Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:376

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
8187625 \ CV EXPL 19-7112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst. Ambtshalve toetsing. Ingebrekestelling voor de vervroegde opeising is niet overgelegd. Maar er is na dagvaarding is het krediet alsnog correct vervroegd opgeëist en wordt de vordering toegewezen. De beoordeling van het eenzijdig wijzigingsbeding blijkt achterwege, omdat de kredietvergoeding ten gunst van de consument is gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 8187625 \ CV EXPL 19-7112

Vonnis van 4 februari 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap

DEFAM B.V.,

voorheen genaamd Defam Financieringen B.V.,
gevestigd te Bunnik,

eisende partij, hierna te noemen Defam,

gemachtigde: J. Hardeman,

tegen

1 [gedaagde 1],
wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],
met een briefadres in de BRP ingeschreven te [plaats],

gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde 1] c.s.,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 december 2019

- de akte uitlating na tussenvonnis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen in voormeld vonnis is overwogen en beslist.

2.2.

Bij tussenvonnis van 17 december 2019 heeft de kantonrechter Defam in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan haar zorgplicht en de vraag waaruit het krediet bestaat, alsmede vragen over het rentewijzigingsbeding. Tot slot is Defam in de gelegenheid gesteld om de ingebrekestelling en opeisingsbrief te overleggen.

2.3.

Bij akte heeft Defam gesteld dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht, onder overlegging van bewijsstukken. Verder heeft zij gesteld dat zij geen onderscheid kan maken tussen het krediet en de rente. Ten aanzien van het eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in het kredietvergoedingsbeding heeft Defam het volgende gesteld. Dit beding is een kernbeding en niet onredelijk bezwarend. Bovendien heeft Defam de kredietvergoeding niet verhoogd, maar juist verlaagd omdat zij een rentepercentage van 11,34% per jaar heeft gehanteerd in plaats van de overeengekomen 11,80% en zou vernietiging van dit beding meebrengen dat [gedaagde 1] c.s. een hoger kredietbedrag zouden moeten betalen. Tot slot heeft Defam gesteld dat er diverse ingebrekestellingen en opeisingsbrieven zijn verstuurd aan [gedaagde 1] c.s., maar dat dit verloopt via een automatisch proces, zodat zij niet alle brieven kan overleggen. Defam heeft bij akte wel een aantal opeisingsbrieven overgelegd en heeft gesteld dat zij opnieuw het krediet vervroegd heeft opgeëist indien de oudere brieven onvoldoende zouden zijn. Defam heeft de ingebrekestelling van 6 januari 2020 en opeisingsbrief van 10 januari 2020 overgelegd.

De zorgplicht.

2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat Defam heeft voldaan aan haar zorgplicht.

De vervroegde opeising.

2.5.

Defam heeft gesteld dat zij het krediet vervroegd heeft opgeëist en heeft hiervoor een aantal brieven overgelegd, waaronder een aantal opeisingsbrieven. Nu echter niet is gebleken dat voorafgaand aan deze opeisingsbrieven een ingebrekestelling is verstuurd, waarin een termijn voor betaling is gegeven en is gewaarschuwd voor de vervroegde opeising, is het krediet middels deze opeisingsbrieven niet rechtsgeldig opgeëist. De overige sjablonen van aanmaningen laat de kantonrechter verder buiten beschouwing, omdat daarmee niet kan worden aangetoond dat en hoe in deze zaak het krediet vervroegd is opgeëist en kan de kantonrechter dan ook niet beoordelen of dit rechtsgeldig is gebeurd.

2.6.

De ingebrekestelling van 6 januari 2020 is wel correct, alsmede de opeisingsbrief van 10 januari 2020. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het krediet op 10 januari 2020 rechtsgeldig vervroegd is opgeëist.

Het eenzijdig rentewijzigingsbeding.

2.7.

Defam heeft gesteld en onderbouwd door overlegging van een renteberekening, dat zij over het krediet een kredietvergoeding van 11,34% per jaar in rekening heeft gebracht. Nu dit een lager percentage is dan dat partijen zijn overeengekomen en derhalve gunstiger is voor de consument, zal de kantonrechter de ambtshalve toets van het eenzijdig rentewijzigingsbeding achterwege laten.

De overeengekomen rente.

2.8.

In haar petitum heeft Defam betaling van de overeengekomen rente over de totale vordering gevorderd vanaf 14 november 2019 tot de dag van voldoening. De kantonrechter begrijpt dat dit ziet op de kredietvergoeding, nu zij dit heeft uiteengezet in het lichaam van de dagvaarding. Uit de Memorie van Antwoord op de Wet op het consumentenkrediet (WCK) volgt dat wanneer de kredietgever overgaat tot vervroegd opeisen, de kredietnemer niet langer gehouden is de kredietvergoeding te voldoen (1987/88 19 785 nr. 7 blz. 47). De kredietvergoeding is dan ook slechts toewijsbaar vanaf 14 november 2019 tot 10 januari 2020. De wettelijke rente is na 10 januari 2020 wel toewijsbaar.

De vordering.

2.9.

De vordering komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor, met inachtneming van hetgeen onder rechtsoverweging 2.8. is opgenomen.

2.10.

[gedaagde 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn. De kosten aan de zijde van Defam worden begroot op:

- dagvaarding € 107,11

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 300,00 (1 punt x tarief € 300,00)

Totaal € 893,11.

3 Beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, om aan Defam tegen bewijs van kwijting te betalen € 8.655,29, vermeerderd met de kredietvergoeding van 0,945% per maand, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens artikel 35 lid 1 Wck, vanaf 14 november 2019 tot 10 januari 2020 en vervolgens met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 januari 2020 tot de dag van voldoening;

3.2.

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat indien de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Defam, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 893,11, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020. (SK)