Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4048

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
8634330 \ CV EXPL 20-2837
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstek. Ambtshalve toetsing. Duurovereenkomst. Restwaarde Mediabox. Artikel 15.6 algemene voorwaarden oneerlijk. Afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8634330 \ CV EXPL 20-2837

Vonnis van 24 november 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZIGGO B.V.,
gevestigd te Utrecht,

eisende partij,

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft gevorderd dat de gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar te betalen € 173,23, met kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.

1.2.

Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend.

1.3.

Daarna is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2 De beoordeling

(Pre)contractuele informatieverplichtingen (algemeen)

2.1.

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand dan wel buiten de verkoopruimte tussen een handelaar en een consument. Die overeenkomst betreft de levering van diensten door de handelaar aan de consumenten, waarbij de consumenten tevens bepaalde apparatuur in bruikleen krijgen. Het betreft een duurovereenkomst voor de duur van 1 jaar. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument worden voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m en 6:230t (voor overeenkomsten buiten de verkoopruimte) respectievelijk art. 6:230m en art. 6:230v (voor overeenkomsten op afstand) Burgerlijk Wetboek (BW). Kort gezegd bepaalt art. 6:230m BW welke informatie moet worden verstrekt en art. 6:230t respectievelijk art. 6:230v BW de wijze waarop die informatie moet worden gegeven. Eén en ander kan verschillen naar gelang de aard en de inhoud van de overeenkomst. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er op dat punt geen verweer is gevoerd.

Inhoud van de informatie

2.2.

Volgens genoemde bepalingen moet de handelaar de consument voordat deze gebonden is aan de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over onder meer de voornaamste kenmerken van de zaak of dienst, de identiteit van de handelaar, waar en hoe de handelaar kan worden bereikt, de totale prijs en eventuele bijkomende kosten, de mogelijkheid van herroeping en de kosten van retournering. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat dit slechts een samenvatting is van de kern van deze bepalingen en dat handelaren gehouden zijn om de toepasselijke bepalingen steeds volledig na te leven. Verwezen wordt naar hetgeen in de genoemde bepalingen verder is vermeld. Afhankelijk van de aard van de overeenkomst wordt meer of minder informatie verlangd, maar in het algemeen kan worden gezegd dat ter zake de onderhavige overeenkomsten in ieder geval de informatie als bedoeld in art. 6:230m lid 1 sub a, b, c (met dien verstande dat ten minste (ook) het e-mailadres en/of telefoonnummer van de handelaar zijn verstrekt), e, h, i, o, p en – indien de aard van de overeenkomst daartoe aanleiding geeft – r en s essentiële (dat wil zeggen: cruciaal voor de wils- en besluitvorming van de consument) informatie betreft en dat die informatie dus zonder meer moet worden verstrekt.

Wijze van informeren

2.3.

Wat de wijze van verstrekking van de informatie betreft kan de handelaar naar het oordeel van de kantonrechter niet volstaan met het opnemen van die informatie in algemene voorwaarden. Tijdens het verkoopproces moet de consument stap voor stap langs deze informatie worden geleid, zodat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de gemiddelde consument deze informatie bewust onder ogen heeft gekregen. Het gebruik van ‘kleine lettertjes’, zo blijkt uit de Kamerstukken, is in dat verband niet aanvaardbaar.

In art. 6:230t respectievelijk art. 6:230v BW is (kort weergegeven - verwezen wordt nogmaals naar de inhoud van de bepalingen) bepaald dat de handelaar een afschrift of bevestiging van de overeenkomst (waaronder – indien van toepassing – de uitdrukkelijke, voorafgaande toestemming en de verklaring van de consument als bedoeld in art. 6:230p sub g BW), alsmede alle verlangde (pre)contractuele informatie op een duurzame gegevensdrager aan de consument moet verstrekken. Dit moet gebeuren voor of bij het sluiten van de overeenkomst of binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst, maar in ieder geval voordat de dienst wordt uitgevoerd. Een duurzame gegevensdrager kan een brief zijn, een e-mailbericht, een pdf-bestand of zelfs een factuur, op voorwaarde dat daarin alle informatie is opgenomen. Opname in algemene voorwaarden volstaat daarbij niet. Een persoonlijk account op de website van de handelaar valt daar in beginsel evenmin onder, omdat dat (behoudens andersluidende gemotiveerde stellingen) de mogelijkheid openlaat voor de handelaar om de informatie eenzijdig te wijzigen.

Overige verplichtingen van de handelaar

2.4.

In aanvulling op het vorenstaande geldt op grond van art. 6:230s lid 5 BW (kort weergegeven) nog het volgende. De consument die een beroep op het herroepingsrecht heeft gedaan is geen kosten verschuldigd voor de uitvoering of levering tijdens de ontbindingstermijn als art. 6:230m lid 1 sub h of j BW jegens hem niet is nageleefd of als hij er niet uitdrukkelijk om heeft verzocht om al tijdens de ontbindingstermijn te beginnen met de levering van de diensten. Dit klemt te meer als moet worden geconcludeerd dat een verlenging van de ontbindingstermijn op grond van art. 6:230o BW aan de orde is. Ook dit punt moet de kantonrechter ambtshalve toetsen, zodat de voor die toetsing relevante gegevens voor hem beschikbaar moeten zijn als sprake is (geweest) van een herroeping door de consument. Voorts geldt op grond van art. 6:230v lid 3 BW dat de handelaar zijn elektronisch bestelproces zodanig moet inrichten dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze (al dan niet via een bestelknop of –button) duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt, zulks op straffe van vernietigbaarheid van de overeenkomst. Ook over de voor de toetsing van dit punt relevante gegevens moet de kantonrechter beschikken.

Eisende partij moet stellen en onderbouwen

2.5.

In geval van een gerechtelijke procedure moet de eisende partij stellen dat en hoe aan alle hiervoor genoemde verplichtingen is voldaan, zulks in ieder geval ten aanzien van de hiervoor besproken essentiële informatie en de onder het vorige kopje genoemde overige verplichtingen van de handelaar (indien van toepassing). Dat geldt niet alleen als de eisende partij zelf de dienstverlenende partij is, maar ook als de eisende partij via een cessie of anderszins in de rechten van de dienstverlenende partij is getreden.

Deze stellingen moeten bovendien worden gesubstantieerd en onderbouwende stukken moeten worden overgelegd. Kort gezegd, de eisende partij moet inzichtelijk maken wat de consument onder ogen heeft gekregen en heeft verklaard en dat daarmee aan de genoemde wettelijke verplichtingen is voldaan. Daartoe zijn in ieder geval van belang:

  • -

    een al dan niet in printscreens of uitdraai van een belscript vastgelegde (voorbeeld)weergave van het bestelproces dat de consument doorloopt, waarin overzichtelijk en duidelijk is aangegeven (zo nodig - zeker waar het omvangrijke stukken betreft - met behulp van arceringen of een nadere toelichting in de stellingen) hoe en waar de betreffende informatie is verstrekt en aan de eis van art. 6:230v lid 3 BW is voldaan. Als de bedoelde informatieverstrekking niet volgt uit de printscreens of het belscript, dan moet nader worden toegelicht en waar mogelijk met andere stukken worden onderbouwd dat en hoe de betreffende precontractuele verplichtingen dan wel zijn nageleefd.;

  • -

    een kopie of afschrift van de in het concrete geval aan de gedaagde partij verstrekte duurzame gegevensdrager (een model of voorbeeld volstaat dus niet), waarin overzichtelijk en duidelijk is aangegeven (zo nodig - zeker waar het omvangrijke stukken betreft - met behulp van arceringen of een nadere toelichting in de stellingen) hoe en waar de betreffende informatie is verstrekt dan wel bevestigd. Een persoonlijk account op de website van de handelaar volstaat niet als niet ten minste is gesteld en onderbouwd dat geen eenzijdige wijziging door de handelaar van de daar vermelde gegevens kan plaatsvinden.;

  • -

    de overeenkomst of (order)bevestiging;

  • -

    de volledige set toepasselijke algemene voorwaarden;

  • -

    (als sprake is (geweest) van een herroeping door de consument:) het uitdrukkelijke verzoek van de consument als bedoeld in art. 6:230t lid 3 en art. 6:230v lid 8 jo art. 6:230s lid 5 BW.

Als toereikende stellingen en/of onderbouwing ontbreken, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat niet aan de hiervoor genoemde verplichtingen is voldaan. Dat kan (verstrekkende) gevolgen hebben voor de toewijsbaarheid van de vordering.

Opschorting of ontbinding?

2.6.

De eisende partij stelt in haar dagvaarding enerzijds dat zij haar dienstverlening op grond van haar algemene voorwaarden heeft opgeschort vanwege uitblijvende betaling door de gedaagde partij, maar anderzijds stelt zij dat zij haar dienstverlening wegens die uitblijvende betaling heeft beëindigd (waarmee een ontbinding van de overeenkomst zal zijn bedoeld). Gelet op de verdere inhoud van de dagvaarding en daarbij overgelegde producties, moet het ervoor worden gehouden dat de eisende partij de overeenkomst heeft ontbonden. Daartoe is van belang dat in de overgelegde beëindigingsbrief wordt meegedeeld dat het abonnement wordt stopgezet, daarbij een einddatum wordt genoemd en tot afwikkeling van de beëindiging wordt overgegaan in die zin dat de door de eisende partij verstrekte apparatuur wordt teruggevraagd. Dat behelst meer dan een enkele opschorting.

(Pre)contractuele informatieverplichtingen (in deze procedure)

2.7.

Op basis van wat de eisende partij in deze procedure heeft gesteld en onderbouwd, moet worden vastgesteld dat ten aanzien van in ieder geval de essentiële informatie niet (volledig) is voldaan aan de hiervoor besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen. Zo is niet, althans niet voldoende gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van de door de eisende partij verstrekte apparatuur, de gedaagde partij er op is gewezen dat het bruikleen betrof (artikel 6:230m lid 1 onder a BW). Verder blijkt uit de overgelegde stukken niet dat de gedaagde partij contractueel is geïnformeerd over de totale prijs van de diensten (artikel 6:230m lid 1 onder e BW), over het herroepingsrecht (artikel 6:230m lid 1 onder h BW), voorwaarden van opzegging als de overeenkomst stilzwijgend vernieuwd wordt (artikel 6:230m lid 1 onder o BW). Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de (pre)contractuele informatieverplichtingen op deze onderdelen niet zijn nageleefd.

2.8.

De vraag is welke gevolgen dit voor de vordering moet hebben. Er is veel discussie, ook binnen de rechtspraak, over de vraag of en op welke wijze de naleving van de informatieverplichtingen moet worden getoetst en (bij niet naleving) moet worden gesanctioneerd. De wet geeft immers niet steeds een duidelijke sanctie op een schending van de diverse informatieverplichtingen. Dat heeft er toe geleid dat het voor partijen en hun gemachtigden niet steeds voldoende helder was wat in een procedure van hen verlangd wordt met betrekking tot het stellen en substantiëren ten aanzien van de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daarom wordt aan eventuele tekortkomingen in deze zaak op dit moment geen sanctie verbonden, nu geen aanleiding bestaat te vermoeden dat de gevorderde hoofdsom onrechtmatig of ongegrond is. Daarbij is van belang de omstandigheid dat de gedaagde partij de diensten kennelijk zonder commentaar heeft aanvaard dan wel genoten. Ten aanzien van de hoogte van de vordering zal als volgt worden overwogen.

Beroep op algemene voorwaarden

2.9.

Ten aanzien van één of meer onderdelen van haar vordering beroept de eisende partij zich op haar toepasselijke algemene voorwaarden. Nu deze procedure als gezegd een overeenkomst tussen een handelaar en een consument betreft, moet de kantonrechter op grond van vaste rechtspraak zo nodig ambtshalve beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt dat een beding als oneerlijk wordt beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter moet deze toets (onder andere) verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval. Artikel 5 van de richtlijn bepaalt voorts: “In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. (...)”.

2.10.

De eisende partij heeft zich in de dagvaarding uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de betreffende bedingen.

Afsluitkosten

2.11.

Ten aanzien van de mede gevorderde afsluitkosten beroept de eisende partij zich op artikel 13.1. uit haar algemene voorwaarden (versie juli 2017). Ten aanzien van de omvang van de kosten dient de consument gelet op het laatste lid van artikel 13 het Tarievenoverzicht te raadplegen, dat kennelijk ergens op de website van de eisende partij staat. Die constructie geeft de eisende partij de mogelijkheid de omvang van de kosten eenzijdig te wijzigen, ook ten nadele van de consument. Daarmee valt het beding aan te merken als een eenzijdig wijzigingsbeding, zoals bedoeld in sub j van “de blauwe lijst” bij Richtlijn 93/13 EG, waarbij geldt dat het HvJEU heeft geoordeeld dat dergelijke bedingen aan strenge eisen moeten voldoen en al snel als oneerlijk zijn aan te merken. Gelet hierop wordt het beding als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd voor zover het ziet op de gevorderde afsluitkosten. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde afsluitkosten. Omdat geen andere grondslag voor de afsluitkosten is gesteld of gebleken, worden deze afgewezen.

Restwaarde verstrekte apparatuur

2.12.

Ten aanzien van de mede gevorderde restwaarde voor de Mediabox beroept de eisende partij zich op artikel 15.6. uit haar algemene voorwaarden (versie juli 2017). Ten aanzien van de omvang van de restwaarde verwijst het beding naar het Tarievenoverzicht, dat kennelijk ergens op de website van de eisende partij staat. Die constructie geeft de eisende partij de mogelijkheid de omvang van de kosten eenzijdig te wijzigen, ook ten nadele van de consument. Daarmee valt het beding aan te merken als een eenzijdig wijzigingsbeding, zoals bedoeld in sub j van “de blauwe lijst” bij Richtlijn 93/13 EG, waarbij geldt dat het HvJEU heeft geoordeeld dat dergelijke bedingen aan strenge eisen moeten voldoen en al snel als oneerlijk zijn aan te merken. Daaraan doet een berekening achteraf in de dagvaarding van de kosten en afschrijving van de Mediabox in een concrete zaak niets af. Hetzelfde geldt voor de stelling in de dagvaarding dat de gehanteerde kostprijs en afschrijvingstermijn ‘reëel en alleszins redelijk’ zijn. Gelet hierop wordt het beding als oneerlijk aangemerkt en daarom vernietigd. Het beding kan dus geen grondslag vormen voor de gevorderde restwaarde. Omdat geen andere grondslag voor de restwaarde is gesteld of gebleken, wordt die gevorderde restwaarde afgewezen.

Beoordeling overige kosten
2.13. De vordering tot vergoeding van de vervallen rente zal worden afgewezen, nu de eisende partij bij dagvaarding van een onjuist bedrag aan hoofdsom is uitgegaan. De eisende partij heeft hiermee over een te hoog bedrag aan hoofdsom vervallen rente berekend. De rente zal worden toegewezen als na te melden.

2.14.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen nu de gedaagde partij de hoofdsom niet (tijdig) heeft voldaan, terwijl de eisende partij hiervoor wel een correcte aanmaning heeft gestuurd.

Slotsom

2.15.

De gedaagde partij moet dan ook de hoofdsom van € 128,30 (€ 188,63 - € 20,00 (aan afsluitkosten) - € 40,33 (aan restwaarde Mediabox)) betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 12 juni 2020 tot de voldoening, alsmede € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.16.

Ingevolge artikel 6:44 BW dienen de betalingen van € 60,00 die de gedaagde partij na sommatie heeft verricht eerst in mindering te strekken op de kosten, waaronder de buitengerechtelijke kosten, vervolgens van de vervallen rente en ten slotte van de hoofdsom. Dit brengt mee dat de buitengerechtelijke incassokosten inmiddels volledig zijn voldaan en een bedrag van € 108,30 (€ 128,30 - € 20,00) aan hoofdsom resteert.

2.17.

De gedaagde partij zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de kant van de eisende partij zijn:

- dagvaarding € 86,85

- griffierecht € 124,00

- salaris gemachtigde € 36,00 (1 punt x tarief € 36,00)

Totaal € 246,85.

2.18.

De nakosten, waarvan de eisende partij betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

Toekomstige procedures

2.19.

Op basis van het bovenstaande moet nu voldoende duidelijk zijn wat in het kader van de wettelijke informatieverplichtingen ten aanzien van duurovereenkomsten en/of overeenkomsten tot dienstverlening wordt verwacht, zowel ten aanzien van het bestelproces als ten aanzien van de manier waarop een vordering op basis van koop op afstand of buiten de verkoopruimte moet worden onderbouwd. Zowel handelaren als hun rechtsopvolgers en gemachtigden mogen aldus in staat worden geacht om hun werk(proces) daarop in te richten. De kantonrechter gaat er vanuit dat de daarvoor eventueel benodigde aanpassingen voor het eind van dit jaar gerealiseerd zullen zijn.

2.20.

Het niet voldoen aan de hierboven besproken (pre)contractuele informatieverplichtingen zal bij nieuw aangebrachte dagvaardingen vanaf 1 april 2021 volledig worden gesanctioneerd. In tegenstelling tot het onderhavige vonnis zullen in nieuw aangebrachte zaken vanaf die datum dus wel sancties worden verbonden aan het niet voldoen aan de genoemde verplichtingen. Afgezien van de specifieke sancties die de wet op enkele van de informatieverplichtingen stelt, zal de (al dan niet partiële) vernietiging van de overeenkomst het uitgangspunt zijn bij schending van de informatieverplichtingen ten aanzien van informatie die hiervoor als essentieel is aangemerkt. Deze informatie is immers cruciaal voor de wils- en besluitvorming van de consument en zeker bij overeenkomsten als de onderhavige, die een langere looptijd kennen, is het van belang dat de consument zowel voor het sluiten van de overeenkomst als tijdens (en na) de looptijd over de betreffende informatie beschikt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen een bedrag van € 108,30, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 12 juni 2020 tot de dag der algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, aan de kant van de eisende partij tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 246,85, wegens kosten van dagvaarding, griffierecht en salaris gemachtigde en € 18,00 wegens nakosten;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.