Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3776

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
ak_19_1224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhoging geuremissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij vanwege onderzoek naar de reductiepercentages van luchtwassystemen in de praktijk. Exceptieve toetsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0259
JOM 2020/622
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1224

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. [bedrijf], [naam 1] en [naam 2]gevestigd/wonende te [plaats], eisers 1,

2. Producenten Organisatie Varkenshouderijgevestigd te Zeist, eiseres 2,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. F.H. Damen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen, verweerder,

gemachtigde: mr. E.P. Stekelenburg.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, hierna te noemen: de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2019, verzonden op 20 mei 2019, (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eisers 1 een omgevingsvergunning te verlenen voor het gefaseerd uitbreiden van een varkensbedrijf op het perceel [adres] in [plaats].

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld. Verweerder en de staatssecretaris hebben verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Namens eisers zijn verschenen [naam 2] en [naam 3], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de staatssecretaris zijn verschenen mr. A.H. Schoppers, S. Kamphorst, F. Bouman en
A. Uijtdewilligen, vergezeld door dr. ir. N.W.M. Ogink, werkzaam bij Wageningen University & Research (WUR).

Overwegingen

1.1.

[naam 1] en [naam 2] zijn vennoten van [bedrijf]. Zij exploiteren een varkensbedrijf op het adres [adres] in [plaats].

Het bedrijf betreft een vergunningplichtige inrichting met een IPPC-installatie.

1.2.

Op 9 april 2009 is een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van de gehele inrichting. Op 3 augustus 2015 is een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van (de werking van) een inrichting.

Eisers 1 hebben op 29 december 2017 bij verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het uitbreiden van het bedrijf door het gefaseerd bouwen van een nieuwe stal met twee gecombineerde luchtwassystemen, type BWL 2009.12.V3 (hierna te noemen: combiwassers). De aangevraagde stal zal plaats bieden aan 4.800 vleesvarkens. Daarbij is in de aanvraag vermeld dat in de bestaande stallen minder vleesvarkens zullen worden gehouden. Ook is vergunning gevraagd voor het plaatsen van extra voersilo’s. De activiteit waarvoor vergunning is gevraagd heeft uiteindelijk betrekking op de realisatie van een bedrijf met plaats voor 8.768 vleesvarkens.

De aanvraag van eisers 1 ziet op de activiteiten bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)), gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) en veranderen van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo).

1.3.

Op 19 juni 2018 heeft verweerder het ontwerpbesluit tot verlening van de vergunning gepubliceerd, waarna dit zes weken ter inzage heeft gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit ingediend.

1.4.

Op 20 juli 2018 heeft de staatssecretaris de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) gewijzigd, waarbij - onder meer en voor zover hier van belang - de geuremissiefactoren van alle combiwassers zijn verhoogd. Blijkens de Nota van toelichting bij de wijziging van de Rgv (Stcrt. 2018, nr. 39679) is de aanleiding voor de verhoging van de geuremissiefactoren gelegen in de resultaten van een door WUR uitgevoerd onderzoek naar de reductiepercentages van luchtwassystemen in de praktijk. Deze resultaten zijn neergelegd in het rapport “Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen” van maart 2018 (hierna te noemen: het WUR-rapport). In dit rapport is geconcludeerd dat de geurreductie van combiwassers in de praktijk veel lager is dan waar in de Rgv van wordt uitgegaan. De staatssecretaris heeft hierin aanleiding gezien de geuremissiefactoren van alle combiwassers in de Rgv per 20 juli 2018 te verhogen.

1.5.

Omdat bij de wijziging van de Rgv niet is voorzien in overgangsrecht voor vergunningplichtige inrichtingen en de verhoogde geuremissiefactoren derhalve ook van toepassing zijn op aanvragen voor een omgevingsvergunning die vóór 20 juli 2018 zijn ingediend, heeft verweerder de aanvraag van eisers 1 opnieuw beoordeeld. Daarbij heeft verweerder de geurbelasting opnieuw berekend, waarbij de verhoogde geuremissiefactoren zijn toegepast. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder op 15 januari 2019 een ontwerpbesluit tot weigering van de gevraagde vergunning heeft gepubliceerd. Dit ontwerpbesluit heeft zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben tegen dit ontwerpbesluit een zienswijze ingediend.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘veranderen van een inrichting’ op grond van
artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet worden geweigerd, omdat de geurbelasting van de aangevraagde activiteit op twee nabij gelegen geurgevoelige objecten
- met toepassing van de verhoogde geuremissiefactoren - is berekend op meer dan 14,0 odour units per m³ lucht. Daarbij is - eveneens op basis van de verhoogde geuremissiefactoren - vastgesteld dat in de nu vergunde situatie voor deze twee geurgevoelige objecten al niet aan de norm voor geurbelasting wordt voldaan en dat de geurbelasting in de aangevraagde situatie aanzienlijk toeneemt. De vergunning voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ moet eveneens worden geweigerd, aldus verweerder.

3. Het beroep van eisers is gericht tegen de toepassing van de verhoogde geuremissiefactoren voor combiwassers uit de gewijzigde Rgv. Tussen partijen is niet in geschil dat bij toepassing van deze verhoogde geuremissiefactoren de aangevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd. Eisers wensen evenwel dat de rechtbank de “Regeling van de Staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 17 juli 2018, nr. IENW/BSK-2018/147628, tot wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij (wijzigingen rendement geur voor bepaalde luchtwassystemen en periodieke actualisatie emissiefactoren voor ammoniak en geur)”, Stcrt. 2018, nr. 39679, (hierna te noemen: de Regeling) aan een exceptieve toetsing onderwerpt. Volgens eisers moet de Regeling onverbindend worden verklaard, omdat deze onrechtmatig is wegens strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De aangevraagde vergunning had dan ook niet mogen worden geweigerd wegens strijd met artikel 3 van de Wgv, aldus eisers.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. In rechtsoverweging 6 van de uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020: 452, overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat een exceptieve toetsing inhoudt dat algemeen verbindende voorschriften die geen wet in formele zin zijn, door de rechter kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindende voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer.

De intensiteit van die beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.

Bij de toetsing van de wijze waarop door het regelgevende orgaan aan de hem toekomende beslissingsruimte inhoud is gegeven, kunnen, naast toetsing aan artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en aan ongeschreven materiële beginselen als het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, ook het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het beginsel van een deugdelijke motivering een rol spelen. De enkele strijd met deze formele beginselen kan echter niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Dat laat onverlet dat, indien als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift door de rechter niet kan worden beoordeeld of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dit ertoe kan leiden dat de bestuursrechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit om die reden vernietigt.

Als het vaststellende orgaan bij het voorbereiden en nemen van een algemeen verbindend voorschrift de negatieve gevolgen daarvan voor een bepaalde groep uitdrukkelijk heeft betrokken en de afweging deugdelijk heeft gemotiveerd, voldoet deze keuze aan het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en beperkt de toetsing door de bestuursrechter zich in het algemeen tot de vraag of de regeling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

6. Uit de Nota van toelichting bij de wijziging van de Rgv blijkt dat de staatssecretaris de geurreductiepercentages van combiwassers voorlopig gelijk heeft gesteld aan die van enkelvoudige luchtwassystemen, omdat dit het niveau is dat blijkens het WUR-rapport (momenteel) aantoonbaar in de praktijk kan worden gehaald. De staatssecretaris heeft dit gedaan om te voorkomen dat bij nieuwvestiging of uitbreiding van veehouderijen de geuremissie wordt berekend met te lage geuremissiefactoren en omwonenden van (nieuwe) veehouderijen kunnen worden blootgesteld aan een te hoge geurbelasting. Dit zou voor omwonenden langdurig tot een slechter woonklimaat kunnen leiden. Veehouderijen die eenmaal zijn opgericht, kunnen immers worden voortgezet in overeenstemming met hun vergunning of de algemene regels van het Activiteitenbesluit, zonder dat zij verplicht zijn hun geuremissie te verminderen. De staatssecretaris heeft daarbij overwogen dat de Rgv weer kan worden aangepast indien op een gegeven moment overtuigend en met waarborgen omkleed wordt aangetoond dat bepaalde luchtwassystemen beter kunnen presteren dan de huidige rendementen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat de staatsecretaris uit voorzorg, vanwege (onzekere) risico’s, besloten heeft maatregelen te nemen. Deze beoordeling van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico is primair een bestuurlijk politieke taak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van
18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210). Daarnaast betreft de vraag of de combi-wassers het vereiste rendement kunnen behalen naar het oordeel van de rechtbank een technisch complexe aangelegenheid. Gelet hierop en op het onder 5 weergegeven toetsingskader, zal de rechtbank de Regeling terughoudend toetsen.

7. In het vervolg van deze uitspraak beoordeelt de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of sprake is van strijd met de door eisers genoemde rechtsbeginselen.

Het vertrouwensbeginsel

8. Eisers hebben ter onderbouwing van hun beroep op het vertrouwensbeginsel allereerst aangevoerd dat de Staat, onder andere met het Programma Gecombineerde Luchtwassers (PGL), de varkenshouderij de afgelopen jaren heeft gestimuleerd om combiwassers aan te schaffen. Daarnaast zijn eisers van mening dat zij mochten vertrouwen op de emissiefactoren uit de oude Rgv, omdat deze wettelijk waren vastgelegd en waren bemeten en goedgekeurd conform de Europese norm voor geurmeting. Verder hebben zij erop gewezen dat in het verslag van een algemeen overleg van 18 oktober 2018 (vastgesteld op
21 november 2018) is vastgelegd dat de staatssecretaris heeft verklaard dat ondernemers die te goeder trouw hebben geïnvesteerd, daar gewoon op moeten kunnen vertrouwen (Kamerstukken II 2018/19, 28 089, nr. 96, blz. 20-21).

9. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

10. De rechtbank is van oordeel dat eisers aan de door hen genoemde uitlatingen en handelingen niet een gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat de geuremissiefactoren in de Rgv nooit zouden worden verhoogd. Regelgeving kan nu eenmaal wijzigen. De rechtbank stelt in dit kader vast dat er in ieder geval in 2015 al signalen waren dat de op dat moment in de Rgv opgenomen geurreductiepercentages in de praktijk niet werden behaald. In dat jaar werd het tussenadvies van de bestuurlijke werkgroep evaluatie geurhinder uitgebracht, waarin reeds twijfels werden geuit over de prestaties van lucht-wassers. Het door WUR uitgevoerde onderzoek naar de in de praktijk behaalde reductie-percentages van luchtwassystemen komt hieruit voort. Wat betreft de verklaring van de staatssecretaris geldt dat deze dateert van ná de wijziging van de Rgv. Reeds daarom konden eisers aan deze verklaring niet het vertrouwen ontlenen dat de Rgv niet zou worden gewijzigd.

11. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel

12. Ter onderbouwing van de beroepsgrond dat de Regeling in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel, hebben eisers, zeer kort samengevat, aangevoerd dat het WUR-rapport onvoldoende wetenschappelijk fundament biedt voor de verhoging van de geuremissiefactoren. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

13. Het WUR-rapport bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat de resultaten van een in 2016 verricht oriënterend onderzoek naar twee typen combiwassers bij varkensstallen in Nederland. Het tweede deel bevat de resultaten van een in 2017 verrichte steekproef naar de werking van luchtwassers in de praktijk. Het doel van deze steekproef was een representatief beeld te krijgen van het geurverwijderingsrendement van in de praktijk draaiende luchtwassers. De steekproef is uitgevoerd op 48 varkensbedrijven met luchtwassers in Noord-Brabant en Gelderland en omvatte onder meer 29 combiwassers.

14. In het tweede deel van het WUR-rapport is geconcludeerd dat het prestatieniveau van de onderzochte combiwassers aanzienlijk lager was dan het reductieniveau dat daarvoor in de Rgv was opgenomen. Van de 29 combiwassers voldeed er slechts één aan de voor die wasser vastgestelde Rgv-reductie voor geurverwijdering. Het overall gemiddelde geur-verwijderingspercentage van de combiwassers bedroeg met 40% slechts de helft van het verwachte gemiddelde Rgv-reductieniveau (81%). In het WUR-rapport wordt geconcludeerd dat het steekproefonderzoek als representatief kan worden beschouwd voor de regio’s van de betrokken omgevingsdiensten, maar niet per se voor het totale gebied van Noord-Brabant en Gelderland en ook niet landelijk. Wel wordt de steekproefomvang voldoende groot geacht om voor de betrokken regio’s te concluderen dat de onderzochte groep combiwassers onvoldoende presteert voor het reduceren van geur. Verder wordt opgemerkt dat de onderzochte regio’s een groot deel van het landelijke totaal aan luchtwassers herbergen en dat het daarom niet in de verwachting ligt dat het gemiddelde landelijke beeld sterk afwijkt van deze steekproef.

15. De rechtbank is van oordeel dat WUR in dit verband moet worden aangemerkt als een deskundige instantie. Dit hebben eisers niet bestreden en ook hebben zij niet een door een deskundige opgestelde contraexpertise ingediend. Zij hebben slechts kritische kanttekeningen geplaatst bij de opzet en de wijze van uitvoering van het onderzoek door WUR. De rechtbank is echter van oordeel dat het bevoegd gezag op basis van het WUR-rapport voldoende aanknopingspunten had om in het algemeen te kunnen zeggen dat de combiwassers wat betreft geurreductie in de praktijk veel minder goed presteren dan waarvan werd uitgegaan in de Rgv. Wat eisers in beroep hebben aangevoerd, biedt, mede gelet op de schriftelijke reactie van de staatssecretaris op de gronden van beroep en de ter zitting namens de staatssecretaris gegeven toelichting, onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het doel van het WUR-onderzoek niet was om nieuwe geurreductiepercentages voor luchtwassers vast te stellen, maar om te onderzoeken of de in de Rgv vastgestelde rendementen in de praktijk werden behaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris op basis van het WUR-rapport kunnen concluderen dat dit niet het geval was.

16. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het WUR-rapport onvoldoende wetenschappelijk fundament biedt voor de verhoging van de geuremissiefactoren. Dit betekent dat de rechtbank ook geen reden ziet voor het oordeel dat de Regeling in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel is vastgesteld. Daarbij merkt de rechtbank op dat hierna wordt ingegaan op de vraag of bij het wijzigen van de Rgv voldoende rekening is gehouden met de gevolgen daarvan voor varkenshouders.

Het evenredigheidsbeginsel

17. Eisers zijn van mening dat de gevolgen van de wijziging van de Rgv voor varkens-houders onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Ter onderbouwing hiervan hebben zij aangevoerd dat de staatssecretaris, voordat de emissiefactoren werden verhoogd, eerst had moeten onderzoeken wat de mogelijke oorzaken zijn voor het niet halen van het aanvankelijk vastgestelde geurverwijderingsrendement en hoe deze oorzaken kunnen worden verholpen. De gevolgen voor varkenshouders van de nu doorgevoerde wijziging van de Rgv zijn namelijk erg groot, omdat de varkenshouders worden beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden van hun bedrijven.

Voor eisers 1 geldt dat als gevolg van de verhoogde geuremissiefactoren hun varkenshouderij in de bestaande situatie de geurnorm al overschrijdt, terwijl zij met de aangevraagde uitbreiding wilden zorgen voor een verduurzaming van hun bedrijf. De Regeling belemmert aldus innovatie en verdere verduurzaming van varkenshouderijen. Eisers vrezen dat het als gevolg van de verhoogde emissiefactoren in veel gevallen en om meerdere redenen voor een varkenshouderij onhaalbaar zal zijn om aan de geurnorm te voldoen. Bovendien worden de financiële gevolgen van de verhoogde geuremissiefactoren volledig op de varkenshouders afgewenteld, terwijl de Staat volgens eisers verantwoordelijk is voor de ontstane problematiek. Volgens eisers dwingen de verhoogde emissiefactoren varkenshouders namelijk tot extra investeringen, terwijl de verhoogde emissiefactoren de reeds door hen gedane investeringen geheel of gedeeltelijk tenietdoen.

18. De rechtbank stelt vast dat uit de Nota van toelichting bij de wijziging van de Rgv blijkt dat de belangen van varkenshouders bij de vaststelling van de Regeling wel degelijk zijn meegewogen. Dat eisers het niet eens zijn met de uitkomst van die belangenafweging doet daar niet aan af. De staatssecretaris heeft overwogen dat de Regeling voor bestaande situaties geen gevolgen heeft, maar dat deze voor een reeds ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning milieu in verband met de uitbreiding van het aantal dieren wel gevolgen kan hebben. Ook is onderkend dat door het verhogen van de geuremissiefactoren voor combiwassers er in de toekomst mogelijk minder uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen met dergelijke luchtwassystemen bestaan. De staatssecretaris heeft er echter uit voorzorg voor gekozen om de geuremissiefactoren te verhogen om te voorkomen dat omwonenden van (nieuwe) veehouderijen kunnen worden blootgesteld aan een te hoge geurbelasting, wat voor langere tijd tot een slechter woonklimaat kan leiden. Daarbij is meegewogen dat de Regeling opnieuw kan worden aangepast indien wordt aangetoond dat bepaalde luchtwassystemen beter kunnen presteren dan de huidige rendementen.

19. De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling van de Regeling door de staatssecretaris niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris in redelijkheid uit voorzorg en in afwachting van nader onderzoek, dat momenteel loopt, de voorkeur kunnen geven aan de belangen van omwonenden en het milieu. Dat uit de Regeling niet blijkt dat hierbij expliciet is getoetst aan de Mededeling van de Europese Commissie over het voorzorgsbeginsel van 2 februari 2000 (COM/2000/0001), zoals eisers onder de aandacht hebben gebracht, maakt dit niet anders. De rechtbank acht van belang dat de verhoging van de emissiefactoren de bestaande situatie van varkenshouderijen niet aantast. Deze varkenshouderijen kunnen hun bedrijf (ongewijzigd) voortzetten. Daarnaast bevatten de leden 3 en 4 van artikel 3 van de Wgv nog mogelijkheden om een omgevingsvergunning te verlenen voor wijziging of uitbreiding van een varkenshouderij bij overschrijding van de geurnorm. Tot slot is van belang dat een individuele veehouder een beroep kan doen op de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 zoals door de staatssecretaris onbetwist is gesteld. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de gevolgen van de wijziging van de Rgv voor varkenshouders onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

20. In reactie op de beroepsgrond dat de Regeling voor vergunningplichtige varkenshouderijen ten onrechte niet in overgangsrecht voorziet, heeft de staatssecretaris ter zitting gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2054. In die uitspraak concludeerde de Afdeling dat bij de wijziging van de geuremissiefactoren is onderkend dat dit gevolgen kan hebben voor aanvragen om omgevingsvergunning waarop nog niet is beslist en dat voor die situatie bewust geen overgangsrecht is opgenomen.

De Afdeling oordeelde dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en dat er in de zaak waarop die uitspraak ziet geen reden was om de gewijzigde geuremissiefactoren buiten toepassing te laten. De rechtbank ziet geen reden om in dit geval anders te oordelen.

21. De beweerde strijd met de Aanwijzingen voor de Regelgeving, wat daar verder ook van zij, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het onverbindend verklaren of het buiten toepassing laten van de Regeling. Ten slotte ziet de rechtbank ook in het ontbreken van een compensatieregeling geen reden om te oordelen dat de vaststelling van de Regeling onrechtmatig is geweest. Ten overvloede wijst de rechtbank daarbij nogmaals op de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019.

22. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. drs. F. Onrust, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier, op

De uitspraak wordt op de eerstvolgende donderdag na deze datum openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.