Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4116

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
256357 / KG ZA 20/243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-partners: onenigheid omtrent gemeenschappelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : 256357 / KG ZA 20/243

Vonnis van 30 november 2020

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat: mr. J.S. van Daal te Amsterdam,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat: mr. M.A. Knobben te Nijverdal.

Partijen worden hierna [A] en [B] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 oktober 2020, met producties;

  • -

    de pleitnota van [B] , met mede daarin een reconventionele vordering;

  • -

    de akte overlegging producties van [A] .

1.2.

Op 11 november 2020 heeft een mondelinge behandeling via een online verbinding plaatsgevonden. [A] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [B] is ook verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en zij hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de (inhoud van de) mondelinge behandeling.

1.3.

Ter zitting is gepoogd een minnelijke regeling tussen partijen tot stand te brengen, maar deze pogingen hebben niet tot een schikking geleid. Vervolgens hebben partijen verzocht om de zaak aan te houden voor overleg. Op 13 november 2020 hebben partijen laten weten dat de onderhandelingen niet tot een schikking hebben geleid. Partijen hebben de voorzieningenrechter verzocht om uitspraak te doen.

1.4.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij hebben samengewoond in de door hen gemeenschappelijk aangekochte woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning).

2.2.

Op 7 augustus 2020 hebben partijen besloten een punt achter hun relatie te zetten. Partijen hebben toen met elkaar afgesproken dat zij beiden met uitsluiting van de ander om de week gebruik mochten maken van de woning en dat alle woonlasten zouden worden verdeeld tot het moment dat [B] [A] zou hebben uitgekocht.

2.3.

Tussen 7 augustus 2020 en de datum van de mondelinge behandeling heeft uitsluitend [B] gebruik gemaakt van de woning en heeft zij de helft van de woonlasten aan [A] betaald.

3 Het geschil

in conventie
3.1. [A] heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [B] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [plaats] middels tussenkomst van makelaarskantoor [X] ;

  2. [B] veroordeelt om de woning tegen een reële vraagprijs aan te bieden, die ligt tussen de € 300.000,- en € 320.000,-;

  3. [B] veroordeelt om de woning te verkopen tegen een verkoopprijs die ligt op of boven een prijs van € 270.000,- en dit vast te leggen in de verkoopopdracht, waarmee de makelaar wordt belast;

  4. [B] veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis een verkoopopdracht te verlenen aan makelaar [X] en deze opdracht te ondertekenen;

  5. [B] veroordeelt om aan [A] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder 1, 2, 3 en 4 genoemde veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt;

  6. bepaalt dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de rechtshandeling te verrichten door [B] , te weten het verstrekken van een verkoopvolmacht aan makelaarskantoor [X] ter zake van de woning, indien [B] twee weken na betekening van dit vonnis in gebreke zal zijn gebleven haar medewerking te verlenen aan de onder 4 genoemde veroordeling;

  7. [B] veroordeelt om aan [A] te betalen € 7.500,- aan voorschot op diens regresvordering;

  8. [B] veroordeelt om, zolang de woning nog niet is verkocht, ook [A] het gedeeltelijke genot van de woning te laten hebben: om de week van vrijdag 11.00 uur tot de vrijdag erop tot 11.00 uur, berekend naar een ingangsdatum met ingang van 8 augustus 2020, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [B] niet aan deze veroordeling voldoet;

  9. [B] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[B] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [A] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen.

in reconventie

3.3.

[B] heeft de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht:

  1. te bepalen dat de verdeling van de woning wordt uitgesloten voor de duur van 12 maanden vanaf het in deze procedure te wijzen vonnis;

  2. te bepalen dat [B] het uitsluitend gebruik van de woning en de inboedel toekomt voor een periode van twaalf maanden na dagtekening van dit vonnis, met het gebod dat [A] de woning in deze periode niet mag betreden op straffe van een dwangsom van € 150,00 voor iedere dag of dagdeel dat [A] dit gebod overtreedt, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt.

3.4.

[A] heeft verweer gevoerd.

3.5.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang van de over en weer ingestelde vorderingen zullen deze samen worden behandeld.

4.2.

[B] heeft betwist dat [A] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Voorop staat dat deelgenoten in beginsel niet van elkaar kunnen verlangen dat de onverdeeldheid tegen hun zin voortduurt. De spoedeisendheid van de vorderingen van [A] vloeit daarmee voort uit de aard van het geschil. De voorzieningenrechter gaat dan ook over tot de inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Meewerken verkoop woning

4.3.

[A] heeft – kort gezegd – gevorderd [B] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde tegen een reële vraagprijs middels tussenkomst van makelaar [X] (zie 3.3.1 t/m 3.3.6). Vooropgesteld wordt dat met betrekking tot de woning tussen partijen sprake is van een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 lid 1 BW. Ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW kan een ieder van de deelgenoten in beginsel te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen.

4.4.

Niet in geschil is dat partijen op 7 augustus 2020 hebben afgesproken dat [B] [A] mag uitkopen. Op grond van deze onderlinge afspraak en de onderlinge verhouding van partijen als deelgenoten die wordt beheerst door de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is [A] verplicht om [B] behoorlijk in de gelegenheid te stellen de woning voor een reële waarde over te nemen.

4.5.

Wat partijen verdeeld houdt is de vraag hoe hoog de waarde van de woning is. Daar waar [A] belang heeft bij een zo hoog mogelijke waarde, heeft [B] daarentegen belang bij een zo laag mogelijke waarde. [A] wenst de woning in de markt te zetten en hij vindt dat het bod van de hoogste (op-)bieder als uitgangspunt dient te worden genomen om de waarde van de woning te bepalen. Op grond van de tussen partijen gemaakte afspraak is [B] evenwel niet verplicht om de woning in de markt te zetten, want zij moet eerst zelf in de gelegenheid worden gesteld om de woning tegen een reële waarde over te nemen. De enkele niet onderbouwde stelling van [A] dat een derde bereid was om een prijs van € 325.000,- te betalen maakt niet dat de marktwaarde van de woning moet worden vastgesteld op dat bedrag. Anderzijds heeft [B] een taxatie laten uitvoeren naar de waarde van de woning waarbij de woning op € 271.000,- is getaxeerd. [A] heeft op zijn beurt de wijze waarop die taxatie tot stand is gekomen bekritiseerd. Het komt de voorzieningenrechter aannemelijk voor dat de marktwaarde van de woning ergens tussen de twee genoemde bedragen zal liggen.

4.6.

[B] heeft aannemelijk gemaakt dat zij gelet op haar huidige inkomen de marktwaarde van de woning kan financieren, ook als deze boven het door haar gestelde bedrag van 271.000,- zou blijken te liggen [A] heeft dat niet weersproken. Dat terstond dient te worden overgegaan tot verkoop van de woning, zoals [A] heeft gevorderd, is voorshands niet aannemelijk geworden. In het licht van het voorgaande zullen de vorderingen 1 tot en met 6 van [A] worden afgewezen.

4.7.

De voorzieningenrechter benadrukt dat partijen zich samen dienen in te spannen om zo snel mogelijk samen (een) onafhankelijke taxateur(s) in te schakelen om achter de marktwaarde van de woning te komen. Voor een dergelijk deskundig onderzoek is in het kader van dit kort geding geen ruimte. [B] dient daarnaast het benodigde papierwerk te regelen ten behoeve van de financiering van de woning. Dat is de weg die partijen moeten bewandelen. [A] heeft weliswaar gesteld dat [B] de verkoop van de woning aan het vertragen is, maar dat is gelet op de overgelegde communicatie en de in opdracht van [B] uitgevoerde taxatie niet aannemelijk geworden. Niettemin heeft [A] belang bij een snelle verkoop van de woning, zodat ook hij verder kan met zijn leven. Dit betekent dat de vordering van [B] betreffende het uitsluiten van de verdeling van de woning gedurende 12 maanden zal worden afgewezen.

Uitsluitend gebruik van de woning

4.8.

Voor de vorderingen van partijen betreffende het uitsluitend gebruik van de woning geldt het volgende. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning, zodat zij in beginsel ieder evenveel recht hebben om in de woning te verblijven. [B] heeft het uitsluitend gebruik van de woning voor de duur van een jaar gevorderd. Daarentegen wenst [A] overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraak om de week een week lang van de woning gebruik te maken. Nu een soepel verloop van die afspraak in de praktijk niet haalbaar is gebleken, met als dieptepunt een handgemeen begin augustus 2020, zal de voorzieningenrechter dienen te bepalen wie van hen voorlopig in de woning kan verblijven. Daarbij moet de afweging worden gemaakt wie van de partijen het zwaarstwegend belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning.

4.9.

Ter zitting is gebleken dat bij [B] de uitdrukkelijke wens bestaat om haar huidige verblijf in de woning te mogen voortzetten. [B] dient voor haar werk in [plaats] te zijn en zij heeft onweersproken verklaard dat zij meer dan [A] een binding heeft met [plaats] . [B] kan naar eigen zeggen de woning zelfstandig financieren en is ook nu al in staat om de maandlasten te dragen. [B] heeft geen mogelijkheden elders te verblijven. [A] verblijft afwisselend bij familieleden. [A] heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat hij de komende weken geen beroep meer op zijn familie kan doen. [A] heeft verder op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat hij aan de woning of aan [plaats] gebonden is.

4.10.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het voorlopige uitsluitend gebruik van de woning aan [B] toewijzen. De voorzieningenrechter begrijpt aan de andere kant dat de huidige woonsituatie van [A] verre van ideaal is en dat hij belang heeft bij een spoedige overdracht van de woning. Daarom zal de vordering van [B] op dit punt beperkt worden toegewezen, in die zin dat aan [B] tot uiterlijk 1 april 2021 het uitsluitend gebruik van de woning zal worden toegekend. De in dit verband door [B] gevorderde dwangsom zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter geeft partijen mee dat partijen in de tussentijd, zoals hiervoor in 4.7. is overwogen, adequaat en voortvarend dienen te handelen zodat het deelgenootschap met betrekking tot de woning kan worden beëindigd.

4.11.

Nu [B] gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de woning, ligt het in de rede dat zij de maandelijkse woonlasten draagt. Op de zitting heeft zij desgevraagd verklaard dat zij daartoe bereid is en dat zij de volledige woonlasten zal gaan betalen. Nu zij dat zo duidelijk onderschrijft, en [A] ter zitting ook heeft gevorderd dat [B] de volledige maandlasten zal moeten dragen als zij het gebruik van de woning krijgt toegewezen, zal de voorzieningenrechter [B] daartoe in het kader van de toewijzing van haar vordering veroordelen zoals hierna in het dictum bepaald. Ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de tot de woning behorende inboedelgoederen, merkt de voorzieningenrechter volledigheidshalve op dat dit uitsluitend de inboedelgoederen betreft die gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen en dat dit slechts geldt in afwachting van een definitieve regeling over de verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen.

Voorschot mogelijke regresvordering

4.12.

[A] heeft gesteld dat hij een regresvordering op [B] heeft en hij heeft in dit verband een voorschotbedrag van € 7.500,- gevorderd. De kosten hebben betrekking op door hem betaalde woonlasten. [B] betwist het bestaan van de regresvordering van [A] en zij meent dat juist zij per saldo een regresvordering op [A] heeft. Partijen hebben ter onderbouwing van hun standpunten ieder een stapel bankafschriften overgelegd en onder verwijzing daarnaar elkaars posten bestreden. Dat partijen nog het een en ander met elkaar hebben af te rekenen ligt voor de hand, de voorzieningenrechter kan echter voorshands niet vaststellen wie er op dit punt in welke mate gelijk heeft. Hiervoor is nadere bewijsvoering noodzakelijk en daarvoor leent het onderhavige kort geding zich niet. Partijen dienen dit in een bodemprocedure aan de orde te stellen. Dit betekent dat de regresvordering van [A] wordt afgewezen.

Proceskosten

4.13.

Omdat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, zal worden bepaald dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

in reconventie

5.2.

bepaalt dat [B] tot 1 april 2021 met uitsluiting van [A] en onder de verplichting om de volledige maandelijkse woonlasten te dragen gerechtigd is tot het gebruik van de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te [plaats] en de tot de woning behorende inboedelgoederen die gezamenlijk eigendom zijn van partijen, met het gebod dat [A] de woning in deze periode niet mag betreden op straffe van een dwangsom van € 150,00 voor iedere dag of dagdeel dat [A] dit gebod overtreedt, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;

in conventie en in reconventie
5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op
30 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.