Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:4027

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
08/090087-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man uit Enschede is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De man heeft zich eind 2019 schuldig gemaakt aan aanranding in een stadsbus in Enschede.

Op 16 december 2019 zit een vrouw in een bus in Enschede. Op enig moment stappen verschillende mensen in, onder wie een man die naast haar komt zitten. Tegen de politie zegt de vrouw later dat ze dit vreemd vond omdat er genoeg andere vrije zitplaatsen waren. Vrienden van de man nemen achterin de bus plaats. Na enkele minuten voelt de vrouw dat de man haar been aanraakt en richting haar vagina gaat. Met z’n hand onder de rok van de vrouw raakt hij de vagina van de vrouw aan. Op dat moment drukt de vrouw op de stopknop en stapt uit. Vervolgens belt de vrouw een vriendin en is op haar aanraden naar het politiebureau gegaan.

De rechtbank vindt de verklaring van de vrouw geloofwaardig, maar kan niet op basis van één verklaring tot een veroordeling komen. Daarvoor is steunbewijs nodig. De vrouw heeft direct na de aanranding een vriendin gebeld. Zij verklaart hetzelfde als de vrouw. Bovendien verklaart de vrouw steeds consistent en bekent de man dat hij zich heeft laten opjutten door vrienden om de vrouw aan te raken. Hij erkent dat hij het been van de vrouw heeft aangeraakt maar ontkent dat hij haar vagina heeft aangeraakt en dat de aanraking ontuchtig was. De rechtbank ziet dat anders. Op basis van de verklaring van de vrouw in samenhang met de verklaring van de vriendin en het feit dat de man deels bekent, vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de man haar heeft aangerand door het betasten van haar been en haar vagina.

Bij het bepalen van de straf kijkt de rechtbank naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, maar ook naar de persoon van de verdachte. De man is verstandelijk licht beperkt en krijgt hulp van een zorginstelling. Op de zitting bleek dat hij wel weet dat hij niet ongevraagd vrouwen mag aanraken. Dat hij een beperking heeft is niet zichtbaar voor anderen. De aanranding vormde een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de vrouw. De impact hiervan op de vrouw is erg groot. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat een werkstraf in deze zaak een passende straf is. Een deel van die werkstraf wordt voorwaardelijk opgelegd, maar de man moet zich wel aan verschillende voorwaarden houden. Om dit soort strafbare feiten in de toekomst te voorkomen adviseert de reclassering onder andere seksuele voorlichting en educatie met betrekking tot relaties. De rechtbank neemt dat advies over en legt dit als bijzondere voorwaarde op. Ook moet de man de vrouw een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/090087-20 (P)

Datum vonnis: 27 november 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Leunk en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. D. Greven, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van [slachtoffer] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 16 december 2019 te Enschede, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door in een autobus naast nader te noemen [slachtoffer] - op een tweezitsplaats - te gaan zitten en/of (daarbij)

onverhoeds zijn hand op het been van die [slachtoffer] te leggen en/of (daarbij) zijn hand in de richting van het kruis van die [slachtoffer] te schuiven/duwen en/of (daarbij) met zijn hand/vinger(s) de vagina van die [slachtoffer] te betasten en/of aan te raken [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten: het onverhoeds aanraken en/of betasten van het been en/of de vagina van die [slachtoffer] .

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken aangezien verdachte ontkent zich opzettelijk schuldig te hebben gemaakt aan de ten laste gelegde handelingen. Daarnaast ontbreekt bij de ten laste gelegde handelingen het ontuchtig karakter.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte wordt het verwijt gemaakt dat hij op 16 december 2019 in Enschede [slachtoffer] ’s (verder: aangeefster) been en vagina ontuchtig heeft betast. Deze ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden in de bus waarin aangeefster, evenals verdachte, als passagier meereed.

Verdachte ontkent dat hij aangeefster (ontuchtig) heeft aangeraakt bij haar been en vagina.

Op grond van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Dat betekent dat de enkele verklaring van een aangever onvoldoende is. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De rechtbank benadrukt dat deze maatstaf omtrent het toereikend zijn van een verklaring dient te worden onderscheiden van de beoordeling of een verklaring betrouwbaar is. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Het dossier bevat, in het kort, een aangifte van 27 januari 2020 van aangeefster waarin zij onder meer verklaart dat zij op 16 december 2019 in de bus zat in Enschede. Op enig moment stapten een aantal mensen de bus in, onder wie ook een man. Aangeefster zag dat de man op de plaats naast haar kwam zitten. Hierna kwamen er vrienden van de man langslopen die achterin de bus gingen zitten. Een van de vrienden zei tegen de man dat hij bij hen moest komen, maar de man gaf daar geen gevolg aan. Na een paar minuten voelde aangeefster de hand van de man op haar been. De man raakte eerst alleen het linkerbeen aan, boven de knie. Vervolgens schoof de man zijn hand naar boven, naar de binnenkant van het been onder de rok van aangeefster. Toen voelde aangeefster de vinger van de man op haar vagina. Het aanraken was over haar panty heen. Aangeefster drukte meteen op de stop knop van de bus en stond direct op. Aangeefster zei tegen de man dat zij uit moest stappen waarna de man op stond om haar er langs te laten. Vervolgens is aangeefster uit de bus gestapt waarna zij haar vriendin heeft gebeld en naar het politiebureau is gegaan om te vertellen dat ze was aangerand.

[getuige] (verder: getuige) heeft bij de politie onder meer verklaard dat zij op

16 december 2019 door aangeefster werd gebeld. Aangeefster was aan het huilen. De stem van aangeefster trilde en ze kon moeilijk vertellen wat er was gebeurd. Uiteindelijk vertelde aangeefster dat een man naast haar in de bus was gaan zitten. De bus was vrij leeg en toch kwam de man naast haar zitten. De man was met een groepje mannen. Deze mannen gingen allemaal achterin zitten. Daarna riepen de andere mannen naar de man dat hij bij hen moest zitten. De man reageerde daar niet op en bleef naast aangeefster zitten. Vervolgens had de man met zijn hand onder de rok van aangeefster gegrepen. De getuige heeft aan aangeefster gevraagd of het haar been was of echt dat gebied daaronder. Aangeefster heeft daarop gezegd dat het echt bij dat gebied daaronder was. De rechtbank begrijpt dat zij daarmee bedoelt dat het bij haar vagina was.

De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen. De rechtbank stelt vast dat aangeefster een consistente en authentieke verklaring heeft afgelegd over hetgeen zich op

16 december 2019 in de bus heeft afgespeeld. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Bovendien ondersteunt de verklaring van [getuige] , die kort na het incident gebeld werd door aangeefster, de verklaring van aangeefster. Tot slot draagt ook de verklaring van verdachte zelf bij aan de overtuiging van de rechtbank dat hij het ten laste gelegde heeft begaan. Immers, ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij zich in de bus heeft laten opjutten door een vriend. Deze vriend zei tegen verdachte dat hij naast aangeefster moest zitten en haar moest aanraken. Verdachte is naast aangeefster gaan zitten. Vervolgens heeft verdachte – volgens aangeefster – ook het been van aangeefster aangeraakt. Al het voorgaande overziend, is de rechtbank van oordeel dat de aangifte op voldoende overtuigende wijze wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Aldus concludeert de rechtbank dat de verklaring van aangeefster niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel van de zedelijkheidswetgeving is het beschermen van de seksuele integriteit van personen die daartoe op een bepaald moment, dan wel in het algemeen, zelf niet in staat zijn. Verder blijkt dat de wetgever handelingen van seksuele aard strafbaar heeft willen stellen, voor zover die in strijd zijn met de sociaal ethische norm. Voor de vraag of een handeling als ontuchtige handeling kan worden aangemerkt, is niet doorslaggevend of de dader met de handeling zélf ontuchtige bedoelingen had.

De rechtbank is van oordeel dat het betasten van het been en de vagina van aangeefster in dit geval is op te vatten als een handeling die inbreuk maakt op de seksuele integriteit van aangeefster en in strijd is met de sociaal ethische norm. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat het betasten een onverhoeds karakter had en dat aangeefster hiervan heel erg geschrokken is. Tevens volgt uit haar verklaring dat verdachte haar niet “per ongeluk” aanraakte. Zij was op dat moment niet in staat haar seksuele integriteit te beschermen. Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte aangeefster heeft betast en de positie waarin zij zich bevond, is de rechtbank van oordeel dat aangeefster gedwongen werd deze handelingen te dulden. Gelet op het onverhoedse karakter van het betasten had aangeefster daarop immers niet bedacht hoeven zijn en van dwingen kan ook sprake zijn indien het onverhoedse karakter van het handelen van de verdachte aangeefster heeft overvallen en daardoor verzet heeft voorkomen, zoals hier het geval is geweest.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte een ontuchtig karakter hebben.

De rechtbank is aldus van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is op de manier waarop het onder de bewezenverklaring is opgenomen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 december 2019 te Enschede, door een andere feitelijkheid, te weten door in een bus naast nader te noemen [slachtoffer] te gaan zitten en daarbij onverhoeds zijn hand op het been van die [slachtoffer] te leggen en daarbij zijn hand in de richting van het kruis van die [slachtoffer] te schuiven en daarbij met zijn vinger de vagina van die [slachtoffer] te betasten [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten: het onverhoeds betasten van het been en de vagina van die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij een eventuele strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de persoon van verdachte en de impact en de gevolgen die het traject voorafgaand aan de behandeling van de strafzaak reeds op verdachte heeft gehad.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid door aangeefster in een bus te betasten aan haar been en vagina. Ontuchtige handelingen, van welke aard en intensiteit ook, vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit. Verdachte heeft met zijn handelingen geen rekening gehouden met de gevoelens van het slachtoffer. De impact van het incident op het slachtoffer blijkt ook uit de ter zitting door haar voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Weliswaar volgt uit het reclasseringsadvies dat verdachte licht verstandelijk beperkt is en bijzondere zorg behoeft, maar dat laat onverlet dat hij – zo is ook ter zitting gebleken – weet dat hij niet ongevraagd vrouwen mag aanraken dan wel betasten. Dat hij een beperking heeft is ook niet zichtbaar voor anderen zoals aangeefster en dat maakt dat de impact onverminderd groot is.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 19 oktober 2020;

  • -

    een strafadvies van Reclassering Nederland van 21 oktober 2020, opgemaakt door B.C. Bast, reclasseringswerker.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

In het reclasseringsadvies staat onder meer beschreven, zakelijk weergegeven, dat verdachte licht verstandelijk beperkt is. In dat licht lijkt ook zijn proceshouding te moeten worden

bezien. Daarnaast lijken factoren als schaamte en angst voor eventuele gevolgen een rol te spelen. Verdachte heeft speciaal lager onderwijs gevolgd en geen vervolgonderwijs. Vanaf zijn achttiende tot op heden verblijft verdachte bij zijn moeder. Hij heeft tot voor kort niet of nauwelijks dagbesteding gehad. Inmiddels wordt via de zorgorganisatie Aderzorg, die in eerste instantie voor moeder was ingezet, ook hulp aan verdachte geboden. Er wordt getracht dagbesteding te vinden, bijvoorbeeld in de vorm van een zorgboerderij. Op dit moment krijgt verdachte via Aderzorg op beperkte schaal onderwijs aangeboden en wordt hij betrokken bij een G-voetbalteam. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Met betrekking tot voorkoming van recidive is seksuele voorlichting, educatie met betrekking tot relaties en het vergroten van de weerbaarheid de meest aangewezen remedie. De reclassering adviseert een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij reclassering en ambulante behandeling.

Alhoewel overtreding van artikel 246 Sr bestraft dient te worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, is de rechtbank – zonder afbreuk te doen aan de impact van verdachtes handelen op aangeefster - in het onderhavige geval van oordeel dat, gelet op de relatief geringe ernst van de aanranding in vergelijking met andere zedenzaken en gelet op de beperking en kwetsbaarheid van verdachte, oplegging van een aanzienlijke taakstraf passend en geboden is. Gezien de persoon van verdachte is behandeling van verdachte nodig en zal verdachte begeleiding en verdere hulpverlening nodig hebben om de kans op recidive te doen verminderen. Van de op te leggen taakstraf zal daarom een deel voorwaardelijk worden opgelegd om begeleiding en hulpverlening binnen een voorwaardelijk kader te bieden en ook om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegende acht de rechtbank de geëiste straf, te weten een taakstraf voor de duur van 120 uur, waarvan 80 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Aan de voorwaardelijke taakstraf verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Deze bijzondere voorwaarden zijn in de beslissing opgenomen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 750,- (immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft integrale toewijzing van de verzochte schadevergoeding gevorderd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering toewijsbaar is, maar gematigd dient te worden.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De gevorderde schade is voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c en 22d Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;

- bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van 80 (tachtig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd na schriftelijke of telefonische uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland, Molenstraat 50 in Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich laat behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van

€ 750,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2019);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2020.

Buiten staat

Mr. Heijink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland Team Zeden met nummer ONRRBC20502 ELBE. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 27 januari 2021, pagina’s 18 t/m 20, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:

A: Ik was op 16 december 2019 in de bus in Enschede. In de bus liep ik naar achteren naar de tweede deur links achterin de bus. Achter deze deur ging ik zitten op de tweede rij stoelen aan de kant van de deur. Ik zat op de stoel naast het raam. Er waren nog wel meer plekken vrij in de bus. De bus reed verder en hij stopte bij de bushalte aan het Centrumplein in

Enschede. Er stapten een aantal mensen de bus in, waaronder ook een man. Ik zag dat de man op de plaats naast mij kwam. Hij ging zitten en daarna kwamen volgens mij zijn vrienden langslopen door het middenpad. Ze gingen helemaal achterin de bus zitten. Ik hoorde dat een van de vrienden zei, kom kom, tegen de man die naast mij zat. Ik twijfel nu een beetje maar volgens mij maakte de man een handgebaar met zijn hand van nee, nee. Daarna vertrok de bus. Na een paar minuten voelde ik iets aan mijn been. Dat was mijn linkerbeen. Ik dacht dat het misschien mijn tas was, deze had ik namelijk op schoot. Daarna voelde ik nog mee. Daarna voelde ik de hand van de man op mijn benen. Hij ging met zijn hand naar boven naar mijn privé, mijn vagina. Ik drukte meteen op de stop knop van de bus en stond ook meteen op. Daarna had ik mijn vriendin gebeld. Deze vriendin zei dat ik direct naar het politiebureau moest gaan. Dat heb ik ook gedaan. Daar heb ik met jullie gesproken.

V: Wat deed de man precies met zijn hand? A; Hij raakte eerst alleen mijn linkerbeen aan, dat was boven mijn knie. Hij schoof met zijn hand naar boven en naar de binnenkant van mijn been en schoof onder mijn rok. Toen voelde ik zijn vinger op mijn vagina en toen ben ik direct opgestaan. Het aanraken was over mijn panty heen. V: Wat zei jij tegen de man?

A: Ik zei: "Ik moet weg" of " ik moet uitstappen." V: Wat zei de man tegen jou? A: Ik weet niet meer of die man iets tegen me zei maar toen ik op ging staan ging de man ook opstaan om me er langs te laten.

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 10 februari 2020, pagina’s 21 t/m 23, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van getuige:

O: We hebben je uitgenodigd voor het afleggen van een getuigenverklaring omdat er door jouw vriendin [slachtoffer] aangifte is gedaan van een aanranding gepleegd op

16 december 2019. Jij zou hier iets van af weten. Op een gegeven moment werd ik gebeld door [slachtoffer] . Dat was laat in de middag. A: Ik hoorde dat [slachtoffer] aan het huilen was. Ik vroeg wat er aan de hand was. Haar stem trilde helemaal en ze kon het moeilijk vertellen. Uiteindelijk vertelde ze dat een man naast haar in de bus was gaan zitten. De bus was vrij leeg en dan nog kwam de man echt naast haar zitten. Het was een groepje mannen vertelde ze me. De rest van de mannen ging allemaal achterin zitten, alleen hij ging naast haar zitten. Daarna riepen de andere jonge mannen, de andere jonge man die naast [slachtoffer] zat van : “Kom bij ons zitten.” De man reageerde daar niet op en bleef naast [slachtoffer] zitten. Zelf zat zij aan de raamkant, aan de binnenkant. Ze had een kort broekrokje aan met een overslag. Ze vertelde me dat hij haar met zijn hand onder haar rok had gegrepen. Op dat moment wou ik vragen of het alleen onder de overslag was of ook echt op dat gebied. Ik vond dat moeilijk om te vragen maar ik dacht ik moet het toch echt vragen. Ze vertelde me dat hij haar daar echt had proberen te grijpen. Haar Nederlands is nog niet zo goed. Ik vroeg aan haar, “Was het echt je been of echt dat gebied daar onder zeg maar.” Ze zei dat het echt bij dat gebied daar onder was. Ze was aan het huilen en wist niet wat ze moest doen. Nadat het was gebeurd is ze direct bij de eerste bushalte uitgestapt. Hij ging wel gewoon aan de kant alsof er niets aan de hand was. Ze kon wel normaal de bus uitstappen. Daarna heb ik haar gezegd dat ze hulp moest vragen. Aan haar vriendin waar ze eigenlijk naar toe zou gaan en ik adviseerde haar om toch ook naar de politie te gaan. Ze had me al die tijd aan de telefoon. Ze is naar het politiebureau gelopen. Ze had me toen nog steeds aan de telefoon. Ze kwam huilend het politiebureau binnen en ik hoorde dat ze zei dat ze aangerand was. Ze is toen verder geholpen door een medewerker van de politie. Toen heb ik opgehangen.

3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 november 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Op 16 december 2019 was ik in Enschede en heb ik met de bus gereisd. In de bus liet ik mij opjutten door een vriend. Deze vriend zei dat ik naast een meisje moest zitten en haar moest aanraken. Ik heb het been van het meisje aangeraakt.