Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4149

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
08.952204-19 en 08.760108-17 (tul) (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:7252, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 28 jarige man uit Zwolle tot een gevangenisstraf van 24 maanden en tbs met voorwaarden. De man heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan brandstichting aan een woning, een poging tot brandstichting aan een woning en een poging tot zware mishandeling. Dat het de tweede keer bij een poging tot brandstichting is gebleven is niet de verdienste van verdachte geweest, maar van het ingrijpen van buurtbewoners die vervolgens door het handelen van verdachte zelf in groot gevaar zijn gebracht.

Ook moet de man een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.952204-19 en 08.760108-17 (tul) (P)

Datum vonnis: 3 december 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in P.I. Grave te Grave

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.E.B. Rasing en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 29 maart 2019 brand heeft gesticht in of bij een woning aan de [adres 1] in Zwolle door molotovcocktails naar die woning te gooien of in ieder geval dat verdachte daarbij heeft geholpen door voor een ander deze molotovcocktails te maken;

feit 2: op 30 maart 2019 heeft geprobeerd brand te stichten in of bij een woning aan de [adres 2] in Zwolle door stenen door ruiten van die woning te gooien en molotovcocktails aan te steken;

feit 3: op 30 maart 2019 heeft geprobeerd [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, of hen te bedreigen door molotovcocktails naar hen te gooien.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Primair

hij op of omstreeks 29 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, in/aan een pand (woning), gelegen aan de [adres 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur, en/of (vervolgens) die molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, naar/in de richting van het pand gegooid ten gevolge waarvan een of meer ruiten en/of een of meer muren en/of een of meer meubels in de woning en/of een hond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor een of meer goederen, te duchten was en/of levensgevaar voor een of meer personen welke woonachtig waren in nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te duchten was;

Subsidiair

medeverdachte [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 29 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht, in/aan een pand (woning), gelegen aan de [adres 1] , immers heeft/hebben medeverdachte [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen toen aldaar opzettelijk een molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur, en/of (vervolgens) die molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, naar/in de richting van het pand gegooid ten gevolge waarvan een of meer ruiten en/of een of meer muren en/of een of meer meubels in de woning en/of een hond geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor een of meer goederen, te duchten was en/of levensgevaar voor een of meer personen welke woonachtig waren in nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te duchten was bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 maart

2019 te Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door een of meer molotovcocktails te vervaardigen en/of (vervolgens) af te geven / te leveren aan medeverdachte [medeverdachte] en/of een onbekend gebleven opdrachtgever;

2

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk in/aan een pand (woning), gelegen aan de [adres 2] , brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, met dat opzet een of meer stenen, althans een of meer harde voorwerpen, door de ruiten van voornoemd pand heeft gegooid en/of (vervolgens) een molotovcocktail, althans een of meer flessen gevuld met een brandbare vloeistof/brandbaar gas, heeft aangestoken, althans in aanraking heeft gebracht met open vuur, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen op/aan dat perceel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een of meer personen welke woonachtig waren in voornoemd pand en/of nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer personen welke woonachtig waren in voornoemd pand en/of nabijgelegen/aangrenzende panden/woningen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

Primair

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte genomen misdrijf om

- [naam 1] en/of

- [naam 2] en/of

- [naam 3] ,

van het leven te beroven, met dat opzet een of meer (aangestoken/brandende)

molotovcocktails in de richting van die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] heeft gegooid/geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

- [naam 1] en/of

- [naam 2] en/of

- [naam 3] ,

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meer (aangestoken/brandende) molotovcocktails in de richting van die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] heeft gegooid/geworpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Zwolle, althans in Nederland,

- [naam 1] en/of

- [naam 2] en/of

- [naam 3] ,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting door (opzettelijk) een of meer (aangestoken/brandende) molotovcocktails in de richting van die [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] te gooien/werpen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen

4.1 Inleiding

Op 29 maart 2019 heeft [aangever 1] aangifte gedaan van brandstichting in zijn woning aan de [adres 1] , waarbij schade is ontstaan en in ieder geval één van zijn honden brandwonden heeft opgelopen. De buurvrouw van nummer [huisnummer 1] , getuige [getuige 1] , heeft verklaard dat zij die avond twee knallen heeft gehoord en zag dat er iets naar de woning op nummer [adres 1] werd gegooid.

De volgende dag is de woning onderzocht door een team van de forensische opsporing. Op basis van de bevindingen is geconcludeerd dat de brand is ontstaan door met keien ruiten in de voorgevel te forceren en vervolgens meerdere molotovcocktails tegen de woning te gooien, waarbij in ieder geval één molotovcocktail op de overloop van de betreffende woning belandde. Ook bij de voorgevel en op het balkon is brand ontstaan. Zonder inzet van de hulpdiensten had de brand zich verder kunnen ontwikkelen, was er grotere schade aan de woning te verwachten geweest en had de brand kunnen overslaan naar naastgelegen woningen. De buurvrouw was ten tijde van de brand aanwezig in de naastgelegen woning en lag in bed.

Op 30 maart 2019 heeft dhr. [aangever 2] (de vader van [aangever 1] ) aangifte gedaan van brandstichting. Hij was die avond thuis en hoorde omstreeks 20.55 uur een doffe klap en zag vervolgens dat de oprit van zijn woning aan de [adres 2] in brand stond.

Getuige [getuige 2] zag die dag dat een man drie grote glazen flessen op de stoep voor huisnummer [huisnummer 2] zette en iets in die flessen aan stak. Door getuige [getuige 3] wordt verklaard dat de dader meerdere stenen richting de ruiten van de woning aan de [adres 2] gooide. Ook getuigen [naam 2] en [naam 3] verklaren dat de dader meerdere stenen gooide richting de woning. Op het moment dat de dader twee aangestoken flessen oppakte, kwamen drie mannen – [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] – schreeuwend op de dader afgerend.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. Uit de verklaringen van [naam 4] en [naam 5] blijkt dat [medeverdachte] verdachte heeft geronseld om met molotovcocktails brand te stichten in de woning van [aangever 1] . Uit onderzoek naar de historische verkeergegevens van de telefoons van [medeverdachte] en verdachte blijkt dat [medeverdachte] zich op 29 maart 2019, op het moment van de brand, bij zijn eigen woning bevindt en dat daarentegen te zien is dat verdachte zich op die avond door Zwolle heen en weer beweegt. Verdachte heeft daarover geen geloofwaardige verklaring afgelegd. Verdachte heeft wel verklaard dat hij op 29 maart 2019 – en op 30 maart 2019 wederom op dezelfde manier – molotovcocktails en stenen heeft geregeld en dat hij op 30 maart 2019 stenen heeft gegooid naar ramen die hoger gelegen waren. Het dossier bevat, buiten de verklaring van verdachte, geen aanknopingspunten voor het standpunt dat verdachte alleen de molotovcocktails heeft gemaakt en deze aan een opdrachtgever heeft gegeven. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de medeplichtigheid aan dit misdrijf wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. De officier van justitie gaat eveneens uit van het feit dat [medeverdachte] hiertoe de opdracht heeft gegeven. Verdachte verklaart zelf ook dat hij brand wilde stichten. Het scenario dat hij niet de bedoeling had om het huis in de brand te steken heeft de officier van justitie – tegen de achtergrond van de eerdere geslaagde woningbrand en gelet op het meebrengen van stenen – niet aannemelijk geacht.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard door molotovcocktails vlak voor de voeten van de slachtoffers te gooien. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit bewezen kan worden verklaard als bedreiging.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Het bewegen van de telefoon van verdachte plaatst verdachte niet bij de woning en evenmin bij de actieve handeling om deze woning in brand te steken. Het is niet duidelijk waarom – in de lezing van het Openbaar Ministerie – de verklaring van [medeverdachte] die alleen de auditu uit het dossier blijkt, geloofwaardig moet worden geacht. Niet kan worden uitgesloten dat [medeverdachte] betrokken is bij dit feit, zodat aan zijn verklaring geen waarde dient te worden gehecht. Ook voor medeplichtigheid bevat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs, omdat verdachte niet wist dat hij de molotovcocktails had verstrekt met het doel om brand te stichten in de woning.

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte een poging heeft gedaan om de woning aan de [adres 2] in brand te steken. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de molotovcocktail eerst naar een auto en – toen deze auto er niet bleek te staan – alleen in de tuin van de woning wilde gooien. Er zijn geen brandsporen op de woning aangetroffen.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de molotovcocktails vlak voor zijn eigen voeten heeft neergegooid. Daarmee heeft hij niet bewust de aanmerkelijke kans op de dood of op het zwaar lichamelijk letsel van de aangevers aanvaard.

Ten aanzien van het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

Op 29 maart 2019 en op 30 maart 2019 vinden twee incidenten jegens zoon en vader [achternaam] plaats waarbij met stenen in de richting van de ramen van hun huizen is gegooid en waarbij gebruik is gemaakt van molotovcocktails. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 maart 2019 drie molotovcocktails heeft gemaakt voor een opdrachtgever, van wie hij de naam niet wil noemen, en deze samen met enkele stenen aan de opdrachtgever heeft geleverd. Verder heeft verdachte verklaard dat hij op 30 maart 2019 opnieuw drie molotovcocktails heeft gemaakt en opnieuw enkele stenen heeft gehaald, terwijl hij wist dat de eerder door hem gemaakte molotovcocktails waren gebruikt voor het in brand steken van een woning. Hij is naar de [adres 2] in Zwolle gegaan en heeft stenen richting de ruiten van de woning aan de [adres 2] gegooid en wilde de molotovcocktails vervolgens in de voortuin van deze woning gooien.

Uit de bevindingen van de politie ter plaatse blijkt dat de bij de beide incidenten aangetroffen materialen – het lont en (glasscherven van) flessen van het merk ‘Meestersap’ – overeenkomsten vertonen. Deze overeenkomsten bevestigen de verklaring van verdachte dat hij voor beide incidenten degene is geweest die de molotovcocktails heeft gemaakt.

Brandstichting aan de [adres 1] (feit 1 primair)

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte niet alleen de molotovcocktails heeft gemaakt, maar deze ook op 29 maart 2019 tegen de woning aan de [adres 1] heeft gegooid. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Medeplichtigheid tot brandstichting aan de [adres 1] (feit 1 subsidiair)

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.

Verdachte heeft drie molotovcocktails gemaakt en vervolgens samen met een aantal stenen geleverd aan de opdrachtgever. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen, en in het bijzonder gelet op het leveren van de stenen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de molotovcocktails gebruikt zouden worden voor brandstichting in of aan een woning. De stenen zijn immers bedoeld om een of meer ruiten kapot te gooien, waarna de molotovcocktails door de kapotte ruit(en) gegooid kan worden. Voor het in brand steken van scooters – waar verdachte blijkens zijn verklaring stelt vanuit te zijn gegaan – is het immers niet nodig ook stenen te leveren. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het verschaffen van middelen als voorwaardelijk opzet op de hier tenlastegelegde brandstichting in een woning met gemeen gevaar voor goederen en met, gelet op de conclusie van het team forensische opsporing, levensgevaar voor personen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Poging brandstichting aan de [adres 2] (feit 2)

Dat verdachte degene is geweest die op 30 maart 2019 aan de [adres 2] aanwezig was en daar molotovcocktails heeft aangestoken en stenen in de richting van de ruiten van de [adres 2] heeft gegooid, blijkt uit zijn eigen verklaring. Verdachte verklaart echter dat hij niet van plan was de molotovcocktails naar de woning te gooien.

De rechtbank stelt vast dat verdachte naar de [adres 2] is gegaan met het doel om daar brand te stichten. Ter plaatse heeft verdachte stenen richting de ruiten van genoemde woning gegooid. Op de stoep voor de oprit heeft verdachte de lonten van door hem meegebrachte molotovcocktails aangestoken. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van begin van uitvoering omdat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienen te worden beschouwd als reeds in voldoende concrete mate te zijn gericht op de voltooiing van de door hem voorgenomen brandstichting van de woning. Kenmerkend voor het gebruik van een molotovcocktail is het onvoorspelbare karakter van de brand die als gevolg van dat gebruik ontstaat. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zo te handelen, ook indien hij vanaf enkele meters meerdere molotovcocktails alleen in de tuin van de woning wilde gooien, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat brand zou ontstaan aan of in de woning aan de [adres 2] , met gemeen gevaar voor goederen op en aan dat perceel alsook levensgevaar voor de op dat moment in dat pand aanwezige en al op leeftijd zijnde heer [aangever 2] .

De rechtbank is dus van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Poging doodslag (feit 3 primair)

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van de aangevers – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de getuigenverklaringen van de heren [getuige 2] , [getuige 3] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] volgt dat verdachte wegrende, toen drie mannen schreeuwend op hem af kwamen. Verdachte had op dat moment twee brandende molotovcocktails in zijn handen. Uit de getuigenverklaringen valt af te leiden dat verdachte tijdens het wegrennen de twee molotovcocktails vlak voor [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] gooide – zo’n 50 centimeter van hun voeten – waarna overdwars over de straat een lange vuurzee ontstond. De achtervolgers van verdachte moesten hier doorheen springen. De verklaring die verdachte eerst ter zitting heeft afgelegd, dat hij de molotovcocktails vlak voor zijn eigen voeten heeft neergegooid en daarna pas is weggerend, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet geloofwaardig.

Weliswaar was er, mede gelet op de onvoorspelbaarheid van de werking van een molotovcocktail, sprake van een aanmerkelijke kans dat de kleding van aangevers als gevolg van het handelen van verdachte vlam zou vatten, maar de rechtbank is gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat daarmee sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood van aangevers. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 3 primair tenlastegelegde vrijspreken.

Poging zware mishandeling (feit 3 subsidiair)

De rechtbank is van oordeel dat wel sprake was van een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij aangevers. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, in het bijzonder gelet op het gooien van de molotovcocktails op zeer korte afstand, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het onder 3 subsidiair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. Subsidiair

een persoon op 29 maart 2019 te Zwolle, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een pand (woning), gelegen aan de [adres 1] , immers heeft een persoon toen aldaar opzettelijk flessen gevuld met een brandbare vloeistof in aanraking gebracht met open vuur en vervolgens die flessen gevuld met een brandbare vloeistof naar het pand gegooid ten gevolge waarvan ruiten en muren en een hond geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de in voornoemde woning aanwezige goederen en levensgevaar voor een persoon welke woonachtig was in aangrenzende woning te duchten was

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 29 maart 2019 te Zwolle opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk middelen heeft verschaft door molotovcocktails te vervaardigen en vervolgens te leveren aan een opdrachtgever;

2

hij op 30 maart 2019 te Zwolle ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan een pand (woning), gelegen aan de [adres 2] , brand te stichten, met dat opzet stenen heeft gegooid en flessen gevuld met een brandbare vloeistof heeft aangestoken en daarvan gemeen gevaar voor goederen op/aan dat perceel en levensgevaar voor een persoon welke woonachtig was in voornoemd pand en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een persoon welke woonachtig was in voornoemd pand, te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 Subsidiair

hij op 30 maart 2019 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

- [naam 1] en

- [naam 2] en

- [naam 3] ,

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet aangestoken molotovcocktails in de richting van die [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 48, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

medeplichtigheid aan het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is

feit 2

het misdrijf:

poging tot het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

feit 3

het misdrijf:

poging tot zware mishandeling.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7. De op te leggen straf of maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en dat daarnaast aan verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) met voorwaarden zal worden opgelegd, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat gelet op het strafblad sprake is van een hoog recidiverisico. Een eerder behandeltraject is mislukt. Het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel is niet passend voor iemand die niet mee wil werken en steeds opnieuw in een kliniek moet worden teruggeplaatst. Bij een tbs-maatregel met voorwaarden is het voor verdachte duidelijk wat er, als hij niet meewerkt, boven zijn hoofd hangt.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte ter zake van het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder het meewerken aan een behandeling en het toezicht van de reclassering.

In het geval van een andere bewezenverklaring heeft de raadsman bepleit dat bij de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf rekening wordt gehouden met het feit dat verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis lange tijd een klinische behandeling heeft ondergaan waarbij verdachte ernstig in zijn vrijheid is beperkt. Daarnaast kan dan een fors voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd met daaraan verbonden de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

Indien de rechtbank tbs met voorwaarden in overweging neemt, dan heeft de raadsman bepleit dat de zaak zal worden aangehouden om de psycholoog en psychiater op zitting te horen. Het is namelijk onvoldoende duidelijk wat de deskundigen voor ogen hebben en waarom zij tot een verschillende conclusie komen.

7.3 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan brandstichting aan een woning, een poging tot brandstichting aan een woning en een poging tot zware mishandeling. Dat het de tweede keer bij een poging tot brandstichting is gebleven is niet de verdienste van verdachte geweest, maar van het ingrijpen van buurtbewoners die vervolgens door het handelen van verdachte zelf in groot gevaar zijn gebracht. Brandstichting, en vooral gelet op de bedreigende wijze waarop dat in dit geval tweemaal kort na elkaar in een woonwijk heeft plaatsgevonden, is een zeer ernstig misdrijf dat levens en eigendommen bedreigt en bovendien grote maatschappelijk onrust doet ontstaan. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten laten leiden door zijn eigen belang bij het doen wat zijn opdrachtgever van hem vroeg en heeft onvoldoende rekening gehouden met de risico’s waaraan anderen daardoor zijn blootgesteld. Dit is een ernstig feit waarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is.

De persoon van verdachte

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 oktober 2020 waaruit blijkt dat verdachte eerder veroordeeld is voor schennis van de eerbaarheid, wapenbezit en diefstal en hij bovendien nog in de proeftijd liep van een onherroepelijk opgelegde voorwaardelijke straf voor gekwalificeerde diefstal.

De rechtbank heeft kennis genomen van diverse over de persoon van verdachte uitgebrachte rapportages.

In zijn adviezen van 20 maart 2020 en 2 november 2020 concludeert gezondheidszorgpsycholoog dr. R.W. Blaauw dat bij verdachte sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis, een stoornis in het gebruik van alcohol en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en antisociale trekken. Verdachte plaatste, vanuit de met de vermijdende persoonlijkheidstrekken samenhangende angst voor afwijzing of kritiek, nagenoeg geen kanttekeningen bij de opdrachten die hij kreeg vanuit de opdrachtgever. Ook sprak verdachte vanuit deze persoonlijkheidsstoornis hier niet over met andere mensen. Mede vanuit enkele antisociale kenmerken verzette verdachte zich daardoor nauwelijks en ging hij op pad om molotovcocktails te gooien. Tijdens zijn daden was verdachte zich bewust van het strafbare karakter hiervan. Bij het derde feit – de poging tot zware mishandeling – reageerde verdachte op de situatie dat hij betrapt was en is er minder sprake van een doorwerking van de stoornis in het tenlastegelegde. Het ten laste gelegde is hem in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte heeft een hoog recidiverisico voor gewelddadig gedrag in de situatie dat hij geen verdere behandeling krijgt.

In zijn adviezen van 2 mei 2020 en van 13 november 2020 concludeert psychiater T.W.D.P. van Os dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in gebruik van cannabis en een stoornis in gebruik van alcohol. De psychiater beschrijft verdachte als een identiteitszwakke man die vanwege zwakke identiteit gemakkelijk speelbal wordt van eigen en andermans impulsen. Hij is een kinderlijke en enigszins impulsieve man die te weinig inschattingsvermogen heeft ten opzichte van personen die het goed en niet goed met hem voor hebben en het ontbreekt hem om na te denken over lange termijn gevolgen van zijn doen en laten (borderline trekken). Hij presenteert zich als slachtoffer van de opdrachtgever, hij raakte onder diens invloedssfeer (antisociale trekken) en voelde zich onvoldoende opgewassen om zich tegen zijn antisociale plannen te verzetten (antisociale en vermijdende trekken). Hij heeft geen hulp gezocht om zich te kunnen weren tegen de opdrachtgever (vermijdende trekken). Het gooien van flessen benzine naar de mannen die op hem af kwamen rennen imponeert als een impulsieve actie maar is ook een weloverwogen besluit, waarbij hij het doel had om hen op afstand te houden zodat hij kon vluchten. De psychiater komt tot het advies om het onder 2 ten laste gelegde feit verminderd toe te rekenen en het onder 3 ten laste gelegde feit volledig toe te rekenen. Het delictscenario van feit 1 kon vanwege de ontkennende houding van verdachte niet met hem besproken worden.

Het recidiverisico moet – zonder behandeling – als hoog worden ingeschat. Door zijn identiteitszwakte laat verdachte zich gemakkelijk vullen met andermans middelen of ideeën, ook als die antisociaal zijn. Hij zal langere tijd nodig hebben om de gestagneerde ontwikkeling in te halen en een volwassene te worden. Er zijn relatief weinig beschermende factoren.

Het advies over het juridisch kader waarbinnen behandeling moet plaatsvinden

De psycholoog adviseert dat verdachte door middel van psychotherapeutische behandeling zal worden behandeld voor zijn persoonlijkheidspathologie en dat verdachte behandeling ondergaat om inzicht te krijgen in zijn delictgedrag en begeleiding krijgt in het omgaan met zijn stoornissen in het gebruik van cannabis en alcohol. Dit dient te gebeuren in een instelling voor forensische (verslavings)zorg, waarna deze klinische behandeling kan worden gevolgd door een deeltijdbehandeling of een ambulante behandeling. Aannemelijk is dat een dergelijke behandeling meerdere jaren in beslag zal nemen. De psycholoog zag in het advies van 20 maart 2020 geen aanleiding tot het adviseren van een tbs-maatregel, omdat sprake is van een relatief laag risico op een geweldsdelict met letsel voor slachtoffers en het mogelijk is om verdachte adequaat te behandelen binnen een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. Het ultimum remedium van de tbs-maatregel is daarom niet nodig.

Op 31 augustus 2020 is de behandeling bij forensisch psychiatrische afdeling De Boog in Warnsveld beëindigd, omdat het niet was gelukt verdachte te motiveren de behandeling daadwerkelijk aan te gaan. In het daaropvolgende advies van 13 november 2020 concludeert de psycholoog dat in het recidiverisico niets is veranderd. Wel speelt de vraag in hoeverre het mogelijk is om verdachte te laten behandelen binnen een (deels) voorwaardelijk gevangenisstraf. Tijdens het aanvullend onderzoek kenmerkt verdachte zich door een beperkte motivatie tot behandeling en een nog geringere motivatie tot een klinische opname dan bij het initiële onderzoek het geval was. Het staat buiten kijf dat de beperkte behandelmotivatie van verdachte vraagt om een justitiële stok achter de deur. Een tbs-maatregel acht de psychloog ook nu niet aangewezen, omdat er meerdere omstandigheden een rol hebben gespeeld in de beperkte medewerking van verdachte bij de behandeling op de Boog. Verdachte heeft verder geen langdurige behandelgeschiedenis van waaruit zou kunnen worden geconstateerd dat hij niet open zou staan voor behandeling. Tenslotte is de psycholoog van mening dat verdachte vanuit zijn pathologie en recidiverisico niet thuishoort in een forensisch psychiatrisch centrum, waarbij het risico om daar terecht te komen aanwezig is indien hij niet voldoende zou meewerken aan de voorwaarden binnen een tbs met voorwaarden. De psycholoog adviseert om verdachte te laten behandelen vanuit een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel biedt immers gedurende lange tijd de mogelijkheid om bij een dader van een ernstig geweldsdelict voorwaarden te stellen voor opname, behandeling en verblijf in een instelling voor begeleid wonen.

De psychiater komt tot de conclusie dat verdachte een klinische behandeling dient te ondergaan in een forensische setting waarin aandacht is voor het delict scenario, de achterstand in zijn ontwikkeling en zijn middelengebruik. In het advies van 2 mei 2020 adviseert de psychiater om deze behandeling vorm te geven in FPA de Boog en toe te leiden naar een beschermde woonvorm met ambulante begeleiding bijvoorbeeld via het Forfact. Na beëindiging van de behandeling bij De Boog acht de psychiater een steviger kader echter noodzakelijk, om verdachte langer de tijd te geven om de voor een reductie van het recidiverisico noodzakelijke taken te volbrengen. In de visie van de behandelaren is verdachte verantwoordelijk voor de beëindiging van zijn behandeling. Verdachte is terug in de PI waar hij het ‘naar zijn zin’ heeft. Hij is van mening dat een behandeling niet nodig is. Om zeker te weten dat een klinisch traject wordt afgerond met nadien een langdurig ambulant kader adviseert de psychiater aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Voor een minder stringent kader ziet de psychiater vanwege de complexe problematiek en het beperkte probleembesef geen mogelijkheden meer. Een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel zal te weinig behandeldruk opleveren omdat de detentie te weinig afschrikt. Verdachte heeft er ook voor ‘gekozen’ vanuit De Boog naar detentie te gaan en hij vindt het in detentie wel prettig rustig. Het risico van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel is dat hij onbehandeld blijft. Een tbs-maatregel met voorwaarden biedt voldoende garanties en behandelmogelijkheden en het biedt verdachte bovendien meer overzichtelijkheid en perspectief. Van belang is dat binnen de instelling waar de klinische behandeling plaatsvindt expertise is op het gebied van verslaving en persoonlijkheidsstoornissen, bijvoorbeeld een verslavingskliniek. Aandacht zal moeten uitgaan naar het delictscenario en naar positieve (beschermende) levensdoelen, zoals werk (hij heeft geen idee wat hij wil), relatievorming en seksualiteit.

E. de Jonge, reclasseringwerker, heeft op 28 mei 2020 en op 12 november 2020 geadviseerd een behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Verdachte staat al sinds 2018 onder toezicht van de reclassering en diverse interventies hebben niet kunnen voorkomen dat hij sindsdien tweemaal opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, met een duidelijke toename in ernst van het delictgedrag. Tijdens zijn behandeling bij De Boog is weinig vooruitgang geboekt en de vermijdende problematiek is volgens de behandelaar zeer hardnekkig. Het feit dat verdachte uiteindelijk na tien maanden niet langer wenst mee te werken aan de klinische behandeling in FPA De Boog en het recidiverisico nog steeds hoog is, maakt een extra stok achter de deur wat de reclassering betreft noodzakelijk. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt de gronden waarop het advies ten aanzien van de verminderde toerekeningsvatbaarheid rust over en concludeert dat het onder 2 bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Nu verdachte ook de onder 1 bewezenverklaarde medeplichtigheid onder invloed van deze opdrachtgever heeft gepleegd concludeert de rechtbank dat ook het onder 1 bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Gelet op de adviezen van de deskundigen is een intensieve behandeling met het oog op het terugdringen van de recidivekans in een gedwongen kader noodzakelijk. De vraag is welk juridisch kader daarvoor het meest passend is.

De rechtbank komt ten aanzien van dat kader tot de conclusie dat de maatregel van tbs met voorwaarden het passende kader is voor de noodzakelijke behandeling van verdachte. Vooropgesteld wordt dat de wet niet vereist dat eerst een minder ingrijpende sanctie wordt opgelegd of een minder ingrijpend behandeltraject moet worden gevolgd voordat een tbs-maatregel kan worden opgelegd. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd terwijl hij nog onder toezicht van de reclassering stond en de tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis gevolgde klinische behandeling in De Boog is op initiatief van verdachte voortijdig beëindigd. De deskundigen zijn het erover eens dat alleen een voorwaardelijk strafdeel onvoldoende is om verdachte te motiveren voor de noodzakelijk geachte behandeling. Uit de rapportages van de psycholoog blijkt onvoldoende waarom in dit geval behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel passender zou zijn dan behandeling in het kader van tbs met voorwaarden. De deskundigen hebben allebei benadrukt dat sprake is van een beperkte behandelmotivatie en ook dat met de behandeling van de problematiek van verdachte de nodige tijd gemoeid zal zijn. Daarbij heeft de rechtbank geconstateerd dat het recidiverisico door beide deskundigen als hoog wordt ingeschat. Er is sprake van gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Vanuit het oogpunt van de bescherming van de maatschappij acht de rechtbank het kader van tbs met voorwaarden – waarbij de tbs met dwangverpleging als vangnet aanwezig is – voor verdachte het meest passend. Door de psychiater is gemotiveerd waarom een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel voor verdachte onvoldoende behandeldruk oplevert. Het niet meewerken aan de behandeling zou dan tot gevolg kunnen hebben dat verdachte zonder behandeling terug zal keren in de maatschappij. Dit acht de rechtbank onaanvaardbaar. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om, zoals door de raadsman is bepleit, de zaak aan te houden om beide deskundigen op zitting nader te horen.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Uit de rapportages van twee gedragsdeskundigen blijkt dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd terwijl tijdens het begaan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Het bewezenverklaarde is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Bovendien eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van de door de reclassering (Iriszorg) opgestelde voorwaarden, ook als een en ander plaatsvindt in het kader van een tbs-maatregel. Gelet op het voorgaande is aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden voldaan.

Ten slotte acht de rechtbank, teneinde recht te doen aan de ernst van het feit en uit het oogpunt van vergelding, naast de terbeschikkingstelling met voorwaarden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest, passend en geboden.

Gelet op de noodzaak van behandeling van verdachte direct aansluitend aan zijn gevangenisstraf, ter beperking van het gevaar voor recidive zoals blijkt uit voornoemde adviezen, zal de rechtbank – op grond van artikel 38, zevende lid, Sr – bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

8. De schade van benadeelden

8.1 De vordering van de benadeelde partij

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.681,76 (achtduizend zeshonderdéénentachtig euro en zevenenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- kosten dierenarts € 608,99;

- kosten nieuwe hond € 865,00;

- nieuwe vloer € 1.199,20;

- inboedel € 1.250,00

- matras € 649,00;

- buitensirene € 99,00;

- wasmachine € 510,57.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 3.500,00 gevorderd.

8.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegekend tot een bedrag van € 3.000,00. De materiële schade dient gedeeltelijk geschat te worden, omdat onvoldoende duidelijk is of de schade aan de matrassen het gevolg is van de brandstichting en of de wasmachine helemaal vervangen dient te worden.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de immateriële schade volledig voor toewijzing in aanmerking komt.

8.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat de raadsman vrijspraak heeft bepleit voor feit 1.

Subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie wat betreft de schatting van de materiële schade en bepleit dat het immateriële deel wordt gematigd, omdat de situatie minder erg is dan wanneer iemand tijdens de brandstichting thuis is.

8.4 Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Materiële schade

De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en onvoldoende betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.181,76, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

Voorts is aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft concreet onderbouwd aangevoerd dat de gebeurtenissen een grote impact hebben gehad op zijn persoonlijk leven. Dit is niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in dit geval het oogmerk heeft gehad om jegens de benadeelde partij ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen in de zin van artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub a BW. Verdachte heeft de molotovcocktails en stenen immers geleverd aan zijn opdrachtgever vanwege een conflict van zijn opdrachtgever met anderen met het (voorwaardelijk) opzet dat deze gebruikt zouden worden voor het in brand steken van een woning. Als gevolg van de in de woning van de benadeelde partij ontstane brand heeft één van zijn honden ernstige brandwonden opgelopen, waaraan de hond later is overleden. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 3.500,- aan de benadeelde partij toewijzen, omdat zij dat bedrag billijk acht.

8.5 De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit is toegebracht.

9. De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

10. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 38, 38a, 49 en 57 Sr.

11. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, onder 2 en onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: medeplichtigheid aan het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is

feit 2

het misdrijf: poging tot het opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

feit 3

het misdrijf: poging tot zware mishandeling

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair, onder 2 en onder 3 subsidiair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij als voorwaarden:

  1. dat verdachte geen strafbare feiten zal plegen;

  2. dat verdachte zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

- dat verdachte zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;

- dat verdachte zich aan de voorwaarden en aanwijzingen houdt die hem gesteld zijn door of namens de reclassering;

- dat verdachte de reclassering een actuele foto geeft waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- dat verdachte medewerking verleent aan huisbezoeken;

- dat verdachte de reclassering inzicht geeft in de voortgang van en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- dat verdachte zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;

- dat verdachte meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

3. dat verdachte zijn medewerking verleent aan een time-out in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

4. dat verdachte niet naar het buitenland of naar de Nederlandse Antillen gaat, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

5. dat verdachte zich laat opnemen in een door IFZ/DIZ geïndiceerde forensische (verslavings)kliniek. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiesteling en plaatsing;

6. dat verdachte na de klinische behandeling verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dit nodig acht. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

7. dat verdachte zich na de klinische behandeling laat behandelen voor zijn verslavingsproblemen en/of psychische problemen door een zorgverlener te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dit nodig vindt. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en middelencontrole (alcohol/drugs) kan onderdeel zijn van de behandeling;

8. dat verdachte geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod, indien dit door de reclassering noodzakelijk wordt geacht. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

9. dat verdachte geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod, indien dit door de reclassering noodzakelijk wordt geacht. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urine- en ademonderzoek (blaastest);

- draagt de reclassering op de ter beschikking gestelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1 subsidiair): van een bedrag van € 8.681,76 (achtduizend zeshonderdéénentachtig euro en zevenenzestig cent) (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2019) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.681,76 (achtduizend zeshonderdéénentachtig euro en zevenenzestig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 78 dagen kan worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Overijssel van 10 augustus 2018 met parketnummer 08.760108-17 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 57 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. M. van Berlo en
mr. B. Rademacher, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van den Ham-Pool, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2020.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2019176535 Z. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2020, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 29 maart 2019 heb ik in opdracht voor een opdrachtgever drie molotovcocktails gemaakt. Ik heb daarvoor flesjes gekocht bij de supermarkt. Ik heb brandstof gehaald bij een benzinepomp aan de [adres 3] . Ik heb een klein laagje brandstof in de flesjes gedaan. Ik heb een doek die ik nog thuis had liggen gebruikt als lont. Ik heb ook stenen uit [wijk in Zwolle] gehaald, deze lagen aan het water. Ik heb de molotovcocktails en de stenen naar de opdrachtgever gebracht. Daarna heeft de opdrachtgever mij verteld dat hij een woning aan de [adres 1] te Zwolle in brand wilde steken.

Op 30 maart 2019 heb ik ook drie molotovcocktails gemaakt. Ik heb opnieuw dezelfde flesjes gekocht bij de supermarkt. Ik heb benzine gehaald bij de autopomp in [wijk in Zwolle] . Ik heb ook weer stenen gehaald op dezelfde plek als de dag ervoor. Ik ben met de fiets naar de [adres 2] in Zwolle gegaan. Ik ben van mijn fiets afgestapt, ik heb eerst twee molotovcocktails aangestoken en neergezet op de grond. Ik stond op de stoep voor de oprit van de woning. Ik heb drie stenen tegen het huis gegooid. Ik mikte op de ruiten, maar de stenen kwamen tegen de gevel aan. Ik wilde vervolgens direct de molotovcocktails in de tuin van de woning gooien. Toen ik de molotovcocktails oppakte, kwamen er mensen van de overkant van de straat op me afgerend. Eén molotovcocktail bleef staan. De andere twee heb ik kapot gegooid.

Ik had nooit eerder met molotovcocktails gegooid en ik wist niet precies wat er zou gebeuren. Ik wist dat het heel onvoorspelbaar was.

2 Het proces-verbaal van aangiftevan [aangever 1] van 30 maart 2019, pagina 1

Op vrijdag 29 maart 2019 werd ik omstreeks 23.45 uur gebeld door een buurman die verklaarde dat in huis in de brand stond.

3 Het proces-verbaal van verhoor aangevervan 31 maart 2019, pagina 13-17

Ik laat u een foto van mijn hond zien. U kunt zien dat deze brandwonden heeft. Tevens is de hond blind geworden van de brand in de woning.

4 Het proces-verbaal van verhoorgetuige [getuige 1] , pagina 93

Op vrijdag 29 maart 2019 om 23.26 uur heb ik gebeld. Ik hoorde 1 knal. Ik zag toen iemand lopen langs de rode auto, die geparkeerd staat, de weg over. Ik zag dat er nog een keer werd gegooid. Ik hoorde nog een knal; de tweede knal dus.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 96

Hij gooide wat tegen het huis van de buurman van nummer [adres 1] .

6. Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] Zwolle), pagina 56-62

Op zaterdag 30 maart 2019 bevond ik mij op de locatie [adres 1] te Zwolle.

Ik zag op de gevelstenen onder het raam ter hoogte van het trottoir een zwartkleurige aftekening van roet. Ik zag dat de ruit van dit raam en een deel van de gevel erboven zwart geblakerd waren. Ik zag dat zowel het draairaam als het vaste raam in de keuken door de inwerking van vuur/hitte zwart geblakerd en ingebrand waren. Ik zag op het trottoir transparante glasscherven, die zeer waarschijnlijk afkomstig waren van een kleine fles en ooit één geheel hadden gevormd. Ik zag op enkele van deze scherven restanten van een etiket.

Op het trottoir zag ik een bruin-zwarte sliert verbrande kunststof liggen. Een soortgelijke sliert zag ik ook op het balkon liggen. Bij een incident op 30 maart 2019 aan de [adres 2] te Zwolle werd een nagenoeg intacte molotovcocktail aangetroffen. De lont in deze fles was vervaardigd van (zelfklevende) kunststofstroken. Het verbrande kunststof dat op de plaats delict op het trottoir en het balkon aan de [adres 1] werden aangetroffen betreft mogelijk de lont.

Door vuur dan wel door inwerking van de hitte was de gevelbekleding op de eerste en tweede verdieping aangetast. Op het balkon zag ik glasscherven liggen die qua vorm overeen kwamen met de eerder genoemde glasscherven die ik op het trottoir voor de woning zag liggen. Ook zag ik op deze glasscherven delen van een etiket.

Ik zag dat de muren op de overloop zwart beroet waren. Ik zag op de overloopvloer transparante glasscherven liggen, gelijkend op de fragmenten die ik op het balkon en op het trottoir voor de woning had zien liggen. Ik zag dat een aantal van deze glasscherven was voorzien van restanten van een etiket.

Bij de brandstichting slaagde men erin om een hoeveelheid vuur in de woning te brengen. Dit realiseerde men door met keien ruiten in de voorgevel te forceren en vervolgens meerdere molotovcocktails tegen de woning te gooien, waarbij in ieder geval één molotovcocktail op de overloop van de betreffende woning belandde. Door omstandigheden belandden niet alle molotovcocktails in de woning, met als gevolg dat de ontbrandbare vloeistof op de voorgevel en het balkon tot ontbranding kwam, met een vuurzee tot gevolg.

Ten tijde van de brand was de bewoonster van de aangrenzende woning, perceel [huisnummer 1] , in haar woning aanwezig en lag in bed. De brand veroorzaakte schade aan het in- en exterieur van de woning. Zonder inzet van hulpdiensten had de brand zich verder kunnen ontwikkelen en was grotere schade aan de woning te verwachten geweest. Door repressief optreden kon worden voorkomen dat de brand zich kon uitbreiden en overslaan naar de naastgelegen woningen. De felle brand veroorzaakte levensgevaar voor de bewoonster van het aangrenzende perceel die ten tijde van de brand in bed lag.

Spoornummer: PL0600-2019137524-14245

SIN: AAJX7644NL

Spooromschrijving: brandrest.

7 Het proces-verbaal van dactyloscopisch vooronderzoekvan 18 mei 2019, pagina 50

Ik zag op een stuk glasscherf een etiket. Ik zag op het etiket onder andere de opdruk “meestersap”.

8. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een ‘verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een incident in Zwolle op 29 maart 2019’ van het Nederlands Forensisch Instituut, van 19 april 2019, pagina 218-221

Te onderzoeken materiaal: brandrest: op vloer van de overloop woning, thv. scheidingswand slaapkamer, AAJX7644NL.

Conclusie: in het monster zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.

Daarnaast zijn, op een veel lager concentratieniveau, vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van een aardoliedestillaat; de aangetoonde combinatie van deze stoffen wijst op een product van subklasse gasolie.

9 Het proces-verbaal van aangiftevan 31 maart 2019, pagina 134-135

Op zaterdag 30 maart 2019 omstreeks 20. 55 uur zat ik op mijn bank in mijn woonkamer gelegen op de eerste verdieping van mijn woning gelegen aan de [adres 2] te Zwolle en hoorde ik een harde doffe klap. Ik opende de voordeur en zag dat de oprit van mijn woning in brand stond.

10 Het proces-verbaal van bevindingenvan 31 maart 2019, pagina 121

Wij hoorden dat de bewoner van de [adres 2] alleen in de woning aanwezig was tijdens het voorval.

11 Het proces-verbaal vooronderzoek labvan 2 april 2019, pagina 124-125

Door mij werd een forensisch onderzoek verricht naar sporen aan onderstaande sporendragers.

Goednummer: PL0600-2019138922-1956745

SIN: AAML0764NL

Inhoud: Lag thv. woning [adres 2] te Zwolle op het trottoir

Bijzonderheden: fles intact voorzien van etiket ‘meestersap’

12. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een ‘verkorte rapportage over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een incident in Zwolle op 30 maart 2019’ van het Nederlands Forensisch Instituut van 19 april 2019, pagina 226-227

Te onderzoeken materiaal: monster; inhoud molotovcocktail AAML0764NL [adres 2] Zwolle. SIN AAML0769NL

Conclusie: de vloeistof is een ontbrandbare vloeistof die hoofdzakelijk bestaat uit motorbenzine.

13. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2019, pagina 157-158

Op zaterdag 30 maart 2019 zag ik iets voor 21:00 uur dat een man bij een fiets aan het rommelen was ter hoogte van de lantaarnpaal, vanuit [adres 4] gezien de eerste lantaarnpaal rechts. Ik zag dat de man drie grote glazen flessen op de stoep voor huisnummer 31 zette. Ik zag dat de man iets in die flessen aan stak. Drie huisgenoten van Mark riepen naar de man: Hee!. Ik zag dat de man een fles liet staan. Ik zag dat de man twee brandende flessen in de richting van [naam 6] drie huisgenoten gooide, terwijl zij achter de man aanrenden. Deze twee brandende flessen kwamen pal voor de voeten van [naam 6] drie huisgenoten terecht. Er ontstond een lange vuurzee overdwars over de straat.

14. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 31 maart 2019, pagina 159

Ik stond op 30 maart 2019 rond 21:00 uur op het balkon aan de voorzijde van de woning aan de [adres 4] . Ik zag dat de man de stof in de flessen aanstak met een aansteker. Ik zag dat de man vervolgens volgens mij vier stenen in de richting van de ruiten op de eerste verdieping van huisnummer [adres 2] gooide. De man pakte de brandende flessen op, in beide handen een fles. Drie vrienden van mij, [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] riepen naar de man: Hee! Ik zag dat de man met de twee flessen in zijn hand in de richting van de Gein rende. Ter hoogte van huisnummer [huisnummer 3] draaide de man zich al rennend links om en gooide twee flessen direct achter elkaar in de richting van [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] . Zij liepen toen dwars door het vuur heen.

15. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 31 maart 2019, pagina 136-137

Op zaterdag 30 maart 2019 zag ik dat er bij de woning van mijn overbuurman een man stond. Ik zag dat hij iets aan het afsteken was. Kort daarna zag ik dat er 2 flessen aan de bovenzijde brandden. Ik wist toen dat het mogelijk om molotovcocktails zou kunnen gaan. Toen wij achter de man aanrenden zag ik dat hij de 2 molotovcocktails naar ons toegooide. Ik zag dat deze flessen vlak voor mij op de grond vielen en stuk gingen. Er ontstond toen direct vuur. Ik kon over dit vuur heen springen. De molotovcocktails vielen ongeveer een 50 centimeter voor mij op de grond.

16. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 31 maart 2019, pagina 138-139

Op zaterdag 30 maart 2019 stond ik samen met [naam 3] en [naam 1] voor mijn woning aan de [adres 2] in Zwolle. Ik zag aan de overzijde van de straat een manspersoon staan. Ik zag dat deze man zich bukte en dat hij iets aanstak. Ik zag 2 flessen aan de bovenzijde brandden. Ik realiseerde mij toen dat het om molotovcocktails ging. Met z’n drieën zijn wij schreeuwend op hem afgerend. Ik zag dat hij 2 of 3 stenen tegen de woning van perceel [adres 2] gooide. Wij renden achter deze man aan. Kort daarna zag ik dat deze man de 2 molotovcocktails naar ons toegooide. Ik zag dat de flessen op de grond voor ons stukvielen en dat er een vuur ontstond.

17. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] van 30 maart 2019, pagina 140-141

Op zaterdag 30 maart 2019 was ik bij een vriend van mij, [naam 1] , aan de [adres 4] te Zwolle. Ik zag dat een jonge man aan de andere kant van de straat 2 flessen bij zich had die in de brand stonden. Vervolgens zag en hoorde ik dat hij 2 of 3 stenen tegen de woning van perceel [huisnummer 2] gooide. Ik zag dat deze jongen de 2 brandende flessen oppakte. Terwijl wij achter hem aanrenden, zag ik dat hij deze 2 flessen naar ons toegooide. Toen hij gooide was de afstand tussen hem en mij ongeveer 3 a 5 meter. Toen de fles op de grond voor mij stukviel ontstond er een vuur. Ik ben toen over het vuur gesprongen. De molotovcocktail viel op ongeveer 50 centimeter voor mij op de grond stuk. Ik zag dat de andere fles vlak voor [naam 1] op de grond stuk viel en dat er ook een vuur ontstond.