Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3990

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
C/08/254283 / FA RK 20-2399 & C/08/256588 / JE RK 20/1946
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Moeder is, ondanks in ouderschapsplan vastgelegde afspraken en rechterlijk vonnis, met minderjarig kind toch naar elders verhuisd. Minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld en vader kan minderjarige inschrijven bij gewenste school in zijn woonplaats. Moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling op straffe van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/254283 / FA RK 20-2399 & C/08/256588 / JE RK 20/1946

beschikking van 5 november 2020

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man of de vader,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. M. ter Brake,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de vrouw of de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. W. Geersen-Janssen.

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming Overijssel, de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Hengelo (O).

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 09 september 2020;

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 12 oktober 2020.

1.2.

De rechtbank heeft voorafgaand de mondelinge behandeling met [minderjarige] gesproken.

1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden

op 13 oktober 2020. Ter zitting zijn verschenen:

- de ouders, beiden bijgestaan door hun advocaten,
- de heer [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad.

1.4.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Ter Brake namens de vader verzocht de voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van drie maanden. Dit mondeling gedane verzoek is op 30 oktober 2020 door mr. Ter Brake schriftelijk bevestigd. De rechtbank heeft dit verzoek geregistreerd onder zaaknummer C/08/256588 / JE RK 20/1946.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] op [2008] , hierna te noemen [minderjarige] .

[minderjarige] is door de vader erkend. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] , die haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder.

2.2.

De vader en de moeder hebben de gevolgen van hun uiteengaan geregeld en neergelegd in het door beiden op 13 maart 2014 ondertekende ouderschapsplan. In dit ouderschapsplan zijn de vader en de moeder, voor zover thans van belang, overeengekomen dat [minderjarige] en de vader in de oneven weekenden van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur na het eten omgang met elkaar hebben. Daarnaast is er een regeling afgesproken over de vakanties en feestdagen.

2.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 2 mei 2014 is de vader mede belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en is bepaald dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2020 heeft de rechtbank de moeder verboden om te verhuizen naar [plaats 1] en in aanvulling op het ouderschapsplan onder punt c dat deel uitmaakt van de beschikking van 2 mei 2014

de verdeling van de vakanties en feestdagen vastgesteld. De verzoeken van de moeder, waaronder het verzoek om vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats 1] en het verzoek om [minderjarige] op de school in [plaats 1] in te schrijven, heeft de rechtbank afgewezen.

2.6.

Vanaf het begin van het huidige schoolseizoen gaat [minderjarige] in [plaats 1] naar school. Zij en haar moeder verblijven in ieder geval doordeweeks in [plaats 1] en in het weekend in [plaats 2] .

3 Het verzoek

De vader verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. an hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het [school 1] te [plaats 2] met ingang van de datum van de beschikking;

  2. te bepalen dat de zorg- en contactregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 7 augustus jl. tussen de man en [minderjarige] zal gelden, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat zij in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,-;

  3. te bepalen dat het verbod uit de beschikking van 7 augustus 2020 te verhuizen naar [plaats 1] , waarbij onder verhuizen wordt verstaan dat het merendeel van de tijd in de week in [plaats 1] wordt doorgebracht, geldt, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat zij zich niet aan dit verbod houdt één en ander met een maximum van € 10.000,- dan wel te bepalen dat de vrouw wordt bevolen in [plaats 2] te blijven dan wel naar [plaats 2] terug te verhuizen dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat zij niet aan dit bevel voldoet, één en ander met een maximum van € 10.000,-.

4. Het verweer, tevens houdende zelfstandig verzoek en tevens houdend voorwaardelijk zelfstandig verzoek

De moeder vraagt de rechtbank de verzoeken van de man af te wijzen. Zij verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek zal doen naar de vraag waar [minderjarige] haar onderwijs dient te volgen, alsmede dat [minderjarige] gedurende het onderzoek haar onderwijs mag blijven volgen op de middelbare school in [plaats 1] ;

- ( subsidiair) aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het [school 2] te [plaats 2] aan de [adres] .

5 De beoordeling

De vervangende toestemming inschrijving school

De standpunten

5.1.

De vader stelt dat de moeder met haar handelswijze de uitspraak van deze rechtbank van 7 augustus 2020 naast zich neer heeft gelegd door zonder zijn toestemming en zonder vervangende toestemming van de rechtbank [minderjarige] tóch te laten starten op een school in [plaats 1] . Tijdens de mondelinge behandeling laat vader weten dat hij, als de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] naar een school in [plaats 2] moet, instemt met het verzoek van de moeder om [minderjarige] op het [school 2] in te schrijven.

5.2.

De moeder stelt dat zij de scholen in [plaats 2] serieus in overweging heeft genomen en contact heeft gehad met verschillende scholen. Deze scholen konden de moeder op dat moment, in verband met de late inschrijving, niet de garantie geven dat [minderjarige] op haar niveau kon instromen. Daarnaast kon [minderjarige] bij een aantal scholen geen extra vakken meer kiezen, omdat zij hiervoor een toelatingsexamens moest doen. De moeder is van mening dat [minderjarige] hierdoor op een achterstand wordt gezet. Zij acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Gezien het korte tijdsbestek van de dag van de uitspraak tot de start van de scholen in [plaats 2] , heeft [minderjarige] de start gemaakt op de school in [plaats 1] waar zij al was ingeschreven en waar ook vader aanwezig is geweest op de open dag. Nu de moeder hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2020 dient een pas op de plaats gemaakt te worden omtrent de inschrijving van [minderjarige] op een school in [plaats 2] , vindt de moeder. Zij vraagt om onderzoek door de raad. Mocht de rechtbank tot de conclusie komen dat [minderjarige] toch in [plaats 2] op een school ingeschreven moet worden, dan verzoekt zij om aan haar vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op het [school 2] te [plaats 2] aan de [adres] .

5.3.

[minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter laten weten graag op haar huidige school in [plaats 1] te willen blijven. [minderjarige] heeft het gevoel dat zij nu met één been in [plaats 1] staat en met het andere in [plaats 2] . Ook vindt zij het vervelend dat de vader aan haar blijft trekken. Ze heeft daarbij verteld dat ze eerder naar haar vader zal gaan indien haar vader niet aan haar zal trekken.

Het advies van de raad

5.4.

De raad brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat het bij de ouders schort aan vertrouwen in elkaar. [minderjarige] heeft daar last van. Omdat de raad de situatie rondom [minderjarige] zorgelijk acht, biedt de raad de rechtbank aan een onderzoek te doen naar de meest wenselijke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . De raad wil niet overgaan tot een verzoek voorlopige ondertoezichtstelling. De raad heeft op de zitting toegezegd dat men alert zal zijn op de vraag of het onderzoek naar de meest wenselijke omgangsregeling voor [minderjarige] zal moeten worden uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Voor nu adviseert de raad dat [minderjarige] in afwachting van het raadsrapport haar onderwijs voorlopig op de huidige school in [plaats 1] blijft volgen. De huidige school is al een veilige en vertrouwde plek voor [minderjarige] . Een wijziging van school zal voor [minderjarige] een onzekere situatie teweegbrengen. De raad benadrukt dat het contact tussen vader en [minderjarige] moet worden hersteld.

Het oordeel van de rechtbank

5.5.

De rechtbank stelt vast dat de moeder de uitspraak van de rechtbank van

7 augustus 2020 niet is nagekomen. Hoewel de moeder en [minderjarige] nog niet formeel zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaats 1] , is het feitelijk zo dat [minderjarige] daar het grootste deel van de week verblijft en daar naar school gaat. Daarmee is de verhuizing naar [plaats 1] feitelijk geëffectueerd en de moeder heeft de vader daarmee voor een voldongen feit gesteld.

5.6.

Rechterlijke uitspraken moeten worden nageleefd. Wie het niet eens is met een rechterlijke uitspraak, kan daartegen (in de regel) opkomen door hoger beroep in te stellen. De moeder heeft dat gedaan. Maar omdat de beschikking van 7 augustus 20220 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, moet die uitspraak in afwachting van het oordeel van de hogere rechter wel worden gevolgd. Dat de moeder dit niet doet, is een kwalijke zaak. In de beschikking van 7 augustus 2020 heeft de rechtbank de moeder nota bene nog gewezen op de mogelijke gevolgen van haar eenzijdig handelen indien zij op de zaken vooruit loopt. De rechtbank valt in herhaling door aan de moeder mee te geven dat haar handelen tot gevolg heeft dat bij [minderjarige] verwachtingen zijn gecreëerd die niet kunnen worden waargemaakt, wat wederom kan leiden tot grote teleurstellingen.

5.7.

Met haar verweer in deze zaak en met haar zelfstandige verzoeken vraagt de moeder de rechtbank in wezen om terug te komen op de beslissingen van 7 augustus 2020. De argumenten die zij aanvoert, heeft zij zelf gecreëerd door in strijd met die beschikking toch te verhuizen en [minderjarige] toch in [plaats 1] naar school te laten gaan. Dat kan de rechtbank niet honoreren. Het zou in strijd zijn met het recht om dat te doen. De moeder heeft alle recht om de zaak aan de hogere rechter voor te leggen, maar zij kan de rechtbank niet met succes vragen om over dezelfde rechtsvragen nu andere beslissingen te nemen dat de rechtbank in de beschikking van 7 augustus 2020 heeft gedaan.

5.8.

Alles overziend en onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van

7 augustus 2020 zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen en het verzoek van de moeder afwijzen. Dit betekent dat [minderjarige] op de school die vader heeft voorgesteld moet worden ingeschreven, tenzij [minderjarige] (die over dit scenario nog niet heeft nagedacht) laat weten dat zij liever naar een ander school in [plaats 2] wil. De rechtbank realiseert zich dat dit tot onrust bij [minderjarige] zal leiden. Echter, [minderjarige] heeft vanaf haar geboorte in [plaats 2] gewoond en daar op school gezeten. De start van [minderjarige] op de huidige school in [plaats 1] is nog pril en de rechtbank ziet geen redenen waarom zij niet op een school in [plaats 2] zou kunnen wennen. De rechtbank ziet – gelet op het voorgaande – geen aanleiding voor een raadsonderzoek. Dit verzoek van de moeder wordt dan ook afgewezen.

De nakoming van de zorg- en contactregeling en de dwangsommen

5.9.

De rechtbank dient te beslissen op het verzoek van de vader tot nakoming van de zorg- en contactregeling en op het verzoek van de vader om aan de moeder dwangsommen op te leggen.

5.10.

De rechtbank zal de moeder veroordelen tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van 7 augustus 2020, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat zij de zorg- en contactregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-.

De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling niet de indruk gekregen dat de moeder van plan is zich zonder meer te conformeren aan een voor haar nadelige uitspraak. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om te bepalen dat de moeder voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het verbod uit de beschikking van 7 augustus 2020, aan de vader een dwangsom verbeurt van €250,-, ook tot een maximum van € 5.000,-

Uitvoerbaar bij voorraad

5.11.

De rechtbank zal voornoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Een uitvoerbaar bij voorraadverklaring is in het belang van [minderjarige] , opdat zij vlot kan worden ingeschreven op een school in [plaats 2] .

De proceskosten

5.12.

Omdat de vader en de moeder een relatie hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren minderjarige betreft, zal de rechtbank bepalen dat elk van de ouders de eigen kosten draagt.

De voorlopige ondertoezichtstelling

5.13.

De vader, die ontvankelijk is in zijn verzoek, is van mening dat [minderjarige] ernstig

in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat meteen ingegrepen moet worden. De vader stelt

dat partijen op dit moment niet in staat zijn om met elkaar te communiceren en dat [minderjarige]

absoluut klem en verloren raakt tussen beide partijen. Hij vreest dat wanneer er op zeer korte

termijn niets gebeurt de situatie ten aanzien van [minderjarige] alleen maar verslechtert en [minderjarige] nog

meer klem komt te zitten tussen haar beide ouders. Daar komt bij dat de moeder [minderjarige] met

volwassenenproblematiek belast en aan [minderjarige] het signaal geeft dat een rechterlijke uitspraak

van de rechtbank niets voorstelt en zij zich daar niet aan hoeft te houden. Volgens de moeder

dient het verzoek van de vader om een voorlopige ondertoezichtstelling eerst nader

onderzocht te worden.

5.14.

De kinderrechter stelt vast dat ouders vanwege wederzijds wantrouwen samen geen afspraken kunnen maken over [minderjarige] . Er zijn signalen dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Gebleken is dat [minderjarige] na de uitspraak van de rechtbank erg boos was op haar vader. Zij heeft hem in niet mis te verstane woorden laten weten het niet eens te zijn met de uitspraak van de rechtbank. Sinds de uitspraak van de rechtbank is het contact tussen vader en dochter onder druk te komen staan. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat het contact met haar vader op korte termijn onder regie van een jeugdbeschermer weer wordt hersteld. Daar komt bij dat [minderjarige] toch in [plaats 2] naar school moet. De kinderrechter realiseert zich dat dit tot onrust bij [minderjarige] zal leiden en hij is daarom van oordeel dat hulp noodzakelijk is om [minderjarige] in dit proces te begeleiden. Uit het mondelinge verzoek en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel stellen voor een termijn van drie maanden (artikel 1:257 BW). De kinderrechter verzoekt de raad om in de komende periode onderzoek te doen naar een eventuele verlenging van de ondertoezichtstelling.

Voor [minderjarige]

5.15.

Weer niet de beslissing die jij wilt. In wezen is deze procedure een herhaling van de vorige. Ik kan daarom nu niet anders beslissen. Alleen het gerechtshof kan tot een andere beslissing komen. Zolang er geen andere beslissing is, geldt mijn beslissing van 7 augustus 2020. Daarom heb ik nu beslist dat je toch echt in [plaats 2] naar school moet. En omdat er veel strijd is tussen je ouders en jij daarvan de dupe bent, vind ik dat er hulp voor je ouders en jou moet zijn. Daarom stel ik je onder toezicht van Jeugdbescherming Overijssel. Ik hoop dat er een jeugdbeschermer komt waar je in deze nare situatie iets aan hebt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel te Hengelo (O) met ingang van 5 november 2020 tot 5 februari 2021;

6.2.

verleent toestemming aan de vader, welke toestemming die van de moeder vervangt, om [minderjarige] in te schrijven op het [school 1] te [plaats 2] , tenzij [minderjarige] binnen vijf dagen na deze beschikking laat weten voor een andere school in [plaats 2] te kiezen;

6.3.

veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorg- en contactregeling zoals die is vastgesteld bij beschikking van 7 augustus 2020, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat zij de zorg- en contactregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-.

6.4.

bepaalt dat de moeder voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het verbod uit de beschikking van 7 augustus 2020, aan de vader een dwangsom verbeurt van €250,- , tot een maximum van € 5.000,-

6.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt;

6.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2020 in tegenwoordigheid van A.S. Özsüren, griffier.