Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3849

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
08-996015-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming. De rechtbank Overijssel stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van 147.556,-- euro. De 50-jarige man is in 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor faillissementsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-996015-12

Datum vonnis: 19 november 2020

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres] .

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op 10 september 2013 een vordering ingediend, inhoudende dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 885.211,--.

2 De procedure

De vordering is – tegelijkertijd met de strafzaak – aangebracht op de openbare terechtzitting van 28 oktober 2013.

Het onderzoek is voortgezet op de openbare terechtzittingen van 6 en 10 oktober 2014. De rechtbank heeft toen beslist dat een drietal getuigen door de rechter-commissaris zal worden gehoord en dat de behandeling van de ontnemingsvordering zal worden voortgezet nadat de rechtbank vonnis heeft gewezen in de strafzaak.

Vervolgens is ter zitting op 18 mei 2015 door de rechtbank beslist dat de behandeling van de ontnemingsvordering, gelet op de beslissing van 10 oktober 2014, voor onbepaalde tijd zal worden aangehouden.

Op 19 juni 2015 heeft de rechtbank vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24 april 2019 – na het door veroordeelde ingestelde hoger beroep – arrest gewezen in de strafzaak.

Nadat de officier van justitie de rechtbank had laten weten dat de conclusie van eis in de ontnemingszaak gereed was en de rechtbank had verzocht om termijnen te stellen voor de conclusies van antwoord, repliek en dupliek en een datum te bepalen voor de behandeling ter terechtzitting van de ontnemingsvordering, heeft de voorzitter van de rechtbank bij voorzitters-beslissing, gedateerd 21 april 2020, op grond van artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering (Sv) deze termijnen gesteld en beslist dat vervolgens een datum voor de behandeling ter terechtzitting van de ontnemingsvordering zal worden vastgesteld.

In de schriftelijke procedure zijn de volgende processtukken overgelegd:

- een conclusie van eis van de officier van justitie van 2 december 2019;

- een conclusie van antwoord van de verdediging van 6 juli 2020;

- een conclusie van repliek van de officier van justitie van 6 augustus 2020;

- een conclusie van dupliek van de verdediging van 5 oktober 2020.

Het onderzoek is voortgezet op de terechtzitting van 8 oktober 2020. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.

Bij conclusie van eis heeft de officier van justitie mr. C.V. van Overbeeke de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op een bedrag van € 222.056,-- en de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld op € 217.056,--.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2019 veroordeeld voor de – in verband met de ontnemingszaak relevante – strafbare feiten:

feit 1 primair:

bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 2 primair:

medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon;

feit 3 primair:

bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 4 primair:

bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Inleiding

Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank het onder 3.1 genoemde arrest als uitgangspunt. Uit de voor de bewezenverklaring door het hof gebruikte bewijsmiddelen is aannemelijk geworden dat de veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

De rechtbank is bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook steeds uitgegaan van de feitenvaststelling en beslissingen van het hof uit voornoemd arrest. Voor de volledigheid worden de relevante overwegingen hierna steeds per onderdeel weergegeven.

Het arrest is op de datum van dit vonnis niet onherroepelijk.

Naast het arrest van het hof heeft de rechtbank het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD kantoor Zwolle, gedateerd 25 juni 2013 (hierna: het rapport WVV) in haar overwegingen betrokken.

Feit 1

Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot feit 1 onder meer het volgende overwogen en beslist.

“Ten aanzien van de betalingen van € 65.000,-- en € 10.000,-- wordt het volgende overwogen.

De betalingen zouden betrekking hebben op een lening van [verdachte] aan [bedrijf 1] BV. In de boekhouding van [bedrijf 1] BV is niet te herleiden waarop deze leningen betrekking zouden moeten hebben. Ten bewijze van deze lening is een kopie van een onderhandse akte overgelegd (bijlage C-K). Uit die akte blijkt dat als schuldenaren worden aangemerkt [bedrijf 1] BV en [bedrijf 2] BV. In de boekhouding van [bedrijf 1] zijn de betalingen verwerkt als “aflossing lening” en op de geconsolideerde balans van [bedrijf 1] zijn de betalingen opgenomen onder de overlopende activa. De lening ontbreekt vervolgens op overzichten met schuldeisers van [bedrijf 1] en komt ook niet voor in het draaiboek. Het hof hecht om die redenen geen waarde aan die onderhandse akte.”

“Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte] en [verdachte] een sterfhuisconstructie voor [bedrijf 1] BV hebben opgezet en uitgevoerd. De vestiging van de hypotheek door [bedrijf 3] BV heeft deel uitgemaakt van deze constructie. Een verklaring voor het vestigen van een hypotheekrecht voor alles wat [bedrijf 1] van [bedrijf 3] te vorderen heeft, heeft [verdachte] niet kunnen geven. Hij wist wel dat [bedrijf 1] niets van [bedrijf 3] te vorderen had. [verdachte] heeft als vergoeding voor zijn aandeel geldbedragen van € 65.000,-- (in privé) en € 10.000,-- (via [bedrijf 4] BV) ontvangen van [bedrijf 1] BV.”

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedragen ad € 65.000,-- en
€ 10.000,-- een terugbetaling vormen van een bedrag van € 75.000,-- dat door veroordeelde in het betreffende project is ingebracht. Hij heeft dus geen daadwerkelijk voordeel genoten.

De verdediging heeft subsidiair gesteld dat het bedrag van € 10.000,-- dat op de bankrekening van [bedrijf 4] BV (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 4] BV) is gestort, niet aan veroordeelde – als bestuurder/aandeelhouder ‘achter’ de rechtspersoon – kan worden toe-gerekend, omdat niet is voldaan aan de drie criteria die voor vereenzelviging gelden.

De rechtbank is gelet op de hiervoor aangehaalde bewezenverklaring en vastgestelde feiten en omstandigheden van het hof van oordeel dat de bedragen van € 65.000,-- en € 10.000,-- als door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt dienen te worden.

De stelling van de verdediging dat het zou gaan om een terugbetaling van een lening is niet onderbouwd. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook niet dat het zou gaan om een lening. Het thans door de verdediging gevoerde verweer is bovendien ook al in de strafzaak gevoerd en door het hof Arnhem-Leeuwarden verworpen. Die beslissing van het hof geldt als uitgangspunt in deze ontnemingszaak. De rechtbank ziet geen aanleiding thans anders op het gevoerde verweer te beslissen en verwerpt dit verweer dan ook.

Met betrekking tot het toerekenen van het voordeel van € 10.000,-- aan de bestuurder of de aandeelhouder “achter” de rechtspersoon overweegt de rechtbank dat voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon vastgesteld dient te worden:

1. dat die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon;

2. dat hij over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken;

3. dat het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon, welk voordeel de natuurlijke persoon kan worden toegerekend.1

In aanvulling op de weergegeven vaststellingen door het hof overweegt de rechtbank dat uit het rapport WVV en de onderliggende stukken blijkt dat veroordeelde ten tijde van de overboeking van de € 10.000,-- naar [bedrijf 4] BV bestuurder was van de [stichting] . Deze stichting was de enige aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 4] BV. Hierdoor had veroordeelde – indirect – volledige zeggenschap over deze BV. Gesteld noch gebleken is dat een of meer anderen dan veroordeelde destijds zeggenschap over [bedrijf 4] BV hadden. Veroordeelde kon over het vermogen van [bedrijf 4] BV beschikken en het door die BV verkregen voordeel heeft tot voordeel van veroordeelde kunnen strekken.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman en is van oordeel dat het bedrag van € 10.000,-- als door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is aan te merken.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit feit 1 dan ook vast op € 75.000,--.

Feit 2

Het hof heeft met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen verklaard dat verdachte een vrachtwagen (merk DAF, kenteken [kenteken] ), een Toyota Landcruiser,
drie aanhangwagens, een minikraan, compressoren en luchthamers heeft onttrokken aan de boedel van [bedrijf 5] BV (voorheen genaamd [bedrijf 6] BV).

Op 12 september 2017 heeft de rechtbank Almelo een civiel vonnis gewezen in een zaak die speelde tussen de curator van [bedrijf 6] BV, [bedrijf 5] BV en [bedrijf 7] BV enerzijds en (onder andere) veroordeelde anderzijds. In deze procedure heeft de curator namens [bedrijf 6] BV, [bedrijf 5] BV en [bedrijf 7] BV activalijsten overgelegd. Op basis van deze lijsten heeft de rechtbank de waarde van de goederen waarop de bewezenverklaring van het hof Arnhem-Leeuwarden betrekking heeft, geschat op in totaal
€ 75.000,--. De rechtbank Almelo heeft veroordeelde veroordeeld tot het restitueren aan de boedel van de goederen zoals die vermeld staan in de bewezenverklaring van het arrest van het hof. De rechtbank heeft verder bepaald dat indien deze goederen niet gerestitueerd worden, verdachte jegens de boedel aansprakelijk is tot vergoeding van de geschatte waarde van deze goederen, door de rechtbank begroot op in totaal € 75.000,--.

De verdediging heeft gesteld dat omdat verdachte in de civiele zaak is veroordeeld tot betaling van € 75.000,-- aan de curator, deze vordering op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dient te worden gebracht en het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil moet worden gesteld.

Nu de verplichting tot betaling aan de faillissementsboedel reeds is ontstaan in 2012 is de rechtbank van oordeel dat het oude artikel 36e lid 8 Sr, zoals dat gold ten tijde van het ontstaan van de betalingsverplichting, in deze van toepassing is. Dit artikellid luidde als volgt:

Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.”

Gezien deze destijds geldende bepaling dient – bij achterwege blijven van restitutie van de goederen – de in rechte toegekende vordering van de curator op veroordeelde ad € 75.000,-- in mindering gebracht te worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.

De rechtbank stelt het wederechtelijk verkregen voordeel uit feit 2 vast op nihil.

Feit 3

Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot feit 3 onder meer het volgende overwogen en beslist.

“Na de overname van de aandelen door [getuige 1] zijn door verschillende bedrijven gelden overgemaakt naar de bankrekening 97.87.72.687 van [bedrijf 8] BV. Op 28 december 2009 is van die bankrekening een bedrag van € 10.115,-- naar de bankrekening van [bedrijf 9] BV overgemaakt. Vervolgens is op 31 december 2009 een bedrag van € 12.750,--, op
3 februari 2010 een bedrag van € 2.296,-- en op 12 februari 2010 een bedrag van € 935,-- overgemaakt naar de bankrekening [bedrijf 10] BV. Beide ondernemingen zijn bedrijven van [verdachte] . Daarnaast is op 12 januari 2010 een bedrag van € 4.300,— naar de bankrekening van [getuige 1] overgeboekt, welk bedrag vervolgens door [getuige 1] is overgemaakt naar [bedrijf 10] .”

“Het hof leidt met betrekking tot de overboekingen van voornoemde bedragen uit het dossier

af dat tegenover deze overboekingen geen betalingsverplichting van de BV stonden. Deze overboekingen vanuit [bedrijf 8] BV dienen naar het oordeel van het hof dan ook als onttrekkingen in het zicht van het faillissement te worden aangemerkt. Door zo kort voor de datum van het faillissement onverplicht betalingen te doen, heeft de BV bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers benadeeld worden.”

De rechtbank is gelet op de hiervoor aangehaalde bewezenverklaring en vastgestelde feiten en omstandigheden van het hof van oordeel dat in totaal:

€ 10.115,-- +

€ 12.750,-- +

€ 2.296,-- +

€ 935,-- +

€ 4.300,-- +

€ 30.396,--

als door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel is aan te merken.

De verdediging heeft gesteld dat het totaalbedrag van € 30.396,-- niet aan veroordeelde – als bestuurder/aandeelhouder ‘achter’ de rechtspersoon – kan worden toegerekend, omdat niet aan de drie criteria die voor vereenzelviging gelden, wordt voldaan. Voor het geval de rechtbank het verweer van de raadsman zou verwerpen, heeft hij een voorwaardelijk aanhoudingsverzoek gedaan, teneinde [getuige 2] , diens ex-partner [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 1] als getuigen te horen.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor omtrent het juridisch kader van vereenzelviging is overwogen, overweegt de rechtbank voorts als volgt.

Het thans door de verdediging gevoerde verweer is ook al in de strafzaak gevoerd en daarop is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als volgt beslist:

“De katvanger [getuige 1] heeft verklaard hoe [verdachte] in het algemeen te werk ging. Hij heeft daarover het volgende verklaard:

Als een ondernemer failliet dreigde te gaan en zich bij [verdachte] meldde met zijn problemen dan zorgde [verdachte] ervoor dat er een nieuwe bestuurder en aandeelhouder kwam voor de onderneming die failliet dreigde te gaan. Een katvanger. Deze nieuwe eigenaar krijgt dus het

faillissement aan zijn broek. [verdachte] regelde voor de oude eigenaar een nieuwe BV en deze kon daarmee dan gewoon zijn bedrijfsvoering voortzetten. [verdachte] haalde zijn winst uit de inboedel van de failliet gaande onderneming en uit de nog op de bankrekening binnenkomende gelden van de failliet gaande onderneming. De oude eigenaar betaalde [verdachte] ook veel geld voor de activiteiten die [verdachte] voor hem uitvoerde. Voor het ronselen van katvangers en allerlei administratieve klussen gebruikte hij [naam 1] . Het hof overweegt dat in casu [verdachte] door [getuige 2] is benaderd om de aandelen van het bedrijf te verkopen. [verdachte] heeft daarop via [naam 1] geregeld dat de aandelen verkocht werden aan [getuige 1] , zijnde een katvanger. [getuige 1] heeft verklaard dat hij na de aandelenoverdracht van [getuige 2] een pakketje kreeg waarin een bankpas zat met nog allerlei documenten. [getuige 1] was van te voren al door [naam 1] verteld dat hij het pakketje aan [verdachte] moest geven op het moment dat zij bij de notaris buiten waren. Eenmaal buiten heeft [getuige 1] het pakketje aan [verdachte] gegeven en kreeg hij van [verdachte] € 500,--. Vrijwel direct nadat katvanger [getuige 1] de aandelen van [bedrijf 8] B.V. had overgenomen hebben er geen dagelijkse bedrijfsactiviteiten meer plaats gevonden. Wel zou [getuige 1] in opdracht van de verdachte [verdachte] een gesprek gehad hebben met de FNV en het personeel van [bedrijf 8] BV. Op verzoek van [verdachte] heeft [naam 1] ontslagbrieven gemaakt voor het personeel. Deze ontslagbrieven zijn getekend door [getuige 1] . Ook zijn er gelden van de bankrekening van [bedrijf 8] BV geboekt

naar de rekening van [verdachte] ( [bedrijf 9] BV) en naar [bedrijf 10] , ook een onderneming van [verdachte] . Ook via de rekening van [getuige 1] is een bedrag geboekt naar de rekening van [bedrijf 10] . [getuige 1] heeft in dit verband verklaard dat hem was verteld dat er geen geld op de rekening mocht blijven staan en dat wat er binnen zou komen zo snel mogelijk van de rekening af moest. Ook moest [getuige 1] rechtstreeks geld overmaken van de rekening van [bedrijf 8] BV naar een bedrijf van [verdachte] , te weten [bedrijf 10] , en naar een andere onderneming van [verdachte] , volgens hem genoemd “ [bedrijf 9] ”. Het hof begrijpt dat hiermee [bedrijf 9] BV wordt bedoeld.

Naar het oordeel van het hof had [verdachte] , gelet op bovenstaande omstandigheden feitelijke zeggenschap over de gedraging van de rechtspersoon, [bedrijf 8] BV. In die hoedanigheid was hij bevoegd en gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming dat de geldbedragen uit de boedel zouden worden onttrokken. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers benadeeld zouden worden.”

De beslissing van het hof op het gevoerde verweer van de raadsman in de strafzaak geldt als uitgangspunt in deze ontnemingszaak. De rechtbank ziet geen aanleiding thans anders op het gevoerde verweer te beslissen en verwerpt dit verweer dan ook. Veroordeelde heeft volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap gehad over de rechtspersonen [bedrijf 8] BV, [bedrijf 9] BV en [bedrijf 10] BV. Hij kon over het vermogen van die rechtspersonen beschikken en het door [bedrijf 9] BV en [bedrijf 10] BV verkregen voordeel heeft tot zijn voordeel kunnen strekken.

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit feit 3 dan ook vast op € 30.396,--.

De rechtbank acht zich voldoende ingelicht en acht het niet noodzakelijk de zaak aan te houden, teneinde de door de raadsman verzochte getuigen te horen. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman dan ook af.

Feit 4

Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot feit 4 onder meer het volgende overwogen en beslist.

“Op het moment van de aandelenoverdracht heeft de BV een kredietruimte van € 125.000,-- op een ING-bankrekening met nummer [nummer] . Kort na de aandelenoverdracht wordt het krediet volledig opgebruikt. Zo wordt van de kredietrekening op 16 september 2009 in vier porties van € 5.000,-- een bedrag van € 20.000,- overgeboekt naar [bedrijf 11] & Adviseurs. [bedrijf 11] is de accountant van zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] . Van het bedrag van € 20.000,-- worden een aantal facturen van [bedrijf 9] BV voldaan en het restant ad € 14.498,05 wordt door [bedrijf 11] door geboekt naar een bankrekening van [bedrijf 4] BV, een onderneming van [verdachte] .

Verder is op de rekeningafschriften van de ING-bankrekening met nummer [nummer] te zien dat er in de periode van 14 augustus 2009 tot en met datum faillissement, 30 maart 2010, diverse geldopnames zijn geweest. Dit betreft een totaalbedrag van ongeveer € 22.160,--. Op

de rekeningafschriften is te zien dat er meerdere geldopnames hebben plaatsgevonden in Hoogeveen. Hier is de winkel van medeverdachte [medeverdachte 3] en/of diens echtgenote [naam 2] , genaamd ‘ [winkel] ’ gevestigd geweest.”

“ [bedrijf 11] heeft de ontvangen betalingen van in totaal € 20.000,-- verrekend met een viertal facturen voor [bedrijf 9] BV, wegens voor [bedrijf 9] BV verrichte werkzaamheden. Het hof leidt uit het dossier echter af dat tegenover de vier overboekingen van € 5.000,-- naar [bedrijf 11] geen tegenprestaties van [bedrijf 11] jegens [bedrijf 12] BV stonden. Twee van de facturen van [bedrijf 11] aan [bedrijf 9] BV dateren zelfs van na de datum van overboeking van de vier bedragen van € 5.000,--.

Ten aanzien van de geldopnames van ongeveer € 22.160,-- volgt het hof de verklaring van [medeverdachte 3] dat deze door hem zijn gepind en aan [verdachte] zijn afgedragen. Het hof is van enige samenhangende zakelijke grond niet gebleken.”

“Uit het krediet dat nog in het bedrijf aanwezig was is € 20.000,-- betaald aan [bedrijf 11] . [bedrijf 11] heeft daarmee een viertal facturen van [bedrijf 9] BV, zijnde een bedrijf van [verdachte] , verrekend. Het restant van € 14.498,05 wordt door [bedrijf 11] door geboekt naar [bedrijf 4] BV, een onderneming van [verdachte] . Hierdoor is
€ 20.000,-- aan de boedel onttrokken die (in)direct aan [verdachte] toevallen.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij geldbedragen heeft gepind met een bankpas die hij van [verdachte] kreeg en ook direct na het pinnen samen met het gepinde geldbedrag weer aan [verdachte] moest afdragen. Daarnaast zijn bij een doorzoeking in de woning van [verdachte] bankafschriften en facturen aangetroffen ten name van [bedrijf 12] BV.”

De rechtbank is gelet op de hiervoor aangehaalde vastgestelde feiten en omstandigheden en conclusies van het hof van oordeel dat de bedragen € 20.000,-- en € 22.160,-- als door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel zijn aan te merken.

De verdediging heeft gesteld dat het bedrag van € 20.000,-- niet aan verdachte – als bestuurder/aandeelhouder ‘achter’ [bedrijf 9] BV – kan worden toegerekend, omdat niet aan de drie criteria die voor vereenzelviging gelden, wordt voldaan.

Met betrekking tot het bedrag van € 22.160,-- heeft de verdediging gesteld dat de verklaring van [medeverdachte 3] , inhoudende dat hij het bedrag aan verdachte heeft gegeven, niet klopt. Indien de rechtbank dit verweer zou verwerpen, doet de raadsman een voorwaardelijk aanhoudingsverzoek, teneinde [medeverdachte 3] en diens ex-partner mevrouw [naam 2] als getuigen te horen.

Met betrekking tot het toerekenen van het voordeel van € 20.000,-- aan de bestuurder of de aandeelhouder “achter” [bedrijf 9] BV verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder feit 3 hierover is overwogen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en is van oordeel dat de € 20.000,-- als door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel is aan te merken.

Het thans door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 3] is ook al in de strafzaak gevoerd en daarop is door het hof Arnhem-Leeuwarden als volgt beslist:

“Het hof acht navolgende verklaringen en bevindingen eveneens van belang. [medeverdachte 3] heeft bij de FIOD (V-007-0I) verklaard dat hij destijds veel contact had met [verdachte] en een klein poosje betrokken is geweest bij [bedrijf 12] . Hij was bedrijfsleider met volledige volmacht, maar dat stelde niet veel voor. Hij was eigenlijk een loopjongetje van [verdachte] . Die heeft het allemaal geregeld. Hij moest doen wat [verdachte] zei. Volgens [verdachte] moest [bedrijf 12] op zijn naam staan. Hij weet niet waarom de heer Tuin aandeelhouder is geworden. Zolang de vennootschap bestond had hij contact met [verdachte] . Verschillende keren moest hij geld opnemen van een krediet van de vennootschap. Hij moest dan naar de bank toe. Dit was de ING-bank. Hij moest dan de geldbedragen opnemen. Het geldbedrag werd door [verdachte] bepaald en nadat het was opgenomen, moest hij het afdragen aan [verdachte] . [verdachte] reed altijd mee in zijn auto.

Voorts heeft [medeverdachte 3] bij de FIOD (V-007-02) verklaard dat hij niet bij de tekening kon van [bedrijf 12] . Hij kon er alleen bij als [verdachte] hem het pasje gaf. Ook kon hij niet internetbankieren of andere overschrijvingen doen.”

De beslissing van het hof op het gevoerde verweer van de raadsman in de strafzaak geldt als uitgangspunt in deze ontnemingszaak. De rechtbank heeft thans geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [medeverdachte 3] en ziet dan ook geen aanleiding anders op het gevoerde verweer te beslissen. De rechtbank verwerpt het verweer.

Op grond van het voren overwogene stelt de rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit feit 4 dan ook vast op een bedrag van:

€ 22.160,-- +

€ 20.000,-- +

€ 42.160,--.

De rechtbank acht zich voldoende ingelicht en acht het niet noodzakelijk de zaak aan te houden, teneinde getuigen te horen. De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman dan ook af.

Resumerend

De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast op:

feit 1: € 75.000,-- +

feit 3: € 30.396,-- +

feit 4: € 42.160,-- +

totaal € 147.556,--.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

Draagkracht

De verdediging heeft bepleit om bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening te houden met de draagkracht van veroordeelde. Veroordeelde is sinds 11 november 2015 in staat van faillissement en het is niet te verwachten dat dat faillissement binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven. Evenmin is te verwachten dat veroordeelde na het opheffen van zijn faillissement voldoende inkomsten zal verwerven om een aan hem op te leggen betalings-maatregel te voldoen.

De rechtbank overweegt dat niet aanstonds duidelijk is dat veroordeelde nu én in de toekomst (naar redelijke verwachting) geen draagkracht heeft of zal hebben. De rechtbank zal dan ook niet tot matiging van de betalingsverplichting overgaan.

Overschrijding van de redelijke termijn

De raadsman heeft gesteld dat bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Als uitgangspunt geldt dat het geding – behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen – met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment waarop de ontnemingsvordering aan veroordeelde is betekend, voorafgaand aan de zitting op 28 oktober 2013. De rechtbank doet uitspraak op 19 november 2020. Dit betekent dat er meer dan zeven jaren zijn verstreken, waarvan de periode na 19 juni 2015 niet aan veroordeelde kan worden toegerekend. Er is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vijf jaren. De procedure heeft daarmee langer geduurd dan ingevolge artikel 6 van het EVRM redelijk wordt geacht.

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) volgt dat bij een dergelijke overschrijding het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd, waarbij bij een overschrijding van zes tot twaalf maanden een vermindering van in beginsel 10 % van het ontnemingsbedrag wordt voorgeschreven, met dien verstande dat de maximale vermindering € 5.000,-- mag bedragen. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden dient naar bevind van zaken te worden gehandeld. De rechtbank acht in dit geval een vermindering van de betalingsverplichting met € 5.000,-- op zijn plaats.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 142.556,--.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het aanhoudingsverzoek af;

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 147.556,--;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 142.556,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op drie (3) jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2020.

De rechter mr. P.M.F. Schreurs en de griffier mr. H.J. Seuters zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4672.