Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3786

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
8/994542-17 (FP)(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee personen en een bedrijf zijn door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor hun rol bij een dodelijk ongeval met een hoogwerker in 2016 in Zaltbommel. Bij dat ongeval kwamen twee personen om het leven en raakte een derde persoon zwaar gewond. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van nalatigheid. Twee mannen zijn veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur. De hoofdaannemer moet een boete betalen van 30-duizend euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/994542-17 (FP)(P)

Datum vonnis: 16 november 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 september 2020, 14 oktober 2020, 16 oktober 2020 en 2 november 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. Y.V.J. Vermin en van hetgeen door de verdachte en de raadsman mr. A.A. Nunnikhoven, advocaat te Tilburg, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte schuld heeft aan een arbeidsongeval waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven zijn gekomen en waarbij

[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

verdachte - in de uitoefening van zijn beroep - in of omstreeks de maand mei 2016 in de gemeente(n) Maasdriel en/of Zaltbommel, althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig een verreiker (merk Merlo, type ROTO 40.25MCSS) met een daarbij behorende werkkooi (merk TRE EMME, model PTE.RC.ZM2.) ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte] en/of [naam 1] en/of [medeverdacht bedrijf] ten behoeve van werkzaamheden op een bouwplaats aan of nabij [appellant] te Zaltbommel, waarbij - ten behoeve van het ophangen/aanbrengen van een (reclame)spandoek op ongeveer 12 tot 15 meter hoogte aan een gebouw - [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] plaats namen in die werkkooi, terwijl

- die verreiker sinds 2013 niet meer was gekeurd;

- verdachte de gebruiker/bedienaar van die verreiker niet had gewezen op het (aan de hand van de handleiding) handmatig aanbrengen van de noodzakelijke borgpen;

- verdachte er niet voor heeft gezorgd dat de bijbehorende handmatig aan te brengen borgpen duidelijk zichtbaar (middels een ketting op de daarvoor bestemde plaats aan het vorkenbord van die verreiker) aanwezig was;

- verdachte de handleiding en/of de werkinstructie van de verreiker en de werkkooi niet (voor aanvang van die werkzaamheden) had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar;

- verdachte niet (aan de hand van de handleiding) de bedieningsorganen zo had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar dat de juiste programmering werd ingesteld, waardoor de automatische beveiligingsfuncties in werking konden treden;

- verdachte de gebruiker/bedienaar niet (afdoende) had geïnformeerd dat die werkkooi met de afstandsbediening bediend moest worden en dat er communicatiestekkers moesten worden omgezet om de verreiker in de stand van hoogwerker veilig te kunnen laten fungeren;

waarbij als gevolg van het losraken van die werkkooi genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

vanaf grote hoogte naar beneden zijn gevallen, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden;

2.

verdachte - in de uitoefening van zijn beroep - in of omstreeks de maand mei 2016 in de gemeente(n) Maasdriel en/of Zaltbommel, althans in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig een verreiker (merk Merlo, type ROTO 40.25MCSS) met een daarbij behorende werkkooi (merk TRE EMME, model PTE.RC.ZM2.) ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte] en/of [naam 1] en/of [medeverdacht bedrijf] ten behoeve van werkzaamheden op een bouwplaats aan of nabij [appellant] te Zaltbommel, waarbij - ten behoeve van het ophangen/aanbrengen van een (reclame)spandoek op ongeveer 12 tot 15 meter hoogte aan een gebouw - [slachtoffer 3] plaats nam in die werkkooi, terwijl

- die verreiker sinds 2013 niet meer was gekeurd;

- verdachte niet (voldoende) had gecontroleerd of de werking van de hydraulische stift voor het aankoppelen van de werkkooi goed functioneerde en de werkkooi afdoende borgde;

- verdachte de gebruiker/bedienaar van die verreiker niet had gewezen op het (aan de hand van de handleiding) handmatig aanbrengen van de noodzakelijke borgpen;

- verdachte er niet voor heeft gezorgd dat de bijbehorende handmatig aan te brengen borgpen duidelijk zichtbaar (middels een ketting op de daarvoor bestemde plaats aan het vorkenbord van die verreiker) aanwezig was;

- verdachte niet had geverifieerd of [medeverdachte] als bedienaar van die verreiker voldoende ervaring had met de ter beschikking gestelde type verreiker en/of genoeg deskundigheid bezat om dat apparaat op een veilige wijze te bedienen en/of daartoe voldoende was gecertificeerd;

- verdachte de handleiding en/of de werkinstructie van de verreiker en/of de werkkooi niet (voor aanvang van die werkzaamheden) had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar;

- verdachte niet (aan de hand van de handleiding) de bedieningsorganen zo had ingesteld en/of doorgenomen met de gebruiker/bedienaar dat de juiste programmering werd ingesteld, waardoor de automatische beveiligingsfuncties in werking konden treden;

- verdachte de gebruiker/bedienaar niet (afdoende) had geïnformeerd dat die werkkooi met de afstandsbediening bediend moest worden en dat er communicatiestekkers moesten worden omgezet om de verreiker in de stand van hoogwerker veilig te kunnen laten fungeren;

waarbij als gevolg van het losraken van die werkkooi genoemde [slachtoffer 3] vanaf grote hoogte naar beneden is gevallen, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat genoemde [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel (diverse botbreuken, waaronder rib, elleboog,

polsen, schaambeen, staartbeen, bovenbeen, enkel) heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van zijn (toekomstige) ambts- of beroepsbezigheden is ontstaan;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding 1

Aan het dossier ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden. Op 3 mei 2016 heeft op een bouwplaats nabij [appellant] te Zaltbommel een ongeval plaatsgevonden met een verreiker (van het merk Merlo, Type ROTO 40.25MCSS), met een daaraan bevestigde werkkooi (merk TRE EMME, model PTE.RC.ZM2).2 Terwijl werd gewerkt aan het ophangen c.q. aanbrengen van een reclamespandoek op ongeveer 12 tot 15 meter hoogte, is de werkkooi losgeraakt van de verreiker en naar beneden gevallen. Op dat moment stonden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de werkkooi. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ten gevolge van de val overleden.3 [slachtoffer 3] heeft aan de val zwaar lichamelijk letsel overgehouden.4

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit nu volgens hem – kort gezegd – verdachte in strafrechtelijke zin geen schuld heeft aan de ten laste gelegde feiten.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij schuld heeft aan de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1) en aan het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 3] (feit 2). De rechtbank stelt voorop dat onder schuld als delictsbestanddeel een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan en dat het antwoord op de vraag of sprake is van schuld in de zin van de artikelen 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en afhankelijk is van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte is door een onderaannemer op de bouwplaats benaderd om een verreiker te leveren, in eerste instantie voor het afvoeren van sloopafval en later om het spandoek op te hangen. Verdachte heeft deze verreiker geleverd. Omdat hij zelf niet steeds in de gelegenheid was om de verreiker te bedienen, heeft hij medeverdachte De Heus ingehuurd om als machinist te werken. Ten tijde van het ongeval was verdachte niet op de bouwplaats aanwezig.5 Het verwijt dat verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt ligt dan ook met name in de sfeer van het leveren van ondeugdelijk materiaal en van het onvoldoende instrueren van de machinist. Voor een oordeel over die vragen is in de eerste plaats van belang hoe het ongeval heeft kunnen plaatsvinden.

Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar mogelijke oorzaken van het ongeval. Verschillende onderzoeken richtten zich daarbij met name op de werking van de zogenoemde hydraulische stift (ook wel tacklock genoemd) waarmee de werkkooi normaliter aan de verreiker geborgd wordt.

Kort na het ongeval heeft ter plaatse een zogenoemde Verkeers Ongevallen Analyse (VOA) plaatsgevonden. In het VOA-rapport wordt onder meer de aangetroffen situatie met betrekking tot de verreiker beschreven. Daarin wordt geconstateerd dat de hydraulische stift niet over de volledige 30 millimeter was 'uitgeschoven', maar slechts over een lengte van 18 millimeter, en dat deze erg vast zat.6 Doordat de stift niet volledig door de lip zat, kon de werkkooi, als gevolg van het heen en weer lopen van de mensen in de werkkooi en het zich daardoor verplaatsende zwaartepunt, losraken van de verreiker.7 Daarnaast constateerde men dat de handmatige borgpen, die naast de hydraulische stift als extra borging dient, niet was aangebracht.8

Door Aboma is nader onderzoek verricht naar de werking van het hydraulisch systeem.9 Uit de daarover opgemaakte rapportage kan worden afgeleid dat niet met volledige zekerheid kan worden vastgesteld wat de oorzaak is geweest van het niet volledig uitschuiven van de hydraulische stift. Aboma acht het meest waarschijnlijk dat beschadigingen in de cilinderbuis ertoe hebben geleid dat de tacklock niet goed heeft gefunctioneerd.

Door Forensica is contra-onderzoek verricht naar de oorzaak van het ongeval. In haar rapportage wordt een alternatief scenario voor het ontstaan van het ongeval geschetst. Forensica stelt:

Er is na demontage vastgesteld dat de stift door draaiing vast kan komen te zitten. In uitgeschoven toestand is dat geen probleem, dan is de kooi vergrendeld

Echter, de mogelijkheid is aanwezig dat door onderlinge speling van de stift in het gat draaiing kan optreden of gelijktijdig draaiing en inschuiving kan optreden (met als gevolg ontgrendelen). Als de stift kan schuiven zou de veerdruk toereikend moeten zijn om dat te pareren. Als echter gelijktijdig draaiing van de stift optreedt, kan deze zich te vast zetten om nog door de veer terug gedrukt te worden.

Indien een van deze twee mogelijkheden zich voordoet, dan is de veerdruk niet meer voldoende om de stift geborgd te houden, aangezien de draai-schuivende stift zichzelf vastgezet heeft. 10

Aboma heeft op 14 november 2019 aanvullend gereageerd op de bevindingen en het alternatieve scenario in het rapport van Forensica.11 Het standpunt van de onderzoekers van Aboma ten aanzien van het alternatieve scenario is dat dit weliswaar in theorie mogelijk is, maar dat de mogelijkheid dat dit scenario zich in deze situatie heeft voorgedaan om een aantal redenen kan worden uitgesloten.

Ten eerste zijn er geen sporen aangetroffen die dit scenario onderbouwen. Zowel de stift als het gat van de vergrendellip vertoonde sporen van gebruik, maar niet van een draaiende en inschuivende beweging door invloed van het werkplatform. Daarbij komt dat zowel Aboma als andere partijen, proefondervindelijk vastgesteld hebben dat de stift van de betreffende tacklock niet draaibaar was. In uitgeschoven toestand kon deze met een waterpomptang niet gedraaid worden. Een draaiende en inschuivende beweging, onder invloed van het werkplatform, zou een kracht vereisen waarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld kan worden dat deze sporen achtergelaten zou hebben.

Ten tweede is er door meerdere partijen vastgesteld dat de ruimte tussen de lip van het werkplatform en het montagebord van de verreiker circa 7 millimeter bedroeg. Mocht, om wat voor reden dan ook, er een verticale beweging ontstaan van de lip van het platform welke de stift kon indrukken, dan kon dit maximaal 7 mm per keer. Direct na het ongeval is door de VOA waargenomen dat de stift ca 18 mm uit de cilinderbuis stak, wat betekent dat nog ongeveer 12 mm van de stift zich in de cilinderbuis bevond. Een verplaatsing van 12 millimeter naar binnen zou betekenen dat de draaiende en inschuivende beweging zich gerepeteerd zou moeten hebben. Een enkele beweging zou al sporen achter gelaten hebben, een repeterende beweging zeker. Ten derde biedt de passing van de stift in het gat van de vergrendellip voldoende bewegingsruimte.

De rechtbank volgt hierin, evenals de verdediging, de bevindingen van Aboma en is op voormelde gronden van oordeel dat het door Forensica geschetste alternatieve scenario voor hoogst onwaarschijnlijk moet worden gehouden.

De rechtbank stelt vast dat de werkkooi is losgeraakt doordat de hydraulische stift niet volledig door de lip heeft gezeten ten tijde van het ongeval als gevolg van het niet goed functioneren van de tacklock.

Verdachte heeft verklaard dat de verreiker voor het laatst was gekeurd in 2013, terwijl hij wist dat deze iedere twee jaren gekeurd moest worden.12 De rechtbank constateert dat die termijn ten tijde van het ongeval ruimschoots was verstreken en dat verdachte zich daarvan bewust is geweest. Tijdens de na het ongeval plaats gevonden periodieke keuring door Aboma is - onder meer – gebleken dat de hydraulische stift (ook) niet volledig was uitgeschoven.13

Verdachte heeft verklaard dat hij de verreiker met hulpstukken - met uitzondering van de werkkooi, die op dat moment nog niet nodig was voor het afvoeren van sloopafval - ter beschikking heeft gesteld aan De Heus en dat er toen gesproken is over de bediening van de verreiker. Verdachte heeft toen mondeling instructie gegeven over de bediening van de verreiker, waaronder de werking van de tacklock, maar de handleiding van de machine is daarbij niet doorgenomen en verdachte heeft niet gesproken over het instellen van de juiste programmering voor de bediening van de werkkooi in combinatie van de werkkooi. Ook het verwisselen van de communicatiestekkers dat daarvoor vereist is, heeft verdachte niet aan De Heus uitgelegd.14 Deze verklaring van verdachte vindt in zoverre steun in de verklaring van De Heus.15

Verder stelt de rechtbank vast dat de handmatig aan te brengen borgpen niet op de daarvoor bestemde en zichtbare plaats bij het vorkenbord van de verreiker was bevestigd. Verdachte heeft hierover verklaard dat deze ketting gebroken was en dat hij er nog niet aan was toegekomen om deze te repareren.16 Deze borgpen is in een gereedschapskist aangetroffen.17 De verklaringen van verdachte en De Heus lopen uiteen met betrekking tot de vraag of verdachte De Heus over deze borgpen heeft geïnformeerd en hem ter zake heeft geïnstrueerd. De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachte in eerste instantie heeft verklaard dat het werken met de werkkooi als hulpstuk “zijdelings” was besproken, omdat deze aanvankelijk niet zou worden gebruikt op de bouwplaats en dat er, op het moment dat de werkkooi naar de bouwplaats zou gaan, niet meer over is gesproken.18 Medeverdachte De Heus heeft daarentegen verklaard dat de handmatige borgpen, die uitsluitend dient te worden gebruikt wanneer de werkkooi aan de verreiker wordt gekoppeld, in het geheel niet ter sprake is gekomen.19 Naar het oordeel van de rechtbank past deze verklaring beter bij de omstandigheid dat de werkkooi oorspronkelijk niet zou worden gebruikt op de bouwplaats. Daar komt bij dat op de aangetroffen borgpen geen verse gebruikssporen zijn aangetroffen, maar wel aanzienlijke vervuiling in de gaten waarin deze borgpen gestoken moest worden. Dat duidt erop dat de pin al geruime tijd niet meer werd gebruikt. Gelet op deze omstandigheden hecht de rechtbank geloof aan de verklaring van De Heus dat de borgpen niet ter sprake is gebracht.

Overigens, ook indien verdachte ten tijde van de eerste instructie De Heus “zijdelings” wel over de borgpen zou hebben geïnformeerd, dan zou hij dit zeker hebben moeten herhalen, toen later bleek dat de werkkooi alsnog gebruikt zou gaan worden. Vaststaat dat verdachte dat heeft nagelaten.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte een verreiker heeft geleverd die niet tijdig gekeurd was, dat ten tijde van het ongeval de borging door middel van de tacklock van die verreiker niet goed heeft gefunctioneerd, en dat de verreiker bij een keuring na het ongeval is afgekeurd. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de bijbehorende handmatige borgpen niet op de daarvoor bestemde plaats met een ketting aan het vorkenbord was bevestigd en dat verdachte De Heus niet heeft gewezen op de aanwezigheid van die borgpen in de gereedschapskist en de noodzaak van het gebruik daarvan bij het aankoppelen van de werkkooi. Verdachte heeft verder zelf erkend dat hij de handleiding van de verreiker en de werkkooi, waarin uitleg over de bediening van de verreiker in combinatie met de werkkooi wordt gegeven, niet met de Heus heeft doorgenomen.

De rechtbank acht het voorzienbaar dat door de combinatie van deze verzuimen - het niet leveren van deugdelijk materieel en het onvoldoende verschaffen van informatie omtrent de bediening daarvan en de daarbij te nemen veiligheidsmaatregelen in de wetenschap dat de machinist al enige tijd niet met een verreiker had gewerkt20 - zich een ongeval kon voordoen, zoals dat zich in het onderhavige geval heeft verwezenlijkt. Nu voornoemde verzuimen de kans op het ontstaan van een dergelijk ongeval in relevante mate heeft vergroot en het ongeval zich ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, is de rechtbank van oordeel dat het ongeval redelijkerwijs aan verdachte kan worden toegerekend. Dat het ongeval mede is ontstaan door zelfstandige fouten van een ander, of anderen doet aan dat oordeel niet af.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat verdachte met zijn handelen en nalaten in aanzienlijke mate is achtergebleven bij hetgeen in die specifieke situatie van hem als leverancier van een verreiker met hulpstukken mocht worden verwacht. Daarmee concludeert de rechtbank dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld en dat de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 3] - mede - aan zijn schuld zijn te wijten. De rechtbank acht zodoende de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

verdachte - in de uitoefening van zijn beroep - omstreeks de maand mei 2016 in Nederland, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig een verreiker (merk Merlo, type ROTO 40.25MCSS) met een daarbij behorende werkkooi (merk TRE EMME, model PTE.RC.ZM2.) ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte] en [naam 1] en [medeverdacht bedrijf] B.V. ten behoeve van werkzaamheden op een bouwplaats aan of nabij [appellant] te Zaltbommel, waarbij - ten behoeve van het ophangen/aanbrengen van een (reclame)spandoek op ongeveer 12 tot 15 meter hoogte aan een gebouw - [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] plaats namen in die werkkooi, terwijl

- die verreiker sinds 2013 niet meer was gekeurd;

- verdachte niet (voldoende) had gecontroleerd of de werking van de hydraulische stift voor het aankoppelen van de werkkooi goed functioneerde en de werkkooi afdoende borgde;

- verdachte de gebruiker/bedienaar van die verreiker niet had gewezen op het (aan de hand van de handleiding) handmatig aanbrengen van de noodzakelijke borgpen;

- verdachte er niet voor heeft gezorgd dat de bijbehorende handmatig aan te brengen borgpen duidelijk zichtbaar (middels een ketting op de daarvoor bestemde plaats aan het vorkenbord van die verreiker) aanwezig was;

- verdachte niet had geverifieerd of [medeverdachte] als bedienaar van die verreiker voldoende ervaring had met de ter beschikking gestelde type/merk verreiker en/of genoeg deskundigheid bezat om dat apparaat op een veilige wijze te bedienen;

- verdachte de handleiding en/of de werkinstructie van de verreiker en/of de werkkooi niet (voor aanvang van die werkzaamheden) had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar;

- verdachte niet (aan de hand van de handleiding) de bedieningsorganen zo had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar dat de juiste programmering werd ingesteld, waardoor de automatische beveiligingsfuncties in werking konden treden;

- verdachte de gebruiker/bedienaar niet (afdoende) had geïnformeerd dat die werkkooi met de afstandsbediening bediend moest worden en dat er communicatiestekkers moesten worden omgezet om de verreiker in de stand van hoogwerker veilig te kunnen laten fungeren;

waarbij als gevolg van het losraken van die werkkooi genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

vanaf grote hoogte naar beneden zijn gevallen, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden;

2.

verdachte - in de uitoefening van zijn beroep - omstreeks de maand mei 2016 in Nederland, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig een verreiker (merk Merlo, type ROTO 40.25MCSS) met een daarbij behorende werkkooi (merk TRE EMME, model PTE.RC.ZM2.) ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte] en [naam 1] en [medeverdacht bedrijf] B.V. ten behoeve van werkzaamheden op een bouwplaats aan of nabij [appellant] te Zaltbommel, waarbij - ten behoeve van het ophangen/aanbrengen van een (reclame)spandoek op ongeveer 12 tot 15 meter hoogte aan een gebouw - [slachtoffer 3] plaats nam in die werkkooi, terwijl

- die verreiker sinds 2013 niet meer was gekeurd;

- verdachte niet (voldoende) had gecontroleerd of de werking van de hydraulische stift voor het aankoppelen van de werkkooi goed functioneerde en de werkkooi afdoende borgde;

- verdachte de gebruiker/bedienaar van die verreiker niet had gewezen op het (aan de hand van de handleiding) handmatig aanbrengen van de noodzakelijke borgpen;

- verdachte er niet voor heeft gezorgd dat de bijbehorende handmatig aan te brengen borgpen duidelijk zichtbaar (middels een ketting op de daarvoor bestemde plaats aan het vorkenbord van die verreiker) aanwezig was;

- verdachte niet had geverifieerd of [medeverdachte] als bedienaar van die verreiker voldoende ervaring had met de ter beschikking gestelde type/merk verreiker en/of genoeg deskundigheid bezat om dat apparaat op een veilige wijze te bedienen;

- verdachte de handleiding en/of de werkinstructie van de verreiker en/of de werkkooi niet (voor aanvang van die werkzaamheden) had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar;

- verdachte niet (aan de hand van de handleiding) de bedieningsorganen zo had doorgenomen met de gebruiker/bedienaar dat de juiste programmering werd ingesteld, waardoor de automatische beveiligingsfuncties in werking konden treden;

- verdachte de gebruiker/bedienaar niet (afdoende) had geïnformeerd dat die werkkooi met de afstandsbediening bediend moest worden en dat er communicatiestekkers moesten worden omgezet om de verreiker in de stand van hoogwerker veilig te kunnen laten fungeren;

waarbij als gevolg van het losraken van die werkkooi genoemde [slachtoffer 3] vanaf grote hoogte naar beneden is gevallen, waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is geweest dat genoemde [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel (diverse botbreuken, waaronder rib, elleboog,

polsen, schaambeen, staartbeen, bovenbeen, enkel) heeft bekomen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 307 en 308 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, gepleegd in de uitoefening van zijn beroep.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft, indien de rechtbank tot een veroordeling zou komen, verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft schuld aan een noodlottig bedrijfsongeval ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte kan kortgezegd worden verweten dat hij een verreiker heeft geleverd die niet tijdig was gekeurd, dat deze verreiker in onvoldoende technische staat verkeerde en dat hij de machinist van die verreiker onvoldoende heeft geïnformeerd over veilige bediening van die verreiker.

Het behoeft geen betoog dat het ongeval diepe sporen heeft nagelaten in de levens van de nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en in het leven van [slachtoffer 3] en zijn naasten. Uit de ter terechtzitting overgelegde slachtofferverklaringen komt ruim vier jaar na dato het verdriet nog prangend naar voren.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

7 augustus 2020 niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Uit een over hem opgemaakt reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte getrouwd is en twee kinderen heeft. Sinds het ongeval is hij somber gestemd, ervaart hij veel stress slaapt hij slecht. De reclassering ziet geen aanwijzingen voor interventie in de vorm van voorwaarden.

De rechtbank acht het opleggen van een taakstraf voor de bewezenverklaarde feiten op zijn plaats. Naar het oordeel van de rechtbank kan het ongeval in ongeveer gelijke mate aan de machinist en aan verdachte worden verweten, nu beiden op cruciale punten nalatig zijn geweest dat tot het ongeval heeft geleid. De rechtbank acht een taakstraf van 220 uren in beginsel passend en geboden voor het verwijt dat verdachte treft. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank daarop 20 uren in mindering brengen.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt, gepleegd in de uitoefening van zijn beroep.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. van Werkhoven, voorzitter, mrs. M. Melaard en

R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2020.

Buiten staat

Mr. Ter Haar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Inspectie SZW, onderzoek Steenuil, met zaaknummer 411600867. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 proces-verbaal van bevindingen, AMB-01, p.58-65.

3 Processen-verbaal onnatuurlijke dood, betreffende [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , AMB-06, p.75-78.

4 Brief inspectie SZW, rapportage "medisch onderzoek gezondheidsschade na arbeidsongeval" d.d. 23-11-2017, opgemaakt door H. Stigter, bedrijfsarts,

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2020.

6 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p.84 e.v., met name p.97 en 105.

7 idem, p.101-102.

8 idem, p.109.

9 Proces-verbaal van bevindingen inzake nader onderzoek hydraulische stift d.d. 30 januari 2017, AMB-11, p. 120-125.

10 Onderzoeksverslag Forensica, opgemaakt d.d. 13 mei 2019 door [naam 2] en [naam 3] , als losse bijlage in het dossier gevoegd, p.5.

11 Nadere rapportage forensisch rapport Aboma, opgemaakt door [naam 4] d.d. 14 november 2019, als losse bijlage in het dossier gevoegd.

12 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2020.

13 D-040, p.1084 e.v.

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2020.

15 V-01-02.

16 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 oktober 2020.

17 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p.84 e.v.

18 V-02-01, p.435-437.

19 V-01-02, p.407-408.

20 Proces-verbaal verhoor verdachte, V-02-01, p.434.