Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3859

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
08-996253-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 40-jarige man tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor bedrieglijke bankbreuk, het niet voeren van een volledige administratie en het niet overleggen van die administratie aan de curator, valsheid in geschrifte, telen van hennep in zijn woning, verboden vuurwapenbezit en bezit van munitie. Naast de gevangenisstraf veroordeelt de rechtbank de man tot het terugbetalen van € 7.612,20 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-996253-18 (P)

Datum vonnis: 19 november 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C.C.M. Poland en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw Sahin, advocaat te Lent, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er - na wijziging van de tenlastelegging van 5 november 2020 - kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

als bestuurder of commissaris van de op 14 februari 2017 failliet verklaarde rechtspersoon [bedrijf 1] bedrieglijke bankbreuk heeft gepleegd door vele grote geldbedragen in de aanloop naar het faillissement aan de boedel te onttrekken, terwijl hij wist dat daardoor de schuldeisers werden benadeeld;

feit 2:

als bestuurder of commissaris van de failliet verklaarde rechtspersoon [bedrijf 1] tijdens de afwikkeling van het faillissement niet de volledige administratie van dit bedrijf heeft verstrekt aan de curator en/of niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren en/of bewaren van administratie;

feit 3:

een werkgeversverklaring en een arbeidsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die stukken als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken;

feit 4:

meermalen een hoeveelheid hennepplanten heeft geteeld;

feit 5:

een vuurwapen en 72 kogelpatronen voorhanden heeft gehad;

feit 6:

een alarmpistool en 134 knalpatronen voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte - na wijziging van de tenlastelegging van 5 november 2020 - dat:

Feit 1:

Hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 14 februari 2017 te Enschede en/of elders in Nederland,

als bestuurder of commissaris van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2017 in staat van faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, voor het faillissement van de rechtspersoon,

  1. op 4 augustus 2016 een bedrag van € 7.700,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 2] , en/of

  2. op 4 augustus 2016 een bedrag van € 2.382,93 heeft overgeboekt naar [verdachte] , en/of

  3. op 11 augustus 2016 een bedrag van € 26.377,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 2] , en/of

  4. op 9 september 2016 een bedrag van € 1.000,00 heeft overgeboekt naar [verdachte] , en/of

  5. op 9 september 2016 een bedrag van € 3.500,00 heeft overgeboekt naar [verdachte] , en/of

  6. op 23 september 2016 een bedrag van € 4.350,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en/of

  7. op 30 september 2016 een bedrag van € 3.075,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en/of

  8. op 6 oktober 2016 een bedrag van € 1.140,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en/of

  9. op 24 oktober 2016 een bedrag van € 4.500,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en/of

  10. op 25 oktober 2016 een bedrag van € 12.400,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] ,

waardoor hij, verdachte en/of (een van) zijn medeverdachte(n), een of meer schuldeisers van de rechtspersoon wederrechtelijk heeft bevoordeeld en/of een totaalbedrag van € 66.424,93, althans enig goed, aan de boedel heeft onttrokken

terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

Feit 2:

Hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 12 juni 2018 te Enschede, Deventer en/of elders in Nederland,

als bestuurder of commissaris van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2017 in staat van faillissement is verklaard, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

tijdens het faillissement van de rechtspersoon,

desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en/of bewaarde administratie en/of de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt,

en/of

voor het faillissement van de rechtspersoon

opzettelijk niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,

immers heeft hij, verdachte en/of (een van) zijn medeverdachte(n), niet de (gehele) administratie waaronder:

  1. een of meerdere verkoopfactu(u)r(en) met het het/de factuurnummer(s) [factuurnummer] tot en met [factuurnummer] , en/of

  2. een of meerdere bankafschriften van bankrekeningennr(s). [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 1] van de periode na 9 juni 2016, en/of

  3. een of meerdere inkoopfactu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 4] van week 27 tot en met 31 van 2016,

gevoerd en/of doen voeren en/of bewaard en/of doen bewaren.

3.

Hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 1 augustus 2016 tot en met 31 januari 2017 te Deventer en/of elders in Nederland, opzettelijk

een werkgeversverklaring afgegeven door of namens [bedrijf 1] , en/of

een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [bedrijf 1] en [medewerker] ,

zijnde een of meerdere geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk in strijd met de waarheid door het ondertekenen van voornoemde werkgeversverklaring van [bedrijf 1] verklaard dat:

[medewerker] per 12 september 2016 voor onbepaalde tijd in dienst was bij [bedrijf 1] en/of

[medewerker] een bruto jaarsalaris van 37.024 euro en een vakantietoeslag van 2961,92 euro genoot, en/of

die verklaring volledig naar waarheid was ingevuld,

en/of

in voornoemde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [bedrijf 1] en [medewerker] vermeld dat:

[medewerker] per 12 september 2016 voor onbepaalde tijd als administratief medewerkster in dienst trad en/of werkzaam was bij [bedrijf 1] en/of

[medewerker] een salaris ontving van 2848 euro bruto per vier weken plus een vakantietoeslag van 8%, en/of

de arbeidsduur van [medewerker] 40 uren per week bedroeg,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

4.

Hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 12 maart 2019 te Enschede, althans in Nederland,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres] te Enschede, (meermalen) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 101 hennepplanten, althans een aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

Hij op 12 maart 2019 te Enschede, althans in Nederland, een wapen en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1o van de Wet wapens en munitie, te weten:

een vuurwapen (pistool, merk FN Browning, kaliber 9mm) en

72 kogelpatronen (merk Luger, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

6.

Hij op of omstreeks 12 maart 2019 te Enschede, althans in Nederland, een wapen en/of munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 4o van de Wet wapens en munitie, te weten:

een alarmpistool (merk Bruni, kaliber 8mm) en

134 knalpatronen (merk Fiocchi, kaliber 8mm), voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Feiten 1 en 2

Op 14 februari 2017 is [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ), waarvan verdachte sinds 27 oktober 2011 bestuurder en enig aandeelhouder was, failliet verklaard met benoeming van mr. [curator 1] tot curator. Op 3 april 2018 deed mr. [curator 2] , in zijn hoedanigheid van opvolgend curator, een melding met betrekking tot mogelijke faillissementsfraude ten aanzien van die vennootschap. De curator maakte melding van het feit dat de door hem bij verdachte opgevraagde bankafschriften vanaf 1 juli 2016 ontbraken en dat uit later door de curator opgevraagde bankafschriften was gebleken dat verdachte als bestuurder van die vennootschap in de periode van 1 juli 2016 - 14 februari 2017 op grote schaal geldbedragen had overgemaakt naar aan hem gelieerde vennootschappen en privérekeningen.1

Op 12 juni 2018 deed mr. [curator 2] in zijn voormelde hoedanigheid van curator aangifte van faillissementsfraude.2

Op basis van een eerste onderzoek kwam het beeld naar voren dat aan [bedrijf 1] over de jaren 2012 tot en met 2016 ruim € 900.000,-- was onttrokken, een bedrag waarover de bestuurder van [bedrijf 1] , verdachte, onvoldoende uitleg aan de curator kon geven. Zo was in de periode van 1 juli 2016 tot 31 oktober 2016 vanaf de rekening van [bedrijf 1] in totaal een bedrag van € 30.865,-- overgemaakt naar [bedrijf 3] en was in dezelfde periode van de rekening van die BV een bedrag van in totaal € 33.140,-- contant opgenomen, vrijwel al het door [bedrijf 1] overgemaakte geld.3 Uit onderzoek van de inbeslaggenomen administratie bleek dat [bedrijf 1] tot ongeveer 5 augustus 2016 personeel had uitgeleend aan [bedrijf 5] , maar dat de laatste bankmutaties van de zakelijk rekening dateerden van 9 juni 2016.4 De curatoren hadden op basis van de overzichten van bankrekeningen vastgesteld dat over de periode vanaf ongeveer 1 juli 2016 geen administratie meer was verstrekt.5

In het stuur- en weegploegoverleg van de Belastingdienst/FIOD van 20 juli 2018 werd door het Openbaar Ministerie besloten om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.6

Feit 3

Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres] te [plaats] op 12 maart 2019 in het kader van het onderzoek naar aanleiding van de hiervoor genoemde aangifte, rees ten aanzien van medeverdachte [medewerker] – tijdens de doorzoeking aanwezig – een vermoeden van mogelijke hypotheekfraude. [medewerker] is de partner van verdachte. [medewerker] heeft ter plaatse, als getuige, een verklaring afgelegd.

Het bevreemdde verbalisanten dat aan haar, gezien haar inkomenssituatie, een hypotheek voor een woning was verstrekt, hetgeen aanleiding gaf de gang van zaken rond de hypotheekverstrekking nader te onderzoeken.

Feiten 4, 5 en 6:

In de ochtend van 12 maart 2019 heeft de politie, naar aanleiding van bevindingen van de FIOD tijdens een doorzoeking in de woning aan de [adres] in [plaats] , nader onderzoek gedaan. In de woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, op de tussenverdieping in een washok, met 101 hennepplanten.7

In de woning werden bovenop een kast tevens een vuurwapen met munitie en een gasalarmpistool met munitie aangetroffen.8

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als haar standpunt naar voren gebracht dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezenverklaard.

De officier van justitie ten aanzien van feit 1 in het bijzonder betoogd dat op basis van de inhoud van het dossier de conclusie moet zijn dat verdachte vanaf begin augustus 2016 wist dat zijn bedrijf [bedrijf 1] afstevende op een faillissement.

Deze conclusie volgt uit het feit dat bij [bedrijf 1] reeds geruime tijd sprake was van torenhoge schulden, een zeer sterke daling van de inkomsten en een overgang van het personeel naar andere rechtspersonen. Desondanks werden van de rekening van de BV in augustus en september 2016 allerlei betalingen gedaan ten faveure van verdachte privé (vakantiegeld, leningen) en/of de aan hem gelieerde rechtspersoon [bedrijf 2] .

Uit het verrichten van die zogenaamde ‘selectieve betalingen’ volgt dat verdachte wist dat door zijn handelen schuldeisers (het [schuldeisers] en de [schuldeisers] ) werden benadeeld. Verdachte heeft die betalingen verricht; hij beschikte over de bankpas en de pincode. Verdachte heeft het ten laste gelegde begaan in een nauwe en bewuste samenwerking met zijn vennootschappen, aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie in het bijzonder aangevoerd dat verdachte als bestuurder van de failliet verklaarde rechtspersoon [bedrijf 1] , ondanks vele verzoeken daartoe van de curator, aan hem opzettelijk niet de in de tenlastelegging genoemde stukken aan hem heeft overhandigd. Een en ander blijkt onder meer uit bankmutaties.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie in het bijzonder gewezen op een verklaring van medeverdachte [medewerker] , die heeft verklaard dat de ten laste gelegde stukken op haar naam slechts zijn opgemaakt ter verkrijging van een hypotheek. De naam [medewerker] kwam bovendien niet voor in een ordner met een overzicht van salarisstroken van het failliet verklaarde bedrijf. Daarbij komt, aldus de officier van justitie, dat het in dienst nemen van [medewerker] in de bewuste periode, gelet op het feit dat de BV in augustus 2016 haar bedrijfsactiviteiten juist beëindigde, zeer bevreemdt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op grond van het dossier niet vaststaat dat bij verdachte bij het doen van overboekingen van de rekening van [bedrijf 1] sprake was van (voorwaardelijk) opzet in die zin dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans aanvaardde dat een faillissement in feite onafwendbaar was. Het bedrijf verkeerde weliswaar in zwaar weer, echter verdachte stelde juist alles in het werk om een faillissement te voorkomen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het opzet bij het niet volledig verstrekken van de administratie van [bedrijf 1] aan de curator en/of het niet volledig bewaren van die administratie, niet kan worden bewezenverklaard. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte en zijn boekhouder allerlei administratie aan de curator hebben overhandigd. De curator heeft zelf verzuimd om aan verdachte een overzicht te verstrekken van hetgeen hij wel en niet had ontvangen. Bovendien had verdachte zijn boekhouder [boekhouder] uitdrukkelijk de opdracht gegeven alle relevante administratie te bewaren en (alsnog) te overhandigen aan de curator, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging betwist dat verdachte de ten laste gelegde stukken vals heeft opgemaakt. In de maanden augustus-oktober 2016 is [medewerker] , de partner van verdachte, daadwerkelijk voor [bedrijf 1] werkzaam geweest. Verdachte nam [medewerker] in dienst omdat hij iemand nodig had om de boekhouding en administratie van [bedrijf 1] te verzorgen. Weliswaar heeft verdachte in augustus 2016 de huur van zijn kantoorruimte opgezegd, vanuit kostenbesparing, echter daaruit mag niet worden afgeleid dat hij het bedrijf [bedrijf 1] had opgegeven. De werkgeversverklaring, de arbeidsovereenkomst en de salarisspecificatie zijn dan ook, anders dan het openbaar ministerie stelt, naar waarheid opgemaakt en/of ondertekend.

Ten aanzien van de feiten onder 4, 5 en 6 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 en feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[bedrijf 1] werd opgericht op 26 juli 2011. De BV ging op 14 februari 2017 failliet. Vanaf 27 oktober 2011 was enig aandeelhouder en algemeen directeur: [verdachte] , verdachte.9

Het bedrijf [bedrijf 2] werd op 26 april 2013 opgericht en werd ontbonden op 1 december 2017. Enig aandeelhouder van 8 oktober 2015 tot 14 juli 2016 was [boekhouder] . Vanaf 14 juli 2016 was enig aandeelhouder en algemeen directeur: [verdachte] , verdachte.10

Het bedrijf [bedrijf 3] werd op 12 mei 2014 opgericht en ontbonden op 1 december 2017. Algemeen directeur van 12 mei 2014 tot 1 juli 2016 was [naam 1] . Na 1 juli 2016 stond er geen bestuurder meer bij de Kamer van Koophandel geregistreerd. Enig aandeelhouder sinds 15 mei 2014 was [verdachte] , verdachte. Verdachte was vanaf 1 december 2017 tevens bewaarder van boeken en bescheiden van de rechtspersoon.11

Het bedrijf [bedrijf 4] ten slotte werd op 28 juni 2016 opgericht. Vanaf dat moment was [naam 1] haar enig bevoegd directeur. Vanaf 16 juni 2017 is [bedrijf 6] haar enig aandeelhouder.12

De bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] bestonden voornamelijk uit het uitlenen van personeel in de vleesbranche. Het personeelsbestand van [bedrijf 1] is in de laatste periode fors gekrompen; in 2016 was sprake van ongeveer tien werknemers.13

[bedrijf 1] is medio 2016 met haar werkzaamheden gestopt. Het personeel op de loonlijst kwam vanaf 17 oktober 2016 op de loonlijst van het bedrijf [bedrijf 4] te staan.

[bedrijf 5] , het enige inleenbedrijf van [bedrijf 1] , heeft de curatoren laten weten dat de samenwerking met [bedrijf 1] na week 31 van 2016 (de rechtbank begrijpt: de laatste week van juli 2016) werd beëindigd.14

Uit de aangifte van faillissementsfraude blijkt dat het Bedrijfstakpensioenfonds voor vlees het faillissement van [bedrijf 1] heeft aangevraagd; van de Belastingdienst kwam een steunvordering. Ten tijde van het faillissement was sprake van een grote, onverhaalbare, vordering op de BV: in totaal een bedrag van € 512.633,-- , waaronder een vordering van

€ 348.683,45 van de [schuldeisers] en een vordering van € 124.825,79 van de [schuldeisers] .15

Volgens de aangifte heeft de bestuurder in de jaren voorafgaand aan het faillissement op grote schaal bedragen onttrokken aan het vermogen van [bedrijf 1] .16

Uit onderzoek naar de afschriften van de ABN-Amro rekening van de BV bleek dat ook over de tweede helft van 2016 nog verschillende bedragen waren overgemaakt van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] naar rekeningen van aan verdachte gelieerde vennootschappen alsook naar verdachte in privé.

In genoemde periode werden naar [bedrijf 3] bedragen overgemaakt van onder meer € 4.350,-- (23 september 2016), € 3.075,--(30 september 2016), € 1.140,-- (6 oktober 2016), € 4.500,-- (24 oktober 2016), en € 12.400,-- (25 oktober 2016).17

Naar de vennootschap [bedrijf 2] zijn bedragen van € 26.377,-- (op 11 augustus 2016) en € 7.700,-- (op 4 augustus 2016) overgemaakt.

Naar de privérekening van verdachte zijn betalingen gedaan op 4 augustus 2016 (€ 2.382,93 ‘uitbetaling vakantiegeld’) en op 9 september 2016 (bedragen van € 1.000,-- en € 3.500,-- ; beide keren onder vermelding van ‘lening’).

Genoemde overboekingen kwamen bovenop een rekening-courant schuld van verdachte aan [bedrijf 1] die in eerdere jaren al was opgelopen, tot een bedrag van € 512.633,--.

Volgens de curator was sprake van bevoordeling van de aan verdachte gelieerde vennootschappen ten nadele van de schuldeisers van [bedrijf 1] .18

Uit het dossier blijkt voorts het volgende.

Sinds 14 juli 2016 was verdachte enig aandeelhouder en algemeen directeur van [bedrijf 2] Tijdens het onderzoek zijn de gegevens gevorderd en verkregen van de ING-rekening van [bedrijf 2] over de periode 1 juli 2016 – 31 oktober 2016 ( [rekeningnummer 3] ).19 Uit een overzicht van ontvangsten en uitgaven bleek dat alle ontvangsten in genoemde periode afkomstig waren van [bedrijf 1] .20

De uitgaven bestonden grotendeels uit uitbetaalde salarissen met betrekking tot de periode week 26 en week 27 van 2016 en vakantiegelden. In juli 2016 ging al het personeel van [bedrijf 2] over naar [bedrijf 4] (directeur [naam 1] ).

In de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 oktober 2016, was sprake van contante opnamen van de rekening van [bedrijf 2] ter hoogte van in totaal € 16.750,-- ; waarvan het grootste deel vanaf 22 juli 2016 – 4 augustus 2016 werd opgenomen.21

Verdachte heeft erkend dat hij degene is geweest die die contante bedragen van de ING bankrekening van [bedrijf 2] heeft opgenomen.22

In verband met het ontbreken van administratie vanaf juli 2016 en een vermoeden dat [bedrijf 1] rond die periode in feite al ‘een sterfhuis’ was geworden, door personeel over te hevelen naar andere vennootschappen, heeft de FIOD de gegevens en het verloop van het personeel in de periode daaraan voorafgaand onderzocht.23

Uit dit onderzoek kwam naar voren dat er in de periode 2014 - 2016 personeel verschoven was van [bedrijf 1] naar [bedrijf 3] (2014), 2 [bedrijf 1] (2015) en [bedrijf 4] (vanaf juli 2016). De overgang van 24 werknemers van [bedrijf 1] naar [bedrijf 3] en – daaropvolgend– naar [bedrijf 2] en [bedrijf 4] leek te maken te hebben met (de continuering van) werkzaamheden bij de inlener, [bedrijf 5] . [bedrijfsleider] , bedrijfsleider van [bedrijf 5] , heeft deze gang van zaken als getuige bevestigd.24 [bedrijfsleider] heeft verklaard dat er bij deze wijziging van constructies van het uitlenen van personeel voor [bedrijf 5] niets veranderde.25

Ten aanzien van de op de bestuurder van [bedrijf 1] rustende administratieverplichtingen blijkt uit het dossier het volgende.

Curator mr. [curator 1] , de voorganger van [curator 2] , had van verdachte administratie ontvangen betreffende [bedrijf 1] die tot juli 2016 was bijgewerkt. De curatoren hebben verdachte vervolgens meermalen verzocht om de administratie vanaf juli 2016 tot 14 februari 2017 (datum faillissement) aan te leveren, waarbij in het bijzonder werd verzocht om stukken die inzicht konden geven in de rekening-courantverhoudingen tussen de vennootschappen waar verdachte (ook) bestuurder/aandeelhouder van was. Tot aan de dag van aangifte werd aan die verzoeken niet voldaan.26

Uit het onderzoek naar de - onder de curator aangetroffen en in beslag genomen - administratie is het volgende gebleken: 27

 in de ordner ‘Personeelsdiensten Bank’ ontbraken bankgegevens van na 9 juni 2016 van de zakelijke rekening [rekeningnummer 4] en gegevens van na 13 juli 2016 van de [rekeningnummer 5] ;

 in de ordner ‘Personeelsdiensten Verkoop’ ontbraken facturen van na de factuur met het nummer [factuurnummer] ;

 in de ordner ‘Personeelsdiensten Inkoop’ ontbraken facturen van [bedrijf 4] en inkoop - of verkoopfacturen van na juli 2016;

 in de ordner ‘Personeelsdiensten Personeel’ ontbrak informatie over [medewerker] die vanaf 12 september 2016 in vaste dienst zou zijn getreden;

 in de ordner ‘Personeelsdiensten Loonstroken’ ontbraken de loonstroken van na 12 augustus 2016, terwijl nog tot en met oktober 2016 salarissen zijn uitbetaald;

 een deugdelijke digitale boekhouding over de periode na 5 augustus 2016 (dan wel na factuur [factuurnummer] ) werd niet aangetroffen.

Onderzoek op basis van de administratie naar de door de curator beschreven onttrekkingen van de rekening van [bedrijf 1] richting andere vennootschappen leverde het volgende op.28

In 2016 bestonden de werkzaamheden van [bedrijf 1] nagenoeg geheel uit het uitlenen van personeel aan [bedrijf 5] . Daarvoor werd (ook) personeel van [bedrijf 2] ingeleend. De in de aangifte faillissementsfraude vermelde overboekingen door [bedrijf 1] betroffen, gezien de omschrijvingen, ‘voorschotten’ op facturen. In de inbeslaggenomen administratie werden echter geen bescheiden/gegevens aangetroffen waaruit die voorschotten konden worden verklaard.

In een inbeslaggenomen ordner ‘Inkoop 2016’ werden facturen aangetroffen van [bedrijf 2] De oudste factuur had als factuurdatum 4 februari 2016. In de in beslag genomen ordner ‘Bank 2016’ werden enkele facturen aangetroffen van [bedrijf 2] , waaronder facturen vanaf week 52 van 2015. Op enkele facturen stonden aantekeningen. Op basis van de boekhouding was het verloop van voorschotten en afrekeningen onnavolgbaar.

Op 14 juli 2016 begonnen betalingen aan [bedrijf 4] , opgericht op 28 juni 2016 met als enig aandeelhouder [naam 2] .

Later werd [bedrijf 6] opgericht, in 2017, met opnieuw [naam 2] als enige aandeelhouder. [naam 1] was tot 1 juli 2016 algemeen directeur van [bedrijf 3] , een BV waarvan verdachte, sinds 12 mei 2014, de enig aandeelhouder was.

Vanaf 1 juli 2016 stond er geen bestuurder meer bij [bedrijf 3] geregistreerd.

De betalingen aan [bedrijf 4] begonnen met een betaling van € 13.000,-- in verband met een factuur met kenmerk ‘ [factuurnummer] ’. Op 28 juli 2016 (week 30) vond een betaling plaats van € 13.450,-- met als aantekening ‘Rest factuur [factuurnummer] ’ en op 11 augustus 2016 volgde een spoedoverboeking, in verband met factuur ‘ [factuurnummer] ’.

Facturen met betrekking tot deze overboekingen naar [bedrijf 4] werden niet aangetroffen.

In een ordner ‘Memoriaal 2016’ zijn een aantal facturen aangetroffen gericht aan [bedrijf 3] .

De in de aangifte faillissementsfraude vermelde betalingen aan [bedrijf 3] betroffen betalingen vanaf 7 juli 2016. Op de bankafschriften stonden omschrijvingen als ‘terugbetaling deblokkeringsgelden’ dan wel een factuurnummer.

In de inbeslaggenomen administratie werden echter geen facturen aangetroffen die hiermee in verband konden worden gebracht. Ook was er geen sprake van deblokkeringsgelden, nu het betreffende bedrag van de vrije rekening van [bedrijf 1] werd overgemaakt. 29

Onderzoek naar de bankafschriften van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] leverde verder nog het volgende op.30

Er was sprake van betalingen afkomstig van [bedrijf 4] , met omschrijvingen als ‘Voorschot factuur [factuurnummer] en [factuurnummer] ’ en ‘facturen week 34 – 38’, met factuurnummers tot en met [factuurnummer] .

Eén van de verkoopfacturen van [bedrijf 1] , genummerd [factuurnummer] en gedateerd 7 juli 2016, hield echter verband met de verkoop van een Kia Picanto ( [kenteken] ) door [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] voor een bedrag van € 5.750,--.31

De directeur van [bedrijf 4] , [naam 1] , heeft ten aanzien van de omschrijvingen op de bankafschriften met betrekking tot genoemde facturen, genummerd [factuurnummer] – [factuurnummer] , verklaard dat verdachte nog een aantal auto’s had, die [naam 1] van hem had gekocht.

[naam 1] beschikte digitaal over genoemde verkoopfacturen. De inkoopfacturen zouden aanwezig moeten zijn bij [bedrijf 1] , aldus [naam 1] .32

Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte in augustus 2016 de aandelen van de vennootschap [bedrijf 2] van zijn voormalig boekhouder, [boekhouder] , heeft overgenomen.33 Verdachte heeft met betrekking tot die overname verklaard - samengevat weergegeven - dat hij daarvoor samen met [boekhouder] naar de notaris ging.34 [bedrijf 2] was een leeg bedrijf. Verdachte wilde het overnemen, omdat hij met [bedrijf 1] in de problemen zat. Omdat hij anders startkapitaal nodig zou hebben voor een nieuw bedrijf, regelde hij het zo.

Verdachte heeft verklaard dat de Belastingdienst in 2015 (derden)beslag begon te leggen, in verband met haar vorderingen op [bedrijf 1] . [bedrijf 5] wilde vanaf toen eigenlijk niet meer samenwerken met [bedrijf 1] .

In augustus 2016 had hij eigenlijk al geen mensen meer in dienst, behalve vier of vijf vaste mensen, zo verklaarde verdachte.35 Na de zomer van 2015 kon hij door het beslag niemand meer betalen. Men wist dat en daarom ging hij toen eigenlijk al failliet. De mensen hadden geen vertrouwen meer in verdachte en wilden niet meer voor hem werken.36

Het was rond augustus 2016 toen het op zijn einde liep met [bedrijf 1] , aldus verdachte. Met het nieuwe bedrijf [bedrijf 2] , heeft hij uiteindelijk niets meer gedaan; “het was al klaar”.37

Verdachte heeft erkend dat hij na 1 juli 2016 grote bedragen contant heeft opgenomen van de rekeningen van de vennootschappen waaraan hij was gelieerd, te weten [bedrijf 1] (in totaal

€ 10.420,--), [bedrijf 3] (totaal € 33.140,--) en [bedrijf 2]

(€ 16.750,--).38

Ten aanzien van de administratieverplichtingen heeft verdachte als volgt verklaard.

Het vaste personeel van [bedrijf 1] werkte tot oktober 2016 via [naam 1] . De facturen met betrekking tot die periode hadden door de boekhouder opgemaakt moeten worden, aldus verdachte. Verdachte heeft erkend dat hij de facturen met kenmerk [factuurnummer] tot en met [factuurnummer] niet aan de curator heeft afgegeven39 en dat hij evenmin de gegevens van de ondernemersrekening van [bedrijf 1] aan de curator heeft verstrekt.40

De administratie van [bedrijf 1] heeft hij aan de curator overhandigd, maar “het klopt dat de laatste maanden niet volledig waren geboekt”, zo heeft verdachte verklaard.41 Hij ging een paar keer met zijn boekhouder, [boekhouder] , naar de curator. De boekhouding was niet compleet, maar dat lag aan de boekhouder, aldus verdachte.42

Verdachte heeft ook bevestigd dat hij de enige feitelijk bestuurder was bij [bedrijf 1] en dat hij het alleen voor het zeggen had.43

[boekhouder] , de boekhouder, heeft verklaard dat hij vanaf halverwege 2016 geen werk meer deed voor [bedrijf 1] , omdat verdachte en [naam 1] niet tevreden waren.44 Verdachte had volgens [boekhouder] de volledige zeggenschap en alles in handen.45

[boekhouder] heeft de administratie bijgehouden tot juni 2016. De curator had hem nog gevraagd om een eindbalans te maken, maar dat heeft hij niet meer gedaan, omdat hij de recente stukken niet had. Verdachte zou de bankafschriften van 2016 opvragen, aldus [boekhouder] .46

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat verdachte - ondanks herhaalde verzoeken en aanmaning van de curatoren daartoe - niet alle administratie van [bedrijf 1] aan de curator heeft verstrekt. Uit het verloop van de hiervoor weergegeven feiten blijkt immers dat verdachte niet een volledige administratie van [bedrijf 1] heeft gevoerd of heeft laten voeren door de boekhouder: de in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen met de factuurnummers [factuurnummer] tot en met [factuurnummer] , de bankafschriften van ABN-Amro-rekeningen ten name van [bedrijf 1] na 9 juni 2016 en de inkoopfacturen betreffende [bedrijf 4] van week 27 tot en met 31 van 2016, zijn daarin niet opgenomen of verantwoord.

Uit het voorgaande volgt voorts dat verdachte diverse overboekingen en betalingen vanuit [bedrijf 1] naar verschillende rekeningen van aan hem gelieerde vennootschappen en naar zijn privérekening heeft gedaan. De grondslag voor deze overboekingen is echter niet gebleken als gevolg van het ontbreken van de daarvoor benodigde administratie.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande gezien de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte, mede bezien in het licht van zijn verklaringen daarover, dat hij wist dat door dit handelen, in de aanloop naar een - onafwendbaar - faillissement, schuldeisers van [bedrijf 1] zouden worden benadeeld in hun mogelijkheden tot verhaal. Verder is de rechtbank van oordeel dat daaruit volgt dat verdachte heeft willen voorkomen dat zijn hiervoor aangehaalde handelwijze aan het licht zou komen en heeft hij daartoe niet alle administratie van [bedrijf 1] aan de curator verstrekt, en, voorafgaand aan het faillissement van de rechtspersoon opzettelijk niet een volledige administratie gevoerd.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft begaan in een nauwe samenwerking met de vennootschappen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , en [bedrijf 3] , nu het ten laste gelegde handelen mede aan deze rechtspersonen kan worden toegerekend, in hun hoedanigheid van functioneel dader.

De rechtbank acht gelet hierop de feiten onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In verband met het vermoeden van hypotheekfraude heeft de FIOD gegevens opgevraagd bij de ABN-Amro Bank N.V., de hypotheekadviseur [hypotheekadviseur] te Almelo, handelend onder de naam ‘ [hypotheekadviseur] ’, en de curator in het faillissement van [bedrijf 1] .

De bank verstrekte onder meer een koopakte, ondertekend door medeverdachte [medewerker] , op 12 oktober 2016 47, een werkgeversverklaring van [bedrijf 1] en een salarisspecificatie van [bedrijf 1] op naam van [medewerker] .

De werkgeversverklaring was gedateerd 13 oktober 2016. Volgens deze verklaring trad [medewerker] met ingang van 12 september 2016 voor onbepaalde tijd in dienst bij het bedrijf [bedrijf 1] ; het brutosalaris zou € 37.024,-- bedragen en de vakantietoeslag € 2.961,92. Verdachte zou die verklaring namens genoemde vennootschap volledig en naar waarheid hebben ingevuld en ondertekend.48

Op de salarisspecificatie stond vermeld dat [medewerker] op 12 september 2016 in dienst was getreden bij [bedrijf 1] en het nettoloon voor twintig gewerkte dagen/ 160 uren in week 37 tot en met 40 € 2.050,53 was. Uitbetaling van het loon vond plaats op [rekeningnummer 6] , op naam van [medewerker] .49

Bij de door de bank verstrekte gegevens zat verder - onder meer - een afschrift van de hypotheekakte, en een door [medewerker] ondertekende offerte voor de hypotheek voor de woning aan de [adres] te [plaats] . Uit de stukken bleek dat de bank voor genoemde woning een hypotheek had verstrekt aan [medewerker] ter hoogte van € 177.900,-- .50

[hypotheekadviseur] heeft een ordner uitgeleverd met het opschrift ‘ [medewerker] , aankoop’ waarin een arbeidsovereenkomst werd aangetroffen.51

Volgens die overeenkomst was [medewerker] met ingang van 12 september 2016 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [bedrijf 1] als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Er was sprake van een salaris van € 2.848,-- en een vakantietoeslag van 8%.

In de ordner werden verder kopieën aangetroffen van stukken die door de ABN-Amro bank ook waren verstrekt, alsmede de originele werkgeversverklaring.52

Medeverdachte [medewerker] heeft tijdens haar verhoren verklaard dat de arbeidsovereenkomst, de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie niet naar waarheid waren opgemaakt, doch slechts waren opgemaakt om een hypotheek te kunnen aanvragen.

[medewerker] wilde een ander huis kopen en haar partner, verdachte, had de mogelijkheid om dat voor elkaar te krijgen.53 Verdachte was sinds oktober 2011 enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1]54 en hij stelde voor dat hij een vast arbeidscontract voor haar zou opmaken, voor indiensttreding bij zijn bedrijf. Verdachte zou tevens een salarisuitbetaling doen, zodat een hypotheek kon worden aangevraagd. [medewerker] heeft hieraan meegewerkt en ging met verdachte naar [hypotheekadviseur] , een hypotheekadviseur, om te informeren naar de benodigde stukken voor hypotheekverstrekking. Korte tijd later - toen een geschikt huis was gevonden en de papieren in orde waren gemaakt - heeft [medewerker] de vals opgemaakte documenten aan [hypotheekadviseur] verstrekt. Verdachte heeft deze documenten aangeleverd. [medewerker] vulde de werkgeversverklaring zelf in en verdachte heeft die vervolgens ondertekend.55 De documenten zijn bij [hypotheekadviseur] in de brievenbus gedaan.

Getuige [getuige] van ' [hypotheekadviseur] ’, heeft bevestigd56 dat medeverdachte [medewerker] samen met haar vriend, verdachte, bij zijn kantoor is geweest in verband met een hypotheekaanvraag. [medewerker] heeft een salarisstrook en een werkgeversverklaring aan [hypotheekadviseur] verstrekt, zo heeft [getuige] verklaard.57

De rechtbank acht de verklaringen van [medewerker] , afgelegd tijdens haar verhoren, geloofwaardig en de rechtbank is van oordeel dat deze voor het bewijs kunnen worden gebezigd, nu die verklaringen bevestiging vinden in overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft bij haar oordeel tevens acht geslagen op verklaringen van verdachte zelf. Verdachte heeft tijdens zijn verhoren verklaard dat [bedrijf 1] tot juli - augustus 2016 personeel uitleende, dat toen ‘alles klaar’ was58 en dat het toen ‘op zijn einde liep’ met [bedrijf 1] . Verdachte dacht (de rechtbank begrijpt: hoopte) nog verder te kunnen gaan in zijn nieuwe BV, [bedrijf 2] , echter met dat nieuwe bedrijf heeft hij niets meer gedaan omdat het ‘al klaar’ was. Het personeel was al weg, zo heeft verdachte verklaard, en hij zag het niet zitten om helemaal opnieuw te beginnen.59

In het licht van deze verklaringen ligt het niet in de rede en acht de rechtbank ongeloofwaardig dat verdachte met ingang van 12 september 2016 een nieuw personeelslid zou aannemen - voor veertig uur per week en voor onbepaalde tijd - , waar uit bevindingen van de FIOD/ Belastingdienst blijkt dat het bedrijf in de zomer van 2016 haar bedrijfsactiviteiten juist aan het afbouwen was.

Bij de bewaarde salarisspecificaties van [bedrijf 1] zijn verder geen salarisspecificaties op naam van [medewerker] aangetroffen. Bij de door de curator verstrekte administratie van [bedrijf 1] zat een drietal ordners met in totaal 142 salarisspecificaties over 2016, die betrekking hadden op twaalf werknemers van [bedrijf 1] . Onder de salarisspecificaties werden geen stukken aangetroffen op naam van [medewerker] .60

Ook overigens is niet gebleken dat medeverdachte [medewerker] daadwerkelijk 40 uur per week werkzaamheden voor [bedrijf 1] heeft uitgevoerd. Dit is ook bevestigd door [medewerker] .61

De rechtbank acht gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de geschriften zoals ten laste gelegd valselijk heeft opgemaakt en ondertekend, opdat zijn partner, medeverdachte [medewerker] , een hypotheek zou kunnen aanvragen en verkrijgen.

De feiten onder 4, 5 en 6:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van deze ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend, en door of namens verdachte geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen62.

Feit 4

 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

 het proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] en gesloten op 9 april 2019 (pag. 119 – 122), met bijlagen;

 het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr (pag. 140 – 144).

Feit 5

 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

 het proces-verbaal van aanhouding van [medewerker] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , en gesloten op 12 maart 2019 (pag. 217 – 219, in het bijzonder pag. 218);

 het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , en gesloten op 9 april 2019 (pag. 158 – 161);

 het aanvullende proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] en gesloten op 11 november 2019 (met betrekking tot een aangetroffen vuurwapen/ pistool en 77 stuks kogelpatronen).

Feit 6

 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

 het proces-verbaal van aanhouding van [medewerker] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , en gesloten op 12 maart 2019 (pag. 217 – 219, in het bijzonder pag. 218);

 het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , en gesloten op 9 april 2019 (pag. 158 – 161);

 het aanvullende proces-verbaal ‘Onderzoek wapen’, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] en gesloten op 8 oktober 2019 (met betrekking tot een aangetroffen alarm-/ startpistool en 134 knalpatronen).

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

Hij in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 14 februari 2017 in Nederland,

als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2017 in staat van faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met meer rechtspersonen voor het faillissement van de rechtspersoon,

  1. op 4 augustus 2016 een bedrag van € 7.700,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 2] , en

  2. op 4 augustus 2016 een bedrag van € 2.382,93 heeft overgeboekt naar [verdachte] , en

  3. op 11 augustus 2016 een bedrag van € 26.377,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 2] , en

  4. op 9 september 2016 een bedrag van € 1.000,00 heeft overgeboekt naar [verdachte] , en

  5. op 9 september 2016 een bedrag van € 3.500,00 heeft overgeboekt naar [verdachte] , en

  6. op 23 september 2016 een bedrag van € 4.350,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en

  7. op 30 september 2016 een bedrag van € 3.075,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en

  8. op 6 oktober 2016 een bedrag van € 1.140,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en

  9. op 24 oktober 2016 een bedrag van € 4.500,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] , en

  10. op 25 oktober 2016 een bedrag van € 12.400,00 heeft overgeboekt naar [bedrijf 3] ,

waardoor hij, verdachte en zijn medeverdachten, een totaalbedrag van € 66.424,93, aan de boedel heeft onttrokken terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

Feit 2:

Hij in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 12 juni 2018 in Nederland,

als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 februari 2017 in staat van faillissement is verklaard,

tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator heeft verstrekt,

en

voor het faillissement van de rechtspersoon opzettelijk niet heeft voldaan aan en heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling werd bemoeilijkt,

immers heeft hij, verdachte, niet de (gehele) administratie waaronder:

  1. verkoopfacturen met de factuurnummer(s) [factuurnummer] tot en met [factuurnummer] , en

  2. een of meerdere bankafschriften van bankrekeningen nrs [rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 1] van de periode na 9 juni 2016, en

  3. inkoopfacturen afkomstig van [bedrijf 4] van week 27 tot en met 31 van 2016,

gevoerd en doen voeren en bewaard en doen bewaren;

Feit 3:

Hij op tijdstippen in de periode 1 augustus 2016 tot en met 31 januari 2017 in Nederland, opzettelijk

 een werkgeversverklaring, afgegeven door of namens [bedrijf 1] , en

 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [bedrijf 1] en [medewerker] ,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte valselijk in strijd met de waarheid door het ondertekenen van voornoemde werkgeversverklaring van [bedrijf 1] verklaard dat:

 [medewerker] per 12 september 2016 voor onbepaalde tijd in dienst was bij [bedrijf 1] en

 [medewerker] een bruto jaarsalaris van 37.024 euro en een vakantietoeslag van 2961,92 euro genoot, en

 die verklaring volledig naar waarheid was ingevuld,

en in voornoemde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [bedrijf 1] en [medewerker] vermeld dat:

 [medewerker] per 12 september 2016 voor onbepaalde tijd als administratief medewerkster in dienst trad en/of werkzaam was bij [bedrijf 1] en

 [medewerker] een salaris ontving van 2848 euro bruto per vier weken plus een vakantietoeslag van 8%, en

 de arbeidsduur van [medewerker] 40 uren per week bedroeg,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

4.

In de periode van 1 januari 2018 tot en met 12 maart 2019 te Enschede opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt in een pand aan de [adres] te Enschede, meermalen een aantal hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

Hij op 12 maart 2019 te Enschede een wapen en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder lo van de Wet wapens en munitie, te weten:

 een vuurwapen (pistool, merk FN Browning, kaliber 9mm) en

 72 kogelpatronen (merk Luger, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

6.

Hij op 12 maart 2019 te Enschede een wapen en munitie als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 4o van de Wet wapens en munitie, te weten:

 een alarmpistool (merk Bruni, kaliber 8mm) en

 134 knalpatronen (merk Fiocchi, kaliber 8mm), voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 225 lid 1, 343 aanhef sub 1, 344a lid 2 aanhef onder 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), artikel 3B van de Opiumwet en artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken;

feit 2

het misdrijf:

als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken,

en

als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;

feit 3

het misdrijf:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4

het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 5

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

feit 6

het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten onder 1 tot en met 6 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

In reactie op het pleidooi van de raadsvrouw heeft de officier van justitie erop gewezen dat naar haar mening, gelet op het ten laste gelegde en in geval van een veroordeling, een taakstrafverbod geldt.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte bezig is zijn leven een andere – positieve – wending te geven.

Verdachte heeft een baan, hij is gestopt als bestuurder van allerlei vennootschappen en hij heeft betalingsafspraken met diverse schuldeisers gemaakt. De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte in het geval van veroordeling hooguit een maximale taakstraf in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde eventueel een beroepsverbod, inhoudende dat verdachte niet meer als bestuurder van een rechtspersoon mag optreden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich, als bestuurder van een BV - een uitzendbureau voor flexibele arbeidskrachten in de vleessector - schuldig gemaakt aan het in de aanloop naar een faillissement gedurende een periode van een aantal maanden plegen van bedrieglijke bankbreuk. Verdachte heeft daarnaast niet voldaan aan de verplichting van een bestuurder om in geval van faillissement een volledige administratie te voeren en/of te bewaren en die administratie ook volledig te overleggen aan de curator te overleggen opdat het faillissement kan worden afgewikkeld.

De rechtbank acht het handelen van verdachte temeer kwalijk nu hij, blijkens het dossier, in de jaren voorafgaand aan onderhavige feiten reeds meermalen is gewaarschuwd door de Belastingdienst en het pensioenfonds dat hij zijn wettelijke, financiële verplichtingen als bestuurder van de rechtspersoon onvoldoende nakwam.

Het handelen van verdachte geeft naar het oordeel van de rechtbank blijk van onvoldoende plichts- en verantwoordelijkheidsbesef ten aanzien van het Nederlandse belastingsysteem en pensioenstelsel; van wezenlijk belang voor een goed functioneren van het financieel economisch verkeer en de met het die stelsels samenhangende maatschappelijke (gemeenschaps-) belangen.

Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk louter bekommerd om zijn eigen financieel gewin.

Naast genoemde feiten heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, ten behoeve van het plegen van hypotheekfraude, aan hennepteelt in zijn woning en aan het in zijn woning illegaal voorhanden hebben van wapens - waaronder een vuurwapen - en de bij die wapens horende munitie.

Het voorhanden hebben van wapens en munitie brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee voor de veiligheid van personen en vormt daarom een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Nederland kent in afgelopen jaren een toename van vuurwapengeweld, onder meer in de vorm van liquidaties in het criminele circuit, waarbij ook derden het gevaar lopen dodelijk gewond te raken.

De rechtbank acht ook deze bewezenverklaarde feiten zeer ernstig.

De rechtbank slaat bij de strafoplegging acht op de LOVS oriëntatiepunten, die dienen als richtsnoer voor de straftoemeting.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde is sprake van een benadelingsbedrag van in totaal ongeveer € 66.425,--. Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde - valsheid in geschrift in het kader van hypotheekfraude - is sprake van een benadelingsbedrag ter hoogte van € 177.000,--.

Voor fraudedelicten met een omvang als hier aan de orde komen de LOVS-oriëntatiepunten bij een benadelingsbedrag als hier, in totaal, aan de orde als uitgangspunt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden.

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte zijn 101 hennepplanten aangetroffen. De LOVS oriëntatiepunten gaan bij hennepteelt in het geval van teelt van 101 planten uit van een taakstraf van 120 uren en 1 maand voorwaardelijk gevangenisstraf.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot hennepteelt en het voorhanden hebben van een (vuur-)wapen van categorie III en munitie van categorie III.

Het oriëntatiepunt bij het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen is een gevangenisstraf van drie maanden. Het oriëntatiepunt bij het voorhanden hebben van scherpe munitie luidt: een geldboete van € 340,--. Het oriëntatiepunt bij het voorhanden hebben van een alarmpistool is een geldboete van € 550,-- en het oriëntatiepunt bij het voorhanden hebben van de daarbij behorende munitie van categorie is een geldboete van

€ 170,--.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte bij vonnis van 26 november 2019 is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift, waardoor er sprake is van recidive. Deze veroordeling brengt tevens mee dat de rechtbank acht slaat op artikel 63 Sr.

Oplegging van een taakstraf acht de rechtbank gelet op de hoeveelheid en de ernst van de feiten een gepasseerd station.

De rechtbank acht, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag ten aanzien van feit 1, de hoeveelheid feiten en de inhoud van de LOVS-oriëntatiepunten, oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van de hierna te melden duur passend en geboden.

Het voorwaardelijke strafdeel zal worden opgelegd teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 en 63 Sr, artikel 11 lid 2 van de Opiumwet en artikel 55 lid 1 en lid 3 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf:

als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken;

feit 2 het misdrijf:

Als bestuurder van een rechtspersoon, tijdens het faillissement van de rechtspersoon, desgevraagd opzettelijk niet terstond, overeenkomstig de op hem rustende wettelijke verplichtingen ter zake, een ingevolge de wettelijke verplichtingen gevoerde en bewaarde administratie en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in ongeschonden vorm, zo nodig met de hulpmiddelen om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken, aan de curator verstrekken,

en

als bestuurder van een rechtspersoon voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;

feit 3 het misdrijf:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4 het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 5 het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

feit 6 het misdrijf:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, en 6 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. H. Manuel en

mr. D ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020.

1 Aanvangsproces-verbaal, AMB-001, verbalisant [verbalisant 5] , pag. 364 – 375, i.h.b. pag. 367.

2 Aangifte van faillissementsfraude, 12 juni 2018, pag. 611 - 613.

3 AMB-001, pag. 373 halverwege en DOC-026: overzicht opnamen geldautomaat van rekening [rekeningnummer 7] , pag. 673.

4 DOC-007 1 t/m. 11: rekeningafschriften van ABN-Amro rekening van [bedrijf 1] , met rekening-nr [rekeningnummer 4] , pag. 614 – 625.

5 Aangifte van faillissementsfraude, 12 juni 2018, pag. 613 onderaan.

6 Overzichtsproces-verbaal FIOD, pag. 010, bovenaan.

7 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, verbalisant [verbalisant 1] , pag. 119 – 122 en het proces-verbaal van bevindingen Eerdere oogst en fotoblad behorende bij aantreffen hennepkwekerij, in perceel [adres] te [plaats] , pag. 123 e.v.

8 Proces-verbaal Zaaksdossier 5, pag. 115 e.v., i.h.b. pag. 118 bovenaan.

9 DOC-002, uittreksel KvK, [bedrijf 1] , pag. 592 e.v.

10 DOC-005, uittreksel KvK [bedrijf 2] , pag. 604 e.v.

11 DOC-001, uittreksel KvK, [bedrijf 3] , pag. 587 e.v.

12 DOC-004, uittreksel KvK [bedrijf 4] , pag. 602 e.v.

13 DOC-006, aangifte van faillissementsfraude, pag. 611 e.v.

14 Aangifte van faillissementsfraude, Doc-006, pag. 612, halverwege.

15 Aangifte van faillissementsfraude, Doc-006, pag. 612, onderaan.

16 Aangifte van faillissementsfraude, Doc-006, pag. 613.

17 DOC-007-01 / 11, bankafschriften ondernemersrekening [bedrijf 1] . 44.99.53.130; pag. 614 – 624.

18 Aangifte van faillissementsfraude, Doc-006, pag. 613.

19 AMB-011; proces-verbaal van ambtshandeling ‘Analyse bankrekening [rekeningnummer 3] t.n.v. [bedrijf 2] over de periode 1 juli 2016 – 31 oktober 2016, verbalisant [verbalisant 5] , en gesloten op 24 juli 2019 (pag. 400 – 401)

20 DOC-084, overzicht ontvangsten/betalingen [bedrijf 2] , [rekeningnummer 3] , pag. 933.

21 DOC-085, specificatie contante opnamen, [bedrijf 2] , [rekeningnummer 3] , pag. 934.

22 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, V-001-04, pag. 14 en DOC-085, specificatie contante opnamen, 2 [bedrijf 2] , pag. 934.

23 Proces-verbaal van ambtshandeling inzake onderzoek naar verschuivingen personeel van [bedrijf 1] , AMB-010, pag. 398 – 399.

24 Proces-verbaal van verhoor van getuige [bedrijfsleider] , G-005-01, pag. 559.

25 AMB-010, pag. 399 en G-005-01, proces-verbaal van verhoor van getuige [bedrijfsleider] , pag. 559.

26 Aangifte faillissementsfraude, Doc-006, pag. 613, onderaan.

27 Proces-verbaal Zaaksdossier 3, pag. 80 onderaan - 81 bovenaan.

28 Proces-verbaal van onderzoek onttrekkingen, AMB-003, pag. 380 – 381.

29 AMB-003, proces-verbaal van onderzoek onttrekkingen, pag. 381.

30 DOC-007, rekeningafschriften ondernemersrekening [bedrijf 1] , 44.99.53.130, pag. 614 – 624.

31 DOC-094, verkoopfactuur [bedrijf 1] , 7 juli 2016, aan [bedrijf 4] i.v.m. verkoop Kia Picanto, pag. 953.

32 G-004-01, proces-verbaal van verhoor van [naam 1] , pag. 541.

33 AMB-011, proces-verbaal van ambtshandeling ‘Analyse bankrekening’, pag. 401, bovenaan, en DOC-084, overzicht mutaties bankrekening [rekeningnummer 3] , t.n.v. [bedrijf 2] , met post ‘overname aandelen [bedrijf 2] ’, pag. 933.

34 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, V-001-02, pag. 16.

35 Proces-verbaal tweede verhoor van verdachte, V-001-02, pag. 432 onderaan.

36 Proces-verbaal tweede verhoor verdachte, V-001-02, pag. 433 bovenaan.

37 Proces-verbaal tweede verhoor van verdachte, V-001-02, pag. 437 onderaan

38 Proces-verbaal van verhoor verdachte, V-001-04, pag. 464 onderaan 465 bovenaan.

39 Proces-verbaal van vierde verhoor verdachte, V-001-04, pag. 467 bovenaan.

40 Proces-verbaal van vierde verhoor verdachte, V-001-04, pag. 467 onderaan.

41 Proces-verbaal derde verhoor verdachte, V-001-03, gesloten op 14 maart 2019, pag. 442 e.v., i.h.b. pag. 445.

42 Proces-verbaal derde verhoor van verdachte, V-001-03, pag. 442 e.v., i.h.b. pag. 446, bovenaan en pag. 450.

43 Proces-verbaal vierde verhoor van verdachte, V-001-04, pag. 453, bovenaan.

44 Proces-verbaal van verhoor getuige [boekhouder] , G-003-02, pag. 509, halverwege.

45 Proces-verbaal van verhoor getuige [boekhouder] , pag. 509, onderaan.

46 Proces-verbaal verhoor [boekhouder] , pag. 512, midden.

47 DOC-073, koopakte, pag. 853 e.v.

48 DOC-074, werkgeversverklaring [bedrijf 1] - [medewerker] , pag. 901.

49 DOC-075, salarisspecificatie, pag. 902.

50 DOC-097,pag. 962 e.v., i.h.b. pag. 974;

51 DOC-095, arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd, pag. 954.

52 DOC-098, werkgeversverklaring, pag. 985.

53 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medewerker] , V-002-01, pag. 479.

54 DOC-002 - p. 1, gegevens KvK [bedrijf 1] , pag. 592.

55 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medewerker] , V-002-03, pag. 486.

56 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , 5 juni 2019, G-008-01, pag. 2, midden en onderaan.

57 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , G-008-01, p. 5 midden.

58 Proces-verbaal van verhoor verdachte, V-001-02, pag. 6 bovenaan.

59 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, V-001-02, pag. 17 bovenaan.

60 Proces-verbaal Zaaksdossier 4, pag. 94.

61 Proces-verbaal van verhoor van [medewerker] , V-002-03, pag. 487 bovenaan.

62 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst in het onderzoek [verdachte] met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.