snoepjes

[telefoonnummer 4] : zegt waar ben je dan kom ik snel naar je toe

[telefoonnummer 5] : zegt rij maar naar [adres 3] huis van [naam 17]

[telefoonnummer 4] : zegt ja ik ben al onderweg

[telefoonnummer 5] : zegt snel

Een tapgesprek met sessienummer 86043, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12775 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 11 december 2016 om 16:14 uur

Beller: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 5] : zegt goud

[telefoonnummer 4] : zegt nu

[telefoonnummer 5] : zegt goud

[telefoonnummer 4] : zegt he R

[telefoonnummer 5] : zegt ja nu

[telefoonnummer 4] : zegt ja van waar ik weet niet wat die man nu heeft.

[telefoonnummer 5] : zegt toch die ene jongen die je 50 euro heb betaalt

[telefoonnummer 4] : zegt die kanker junk die zie ik niet meer terug zeg ik je

[telefoonnummer 5] : zegt als het gefixd is laat me het weten ja

Een tapgesprek met sessienummer 95439, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12776 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 14 december 2016 om 13:27 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 4] : He luister, ik heb ook dinges he, een paar stuks.

[telefoonnummer 5] : (wha) onverstaanbaar

[telefoonnummer 4] : R

[telefoonnummer 5] : Ja komt goed

Een tapgesprek met sessienummer 102136, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12777 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 16 december 2016 om 17:56 uur

Beller: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

Gebelde: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

[telefoonnummer 4] : zegt ben je actief

[telefoonnummer 5] : zegt ik ben met anderhalf uur thuis en dan gelijk actief

[telefoonnummer 4] : zegt ja

[telefoonnummer 5] : zegt ik bel je je hebt er eentje he

[telefoonnummer 4] : zegt ja

Een tapgesprek met sessienummer 143211, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12778 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 23 december 2016 om 22:22 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij 'R' nodig heeft maar niet 'R' die zij hebben. Hij spelt Regio.

[telefoonnummer 4] : zegt aaahhh die.

[telefoonnummer 5] : zegt 15.

[telefoonnummer 4] : heeft die niet. Mag ook SNS Die heeft hij wel. Dat mag ook.

[telefoonnummer 4] : vraagt of het gelijk komt. Binnen twee uurtjes zegt [telefoonnummer 5] .

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij nu die gaat bellen. Moet wel met internetbankieren zegt [telefoonnummer 5] .

[telefoonnummer 4] : gaat het regelen.

Een tapgesprek met sessienummer 143363, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12779 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 23 december 2016 om 22:32 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 4] : vraagt hoeveel kan.

[telefoonnummer 5] : zegt kan 5 eraf. Is met ‘I’ bankier.

[telefoonnummer 4] : denkt van wel. 'Hij gaat die ding ophalen om te maken.

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij ook die app moet hebben anders kan het niet.

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij twee stuks gaat ophalen.

[telefoonnummer 5] : wil weten of hij ook die kastje heeft. Ja die haalt hij nu op zegt [telefoonnummer 4] . Welk kastje. Die

'S' toch. Ja.

[telefoonnummer 4] : zegt dat 5 wel weinig is. [telefoonnummer 5] : zegt dat er niet meer vanaf gehaald kan worden.

[telefoonnummer 4] : vraagt hoe [telefoonnummer 5] het wil doen.

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij die ding maar moet regelen en dan moet komen. Is goed.

Een tapgesprek met sessienummer 145218, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12780 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 23 december 2016 om 23:40 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 4] : moet die 'R' regelen.

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij hem bij zich heeft.

[telefoonnummer 5] : wil weten of alles al omhoog is. Dat bevestigt [telefoonnummer 4] . Dat heeft [telefoonnummer 4] net zelf gedaan.

Een tapgesprek met sessienummer 203112, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12781 van het subdossier Criminele organisatie (map 20):

Datum: 4 januari 2017 om 22:45 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 1] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 5] : vraagt of [telefoonnummer 4] direct R kan regelen

[telefoonnummer 5] : zegt dat er meer dan 15 opstaat, maar dat zij niet wil.

[telefoonnummer 5] : zegt dat "zij" heeft gezegd dat zij overdag wil, en [telefoonnummer 5] heeft gezegd dat overdag of nu hetzelfde is, de garantie is 5, en die andere doe je spoed, doe je morgenvroeg. "Zij" zei dat ze een beetje bang was, [telefoonnummer 5] zegt dat ze dan op moet donderen.

[telefoonnummer 5] : zegt dat [telefoonnummer 4] proberen te regelen

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij wel wat kan regelen met een meisje waar hij bij in de klas zat

[telefoonnummer 5] : zegt dat hij haar nu moet bellen

Een tapgesprek met sessienummer 12739, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 12785 van het subdossier criminele organisatie (Map 20):

18-1-17 21:03

Datum: 18 januari 2017 om 21:03 UUR

Beller: [telefoonnummer 4]

Gebelde: [telefoonnummer 7] , vrouw, S. [verdachte]

[telefoonnummer 7] : ha

[telefoonnummer 4] : Waar ben jij?

[telefoonnummer 7] : Ik rij naar huis toe.

[telefoonnummer 4] : Ja luister wil je geld verdienen?

[telefoonnummer 7] : Geld verdienen?

[telefoonnummer 4] : ehh

[telefoonnummer 7] : Hoe dan?

[telefoonnummer 4] : Jouw kaartje, euh.. praat nu niet...euuh.. jouw kaartje. Weet je wel welke? Niet die van Duitsland maar die van Nederland. Je hebt hetzelfde als die van mij, toch?

[telefoonnummer 7] : Ja.

[telefoonnummer 4] : Iemand stuurt geld. Jij krijgt daarvan 3.000 Echt. Gewoon de helft. Als je die niet gebruikt, dan kun je dat doen. Gebeurt niks. Echt.

[telefoonnummer 7] : Stuurt geld naar mijn rekening?

[telefoonnummer 4] : Ja. En je krijgt 3.000

[telefoonnummer 7] : Hij moet maar sturen.

[telefoonnummer 4] : Ja, maar wordt...die gaat dan verloren he. Dus je kunt die niet meer gebruiken, daarna.

796: Hoe?

[telefoonnummer 4] : Gebruik je die nog?

[telefoonnummer 7] : Mijn Nederlandse bankpasje?

[telefoonnummer 4] : Ja, praat niet zo, shit.

[telefoonnummer 7] : Hmm ja ja ik gebruik die.

[telefoonnummer 4] : Maar heb je die veel nodig of kan je naar een andere gaan

[telefoonnummer 7] : Nee, ik krijg wel inkomen erop maar, stuur maar erop is niet erg.

[telefoonnummer 4] : eh waar ben je nu

[telefoonnummer 7] : Ik ben met een klein 10 minuutjes kwartiertje thuis

[telefoonnummer 4] : Ja waar ben je precies, dat ik weet dan kan ik ongeveer jou kant op, niet thuis, niet thuis daarom

[telefoonnummer 7] : O ja ik rij naar huis toe

[telefoonnummer 4] : Ja is goed wacht even. Rij maar naar uhh schoolplein daar, bij die schoolpleintje. Je weet toch waar Samir zijn oma woont. Kom maar daar heen. Dan kom ik naar jou toe.

[telefoonnummer 7] : Oh ok dan rij ik daar heen

[telefoonnummer 4] : Ok doei

Een tapgesprek met sessienummer 26445, zakelijk weergegeven, inhoudende op pag. 26445 van het subdossier criminele organisatie (Map 20):

Datum: 31 januari 2017 om 21:03 uur

Beller: [telefoonnummer 4] , [verdachte]

Gebelde: [telefoonnummer 7] , [medeverdachte 1]

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij de helft wel kan geven.

[telefoonnummer 7] : wil alles hebben omdat hij [naam 18] ook moet betalen.

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij aan [naam 19] huur moet betalen.

[telefoonnummer 7] : zegt dat [telefoonnummer 4] actief moet gaan.

[telefoonnummer 4] : zegt dat hij actief is en vol. Hij heeft meer dan 15.

1 De rechtbank heeft [medeverdachte 1] veroordeeld voor oplichting van [naam 1] .

2 De rechtbank heeft [medeverdachte 1] veroordeeld voor oplichting van [naam 2] .

3 De rechtbank heeft [medeverdachte 1] veroordeeld voor oplichting van [naam 3] .

4 Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.