Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4170

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
08.209451.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeeelt een 26-jarige man tot een gevangenisstraf van 21 maanden voor twee woninginbraken, een bedrijfsinbraak en een poging tot een bedrijfsinbraak. Eén van de woninginbraken vond plaats bij een bejaard echtpaar dat in een aangrenzende kamer tv zat te kijken terwijl de inbraak werd gepleegd. Er werd een grote hoeveelheid sieraden ter waarde van ruim 6000 euro weggenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08.209451.20 (P)

Datum vonnis: 7 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

verblijvende (en ingeschreven) in de P.I. Almelo, Bornsestraat 333 te Almelo.

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink-Dijk en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen of alleen, inbraken heeft gepleegd in Oldenzaal en Hengelo en dat hij heeft geprobeerd in te breken in Enschede.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 27 maart 2019 te Oldenzaal

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een

bedrijfspand(gelegen aan de [adres 1] )

een hoeveelheid geld (te weten € 1.600,-(zestienhonderd euro), in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld

voornoemd onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak,verbreking en/of inklimming;

2

hij op of omstreeks 16 maart 2020 te Oldenzaal

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning

(gelegen aan de [adres 2] )

een hoeveelheid geld (te weten ongeveer € 500,-(vijfhonderd euro)) en/of een SNS

bankpas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld

voornoemd en/of voornoemde Bankpas onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming ;

3

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Enschede

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een

bedrijfspand (gelegen aan de [adres 3] )

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om

enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te

weten aan [slachtoffer 3] ,

weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg

te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van

braak, verbreking en/of inklimming,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4

hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning

(gelegen aan de [adres 4] )

-een hoeveelheid geld(te weten € 125,- honderdvijfentwintig euro) en/of

-een hoeveelheid sieraden (ter waarde van € 6810,- (zesduizendentien euro))

, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen hoeveelheid geld

voornoemd en/of voornoemde hoeveelheid sieraden onder zijn/haar/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak,verbreking en/of inklimming.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak van het ten laste gelegde. In de visie van de verdediging is het enkele aantreffen van DNA-materiaal dat van verdachte zou kunnen zijn, onvoldoende voor een bewezenverklaring, te meer nu verdachte verklaard heeft dat het in zijn omgeving gebruikelijk is om onderling van kleren te wisselen. Daarnaast is het denkbaar dat verdachte een sigaret heeft gegeven aan iemand die vervolgens in een woning ingebroken heeft.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van feit 1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 27 maart 2019 wordt er ingebroken in café ‘ [cafe] ’ in [plaats 1] . Er zijn twee kassalades met tezamen € 800,-- ‘startgeld’ weggenomen en een cassette uit de gokkast met daarin € 800,--. Het totale bedrag dat is weggenomen is ongeveer € 1.600,--. Van de inbraak zijn camerabeelden bekeken en op die beelden zijn meerdere personen te zien en is bij een van de inbrekers de klep van een pet zichtbaar, met daaroverheen een capuchon. De dag na de inbraak vindt de politie onderin een GFT-container twee geldlades. Onder de geldlades ligt de zwarte geldcassette van een gokkast. Tussen de geldlades en de geldcassette ligt een zwarte pet geklemd. Deze pet wordt bemonsterd en op de binnenrand van de pet ter hoogte van de klep zit epitheel. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft vastgesteld dat de bemonstering van de pet een DNA-mengprofiel bevat van minimaal drie personen, waaronder een afgeleid DNA-hoofdprofiel van verdachte. Het NFI concludeert dat een relatief grote hoeveelheid in de bemonstering van het spoor afkomstig kan zijn van verdachte.

De beoordeling van de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het aantreffen van DNA van verdachte op de pet die is gevonden tussen de gestolen geldlades en de geldcassette, in het licht van de ontkenning van verdachte, voldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte de dader van de inbraak bij café ‘ [cafe] ’ is.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of het DNA op de pet onder de gegeven omstandigheden als daderspoor kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat de pet niet op de plaats delict is aangetroffen en ook niet heel kort na de inbraak in de directe omgeving van de plaats delict. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld is de pet, ongeveer zestien uur na de inbraak, op een andere plek in [plaats 1] aangetroffen in een vrijwel lege GFT-container. De rechtbank merkt hierbij op dat de pet is aangetroffen geklemd tussen voorwerpen, twee kassalades en een geldcassette uit een gokkast, die zijn weggenomen bij de inbraak in café ‘ [cafe] ’. Gelet op deze feiten en omstandigheden en het feit dat op de camerabeelden te zien is dat de inbreker in het café een pet lijkt te dragen is de rechtbank van oordeel dat de aangetroffen pet is gedragen bij de inbraak.

Op deze pet wordt op de binnenrand ter hoogte van de klep epitheel (huid) aangetroffen. Het aantreffen van huid op die plek kan worden verklaard door het dragen van de pet.

De bemonstering van het spoor (huid) bevat een mengprofiel van minimaal drie personen. In dit DNA-mengprofiel vindt het NFI een afgeleid DNA-hoofdprofiel van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. De DNA-nevenkenmerken in het mengprofiel zijn afkomstig van minimaal twee onbekende personen. In de toelichting onder de tabel schrijft het NFI dat er een relatief grote hoeveelheid DNA van verdachte in het mengprofiel zit.

Hoe verklaart verdachte de aanwezigheid van zijn DNA op de pet die naar het oordeel van de rechtbank delict gerelateerd is?

Bij de politie heeft verdachte geen verklaring afgelegd en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de inhoudelijke behandeling heeft verdachte, nadat hij heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier en de bevindingen van het NFI, in zijn algemeenheid verklaard dat hij wel eens spullen uitleent aan anderen en dat er mensen in zijn omgeving zijn die zich met het plegen van strafbare feiten bezig houden.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring geen concrete en verifieerbare verklaring is die de aanwezigheid van verdachtes DNA op het petje afdoende zou kunnen verklaren. Temeer niet nu de aanwezigheid van een hoeveelheid DNA die door het NFI is geduid als relatief groot, beter verklaarbaar is wanneer het DNA daar recentelijk op terecht is gekomen. Bovendien zal DNA-celmateriaal, afkomstig van de laatste donor en drager van de pet, overheersen ten opzichte van DNA-celmateriaal op de pet dat afkomstig zou kunnen zijn van andere, eerdere, donoren, dan wel naar verwachting reeds aanwezig celmateriaal van eerdere donoren verwijderen. Het is daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet waarschijnlijk dat het DNA-materiaal van verdachte als gevolg van eerder dragen van het petje, nog steeds zo prominent aanwezig is wanneer een ander die pet na hem nog heeft gedragen.

Conclusie

Samenvattend: het DNA van verdachte is op het petje aangetroffen dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden is gevonden tussen de gestolen geldlades en geldcassette. Een concrete en verifieerbare verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA op de pet, die kennelijk met de andere voorwerpen in een GFT-container is gedumpt, ontbreekt. Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die op 27 maart 2019 met een of meer anderen heeft ingebroken bij café ‘ [cafe] ’ en daar geld heeft weggenomen.

4.3.2

Ten aanzien van feit 2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 16 maart 2020 wordt er ingebroken in een woning aan de [adres 2] . De hele woning is doorzocht en overhoop gehaald. Er is € 500,-- weggenomen en een bankpas. In de woning lag op het aanrechtblad een schroevendraaier en boven in een slaapkamer lag een sigarettenpeuk(merk [merk] ). Beide zijn niet van aangever. Op de aangetroffen sigaret is een DNA-profiel aangetroffen dat matcht, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard, met het celmateriaal van verdachte. De peuk heeft een ronde vorm en er zijn geen sporen aangetroffen die duiden op vertrapping. Op de trap heeft aangever as aangetroffen. Verdachte rookt [merk] , blijkens zijn fouillering bij aanhouding. Dat heeft hij ook verklaard. De bemonstering van het handvat van de aangetroffen schroevendraaier bevat DNA van, onder andere, verdachte. Op de beveiligingsbeelden van de woning zijn drie personen te zien die met een voorwerp dat lijkt op een schroevendraaier proberen de woning binnen te komen.

De beoordeling van de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het in de woning aantreffen van een peuk en een schroevendraaier met DNA van verdachte, in het licht van de ontkenning van verdachte, voldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte (een van) de dader(s) van de inbraak is.

De rechtbank is van oordeel dat de twee op de plaats delict aangetroffen DNA-sporen van verdachte een zeer sterke aanwijzing vormen dat verdachte op de plaats delict is geweest. Verdachte ontkent dat hij in de woning heeft ingebroken.

Hoe verklaart verdachte de aanwezigheid van zijn DNA op twee plekken op de plaats delict?

Bij de politie heeft verdachte geen verklaring afgelegd en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de inhoudelijke behandeling heeft verdachte, nadat hij heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier en de bevindingen van het NFI, in zijn algemeenheid verklaard dat hij wel eens spullen uitleent aan anderen en dat er mensen in zijn omgeving zijn die zich met het plegen van strafbare feiten bezig houden. Ten aanzien van de sigarettenpeuk heeft hij nog verklaard dat hij wel eens sigaretten geeft aan [naam] , degene wiens DNA ook op de schroevendraaier is aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet veel meer is dan een algemeen verweer dat niet kan worden uitgesloten dat de verplaatsbare peuk en de verplaatsbare schroevendraaier op de plaats delict terecht zijn gekomen zonder dat de verdachte daar fysiek aanwezig is geweest. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de sterke aanwijzing van het DNA op de plaats delict te ontzenuwen. Te meer nu verdachte eerst ter zitting wat meer handen en voeten geeft aan de verklaring dat hij sigaretten deelt met [naam] . Deze verklaring is niet waarschijnlijk nu enkel en alleen het DNA van verdachte is aangetroffen op de peuk. Daar komt bij dat de peuk niet vervormd was en aangever as op de trap heeft aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dat er op dat de donor van het DNA, verdachte dus, kennelijk met brandende sigaret de trap op is gelopen. Bovendien is op een andere plek in die zelfde woning eveneens DNA aangetroffen van verdachte. Ook hiervoor heeft verdachte, zeker in samenhang bezien met de peuk in de slaapkamer, geen steekhoudende verklaring. Het feit dat het hier een mengprofiel betreft van minimaal vier personen maakt dit niet anders. Het aangetroffen DNA-mengprofiel is immers meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verdachte degene is geweest die op 16 maart 2020 samen met twee anderen heeft ingebroken in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] en daar geld en een bankpas heeft weggenomen.

4.3.3

Ten aanzien van feit 3

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 17 maart 2019 wordt geprobeerd om in te breken in [horeca] aan de [adres 3] te [plaats 2] . Met een baksteen is de ruit gebroken. Het is niet gelukt om het pand te betreden en goederen weg te nemen. Op de buitenste ruit van de gebroken ruit en op de deurstijl ziet de politie bloedspatten. De bloedspatten zijn bemonsterd en bevatten het DNA-profiel van verdachte.

De beoordeling van de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het aantreffen van bloedspatten met het DNA van verdachte op de gebroken ruit en op de deurstijl, in het licht van de ontkenning van verdachte, voldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte de dader van de poging inbraak is.

De rechtbank is van oordeel dat het aantreffen van bloed met het DNA-profiel van verdachte op de gebroken ruit en de deurstijl een zeer sterke aanwijzing vormen dat verdachte op de plaats delict is geweest en daar heeft geprobeerd in te breken. Verdachte ontkent dat hij heeft geprobeerd in te breken.

Hoe verklaart verdachte de aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict?

Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht in het centrum van [plaats 2] was, dat hij dronken was, dat hij langs [horeca] is gelopen en dat hij zag dat er een gat in de ruit zat. Vervolgens is hij naar de gebroken ruit toegelopen, heeft hij deze uit nieuwsgierigheid aangeraakt en heeft hij zichzelf verwond, waardoor er bloed op de gebroken ruit terecht is gekomen. Ter zitting heeft verdachte op vragen van de rechtbank op een getoonde foto aangewezen dat hij met zijn hand de ruit heeft aangeraakt daar waar het gat in de ruit zit, dus op de plek waar de baksteen door de ruit is gegaan. Verdachte heeft pas toen hij thuis was bemerkt dat hij zichzelf verwond had.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte kennelijk leugenachtig is nu deze verklaring niet overeenkomt met de forensische bevindingen. Het bloed van verdachte is vlakbij en op de deurstijl aangetroffen en niet zoals verdachte verklaart bij het gat. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen aannemelijke verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op de plaats delict.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verdachte degene is geweest die op 17 maart 2019 met een baksteen de ruit van [horeca] te [plaats 2] heeft ingegooid en heeft geprobeerd daar in te breken.

4.3.4

Ten aanzien van feit 4

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 20 maart 2020 wordt in [plaats 3] in een woning aan de [adres 4] ingebroken terwijl de bewoners thuis zijn. Uit de slaapkamer worden sieraden en geld weggenomen. Op het raam waardoor men de woning is binnen gekomen worden handschoenvegen waargenomen. Deze handschoenvegen zijn bemonsterd op de aanwezigheid van DNA. Het DNA-profiel van verdachte is in de bemonstering aangetroffen.

De beoordeling van de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het aantreffen van DNA van verdachte in de bemonstering van de handschoenvegen, in het licht van de ontkenning van verdachte, voldoende is om te kunnen bewijzen dat verdachte de dader van de inbraak is.

Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of het DNA in de bemonstering van de handschoenvegen onder de gegeven omstandigheden als daderspoor kan worden aangemerkt.

Gelet op de verklaring van aangever is/zijn de dader(s) de woning binnen gekomen door een raam. Op dit raam worden handschoenvegen waargenomen en deze worden bemonsterd op de aanwezigheid van DNA. Gelet op het feit dat het gebruikelijk is om bij inbraken handschoenen te dragen en dat handschoenvegen op de buitenkant van het raam waardoor men naar binnen is gegaan worden aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat het DNA in de handschoenvegen een daderspoor betreft.

De bemonstering van het spoor bevat DNA dat afkomstig kan zijn van verdachte en tevens zijn er aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid DNA van minimaal één andere persoon. Het NFI heeft om die reden de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte en het DNA-profiel in het spoor, zowel onder de aanname dat er één, als onder de aanname dat er twee donoren DNA hebben bijgedragen aan deze bemonstering aangegeven. Het DNA-profiel in het spoor is, ongeacht of de bemonstering DNA bevat dat afkomstig is van één of twee personen, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte dan wanneer de bemonstering DNA bevat van een onbekende persoon die niet verwant is aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de bemonstering van de handschoenvegen weliswaar geen volledig DNA-profiel van verdachte oplevert, maar wel voldoende kenmerken bevat om te komen tot het oordeel dat DNA van verdachte is aangetroffen op het raam waardoor de woning is binnen gegaan.

Hoe verklaart verdachte de aanwezigheid van zijn DNA op de plaats delict?

Bij de politie heeft verdachte geen verklaring afgelegd en zich beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de inhoudelijke behandeling heeft verdachte, nadat hij heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier en de bevindingen van het NFI, in zijn algemeenheid verklaard dat hij wel eens spullen uitleent aan anderen en dat er mensen in zijn omgeving zijn die zich met het plegen van strafbare feiten bezig houden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte niet veel meer is dan een algemeen verweer dat niet kan worden uitgesloten dat handschoenen met DNA van verdachte door anderen op de plaats delict terecht zijn gekomen zonder dat de verdachte daar fysiek aanwezig is geweest. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de sterke aanwijzing van het DNA op de plaats delict te ontzenuwen. Dit klemt temeer nu het veegspoor met het DNA van verdachte zich fysiek op het raam bevindt waardoor de dader(s) het pand heeft (hebben) betreden. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat dat verdachte ten tijde van de inklimming op de plaats delict aanwezig was. Hiervoor heeft hij geen steekhoudende verklaring gegeven.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verdachte degene is geweest die op 20 februari 2020 heeft ingebroken in de woning aan de [adres 4] te [plaats 3] en daar geld en sieraden heeft weggenomen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op of omstreeks 27 maart 2019 te Oldenzaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 1] )

een hoeveelheid geld (te weten € 1.600,-(zestienhonderd euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen hoeveelheid geld voornoemd onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

2

hij op of omstreeks 16 maart 2020 te Oldenzaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning (gelegen aan de [adres 2] ) een hoeveelheid geld (te weten ongeveer € 500,- (vijfhonderd euro)) en/of een SNS bankpas, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen hoeveelheid geld voornoemd en/of voornoemde Bankpas onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om enig(e) goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan [slachtoffer 3] , uit een bedrijfspand (gelegen aan de [adres 3] ) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4

hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning (gelegen aan de [adres 4] )

- een hoeveelheid geld (te weten € 125,- honderdvijfentwintig euro) en/of

- een hoeveelheid sieraden (ter waarde van € 6810,- (zesduizendachthonderdentien euro)),

in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorden, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen hoeveelheid geld voornoemd en/of voornoemde hoeveelheid sieraden onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

feit 2

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 3

het misdrijf:

poging tot diefstal;

feit 4

het misdrijf:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zicht op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de inmiddels door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd, te weten ongeveer drie maanden. De raadsman heeft verzocht verdachte om die reden onmiddellijk in vrijheid te stellen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken, een bedrijfsinbraak en een poging daartoe, waaruit blijkt dat hij kennelijk geen enkel mededogen voor zijn slachtoffers heeft - waaronder een hoogbejaard echtpaar - of respect voor de persoonlijke levenssfeer en eigendommen van anderen. Integendeel; verdachte is uitsluitend gericht op zijn eigen gewin. Daarbij geeft verdachte geen enkel blijk van enig verantwoordelijkheidsbesef voor zijn handelen door steeds halsstarrig en tegen beter weten in te ontkennen iets met die misdrijven te maken te hebben. Dit alles – en meer in het bijzonder de brutale inbraak bij het bejaarde echtpaar dat nota bene in een aangrenzende kamer tv zat te kijken, terwijl de inbraak werd gepleegd – rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Uit zijn justitiële documentatie blijkt dat verdachte de afgelopen jaren herhaaldelijk is veroordeeld voor gekwalificeerde diefstallen tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Blijkbaar trekt hij zich niets aan van de in die veroordelingen besloten liggende waarschuwingen.

Op 18 augustus 2020 heeft de reclassering over verdachte gerapporteerd. Daaruit blijkt dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het reclasseringsonderzoek. Hij zegt dan ook geen behoefte aan de reclassering te hebben, hij regelt zijn eigen zaken wel. Op vrijwel alle leefgebieden zijn er problemen geconstateerd in de loop van de afgelopen jaren, terwijl er nauwelijks sprake was van beschermende factoren. Het lijkt aannemelijk dat er in deze situaties nog geen verandering is gekomen, al zegt hij zelf zijn zaken op orde te hebben.

De rechtbank heeft ook gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Straftrecht (LOVS) vastgestelde landelijke oriëntatiepunten straftoemeting. Deze oriëntatiepunten geven voor één inbraak in een woning bij veelvuldige recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf van zeven maanden. Bij een inbraak in een bedrijfspand bij veelvuldige recidive geven de oriëntatiepunten als uitgangspunt een gevangenisstraf van vier maanden. In de onderhavige zaak wordt verdachte veroordeeld voor twee woninginbraken, een bedrijfsinbraak en een poging tot een bedrijfsinbraak.

Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

8. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

feit 2

het misdrijf:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 3

het misdrijf:

poging tot diefstal;

feit 4

het misdrijf:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. S.K. Huisman, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2020.