Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4166

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
C/08/242300 / HA ZA 20-8
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voormalige echtelieden procederen over de beëindiging c.q. voortzetting van de gezamenlijke maatschap. Man krijgt het recht het bedrijf voort te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/242300 / HA ZA 20-8

Vonnis van 2 december 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis te Hengelo Ov,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.M. van Eerten te Zwolle.

1 De procedure in conventie en in reconventie

1.1.

Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 maart 2020,

  • -

    de mededeling van de handelsgriffie van deze rechtbank per e-mail van 17 maart 2020 onder meer inhoudende dat de zaak wordt verwezen naar deze meervoudige kamer;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van de man;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens akte wijziging van eis in reconventie van de vrouw;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van de man;

  • -

    de akte uitlating producties van de vrouw.

1.2.

Vervolgens hebben beide partijen om vonnis gevraagd.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Partijen zijn op 30 december 1992 een maatschapsovereenkomst met elkaar aangegaan waarbij zij aanvankelijk zowel melkvee als varkens hebben gehouden en nadien enkel varkens. In deze maatschap was de eenmanszaak van de man ingebracht, met daarbij behorend onroerend goed. Nadien hebben de maatschap en de man in privé meer gronden verworven.

2.2.

De man bewoont de boerderij en de vrouw woont (met de kinderen) per januari 2019 elders. De man heeft de werkzaamheden van het agrarische bedrijf voortgezet. De vrouw verricht sedertdien geen werkzaamheden meer ten behoeve van het bedrijf.

2.3.

In de maatschapsovereenkomst is onder andere het volgende bepaald:

(…)

Aanvang, Duur en Uittreding

Artikel 2.

(…)

2. Iedere vennoot is bevoegd de maatschap te doen eindigen door opzegging aan de andere vennoot bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploit, met inachtneming van een termijn van ten minste zes maanden, doch enkel tegen één januari van enig jaar.

3. De vennoot onder 1 genoemd [eiser] , rechtbank) behoudt zich tot het jaar tweeduizend tien het recht voor de maatschap op te zeggen zonder opgaaf van redenen en zonder dat daartoe de redenen bestaan als vermeld in artikel 10 lid 1 sub c en om daarna het bedrijf van de maatschap geheel voor eigen rekening en risico voort te zetten. Het bepaalde in lid 2 is op deze opzegging ook van toepassing.

(…)

Einde van de Maatschap

Artikel 10.

1. De maatschap eindigt:

a. door uittreding middels opzegging overeenkomstig artikel 2 (opzegging tegen eind boekjaar);

b. door opzegging overeenkomstig artikel 2 lid 3;

c. door opzegging wanneer op grond van handelingen, gedragingen, overtredingen der maatschapsbepalingen of verzuimen van een vennoot (…), van de andere vennoot redelijkerwijze niet verlangd kan worden dat hij de maatschap met de eerstgenoemde vennoot, die alsdan verplicht is uit te treden, voortzet ;

(…)

en wel zodra zich bedoelde feiten en omstandigheden voordoen, behalve in geval van opzegging, in welk geval de maatschap eindigt op het tijdstip waartegen is opgezegd.

2. Een vennoot aan wie het einde der maatschap niet kan worden toegerekend, daaronder begrepen de vennoot, die opzegt overeenkomstig lid 1 sub b of sub c van dit artikel, heeft het recht het bedrijf der maatschap voort te zetten.

(…)

3. De vennoot, die van het hem krachtens het voorgaande lid toekomende recht gebruik wil maken, moet daarvan aan zijn voormalige medevennoot of aan diens vertegenwoordiger(s) of rechtverkrijgenden bij aangetekend schrijven binnen zes maanden na de dag waarop de maatschap is geëindigd, kennisgeven.

4. Indien een vennoot gebruik maakt van zijn recht tot voortzetting zal ten aanzien van de navolgende aktiva het volgende geschieden:

a. de goederen welke mede-eigendom zijn der vennoten zullen ter keuze van de voortzettende vennoot worden overgenomen door of verblijven aan de voortzettende vennoot;

b. de goederen, die door de uittredende vennoot in gebruik en/of genot zijn ingebracht en de goederen welke juridisch eigendom zijn van de uittredende vennoot doch economisch tot het bedrijfsvermogen behoren, alsmede de productquota in voormelde zin, kan de voortzettende vennoot overnemen waartoe hij zich binnen zes maanden na het einde der maatschap dient te verklaren. (…)”

2.4.

De man heeft de vrouw op 5 april 2019 bij aangetekende brief laten weten dat hij de maatschap met onmiddellijke ingang opzegt op grond van artikel 10 lid 1 onder c van de maatschapsovereenkomst met als reden dat, als gevolg van gedragingen en handelingen van de vrouw voorafgaande en tijdens de echtscheidingsprocedure, samenwerking onmogelijk is geworden en voortzetting van de maatschap met de vrouw redelijkerwijs ook niet meer van de man kan worden verwacht. De man wenst de maatschap (rechtbank: bedoeld zal zijn het bedrijf der maatschap) voort te zetten.

2.5.

Bij e-mailbericht van 11 april 2019 is namens de vrouw aan de advocaat van de man bericht dat zij niet bewilligt in de opzegging van de maatschap.

2.6.

Op 25 juni 2019 heeft de man aan de vrouw per exploot een brief van 25 juni 2019 betekend waarin hij conform artikel 2 lid 2 van de maatschapsovereenkomst de maatschap opzegt tegen 1 januari 2020 en waarbij hij vermeldt dat hij gebruik maakt van zijn recht de onderneming van de maatschap voort te zetten.

2.7.

Bij e-mailbericht van 16 december 2019 is namens de vrouw aan de advocaat van de man bericht dat (ook) de vrouw van het voortzettingsrecht gebruik wenst te maken.

2.8.

Bij beschikking van deze rechtbank van 9 december 2019 (C/08/224080 / ES RK 18-4596 en C/08/233650/ ES RK 19-2766) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank:

  • -

    de man bevolen om zijn verzoeken betreffende de maatschap te verbeteren en/of aan te vullen en

  • -

    bevolen dat de procedure wat betreft dit onderdeel wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

2.9.

Bij beschikking van 12 oktober 2020 (C/08/233650/ ES RK 19-2766) heeft de rechtbank beslissingen genomen ter financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden na ontbinding van het huwelijk van partijen.

2.10.

Nadat de voorzieningenrechter van deze rechtbank in zijn vonnis van 24 juni 2020 had overwogen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de bodemrechter zou oordelen dat de opzegging/beëindiging van de maatschapsovereenkomst per 1 januari 2020 in rechte steek houdt, hebben partijen op 1 juli 2020 een vaststellings-overeenkomst gesloten over de beëindiging van de maatschapsovereenkomst.

3 De vorderingen in conventie en in reconventie

3.1.

De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten:

primair: te verklaren voor recht dat de maatschap [X] door opzegging d.d. 5 april 2019 is ontbonden per 5 april 2019 en daarbij te bepalen dat [eiser] het recht heeft c.q. toekomt om het bedrijf der maatschap voort te zetten;

subsidiair: te verklaren voor recht dat de maatschap [X] ten gevolge van de opzegging door [eiser] d.d. 25 juni 2019 is ontbonden per 1 januari 2020 en daarbij te bepalen dat [eiser] het recht heeft c.q. toekomt om het bedrijf der maatschap voort te zetten;

meer subsidiair: de maatschap [X] met onmiddellijke ingang te ontbinden en daarbij te bepalen dat [eiser] het recht heeft c.q. toekomt om het bedrijf der maatschap voort te zetten.

3.2.

De vrouw vordert in reconventie na wijziging van eis, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de man in de proceskosten:

II. (voorwaardelijk: indien en voor zover de opzegging van de maatschapsovereenkomst door de man d.d. 25 juni 2019 effect heeft gesorteerd) te verklaren voor recht dat de vrouw per 1 januari 2020 het recht toekomt op voortzetting van het varkenshouderijbedrijf aan/nabij de [adres] te [plaats] onder veroordeling van de man om alle maatschapsactiva en andere activa die de man voorheen aan de maatschap in gebruik en genot beschikbaar had gesteld, aan de vrouw beschikbaar te stellen en overigens alle bedrijfsgegevens beschikbaar te stellen die de vrouw met het oog op de door haar voort te zetten exploitatie nodig heeft, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

III. de man te veroordelen tot het aan de vrouw beschikbaar stellen van de complete bedrijfsadministratie met bijbehorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, daaronder in ieder geval begrepen, maar niet beperkt tot:

- overzicht van reeds betaalde en nog niet betaalde debiteuren, van reeds ontvangen- en van nog te ontvangen betalingen van crediteuren vanaf 2018;

-mestboekhouding, veeadministratie (agrovision), geregistreerde gegevens bij RVO (w.o. Gecombineerde Opgaven), bijbehorende inlogcodes etc., alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

IV. te verklaren voor recht dat de te verkrijgen subsidie bij deelname aan de Saneringsregeling Varkenshouderij alsmede de te verkrijgen bouwrechten en de te realiseren waardevermeerderingen van de te handhaven woongedeelten van de boerderij aan/nabij de [adres] in [plaats] bij deelname aan de rood-voor-rood regeling moeten worden aangemerkt als baten:

-primair:

-- waarvan de vermogenswaarde volledig toekomt aan de vrouw indien zij per 1 januari 2020 het recht heeft (gehad) het tot dan toe door partijen in maatschapsverband geëxploiteerde landbouwbedrijf voort te zetten,

-subsidiair:

--waarvan de vermogenswaarde aan de vrouw toekomt ten belope van de helft indien de man per 1 januari 2020 het recht heeft tot voortzetting van het tot dan toe door partijen in maatschapsverband geëxploiteerde landbouwbedrijf;

--waarvan de vermogenswaarde aan de vrouw toekomt ten belope van de helft indien het door partijen in maatschapsverband geëxploiteerde landbouwbedrijf - de opzegging van de maatschap door de man tegen 1 januari 2020 ten spijt - na genoemde datum feitelijk is voortgezet.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de procedure over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen enerzijds en de afwikkeling van de vorderingen van partijen over de maatschap en het bedrijf anderzijds was de rechtbank voornemens beide zaken gecombineerd te behandelen. Nadat de mondelinge behandeling in verband met de coronaproblematiek niet was doorgegaan zijn de beide zaken afzonderlijk schriftelijk voortgezet.

einde van de maatschap

met ingang van 5 april 2019

4.2.

Het eerste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag naar de (datum van) het einde van de maatschapsovereenkomst. Partijen hanteren beiden daarvoor de term ‘ontbinding’. Gelet op de tekst van de maatschapsovereenkomst zal de rechtbank de term ‘einde van de maatschap’ hanteren .

De man heeft bij brief van 5 april 2019 de maatschap met onmiddellijke ingang opgezegd op grond van artikel 10 lid 1 sub c. Als gevolg van gedragingen en handelingen van de vrouw voorafgaand aan en tijdens de echtscheidingsprocedure is samenwerking onmogelijk geworden en kan van de man voorzetting van de maatschap met de vrouw redelijkerwijs niet meer worden verwacht, aldus de man.

De vrouw betwist de opzegging en ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan dergelijke gedragingen en handelingen.

4.3.

De rechtbank dient te beoordelen in hoeverre er sprake is van een grond voor opzegging als bedoeld in artikel 10 lid 1 sub c. Deze bepaling regelt de mogelijkheid van opzegging in een situatie dat de ene vennoot zich zodanig gedraagt dat voortzetting van het bedrijf van de maatschap van de andere vennoot redelijkerwijze niet verlangd kan worden en de ene vennoot dient uit te treden. Aan de orde is mitsdien de schuldvraag.

De rechtbank constateert dat partijen naast onderhavige procedure en de echtscheidings-procedure (met een voorlopige voorziening), een tweetal procedures (in kort geding) hebben gevoerd, waarbij op grond van de motivering van die beslissingen niet gezegd kan worden dat het telkens dezelfde partij is die de andere partij tegenwerkt. Partijen maken elkaar, ook in deze procedure, over en weer veel verwijten zonder dat gezegd kan worden dat de één meer gelijk heeft dan de ander. Er lijkt veeleer sprake te zijn van ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen waarin beide partijen een aandeel hebben. Gelet hierop houdt de aantijging van de man tegen de vrouw geen stand en kan niet worden geoordeeld dat de man op grond van artikel 10 lid 1c met onmiddellijke ingang mocht opzeggen.

met ingang van 1 januari 2020

4.4.

De man heeft vervolgens per brief van 25 juni 2019 de maatschap tegen 1 januari 2020 opgezegd op grond van artikel 2 lid 2 omdat hij de maatschapsovereenkomst niet langer wenst voort te zetten.

De vrouw erkent dat de man gerechtigd is tot opzegging en dat deze opzegging rechtsgeldig is geschied, maar zij heeft niet bewilligd in deze opzegging. Zij is van mening dat de man een spelletje speelt door met de opzegging van de maatschap de vrouw buiten spel te zetten.

Naar het oordeel van de rechtbank is de maatschap, met inachtneming van de tussen partijen overeengekomen wijze en termijn, rechtsgeldig opgezegd, waarmee de maatschap met ingang van 1 januari 2020 is geëindigd. De rechtbank verwijst in dat verband naar artikel 10 lid 1 onder a van de maatschapsovereenkomst. Dat de vrouw de beweegreden van de man om op te zeggen bestrijdt, maakt dat niet anders. De door de man gevorderde verklaring voor recht zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard nu het een declaratoire beslissing betreft die niet ten uitvoer kan worden gelegd.

voortzetting bedrijf

4.5.

Beide partijen wensen voortaan, zonder de andere partij, het bedrijf voort te zetten. De man runt sinds het vertrek van de vrouw het varkensbedrijf en wenst dit in de toekomst voort te zetten. Hij stelt dat de beëindiging van de maatschap hem niet kan worden toegerekend en verwijst naar gedragingen en handelingen van de vrouw die de samenwerking onmogelijk maken. Zo zou de vrouw niet meewerken aan aanschaf van een luchtwasser, weigert zij haar medewerking te verlenen aan betalingen van de maatschapsrekening en weigert zij haar medewerking te verlenen aan het opstellen van de jaarcijfers 2017 en 2018 ten behoeve van de maatschap.

4.6.

De vrouw wenst eveneens gebruik te maken van het recht om het bedrijf zonder de man voort te zetten. Alleen al door de opzegging is het einde van de maatschap aan de man toe te rekenen en komt hem op grond van artikel 10 lid 2 niet het recht toe het bedrijf voort te zetten, aldus de vrouw. Bovendien heeft de man de samenwerking gefrustreerd door haar overal buiten te houden.

4.7.

Artikel 10 lid 2 van de maatschapsovereenkomst bepaalt dat een vennoot aan wie het einde der maatschap niet kan worden toegerekend het recht heeft om het bedrijf der maatschap voort te zetten.

De lezing van de vrouw dat de man door de enkele opzegging geen recht op voortzetting heeft wordt door de rechtbank niet gevolgd. Juist door in de bepaling op te nemen dat ook degene die heeft opgezegd het bedrijf mag voortzetten, wordt de opzegging en de vraag naar het (aan gedragingen van een vennoot) toerekenen van het einde van de maatschap losgekoppeld.

Voor wat betreft het oordeel van de rechtbank over de vraag naar de toerekening van het einde van de maatschap en het aandeel in het conflict wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.3. Op grond hiervan kan niet worden gezegd dat aan één van partijen het einde van de maatschap al dan niet kan worden toegerekend. Mitsdien hebben beide partijen de mogelijkheid om een beroep te doen op voortzetting van het bedrijf.

4.8.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat met voorzetting van het bedrijf is bedoeld “voorzetting van de activiteiten van het agrarische bedrijf” zoals destijds in de considerans van de maatschapsovereenkomst is opgenomen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteit de laatste jaren heeft bestaan uit het houden van varkens en biggen.

Beide partijen hebben argumenten naar voren gebracht om het bedrijf voort te zetten.

De rechtbank acht de volgende argumenten van belang:

aan de zijde van de man:

- dat de man het bedrijf al voor oprichting van de maatschap als eenmansbedrijf uitoefende,

- dat hij het merendeel van de onroerende zaken waarmee het bedrijf wordt uitgeoefend in eigendom heeft en

- dat hij, ook na het vertrek van de vrouw, nog steeds de dagelijkse praktische bedrijfsvoering voor zijn rekening neemt en varkens en biggen houdt.

aan de zijde van de vrouw:

- dat de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt of zij het agrarische bedrijf wil voortzetten,

- dat het aandeel van de vrouw binnen de maatschap zich heeft beperkt tot de administratie en dat de vrouw in deze procedure er geen inzicht in heeft gegeven dat zij en hoe zij de praktische kant van het bedrijf voor haar rekening wil en kan nemen,

- dat de vrouw een beroep heeft gedaan op artikel 10 lid 4 (overname van ingebrachte goederen die juridisch eigendom zijn van de man), maar dat deze bepaling naar het oordeel van de rechtbank niet betekent dat de man tot die inbreng kan worden verplicht, gelet op het woordje ‘kan’ in die bepaling. Aldus heeft de rechtbank geen duidelijk beeld kunnen krijgen hoe realistisch de voortzetting van het bedrijf door de vrouw is.

De rechtbank realiseert zich dat met de beslissing in voorlopige voorziening van 15 januari 2019 om de man het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te geven, de kansen voor de vrouw om activiteiten op het bedrijf te verrichten aanzienlijk zijn bemoeilijkt. De rechtbank dient evenwel te beslissen op grond van de feitelijke situatie zoals die er nu is.

Alles in aanmerking nemend weegt de rechtbank de argumenten van de man om het bedrijf voort te zetten zwaarder dan die van de vrouw. Gelet hierop zal de vordering van de man tot voorzetting van het bedrijf worden toegewezen en de vordering van de vrouw worden afgewezen.

4.9.

De vrouw heeft gesteld dat bij voortzetting van het bedrijf door de man moet worden geoordeeld dat, aangezien de man haar voortzettingsrecht niet respecteert, hij jegens de vrouw aansprakelijk is en tot vergoeding van haar schade is gehouden.

De rechtbank constateert dat de vrouw aan deze (algemene) stelling geen vordering heeft verbonden, zodat deze stelling buiten beschouwing kan blijven. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat zij om die reden belang heeft bij toewijzing van vordering IV wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.13.

de bedrijfsadministratie

4.10.

De vrouw vordert dat de man wordt veroordeeld tot het beschikbaar stellen van de complete bedrijfsadministratie onder verbeurte van een dwangsom. Zij stelt daartoe dat iedere communicatie tussen partijen ontbreekt en dat de man haar geen (volledig) inzicht verschaft, ook niet nadat partijen daarover in de vaststellingsovereenkomst van 1 juli 2020 afspraken hebben gemaakt.

De man erkent dat de vrouw als beherend vennoot tot de datum van ontbinding van de maatschap recht heeft op inzage in de administratie. Hij voert aan dat hij reeds bij vonnis in kort geding van 22 juli 2019 daartoe is veroordeeld, dat de vrouw als vennoot al toegang heeft tot de complete administratie bij de Rabobank en Bilanx. B.V en dat partijen bij de vaststellingsovereenkomst van 1 juli 2020 afspraken hebben gemaakt over de administratie.

4.11.

De rechtbank stelt vast dat beide partijen als vennoot in de maatschaps-overeenkomst gerechtigd zijn tot de administratie van de maatschap. Partijen hebben hierover bovendien op 1 juli 2020 afspraken gemaakt die dienen te worden nagekomen.

Nu de administratie voor het merendeel in beheer van de man lijkt te zijn, de verhoudingen tussen partijen zeer verstoord zijn en beide partijen groot belang hebben bij inzicht in de administratie van de maatschap, zal de vordering van de vrouw onder III worden toegewezen als hierna is vermeld. De rechtbank zoekt aansluiting bij de artikelen 2 en 3 van de vaststellingsovereenkomst van 1 juli 2020. Opgemerkt zij daarbij dat, nu de maatschap per

1 januari 2020 is geëindigd, het gaat om de bedrijfsadministratie voor zover deze betrekking heeft op de (afwikkeling van) maatschap.

4.12.

De gevorderde dwangsom zal (met een maximum) worden toegewezen omdat de vrouw, zonder medewerking van de man aan deze veroordeling, geen inzicht krijgt in de financiën en daardoor bij de afwikkeling van de maatschap in een nadelige positie kan komen te verkeren. De rechtbank ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen tot

€ 250,00. Verder zal de rechtbank de dwangsom maximeren, omdat van de dwangsom een prikkel tot nakoming dient uit te gaan doch deze niet is bedoeld als straf dan wel als middel om degene die de dwangsom krijgt opgelegd (financieel) te benadelen.

vordering IV van de vrouw in reconventie

4.13.

De vrouw stelt dat, indien de varkenshouderij wordt beëindigd, gebruik kan worden gemaakt van de Subsidieregeling Sanering varkenshouderijen en dat voor de bedrijfspanden een waardevermeerdering kan worden gerealiseerd door gebruik te maken van de zogenaamde ‘rood-voor-rood’ regeling. De vordering strekt ertoe dat de vrouw meedeelt in de baten voor het geval de man gebruik zal maken van deze regelingen. De baten behoren volgens de vrouw tot de stille reserves van de onderneming. De man probeert volgens haar met de opzegging van de maatschap haar haar aandeel in de baten van deze regelingen te ontzeggen.

De man stelt dat er door partijen een deskundige dient te worden ingeschakeld teneinde de waardering van de maatschap te laten plaatsvinden per 1 januari 2020.

4.14.

De rechtbank stelt vast dat deze vordering van de vrouw betrekking heeft op de financiële afwikkeling van de maatschap en dat partijen geen vordering hebben ingesteld tot het benoemen van een deskundige dan wel tot financiële afwikkeling van de maatschap door de rechtbank. Evenmin is de rechtbank door partijen in het bezit gesteld van de (financiële stukken) waaruit zou moeten worden afgeleid dat nu reeds kan worden vastgesteld of de door de vrouw gestelde baten tot het vermogen, bijvoorbeeld de door de vrouw genoemde stille reserves, van de maatschap behoren. Dit nog los van de omstandigheid dat niet vaststaat dat van de beide regelingen gebruik zal worden gemaakt. Gelet hierop zal deze vordering als zijnde prematuur en onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. De argumenten van partijen kunnen bij afwikkeling van de maatschap naar voren worden gebracht en daar worden meegewogen.

Proceskosten

4.15.

Partijen zijn gewezen echtgenoten en deze procedure vloeit voort uit de beëindiging van hun relatie. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat partijen belast blijven met de eigen kosten van de procedure.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de maatschap [X] ten gevolge van opzegging d.d. 25 juni 2019 door de man is beëindigd met ingang van

1 januari 2020;

5.2.

bepaalt dat de man het recht toekomt om het bedrijf voort te zetten;

5.3.

veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw beschikbaar te stellen:

I.

-alle gegevens met betrekking tot de buiten de bankrekening van de maatschap:

1. ontvangen baten die met de verkoop van de tot de (geëindigde) maatschap behorende activa zijn verkregen,

2. van derden ontvangen huur- en/of pachtpenningen voor het gebruik van activa van de maatschap of het gebruik van activa die aan de maatschap in gebruik en genot zijn – of ingevolge de maatschapsovereenkomst behoren te worden – gegeven,

3. betaalde kosten ten laste van de (geëindigde) maatschap;

II.

-de bedrijfstechnische en financiële administratie van het in de maatschap geëxploiteerde varkenshouderijbedrijf, w.o. overzicht van debiteuren en crediteuren, mestboekhouding aanvraag van vergunningen en subsidies en daarover gevoerde correspondentie met en van de betrokken overheidsinstantie(s), gegevens van RVO, POV, Mivas en Agrovision;

I. en II.: voor zover deze administratie betrekking heeft op de (afwikkeling van) maatschap

en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat de man met de uitvoering van deze veroordeling in gebreke blijf vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 10.000,00;

5.4.

verklaart de onderdelen 5.2 en 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

bepaalt dat iedere partij belast blijft met de eigen proceskosten;

5.6.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A. Smedes, T. M. Blankestijn en A. A. Smit en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.