Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3771

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
C/08/254706 / KG ZA 20-205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert ontruiming van de voormalig echtelijke woning. Eiseres heeft al een machtiging te gelden maken ex artikel 3:174 BW in handen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat eiseres door de houding van gedaagde niet de mogelijkheid heeft om de machtiging te gebruiken om tot verkoop van de woning over te gaan. De machtiging die eiseres heeft, is voldoende om tot verkoop over te gaan. Gedaagde kan daar geen nadere voorwaarden aan stellen. Dit betekent dat een ontruiming van de woning op zijn plaats is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van gedaagde (ernstig ziek, geen plek waar hij naar toe kan), is de ontruimingstermijn op vier maanden gezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : C/08/254706 / KG ZA 20-205

Vonnis in kort geding van 6 november 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

advocaat: mr. E.M. Elfrink te Hengelo (O),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 oktober 2020 met producties,
- het verweer van [gedaagde] met producties,
- de pleitnota van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling via skype op 23 oktober 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van 2 juli 2018 van deze rechtbank is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

2.2.

Op 15 november 2018 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Partijen bezitten in gemeenschappelijke eigendom de woning aan de [adres] te [plaats] . De man woont in de woning.

2.4.

Uit de beschikking van deze rechtbank van 2 juli 2018 volgt dat aan [eiseres] een machtiging is verleend voor de verkoop van de woning op basis van artikel 3:174 BW.

2.5.

[gedaagde] is tegen de beschikking van 2 juli 2018 in beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Uit de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 28 juli 2020 blijkt dat de door deze rechtbank verleende machtiging ex artikel 3:174 BW is bekrachtigd.

2.6.

Bij brieven van 31 juli 2020 en 4 augustus 2020 heeft [eiseres] [gedaagde] aangeschreven met de mededeling dat zij de woning in de verkoop wenst te zetten en dat zij verwacht dat [gedaagde] zijn medewerking hieraan zal verlenen. [gedaagde] heeft via meerdere e-mailberichten gereageerd en heeft aangegeven dat eerst de financiële zaken tussen partijen geregeld moet worden en dat [eiseres] haar spullen moet ophalen.

2.7.

Op 27 augustus 2020 te 15.30 uur is [A] , makelaar bij Prisma ERA Makelaars te Hengelo bij de woning aan [adres] geweest. Bij e-mail van
27 augustus 2020 laat [A] , voor zover van belang, aan [eiseres] weten:
‘Hoewel de [gedaagde] de afspraak voor de woningopname van [adres] te [plaats] voor vanmiddag 15.30 uur had geannuleerd heb ik samen met mijn collega de woning op dat tijdstip bezocht.

[gedaagde] was thuis en heeft ons te woord gestaan, maar de toegang tot de woning geweigerd. Motivering voor deze weigering en het annuleren van de afspraak is het feit dat hij aangeeft dat er nog zaken van u in de woning aanwezig zijn welke de verkoop zouden belemmeren.
[gedaagde] geeft aan er mee bekend te zijn dat wij opdracht voor verkoop hebben. [gedaagde] geeft aan mee te willen werken aan verkoop indien er op diverse (financiële) punten overeenstemming tussen u beiden is.
Mijn inschatting is een weinig coöperatieve en weigerachtige houding. Deze inschatting wordt mede ingegeven door de verwaarloosde indruk die de woning maakt. Voor een transactie in de richting van de marktwaarde zal zeker een forse opruim- en –renovatieslag aan de buitenzijde moeten worden gemaakt. De uitstraling aan de buitenzijde beloofd niet veel goeds voor de binnen afwerking (…)’.

Bij e-mail van 2 september 2020 laat [A] aan [eiseres] weten:
(…) [gedaagde] heeft aangegeven dat de in de woning aanwezig spullen die van u zijn een waarde vertegenwoordigen van ca. € 20.000,--.
Doordat de toegang aan ons is geweigerd kan ik hier geen inschatting van maken, Wel gat [gedaagde] aan dat er al enkele spullen onder de carport staan.
Door de aanwezigheid van deze pullen weigert hij mee te werken aan verkoop (…)’.

2.8.

De woning staat op dit moment niet te koop. [gedaagde] verblijft in de woning.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert -kort samengevat- dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:

I. de woning staande en gelegen aan [adres] te [plaats] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen van zijn eigen inboedel onder afgifte van de sleutels van de woning en ontruimd te houden, aan [eiseres] ter vrije beschikking te stellen en daarbij aan [eiseres] een machtiging te verlenen om dit vonnis zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de ontruiming voldoet,


II. om zich binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis in het bevolkingsregister te doen uitschrijven op het [adres] te [plaats] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet in gebreke blijft hieraan te voldoen,


III. in de (na)kosten van deze procedure,

IV. althans dat de voorzieningenrechter een zodanige beslissing neemt als haar in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiseres] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de kort geding dagvaarding zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen.

4.2.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen van [eiseres] . [eiseres] is daarmee ontvankelijk in haar vorderingen.

4.3.

Vast staat dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 28 juli 2020 de door deze rechtbank op 2 juli 2018 verleende machtiging ex artikel 3:174 BW heeft bekrachtigd. De machtiging tot verkoop van de woning die [eiseres] in handen heeft, is een juridisch vaststaand feit. Dit betekent dat [eiseres] de woning mag verkopen.

4.4.

De vraag die in de onderhavige zaak beantwoord moet worden, is of [gedaagde] de woning dient te ontruimen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken persoon kan daarom een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening slechts worden uitgesproken, indien het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter (wanneer zijn/haar oordeel wordt gevraagd) de betrokken persoon tot ontruiming zal veroordelen.

4.5.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering tot ontruiming twee punten aangehaald. [gedaagde] brengt 1) schade toe aan de woning en 2) door het handelen van [gedaagde] is het onmogelijk om gebruik te maken van de machtiging om de woning te kunnen verkopen.

4.6.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [eiseres] . Kort samengevat en zakelijk weergegeven heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij geen schade heeft toegebracht aan de woning. Ook kan [gedaagde] nergens anders naar toe: een belangenafweging dient uit te vallen in het voordeel van [gedaagde] . Bovendien staan er nog spullen van [eiseres] in de woning. Het heeft volgens [gedaagde] geen zin dat er een makelaar komt om de woning te bekijken/te taxeren zolang die spullen er nog staan. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij nog een vordering heeft op [eiseres] . Dat bedrag moet eerst betaald worden.
4.7. De voorzieningenrechter overweegt, mede gelet op de betwisting van [gedaagde] dienaangaande, dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van verwaarlozing van de woning danwel door [gedaagde] veroorzaakte schade aan de woning. Daarvoor is aan de zijde van [eiseres] te weinig onderbouwd.

4.8.

Voorshands is de voorzieningenrechter echter wel van oordeel dat [eiseres] door de houding van [gedaagde] niet de mogelijkheid heeft om de machtiging te gebruiken om tot verkoop van de woning over te kunnen gaan. Dit betekent dat een ontruiming van de woning op zijn plaats is. De voorzieningenrechter motiveert dat als volgt.

4.9.

Uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde] de afspraak die [eiseres] met makelaar [A] had gemaakt voor 27 augustus 2020, heeft geannuleerd. Uit de e-mailberichten van [A] is gebleken waarom [gedaagde] de afspraak met de makelaar heeft geannuleerd. De daar genoemde redenen zijn door [gedaagde] in zijn overgelegde stukken en ter zitting via Skype bevestigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] aangehaalde punten, samengevat weergegeven onder r.o. 4.6., niet in de weg staan aan het meewerken aan de verkoop van de woning. Immers, de machtiging die [eiseres] in handen heeft, is voldoende om tot verkoop van de woning over te gaan. Daar kan [gedaagde] geen nadere voorwaarden aan stellen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter [eiseres] in haar standpunt volgt dat [gedaagde] thans niet de medewerking geeft die nodig is om de woning in de verkoop te zetten en tot daadwerkelijke verkoop over te gaan. Nu [eiseres] reeds in het bezit is van de machtiging, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] de woning, met inachtneming van het volgende, dient te ontruimen.

4.10.

De voorzieningenrechter is zich er van bewust dat een ontruiming, gelet op de consequenties daarvan voor [gedaagde] , een ingrijpende maatregel betreft. De voorzieningenrechter meent dan ook dat de ontruimingstermijn zoals gevorderd, namelijk zeven dagen na betekening van dit vonnis, niet redelijk is en moet worden verlengd. De voorzieningenrechter zal hierbij rekening houden met het financiële belang van [eiseres] om tot verkoop van de woning over te gaan, maar ook met het belang van [gedaagde] om een dak boven zijn hoofd te behouden nu hij (ernstig) ziek is en (nog) nergens anders naartoe kan. Dit gezegd hebbende zal de ontruimingstermijn worden gezet op vier maanden. Deze langere ontruimingstermijn van vier maanden geeft partijen bovendien de gelegenheid om de woning de komende periode verkoop-klaar te maken en daarna (goed) te kunnen verkopen.

4.11.

De door [eiseres] gevorderde dwangsom van € 1.000,00 per dag zal worden afgewezen. [eiseres] heeft niet onderbouwd op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een dwangsom nodig is. Bovendien is [eiseres] met uitsluiting van [gedaagde] gemachtigd om al het nodige te doen voor de verkoop en levering van de woning en bovendien heeft [eiseres] onderhavig ontruimingsvonnis in handen. Het opleggen van een dergelijke dwangsom als prikkel tot nakoming en ontruiming van de woning aan de zijde van [gedaagde] is niet aan de orde.

4.12.

De verzochte machtiging van [eiseres] om de ontruiming zonodig zelf uit te voeren met behulp van de sterke arm zal worden afgewezen, nu deze niet op de wet berust.

Artikel 556 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Onverenigbaar met die regel is dat de voorzieningenrechter niettemin [eiseres] zou machtigen om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen.
Die bevoegdheid ontleent hij immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

4.13.

[eiseres] heeft ten slotte verzocht dat [gedaagde] zich na de betekening van dit vonnis dient uit te schrijven in het bevolkingsregister op het adres van de woning. [gedaagde] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. De voorzieningenrechter zal het gevorderde toewijzen. De gevorderde dwangsom als prikkel tot het uitschrijven van [gedaagde] uit het bevolkingsregister zal daarentegen worden afgewezen, omdat het ontruimingsvonnis voldoende is/moet zijn om het adres van [gedaagde] in onderzoek te plaatsen, mocht [gedaagde] zich niet reeds zelf hebben uitgeschreven.

4.14.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat de proceskosten in een zaak als de onderhavige, waarin het geschil voortvloeit uit de (beëindigde) relatie, tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter in kort geding

5.1.

veroordeelt [gedaagde] de woning staande en gelegen aan [adres] te [plaats] binnen vier maanden na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen van zijn eigen inboedel onder afgifte van de sleutels van de woning en ontruimd te houden, aan [eiseres] ter vrije beschikking te stellen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om zich uiterlijk binnen zeven dagen na de in 5.1 van dit vonnis uitgesproken ontruiming, te doen uitschrijven als bewoner op het adres van de woning aan [adres] te [plaats] ),

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.