Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4263

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
08-226122-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klaagschrift op grond van artikel 552a Wetboek van Strafvordering. De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klaagschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Enkelvoudige raadkamer

Parketnummer: 08-226122-19

Klaagschriftnummer: 20/9096

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verder te noemen: verzoeker,

voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende aan voorheen de

Laan op Zuid 202 (3071 AA), nu Levie Vorstkade 9, 3071 AG

Rotterdam ten kantore van De Haan Bommer Advocaten.

1 Het verloop van de procedure

Het klaagschrift, gedateerd 29 oktober 2020, is op diezelfde datum op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het klaagschrift is ingediend namens klager door mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam.

Het klaagschrift betreft op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op kleding en schoeisel onder klager op 20 maart 2019. Zakelijk weergegeven wordt geklaagd over het uitblijven van de feitelijke teruggave van de goederen nu de goederen - volgens mededeling aan de raadsman van het beslagbureau van het arrondissementsparket - aan verzoeker kunnen worden teruggegeven.

In deze zaak is eerder op 4 februari 2020 door de raadsman namens verzoeker een verzoek tot schadevergoeding ex art. 530 en 533 Sv ingediend nu de strafzaak tegen verzoeker door de officier van justitie op 16 januari 2020 vanwege het ontbreken van voldoende bewijs is geseponeerd. Aan verzoeker is bij beschikking van 8 april 2020 (verzoekschriftnummer: 20/1434 en 20/14360) een schadevergoeding toegekend van in totaal € 3.434,14 waarvan € 315,= op grond van art. 533 Sv en op grond van artikel 530 Sv een bedrag van € 3.119,14 voor de kosten van rechtsbijstand, inclusief de kosten voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

Bij de behandeling op 9 december 2020 van het onderhavige klaagschrift op grond van art. 552a Sv zijn de officier van justitie en de raadsman gehoord.

Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.

De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken uit het dossier van de strafzaak tegen klager. De raadkamer heeft daarnaast kennis genomen van de e-mailwisseling tussen (het parket van) de officier van justitie en de raadsman over de afwikkeling van het beslag die als bijlage aan deze beschikking is gehecht.

2 De standpunten van de raadsman en de officier van justitie

Standpunt raadsman

De raadsman heeft aan het parket verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen goederen. Ondanks het feit dat er volgens het OM geen strafvorderlijk belang meer is om het beslag te handhaven en de goederen aan klager kunnen worden teruggegeven, heeft een feitelijke

teruggave tot heden niet plaatsgevonden. Volgens de raadsman is kennelijk onduidelijk waar de goederen zich thans bevinden. Na gegrondverklaring van dit klaagschrift en de rechterlijke last tot teruggave kan klager zo nodig de weg van artikel 119 lid 2 Sv inslaan.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft op 5 november 2020 na kennisneming van het klaagschrift van verzoeker het standpunt ingenomen dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd en het beslag derhalve kan worden teruggegeven aan beslagene. Hij heeft het beslagbureau van het Openbaar Ministerie verzocht dit te (laten) regelen zodat deze zaak van de raadkamer van 9 december 2020 afgehaald kan worden. ‘Veel werk voor niets’.

Naar aanleiding van de reactie van de officier van justitie heeft de griffiemedewerkster van de rechtbank aan mr. Bommer gevraagd of hij gelet op het standpunt van de officier van justitie het klaagschrift wilde intrekken.

Mr. Bommer heeft daarop op 20 november 2020 per e-mail aan de rechtbank als volgt gereageerd:

Geachte [naam 1] ,

Omdat er in deze zaak geen aanspraak gemaakt kon worden op een toevoeging heb ik mijn werkzaamheden op betalende basis verricht en is er in die zin nog een belang bij een beslissing op het klaagschrift. Na een gegrondverklaring kunnen de kosten rechtsbijstand via een artikel 530 Sv procedure worden vergoed. Het klaagschrift wordt dus niet ingetrokken .

Vertrouwend u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, verblijf ik,

met vriendelijke groet,

A.J.M. Bommer

Op 5 november 2020 is er een e-mailwisseling geweest tussen de heer [naam 2] , senior parketsecretaris van het parket Oost-Nederland en het advocatenkantoor van mr. Bommer over het beslag. Op 16 november 2020 heeft voornoemde heer [naam 2] aan mr. Bommer laten weten dat alle (eerder inbeslaggenomen) kleding aanwezig is op het Ketenbeslaghuis in [plaats 1] . Eerder op 5 november 2020 was al doorgegeven dat alle beslag (ook de bebloede kleding) in één doos aan de raadsman (of klager) zal worden overhandigd. Ook was eerder al aangegeven dat de kleding vanwege volksgezondheidsrisico’s voor politie- en OM- medewerkers bij bebloede kleding, niet zal worden overgepakt. Aan mr. Bommer is de gelegenheid geboden om de heer [naam 3] (die cc was meegenomen in het e-mailbericht aan mr. Bommer) te benaderen teneinde een afspraak te maken om de goederen op te halen in [plaats 1] .

Na kennisneming van het bericht van de raadsman van 20 november 2020 dat hij niet voornemens is om het klaagschrift in te trekken (en daarbij desgevraagd door de voorzitter van de raadkamer gepersisteerd heeft in zijn reactie van 7 december 2020 om 14:32 uur op het hierna te noemen e-mailbericht van de officier van justitie van 4 december 2020), heeft de officier van justitie per e-mailbericht van 4 december 2020 aan de voorzitter van de raadkamer en de raadsman als volgt gereageerd:

Geachte voorzitter van de raadkamer,

Geachte raadsman,

Op 5 november jl. heb ik besloten tot teruggave van de betreffende kleding. Vervolgens is met de raadsman contact gelegd voor een afspraak.

Van mijn collega begreep ik dat de raadsman aanvankelijk bereid was naar [plaats 2] (FO) of naar [plaats 1] (Ketenbeslaghuis) te rijden om de spullen op te halen.

Gisteren heeft diezelfde collega opnieuw contact gehad met de raadsman, die toen liet weten dat het ophalen van de kleding kennelijk lastig(er) was, nu hij het erg druk had. Volgens mijn collega liet de raadsman daarbij weten dat hij de kleding op zijn tijd en moment zou ophalen.

Concreet is de situatie dus als volgt:

-er ligt een beslissing tot teruggave kleding

-de raadsman heeft laten weten die kleding op te (laten) halen, maar op zijn tijd en moment

Met stijgende verbazing neem ik kennis van het ingediende klaagschrift en vooral het feit dat de raadsman deze niet wenst in te trekken, met kennelijk als enige reden dat de raadsman tzt de kosten van rechtsbijstand vergoed wenst te hebben.

Rechtsbijstand voor een nog te behandelen klaagschrift, welke behandeling volstrekt onnodig is en enkel nog dient plaats te vinden, omdat de raadsman op zijn tijd en moment - maar kennelijk niet voor woensdag 9 december a.s.- de betreffende kleding wenst op te halen.

Het geeft te denken dat deze gang van zaken geen enkel belang dient, anders dan een financieel belang van de raadsman, welk belang hij zelf in stand lijkt te houden.

Ter informatie voeg ik onderstaande correspondentie bij.

Met vriendelijke groet,

G.J. Jansen

Op 7 december 2020 om 11:52 uur heeft de raadsman als volgt gereageerd op het bericht van de officier van justitie:

Geachte mijnheer Jansen,

Mijn cliënt vernam telefonisch van uw collega de heer [naam 2] dat de terug te geven goederen ook per post naar mijn kantooradres opgestuurd zouden kunnen worden. Mij was die mogelijkheid niet eerder geopperd. Ik vind dat prima. Gelieve wel naar mijn huidige kantooradres te sturen. Onlangs is mijn kantoor namelijk verhuisd naar het adres Levie Vorstkade 9 te 3071 AG Rotterdam. Zonder uw tegenbericht zie ik de goederen op mijn kantooradres tegemoet. Hetzelfde geldt met betrekking tot de goederen die in dezelfde zaak in beslag zijn genomen onder een andere cliënt van mij te weten de heer [client] .

Vertrouwend u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, verblijf ik,

met vriendelijke groet,

A.J.M. Bommer

Bommer Advocatuur

Levie Vorstkade 9

3071 AG Rotterdam

3 De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.

4 De ontvankelijkheid

Het klaagschrift is ontvankelijk nu het tijdig is ingediend.

5 De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer vast dat de strafzaak in het kader waarvan de goederen op 20 maart 2019 onder klager inbeslaggenomen zijn, door de officier van justitie op 16 januari 2020 is geseponeerd vanwege het ontbreken van voldoende bewijs ter zake van verdenking van overtreding van art. 310, 311 Wetboek van Strafrecht. Dat impliceert dat er vanaf dat moment niet langer een strafvorderlijk belang meer was tot handhaving van het beslag. De officier van justitie heeft als uitvloeisel daarvan (pas) op 5 november 2020 na kennisneming van het klaagschrift van mr. Bommer namens [verzoeker] aan de afdeling beslag van het parket laten weten dat het beslag terug kan naar beslagene. Vervolgens is er door senior parketsecretaris [naam 2] via de mail contact geweest met (het kantoor van) mr. Bommer over de feitelijke teruggave van de kleding. De heer Bommer heeft daarop op 20 november 2020 laten weten dat het klaagschrift niet zal worden ingetrokken omdat ‘hij zijn werkzaamheden op betalende basis verricht en er in die zin nog een belang is bij een beslissing op het klaagschrift. Na een gegrondverklaring kunnen de kosten rechtsbijstand via een artikel 530 Sv procedure worden vergoed’.

De raadkamer begrijpt uit de geschetste gang van zaken dat er sinds de sepotbeslissing van 16 januari 2020 juridisch gezien geen sprake meer is van strafvorderlijk beslag nu de onderliggende strafzaak toen al is geseponeerd. De inbeslaggenomen goederen konden vanaf dat moment terug naar de beslagene volgens de hoofdregel van art. 116 Sv. Na tussenkomst van de raadsman van klager is aan de raadsman op 16 november 2020 medegedeeld dat de kleding aanwezig is in het Ketenbeslaghuis in [plaats 1] en ter beschikking is van klager om afgehaald te worden.

De raadkamer is van oordeel dat het beslag daarmee niet alleen de iure maar ook de facto is geëindigd op grond van artikel 134 lid 2 onder a Sv. Dat klager de goederen (nog) niet heeft opgehaald of laten ophalen, maakt dat niet anders.

Dat leidt tot de conclusie dat klager in zijn klaagschrift, strekkende tot teruggave van het beslag, niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadkamer merkt nog op dat de stellingname van de raadsman in de onderhavige zaak minst genomen opmerkelijk genoemd kan worden. De reactie van de officier van justitie dat het beslag aan klager kan worden teruggegeven en dat vervolgens getracht is afspraken te maken over de wijze van teruggeven van de goederen aan klager, zijn kennelijk voor mr. Bommer niet genoegzaam geweest om het klaagschrift in te trekken.

Zijn belang om dat niet te doen is naar zijn zeggen gelegen in het feit dat hij zijn werkzaamheden op betalende basis verricht en dat zijn cliënt na een eventuele gegrondverklaring van het klaagschrift via de procedure van art. 530 Sv de kosten voor rechtsbijstand in het kader van deze klaagschriftprocedure door de Staat vergoed wil hebben. Mede in aanmerking genomen het feit dat aan klager op 8 april 2020 door de raadkamer al een vergoeding is toegekend op basis van art. 530 Sv na de sepotbeslissing van de officier van justitie van 16 januari 2020 in de strafzaak tegen klager, is het vasthouden van de raadsman aan behandeling van het klaagschrift enkel en alleen vanwege een financieel belang van zijn cliënt niet zonder meer begrijpelijk.

Nog daargelaten dat de procedure van art. 552a Sv naar het oordeel van de raadkamer niet bedoeld is om reeds door de officier van justitie genomen beslissingen over de afdoening van beslag (waarvoor de officier van justitie de in de wet aangewezen beslissingsautoriteit is) nog eens in een gerechtelijke klaagschriftprocedure te laten bevestigen teneinde daarmee de weg te openen naar schadevergoeding door de Staat van de kosten van rechtsbijstand op grond van art. 530 Sv, kan alleen al vanwege het feit dat de raadkamer van oordeel is dat er geen sprake meer is van enig beslag en klager om die reden niet ontvankelijk verklaard moet worden, van enige vergoeding op basis van art. 530 Sv geen sprake zijn. Voor zover een dergelijk verzoek tot schadevergoeding al aan de orde zou zijn of komen, kan een dergelijke vergoeding in voorkomende gevallen immers slechts worden toegekend bij gegrondverklaring van een beklag ex art. 552a Sv ( Hoge Raad, 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG2191 en Hoge Raad 22 september 2015 ECLI:NL:HR:2015:2756 en de conclusie van AG Bleichrodt).

Conclusie

De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat klager niet ontvankelijk moet worden verklaard.

6 De beslissing

De raadkamer verklaart klager niet ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. Gottemaker, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.