Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4068

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
08.209195.20 (P) en 08.107982-19 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 43-jarige Zwollenaar tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor brandstichting in zijn eigen appartementencomplex. Als bijzondere voorwaarde moet de man zich onder andere ambulant laten behandelen voor zijn alcoholverslaving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08.209195.20 (P) en 08.107982-19 (tul)

Datum vonnis: 1 december 2020

Vonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,

wonende [adres 1] ,

thans verblijvende in PI Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Guest en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op of omstreeks 16 augustus 2020 brand heeft gesticht in een portiek/trappenhuis van een appartementencomplex, gelegen aan [adres 2] te Zwolle, waarbij gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2020, in de gemeente Zwolle, opzettelijk brand heeft gesticht in een portiek/trappenhuis van een pand, gelegen aan [adres 2] (zijnde een appartementencomplex), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (op meerdere plaatsen) in dat portiek/ trappenhuis (stukken) papier en/of (stukken) karton en/of kleding (lappen stof) (op de trap(pen)) (neer) gelegd en/of (hierop) een (een) brandbare vloeistof(fen) en/of (een) brand versnellend(e) middel (en) gesprenkeld en/of aangebracht en/of dit (vervolgens) aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (die stukken/dat) papier en/of (stukken) karton en/of kleding (lappen stof) en/of die brandbare vloeistof(fen) en/of dat/die brand versnellende middel(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan er brand is ontstaan in genoemd portiek/trappenhuis, althans in voornoemd pand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (het interieur van) genoemd pand en/of (het interieur van) in dat pand aanwezige appartementen/woningen/een of meer belendend(e) perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van (de appartementen / woningen in) dat pand/die belendende perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op zondag 16 augustus 2020 omstreeks 02:51 uur werd er bij de politie een melding gedaan van een brand bij het appartementencomplex aan [adres 1] te Zwolle. De politie en de brandweer zijn ter plaatse gegaan. De brand die gaande was in het portiek bleek al (deels) door de bewoners van nummer [adres 3] en [adres 4] te zijn geblust. Het werd duidelijk dat er ter hoogte van nummer [adres 3] brand was gesticht. Op de betonnen trap van het portiek naar de eerste etage en op de trap naar het plateau tussen de eerste en de tweede etage lagen diverse materialen die waren verbrand. Onder meer naar aanleiding van de verklaring van [getuige 1] -hierna [getuige 1] -, is verdachte, die zelf woonachtig is op nummer [adres 1] , ter zake van het plegen van brandstichting aangehouden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard, met dien verstande dat er sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Aangezien feitelijk alleen op grond van de verklaring van [getuige 1] kan worden aangenomen dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht, is er onvoldoende overtuigend bewijs. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat, mede vanwege het feit dat verdachte zijn betrokkenheid bij de brandstichting niet uit kan sluiten, een bewezenverklaring zou kunnen volgen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen als volgt. 1

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij, mogelijk vanwege overmatig alcoholgebruik en een klap op zijn hoofd tijdens een ruzie eerder die avond, zich niet kan herinneren of hij bij de brandstichting betrokken is geweest.

[getuige 1] , die recht tegenover verdachte woont, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de bewoner van nummer [adres 1] de brand heeft gesticht. Hij heeft verklaard dat hij zich rond 02:25 uur op het balkon bevond van zijn woning aan [adres 5] te Zwolle. Hij heeft vanaf zijn balkon gezien dat er een feestje gaande was in het appartement op nummer [adres 1] en dat de bewoners van appartement [adres 6] ook aanwezig waren. Nadat er onenigheid tussen de aanwezigen was ontstaan, heeft [getuige 1] gezien dat de bewoners van nummer [adres 6] vertrokken en dat de bewoner van nummer [adres 1] achter hen aan is gelopen. Hij heeft vervolgens de bewoner van nummer [adres 1] horen roepen, “jouw vrienden hebben mij bestolen”. [getuige 1] heeft vervolgens gezien dat de bewoner van nummer [adres 1] terug is gegaan naar zijn woning en daar wat is gaan ‘rommelen’. Vervolgens heeft hij gezien dat de bewoner van nummer [adres 1] naar de portiek is gelopen en dat hij met spullen aan het slepen was. Vlak daarna heeft [getuige 1] vlammen door de ramen van het portiek gezien. Hij is naar de betreffende portiek toe gelopen en heeft toen een brandlucht geroken. Op dat moment waren er geen vlammen meer. Terug in zijn eigen woning, heeft [getuige 1] de bewoner van [adres 1] weer naar buiten zien komen met een witte fles die leek op een terpentinefles. Hierna is de bewoner van nummer [adres 1] weer naar binnen gegaan. Vervolgens heeft [getuige 1] dikke vlammen gezien alsof het vuur aangewakkerd was. [getuige 1] heeft verklaard dat hij ten tijde van de brand geen andere personen in de portiek heeft gezien dan de bewoner van nummer [adres 1]2.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] kan worden uitgegaan. Vooropgesteld wordt dat het aannemelijk is dat [getuige 1] de bewoner van nummer [adres 1] , zijnde verdachte, heeft herkend, aangezien hij al twee jaar tegenover hem woont. Niet is gebleken dat er een reden zou zijn waarom [getuige 1] verdachte ten onrechte van dit feit zou willen beschuldigen. Ook verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [getuige 1] niet kent en ook geen problemen met hem heeft. Daarbij is de verklaring van [getuige 1] gedetailleerd en wordt deze gesteund door andere bewijsmiddelen. Allereerst heeft verdachte bevestigd dat er die avond in zijn woning onenigheid met de bovenbuurvrouw en haar vriend was ontstaan en dat hij, toen zij zijn huis verlieten, achter hen aan is gelopen en heeft geroepen dat hij was bestolen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij daarna is teruggegaan naar zijn woning. 3 De verklaring van [getuige 1] dat hij verdachte vervolgens met spullen naar de portiek heeft zien slepen, vindt steun in het feit dat in de portiek, op de trappen en ook buiten het complex allerlei resten van kleding/lappen stof en papier zijn aangetroffen4. Verdachte heeft daarbij ter zitting zelf ook verklaard dat hij in zijn woning veel van dat soort spullen/materialen heeft5. De verklaring van [getuige 1] dat hij heeft gezien dat verdachte op een gegeven moment vanuit zijn woning met een witte fles, vermoedelijk terpentine, naar buiten is gekomen, vindt daarbij steun in de verklaring van verdachte en de verklaring van twee verbalisanten. Verdachte heeft bevestigd dat hij een witte fles terpentine in huis heeft6. Daarbij hebben de verbalisanten een witte fles met de opdruk ‘terpentine’ bij de centrale toegangsdeur op de grond zien staan7. Van belang is hierbij het onderzoek dat door het NFI naar de inhoud van deze fles en een brandrest is verricht. Deze brandrest bestond uit verbrande goederen die waren aangetroffen op de trap naar de tweede etage8. Het NFI heeft -kort samengevat- geconcludeerd dat de inhoud van de witte fles terpentine een aardoliedestillaat is van de subklasse kerosine en dat de ontbrandbare vloeistof in de brandrest van de fles terpentine afkomstig kan zijn.9

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogen - in onderling verband en samenhang bezien- wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht.

Met betrekking tot de vraag of door de brand sprake is geweest van gevaar zoals bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, overweegt de rechtbank het volgende.

Gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel moet op het moment van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest en dat gevaar moet zich daadwerkelijk hebben voorgedaan.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte brand heeft gesticht op (een) trap(pen) in een portiek van een gebouw dat uit meerdere woonlagen bestaat. Vaststaat dat er personen in de aldaar gelegen woningen aanwezig waren en dat de brand heeft plaatsgevonden op een tijdstip waarop de meeste mensen liggen te slapen. Het risico dat de brand niet of te laat zou worden opgemerkt, was gelet op het tijdstip daarvan, reëel. Daarbij is gebleken dat deze bewoners hun woningen alleen via de portiek konden verlaten. In het proces-verbaal forensisch onderzoek10 is verwezen naar de verklaringen van een tweetal bewoners van het betreffende appartementencomplex. De bewoner van nummer [adres 3] , [getuige 2] , heeft verklaard dat de vlammen bij hem op heuphoogte kwamen. Over de rookontwikkeling heeft hij verklaard dat het als een schoorsteen omhoog schoot en dat hij niet naar boven kon vanwege de rook11. Daarbij is door de forensische opsporing geconcludeerd dat de brand op de trappen en de overloop door vonken naar de mat voor de deur van nummer [adres 3] had kunnen overslaan, met alle gevolgen van dien. Ook de bewoner van nummer [adres 7] , [getuige 3] , heeft verklaard dat de portiek, nadat de brand al was geblust, vol rook stond en dat de rook zelfs onder haar voordeur kwam. Zij heeft aangegeven dat over de hele breedte van de trap smeulende resten lagen waardoor zij is teruggekeerd in haar woning12. De brandweer heeft daarbij ook bevestigd dat het door de rook gedeeltelijk mistig was in de portiek.

Gezien het hiervoor overwogen volgt de rechtbank de bevindingen van het forensisch onderzoek dat, als de brand niet tijdig was geblust, deze zich verder had kunnen ontwikkelen met meer rookontwikkeling tot gevolg. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een onvolledige verbranding (veel rook) koolmonoxide vrijkomt, wat levensgevaar oplevert. Vastgesteld is dat de enige vluchtweg voor de bewoners van de bovenste etages door de rookontwikkeling zodanig versperd was of had kunnen worden dat zij door inademing van rook en koolmonoxide bewusteloos hadden kunnen raken waardoor zij uiteindelijk het leven hadden kunnen laten. Daarbij is het zeer reëel dat de brand op andere goederen in dat pand en zelfs op de aldaar aanwezige woningen had kunnen overslaan. Door brand te stichten op de trap naar de eerste en de tweede etage is aldus gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van het appartementencomplex te duchten geweest.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 augustus 2020, in de gemeente Zwolle, opzettelijk brand heeft gesticht in een portiek/trappenhuis van een pand, gelegen aan [adres 2] , zijnde een appartementencomplex, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in dat portiek/ trappenhuis stukken papier en/of stukken karton en kleding (lappen stof) op de trap neergelegd en hierop een brandbare vloeistof en/of een brand versnellend middel gesprenkeld en/of aangebracht en dit vervolgens aangestoken, in elk geval opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met die stukken papier en/of stukken karton en kleding (lappen stof), ten gevolge waarvan er brand is ontstaan in genoemd portiek/trappenhuis, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het interieur van genoemd pand en het interieur van in dat pand aanwezige appartementen/woningen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van de appartementen /woningen in dat pand, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van Reclassering Nederland, gedateerd 5 november 2020, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, ambulante begeleiding en meewerken aan alcoholcontrole.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie passend is omdat verdachte bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van (maximaal) zes maanden zijn woning kan behouden. Daarbij is verdachte bereid zich aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft in de nachtelijke uren brand gesticht in de portiek van een appartementencomplex waar hij zelf woonachtig is. Van zijn betrokkenheid bij het feit weet verdachte zich zelf niets meer te herinneren. Als gevolg van de brand was er een zodanige rookontwikkeling ontstaan dat de bewoners van de hoger gelegen woningen niet via de portiek naar buiten konden. Verdachte heeft een zeer gevaarlijke situatie voor die bewoners in het leven geroepen. Bovendien brengen dergelijke feiten in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg. Dat de gevolgen van de brand beperkt zijn gebleven is niet aan verdachte te danken maar aan het feit dat de brand tijdig door omwonenden is geblust.

Reclassering Nederland heeft een rapport over verdachte opgemaakt met als datum 5 november 2020. Blijkens het rapport kent verdachte een zeer bewogen leven. Hij is langdurig dakloos geweest en heeft in die periode ook veel alcohol gebruikt. Volgens zijn justitiële documentatie is verdachte destijds veelvuldig voor -onder meer- vermogendelicten en overlast met politie en justitie in aanraking gekomen. Sinds juni 2019 is verdachte, na een alcohol gerelateerde ziekenhuisopname, gestopt met het drinken van alcohol. Wel heeft hij enkele terugvallen gehad, zo ook tijdens onderhavige tenlastelegging. De reclassering ziet, ondanks het onderhavige feit, een positieve opwaartse lijn en stabilisatie in het leven van verdachte sinds hij een eigen woonruimte heeft. Verdachte werkt aan positieve levensdoelen zoals het herstellen van zijn familierelaties met zijn ouders en dochter. Ook het delictgedrag is afgenomen. Verdachte heeft bewindvoering, hij krijgt weekgeld en ervaart geen problemen op financieel gebied. Tevens krijgt hij driemaal in de week ambulante hulpverlening vanuit Creating Balance. Verdachte heeft geen dagbesteding maar hij heeft wel zijn eigen daginvulling gecreëerd. Een problematisch punt is dat verdachte en zijn bovenbuurvrouw voor overlast zorgen. Ook aan de brand is een ruzie tussen beiden voorafgegaan, waarbij verdachte aldus onder invloed was van alcohol. Tijdens deze ruzie is verdachte kennelijk door een duw met zijn hoofd tegen de tafel gevallen en heeft hij de vriend van zijn bovenbuurvrouw verwond. Blijkens een recent verslag van het trajectbepalingsoverleg, dat door de raadsman op de zitting is overgelegd, is afgesproken dat de woningbouwvereniging naar een andere woning voor verdachte op zoek zal gaan. Mocht dit niet geregeld zijn voordat verdachte uit detentie komt, dan mag verdachte zolang in zijn woning blijven mits hij geen overlast veroorzaakt. Om ervoor te zorgen dat verdachte zijn woning kan behouden, zal de gemeente de vaste lasten gedurende zes maanden, gerekend vanaf de eerste dag dat verdachte in hechtenis zit, doorbetalen.

Psycholoog, N. Marker, heeft een rapport over verdachte opgemaakt met als datum 16 oktober 2020. Hij heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een

alcoholafhankelijkheid (thans gedwongen in remissie door detentie), een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en zwakbegaafdheid. Daarnaast is er sprake van gebrekkige copingvaardigheden en emotie-, en agressieregulatieproblematiek, waarbij alcoholgebruik een luxerend effect heeft op laatstbedoelde problematiek. Het gedrag van betrokkene, als ook ten tijde van het ten laste gelegde, wordt volgens de psycholoog sterk bepaald en vloeit rechtstreeks voort uit zijn alcoholafhankelijkheid.

persoonlijkheidsproblematiek, gebrekkige copingvaardigheden, agressieregulatie- problematiek en cognitieve beperkingen. Wat betreft het delict overweegt de psycholoog dat het zeer wel mogelijk is dat verdachte, die al in verwarde toestand was vanwege het bovenmatige alcoholgebruik en de klap op zijn hoofd, impulsief heeft gehandeld vanuit verhoogde emotionaliteit ten gevolge van de vechtpartij en langdurige irritatie richting zijn buurvrouw. De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte tijdens het plegen van de brandstichting niet meer in staat was helder na te denken en het ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien. Geadviseerd wordt verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De reclassering en de psycholoog schatten de kans op recidive respectievelijk in op gemiddeld en laag. Beide noemen als beschermende factoren de begeleiding vanuit Creating Balance en het behoud van een woning. Daarbij wordt ingeschat dat ook een behandeling gericht op het voorkomen van alcoholmisbruik en een behandeling gericht op agressieregulatie bijdragen aan het voorkomen van recidive. Door zowel de reclassering als de psycholoog wordt geadviseerd verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden om de kans op recidive te minimaliseren en de zorg te continueren. De geadviseerde voorwaarden zijn een meldplicht bij de reclassering, de bedoelde ambulante behandeling en -begeleiding en het meewerken aan een alcoholcontrole. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich kan vinden in de voorgestelde bijzondere voorwaarden en dat hij daar aan mee zal werken.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die voor soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Gelet op de ernst van het feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in beginsel passend. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden hiervan af te wijken. Zoals hiervoor overwogen is er sprake van een positieve ontwikkeling van verdachte op diverse levensterreinen en is, afgezien van het onderhavige feit, het delictgedrag van verdachte geminimaliseerd. Het is in het belang van verdachte maar ook van de maatschappij dat verdachte op het rechte pad zal blijven. Daarbij is duidelijk geworden dat het behoud van de woning van verdachte essentieel is. De rechtbank zal om die reden de onvoorwaardelijke gevangenisstraf beperken tot de gevorderde zes maanden, zodat het behoud van de woning gegarandeerd is. Daarbij zal ook de aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden worden opgelegd. Deze forse ‘stok achter de deur’ heeft (mede) als doel verdachte te motiveren geen strafbare feiten te plegen en zich te houden aan de bijzondere voorwaarden die eveneens zullen worden opgelegd,

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat bij vonnis van 20 februari 2020 door de politierechter opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week ten uitvoer wordt gelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerlegging van 1 week gevangenisstraf niet tot gevolg moet hebben dat verdachte zijn woning kwijt zal raken. Zoals reeds naar voren is gebracht, is de gemeente bereid de financiering van de woning van verdachte voor zes maanden door te betalen. Indien verdachte vanwege de op te leggen gevangenisstraf voor de brandstichting en de tenuitvoerlegging van 1 week gevangenisstraf langer dan zes maanden vast komt te zitten, zou dit mogelijk consequenties voor verdachtes woning kunnen hebben. De raadsman heeft de rechtbank verzocht hier rekening mee te houden, en heeft geopperd de vordering af te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, mede gezien het feit dat niet duidelijk is wanneer verdachte de week gevangenisstraf feitelijk zal moeten ondergaan, niet is gebleken dat de tenuitvoerlegging van deze week gevangenisstraf direct consequenties heeft voor het behoud van verdachtes woning.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14f, 14g, 27 en 57.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

- zich laat behandelen door JusTact, de forensische verslavingspolikliniek van Tactus

Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De

behandeling start direct na einde detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of

zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  • -

    zich ambulant laat begeleiden door Creating Balance of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start direct na einde detentie. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.

  • -

    meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om indien nodig inzicht te geven in zijn alcoholgebruik. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 20 februari 2020 met parketnummer 08.107982.19 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Peterzon, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. E.J.M. van Engelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.

Buiten staat

Mr. Peterzon is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche IJsselland met nummer PL0600-2020390579. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , nummer PL0600-2020386266-2, pagina 54 t/m 55. Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , nummer PL0600-2020386266-25, pagina 56 t/m 59.

3 De door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring.

4 Een proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, nummer PL0600-2020386266-20, met fotobijlagen, blad 1 t/m 3 en fotoblad 1 t/m 7. Een fotoblad behorende bij proces-verbaal nummer PL0600-202038266, pagina 37 t/m 39.

5 Zie voetnoot 3.

6 Zie voetnoot 3.

7 Een proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2020386266-27, pagina 40. Een proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2020386266-29, pagina 41.

8 Een proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, nummer PL0600-2020386266-20, blad 1 t/m 3.

9 Een rapport van het NFI, gedateerd 25 september 2020, pagina 1 t/m 8.

10 Zie voetnoot 8.

11 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , nummer PL0600-2020386266-33, pagina 62 t/m 63.

12 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] , nummer PL0600-2020386266-14, pagina 60 t/m 61.