Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3747

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
8613070 \ EJ VERZ 20-217
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet vernietigd. Geen sprake van dringende reden i.c. bewust roekeloos gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8613070 \ EJ VERZ 20-217

Beschikking van de kantonrechter van 5 november 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. E.W. Heespelink

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B&L METALS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Dedemsvaart,

verweerster, hierna te noemen B&L,

vertegenwoordigd door [A] .

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft een verzoek ingediend tot vernietiging van het aan hem door B&L gegeven ontslag op staande voet alsmede om B&L te veroordelen hem toe te laten tot het verrichten van de gebruikelijke werkzaamheden. [verzoeker] heeft ook om een voorlopige voorziening verzocht.

1.2.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 september 2020. De zitting heeft via Skype plaatsgevonden in verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Corona-virus. Vanwege verbindingsproblemen is de zitting aangehouden, waarna de zitting op 7 oktober 2020 met fysieke aanwezigheid van partijen is voortgezet op de rechtbank. [verzoeker] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde en zijn broer. B&L is vertegenwoordigd door haar directeur [A] en [X] , directie secretaresse bij B&L. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog stukken toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de (inhoud van de) mondelinge behandeling.

1.3.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

B&L houdt zich onder meer bezig met handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten.

2.2.

[verzoeker] , geboren [1981] , is op 1 juli 2011 in dienst getreden bij B&L in de functie van productie medewerker. De werkzaamheden van [verzoeker] bestaan voornamelijk uit het scheiden en sorteren van aluminium profielen.

2.3.

Op 28 mei 2020 heeft [verzoeker] handletsel opgelopen toen hij met een mechanische schaar, ook wel een alligatorschaar genoemd, bezig was de kop van een brandblusser te knippen. [verzoeker] heeft daarbij (een gedeelte van) een of meer van zijn vingers verloren.

2.4.

Op 29 mei 2020 heeft B&L [verzoeker] op staande voet ontslagen. Bij brief van dezelfde dag heeft B&L het ontslag bevestigd. In de brief is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“(…)
Met dit schrijven melden wij u dat u op staande voet ontslagen bent.
Het voorval dat op donderdag 28 mei jl. heeft plaats gevonden laat ons geen andere keuze.

De bewuste roekeloosheid die heeft geleid tot zwaar letsel aan uw eigen hand had ook kunnen leiden tot schade aan uw collega’s.
Het opzettelijk aanzetten van de alligatorschaar en het daarmee pogen te knippen van gevulde brandblussers is op het minst gezegd totale waanzin.
U bent al ruim 10 jaar werkzaam binnen het bedrijf en weet zeer goed dat deze zaken ten strengste verboden zijn.

Daar wij vinden dat dit handelen een gevaar voor mens en bedrijf is en wij dit nooit kunnen tolereren laat u ons dan ook geen andere keus als deze maatregel te nemen.
(…)

(…)”

2.5.

Bij brief van 10 juni 2020 van zijn gemachtigde is [verzoeker] opgekomen tegen het hem gegeven ontslag op staande voet.

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1.

heeft een verzoek gedaan dat strekt tot vernietiging van het op 29 mei 2020 gegeven ontslag op staande voet en wedertewerkstelling. Bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzoekt [verzoeker] doorbetaling van het salaris lopende deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging en afgifte van salarisspecificaties.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

3.3.

B&L heeft verweer gevoerd. B&L heeft desgevraagd te kennen gegeven geen zelfstandig tegenverzoek te doen.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoeker] heeft het verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop het ontslag op staande voet is gegeven.

4.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd. Ingevolge artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

4.3.

[verzoeker] heeft niet bestreden dat het ontslag onverwijld is gegeven en onverwijld aan hem is meegedeeld, zodat daarvan wordt uitgegaan. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of sprake is van een dringende reden.

4.4.

Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verzoeker] , die ten gevolge hebben dat van B&L redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen B&L als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop [verzoeker] deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.

4.5.

B&L verwijt [verzoeker] bewust roekeloos gedrag. B&L heeft [verzoeker] herhaaldelijk gewaarschuwd dat het knippen van brandblussers omwille van de veiligheidsrisico’s niet is toegestaan. Bovendien heeft [verzoeker] met zijn handelen andere collega’s in gevaar gebracht, althans hij had hen in gevaar kunnen brengen, aldus B&L. Volgens [verzoeker] daarentegen is het knippen van brandblussers, mits die niet onder druk staan, wel degelijk onderdeel van het werk en gebeurde het op de werkvloer wel vaker. [verzoeker] ontkent dat B&L hem op enigerlei wijze heeft gewaarschuwd voor de veiligheidsrisico’s van het knippen van brandblussers.

4.6.

Overwogen wordt als volgt. Allereerst kan de kantonrechter B&L volgen in haar stelling dat het knippen van brandblussers zeer risicovol is. Maar dat is op zichzelf onvoldoende onderbouwing om aan te nemen dat het knippen van brandblussers pertinent niet onder het takenpakket van [verzoeker] valt. Het werk van [verzoeker] bestaat immers uit het ijzervrij maken van diverse aangeboden aluminium materialen en dat is waarom [verzoeker] naar eigen zeggen de onderhavige brandblusser heeft doorgeknipt. B&L heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de veiligheidsregels over de te verrichten werkzaamheden niet schriftelijk zijn vastgelegd. Daarnaast heeft [verzoeker] betwist dat B&L hem mondeling heeft verboden om brandblussers door te knippen. B&L heeft in dit verband opgemerkt dat zij de indruk had dat [verzoeker] vaak niet goed luisterde als hem iets werd verteld. Wellicht zijn de cognitieve beperkingen, die [verzoeker] stelt te hebben, daarvan de reden. B&L betwist weliswaar dat [verzoeker] cognitieve beperkingen heeft, maar het had dan gelet op haar opmerking wel in de rede gelegen om [verzoeker] via andere wegen expliciet kenbaar te maken dat het knippen van brandblussers absoluut niet is toegestaan. B&L heeft niet gesteld dat zij dat heeft gedaan. Verder heeft B&L, na de betwisting door [verzoeker] , niet onderbouwd dat [verzoeker] met zijn handelen twee directe collega’s in gevaar heeft gebracht. Dat volgt evenmin uit de door B&L ingediende verklaringen van de betreffende collega’s [B] en [C] .

4.7.

Op grond van het voorgaande is niet komen vast te staan dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan bewuste roekeloosheid. Wat overblijft derhalve is een noodlottig arbeidsongeval, waarvan louter [verzoeker] de medische gevolgen ondervindt.

4.8.

Ter zitting heeft B&L nog gesteld dat [verzoeker] zich in het verleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden vaker bewust roekeloos heeft gedragen. B&L heeft daarbij twee voorbeelden genoemd waarbij [verzoeker] ondoordachte roekeloze handelingen zou hebben verricht op een heftruck en/of kraan. De kantonrechter acht die voorbeelden van bewuste roekeloosheid, die overigens door [verzoeker] zijn betwist, niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het ontslag op staande voet. Volgens B&L hebben de door haar bedoelde voorvallen immers 4 à 5 jaar respectievelijk 2 jaar geleden plaatsgevonden en zijn deze verder zonder (disciplinair) gevolg gebleven, zodat de vermeende voorvallen redelijkerwijs niet kunnen bijdragen aan het nu gegeven ontslag op staande voet.

4.9.

Gelet op het voorgaande dient het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet te worden toegewezen. Derhalve duurt de arbeidsovereenkomst nog voort en zal [verzoeker] weder te werk gesteld moeten worden, voor zover dit gelet op het handletsel mogelijk is. [verzoeker] heeft ook recht op betaling van het achterstallige loon vanaf de datum van het gegeven ontslag. In tegenstelling tot hetgeen [verzoeker] bij wijze van voorlopige voorziening heeft verzocht, heeft hij in zijn (hoofd)verzoek geen betaling van het achterstallige loon verzocht. Daarom kan de kantonrechter in het verzoek B&L niet veroordelen tot betaling daarvan. Nu het ontslag op staande voet evenwel geen stand houdt en de arbeidsovereenkomst immer heeft voortgeduurd, is B&L ook zonder veroordeling daartoe verplicht het achterstallige loon aan [verzoeker] uit te betalen.

4.10.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [verzoeker] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.

4.11.

De proceskosten komen voor rekening van B&L, omdat zij ongelijk krijgt. De kosten bestaan uit € 236,00 griffierecht en een forfaitair bedrag van € 600,00 voor het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] .

5 De beslissing

De kantonrechter:

op het incident ex artikel 223 Rv

5.1.

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

op het verzoek van [verzoeker]

5.2.

vernietigt het gegeven ontslag op staande voet;

5.3.

veroordeelt B&L om [verzoeker] vanaf twee dagen na betekening van deze beschikking toe te laten tot het verrichten van de gebruikelijke werkzaamheden, voor zover dit gelet op de medische situatie van [verzoeker] mogelijk is,

op het incident en het verzoek

5.4.

veroordeelt B&L tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 836,00;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2020.