Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3741

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
ak_20_324
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor onder meer realisatie van 400 recreatie-eenheden in Kampen; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/324

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Werkgroep Zwartendijk en Natuurvereniging IJsseldata, te Kampen, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Jachthaven Camping Roggebotsluis Exploitatie B.V., te Kampen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Jachthaven Camping Roggebotsluis Exploitatie B.V. (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ voor het op het inrichtingsplan 2015-080-O-NS-03 aangegeven gebied, nader aangeduid als Reeveweg 1 te Kampen (hierna: het perceel), met de daarbij behorende opstallen. Dit betreft (onder meer) de realisatie van 400 recreatie-eenheden op het perceel. Tevens is in dit besluit een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’ voor het oprichten van 57 recreatie-eenheden (type ‘meerwoning’) op het perceel.

Hiertegen hebben Stichting Werkgroep Zwartendijk (hierna: de Stichting) en Natuurvereniging IJsseldelta (hierna: de Vereniging) afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij twee afzonderlijke (maar gelijkluidende) besluiten van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van de Stichting en de Vereniging ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij het primaire besluit, voor zover dit ziet op de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’, gewijzigd gehandhaafd in de zin dat de goothoogte van de ‘zuiderzeewoningen’, wordt aangepast van 6,66 meter naar 6,6 meter.

De Stichting en de Vereniging hebben gezamenlijk tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Vergunninghouder heeft stukken ingediend en gereageerd op het beroepschrift. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 2 september 2020 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd. Dit betreft een gewijzigd inrichtingsplan, dat in de plaats is getreden van voornoemd inrichtingsplan.

De Stichting en de Vereniging hebben aanvullende beroepsgronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2020. De Stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] De Vereniging heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.S.E. Schrauwen en O. Sahin. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door mr. J. Woolderink en A. de Wilde, beiden werkzaam bij RoyalHaskoning DHV te Amersfoort.

Overwegingen

Feiten

1. De raad van de gemeente Kampen heeft het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) op 12 december 2013 vastgesteld. Dit bestemmingsplan is, voor zover voor dit geschil van belang, op 25 november 2015 onherroepelijk geworden.

Het perceel is gelegen in het meest noordwestelijke deel van het plangebied van het bestemmingsplan. Vergunninghouder is voornemens het recreatieterrein Roggebotsluis, gelegen op het perceel, her in te richten en uit te breiden. Dit behelst (onder meer) het bouwen van 400 recreatie-eenheden. Deze bouw wordt in fasen aangevraagd en gerealiseerd.

Juridisch kader

2. Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor over hier van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor draagt dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt, samengevat weergegeven, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aanvraag/het project in strijd is met (a) het Bouwbesluit 2012, (b) de bouwverordening, (c) het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12, of (d) redelijke eisen van welstand.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

3. Het perceel is gelegen in het gebied waar het bestemmingsplan van toepassing is. Het perceel heeft daarin de bestemming “Recreatie-1”. Deze gronden zijn, onder meer, bestemd voor recreatie en bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie, met daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven, terreinen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, sanitaire voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van het onderhoud en beheer, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen (artikel 11.1.1 van de planregels).

Artikel 11.2.1, onder b en c, van de planregels bepaalt dat binnen deze bestemming gebouwen ten dienste van deze bestemming mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 6 meter;

c. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 5% van het bestemmingsvlak;

Artikel 11.2.2 van de planregels bepaalt dat in afwijking van het bepaalde in artikel 11.2.1 gebouwen niet mogen worden gebouwd, met dien verstande dat deze bepaling niet van toepassing is op bestaande gebouwen of op de vervanging ervan.

Artikel 11.3 van de planregels bepaalt dat het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 11.2.2 voor het bouwen van gebouwen overeenkomstig de bouwregels zoals opgenomen in artikel 11.2.1, mits ter plaatse een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd in verband met de waterveiligheid.

Artikel 31.1, onder a, van de planregels bepaalt dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages.

Artikel 31.2 van de planregels bepaalt dat een in artikel 31.1 genoemde omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. t/m d. (…);

e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Verder geldt voor het perceel het bestemmingsplan 'Parkeren (parapluplan)', zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Kampen op 28 maart 2019.

Besluitvorming

4. Bij aanvraag van 12 juni 2019 heeft vergunninghouder verweerder verzocht haar een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het recreatieterrein Roggebotsluis. Uit de aanvraag en de bijbehorende stukken blijkt dat deze aanvraag ziet op het verkrijgen van twee (deel)vergunningen.

5. Verweerder heeft zich op de navolgende standpunten gesteld.

5.1.

De gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingplan’ ziet op het planologisch mogelijk maken (door het opheffen van de strijd met het bestemmingsplan) dat op het perceel de navolgende (nieuwe) recreatie-eenheden kunnen worden gebouwd: 57 meerwoningen, 36 zuiderzeewoningen, 2 sluiswachter-woningen, 60 nautische woningen, 46 grote chalets, 157 kleine chalets en 42 lodges.

Deze nieuwbouw sec is in strijd met artikel 11.2.2 van de planregels. Deze strijd kan worden opgeheven met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 11.3 van de planregels. Aan de in artikel 11.3 opgenomen voorwaarde dat ter plaatse een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd in verband met de waterveiligheid, wordt voldaan, gelet op het door vergunninghouder overgelegde memorandum P18-031-003 en het standpunt van verweerder hierover, neergelegd in zijn besluit van 28 mei 2019.

Door de nieuwbouw van deze recreatie-eenheden bedraagt het bebouwingspercentage 5,48%, wat in strijd is met het maximale bebouwingspercentage van 5%, neergelegd in artikel 11.2.1, onder c, van de planregels. Verder zijn de goothoogten van een deel van de beoogde recreatie-eenheden, te weten de zuiderzeewoningen, hoger dan maximaal is toegestaan, te weten 6,66 meter in plaats van maximaal 6 meter. Dit is in strijd met artikel 11.2.1, onder b, van de planregels. Beide strijdigheden kunnen worden opgeheven met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 31.1, onder a, van de planregels. Aan de in artikel 31.2 van de planregels opgenomen voorwaarde, te weten dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van een vijftal aspecten, wordt naar het oordeel van verweerder voldaan.

5.2.

De gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ ziet op het bouwen van een deel van de 400 beoogde recreatie-eenheden op het perceel, te weten 57 meerwoningen. De weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder a, b en d, van de Wabo zijn niet van toepassing. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo is eveneens niet van toepassing, omdat deze activiteit niet in strijd is met de aangevraagde (en in het in het primaire besluit vergunde) omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’.

6. In het primaire besluit van 9 juli 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo verleend voor het opheffen van de strijd met het bestemmingsplan om, onder meer, de bouw van 400 recreatie-eenheden op het perceel mogelijk te maken. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met de artikelen 11.3 en 31.1, onder a, van de planregels. In het primaire besluit heeft verweerder tevens de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo verleend voor het bouwen van 57 meerwoningen. Hierbij is gebruik gemaakt van voornoemde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’.

In het primaire besluit heeft verweerder zich verder op het standpunt gesteld dat de bouw van 60 nautische woningen, 46 grote chalets, 157 kleine chalets en 42 lodges, wat betreft de activiteit ‘bouwen’, vergunningsvrij is op grond van artikel 3, onderdeel 2, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Het bouwen van de 36 zuiderzeewoningen en 2 sluiswachterwoningen is (bouw)vergunningplichtig en hiertoe moet een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ worden aangevraagd en vergund voordat deze kunnen worden gerealiseerd.

7. In het bestreden besluit van 18 december 2019 heeft verweerder het primaire besluit gewijzigd gehandhaafd. Deze wijziging betreft de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’. Hierbij is de goothoogte van de ‘zuiderzeewoningen’ aangepast van 6,66 meter naar 6,6 meter.

8. Hangende beroep heeft vergunninghouder een gewijzigd inrichtingsplan bij verweerder ingediend. De wijziging ziet op een afwijkende situering van de 57 meerwoningen en de 42 lodges, waardoor de afstand tussen deze recreatie-eenheden en het nabijgelegen Natura 2000-gebied wordt vergroot.

Verweerder heeft bij besluit van 2 september 2020 deze wijziging vergund. Hierbij is aangegeven dat de aan het primaire besluit verbonden voorschriften onverkort van toepassing zijn op dit wijzigingsbesluit.

Besluitvorming na het bestreden besluit

9. Hangende bezwaar, bij aanvraag van 24 oktober 2019 en nadien gewijzigd, heeft vergunninghouder aan gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: GS) verzocht hem een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), onderdeel gebiedsbescherming, te verlenen. De aanvraag ziet op de herinrichting en uitbreiding van het recreatieterrein Roggebotsluis, gelegen op het perceel, in samenhang met het realiseren van een hoogwatervoorziening. Het gewijzigde inrichtingsplan, zoals dat is vergund bij besluit van 2 september 2020, is in deze aanvraag meegenomen.

Bij besluit van 29 juli 2020 hebben GS geweigerd de gevraagde Wnb-vergunning te verlenen. GS hebben zich hierbij op het standpunt gesteld dat uit de ecologische onderbouwing naar voren komt dat met zekerheid significante gevolgen door zowel de aanleg als het toekomstig gebruik op omringende Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Als gevolg van de wijzing van de Wnb op 1 januari 2020 geldt er in dat geval geen vergunningplicht.

Belanghebbendheid van de Stichting

10. In het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwarencommissie overgenomen en zowel de Stichting als de Vereniging als belanghebbende bij de verleende omgevingsvergunning aangemerkt. In het verweerschrift in beroep heeft verweerder aangegeven dat hij op grond van voortschrijdend inzicht enige reserves heeft over het ingenomen standpunt met betrekking tot de belanghebbendheid van de Stichting. In dat kader heeft verweerder verwezen naar de door de Stichting in bezwaar overgelegde lijst met feitelijke werkzaamheden. Verweerder vraagt zich af of de genoemde feitelijke werkzaamheden voldoende en actueel genoeg zijn voor de uitvoering of behartiging van de statuten van de Stichting. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de omgevingsvergunning ziet op het realiseren van (verblijfs)recreatie en dat hij zich afvraagt of de statuten daar wel op zien.

Verweerder heeft de rechtbank verzocht hier een oordeel over te geven, nu dit een aspect van openbare orde is wat door de bestuursrechter ambtshalve wordt getoetst.

11. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

11.1.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

11.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4360, het navolgende overwogen over de belanghebbendheid van de Stichting bij een aantal besluiten, waaronder het besluit van de raad van de gemeente Kampen tot vaststelling van het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid, 1e herziening Reevediep”.

“14.2. Blijkens artikel 3 van haar statuten heeft de Stichting tot doel "het voorkomen dat op het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de rijksweg N50 woningbouw, industrie en haventerreinen worden ontwikkeld teneinde dit gebied als natuur- en cultuurlandschap te behouden, en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords."

14.3.

De Afdeling overweegt dat het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voorzien in ontwikkelingen die afbreuk zouden kunnen doen aan de natuur- en cultuurlandschappelijke waarden van het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de rijksweg N50. Dit stemt derhalve overeen met de statutaire doelstelling van de Stichting, zodat de Stichting belanghebbende is bij de bestreden besluiten. Dit standpunt van verweerders volgt de Afdeling dus niet.”

11.3.

Gelet op dit recente oordeel van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat de realisatie van recreatie-eenheden op het perceel, wat afbreuk zou kunnen doen aan de natuur- en cultuurlandschappelijke waarden van het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de rijksweg N50, overeenstemt met de statutaire doelstelling van de Stichting.

In deze uitspraak heeft de Afdeling geen expliciete overwegingen gewijd aan de feitelijke werkzaamheden van de Stichting. Dat laat onverlet dat dit een ambtshalve te toetsen aspect is. In hetgeen door verweerder ten aanzien van de feitelijke werkzaamheden van de Stichting is aangedragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de Afdeling te komen.

Gelet op vorenstaande is de Stichting belanghebbende bij de omgevingsvergunning die thans voorligt.

Afbakening van het geding

12. Het beroep is gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ voor het inrichtingsplan 2015-080-O-NS-03 met de daarbij behorende opstallen, waaronder 400 recreatie-eenheden, en de activiteit ‘bouwen’ voor het bouwen van 57 (van de 400) recreatie-eenheden.

Hangende beroep heeft vergunninghouder een gewijzigd inrichtingsplan ingediend. De wijziging ziet op een afwijkende situering van de 57 meerwoningen en de 42 lodges, waardoor de afstand tussen deze recreatie-eenheden en het nabijgelegen Natura 2000-gebied wordt vergroot. Uit de stukken, bevestigd ter zitting, blijkt dat deze wijziging is ingegeven door de bezwaren van de Stichting en de Vereniging, die met name zijn gericht op de bescherming van de Natura 2000-gebieden nabij het perceel. Deze wijziging is vergund bij besluit van 2 september 2020, waardoor het gewijzigde inrichtingsplan in de plaats is getreden van het aanvankelijke inrichtingsplan waarop het primaire en bestreden besluit zijn gebaseerd.

De vraag die nu voorligt is of deze wijziging kan worden meegenomen in deze beroepsprocedure dan wel of er een afzonderlijke procedure moet worden doorlopen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het gewijzigde inrichtingsplan ziet op hetzelfde aantal recreatie-eenheden, te weten 400. De gewijzigde situering van een deel van deze recreatie-eenheden (te weten 99) is beperkt tot, volgens vergunninghouder, 20 tot 30 meter. Door deze ‘verschuiving’ wordt de afstand tussen deze 99 recreatie-eenheden en het nabij gelegen Natura 2000-gebied vergroot. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een wijziging van ondergeschikte aard. Verder is het aannemelijk dat zowel de Stichting en de Vereniging als andere belanghebbenden niet in hun (statutaire) belangen worden geschaad indien deze wijziging in deze lopende procedure wordt meegenomen. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraken van de Afdeling van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4089, en 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:34.

De rechtbank zal daarom het besluit van 2 september 2020 meenemen in deze beroepsprocedure.

Beoordeling van het beroep door de rechtbank

13. De Stichting en de Vereniging (hierna: eisers) stellen dat hun beroep een aanvulling is op wat zij al hebben aangevoerd in hun bezwaarschriften.

14. De rechtbank overweegt hierover dat de bezwaargronden door de bezwarencommissie zijn beoordeeld en weerlegd. Dit advies heeft verweerder overgenomen en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Eisers kunnen in beroep niet volstaan met het eenvoudigweg herhalen van deze bezwaargronden. Zij moeten gemotiveerd aangeven waarom de weerlegging van hun bezwaargronden niet juist is.

Gelet hierop zal de rechtbank enkel de bezwaargronden als beroepsgronden beoordelen voor zover in het beroepschrift is gemotiveerd waarom de weerlegging van deze bezwaargronden in het advies van de bezwarencommissie niet juist is.

15. Eisers stellen, samengevat weergegeven, dat de passende beoordeling die is gemaakt bij de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan, ondertussen achterhaald is. Er zal daarom een nieuwe passende beoordeling moeten worden gemaakt. Dit had moeten gebeuren door het aanhaken van een Wnb-toestemming (gebiedsbescherming). Dit is evenwel niet gebeurd, waardoor sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding. In dit kader hebben eisers verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1258. In die zaak was de natuurtoestemming niet aangehaakt, terwijl dat wel had gemoeten, aldus eisers. Vergunninghouder heeft pas hangende bezwaar een aanvraag om een Wnb-vergunning gedaan. Dit is ten eerste te laat in de procedure en ten tweede wordt hierdoor de besluitvorming in twee delen opgesplitst. Hierdoor zijn zij genoodzaakt om in twee verschillende procedures op te komen, aldus eisers.

16. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

16.1.

De systematiek zoals die is neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo, in samenhang met de artikelen 2.2aa en 6.10a van het Bor, is samengevat weergegeven als volgt.

Als het voornemen bestaat een activiteit te verrichten waarvoor zowel een omgevingsvergunning (als bedoeld in artikel 2.1 of artikel 2.2 van de Wabo) als een toestemming op grond van de Wnb (een vergunning krachtens hoofdstuk 2 van de Wnb of een ontheffing krachtens hoofdstuk 3 van de Wnb) nodig is, heeft de aanvrager een keuze. De aanvrager kan ervoor kiezen om eerst (en dus los van de aanvraag om een omgevingsvergunning) de natuurtoestemming aan te vragen bij het bevoegd gezag op grond van de Wnb. Bij de daaropvolgende aanvraag om omgevingsvergunning zijn de effecten op Natura 2000-gebieden en/of beschermde soorten dan niet meer relevant. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen om eerst de omgevingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag op grond van de Wabo. Bij de beoordeling van deze aanvraag zal het Wabo-bevoegde gezag moeten beoordelen of er ook een natuurtoestemming nodig is. Is dat het geval, dan haakt deze toestemming aan en moet het Wnb-bevoegd gezag een verklaring van geen bedenkingen afgeven. De aanvrager kan in deze tweede situatie overigens na het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning (inclusief natuurtoestemming) ervoor kiezen om de natuurtoestemming hiervan los te koppelen, door naderhand een losse natuurvergunning / natuurontheffing aan te vragen. Dit laatste volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803.

16.2.

In deze zaak heeft verweerder zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat al ten tijde van de aanvraag om omgevingsvergunning duidelijk was dat voor de aangevraagde activiteit geen natuurtoestemming (zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming) was vereist, zodat er volgens verweerder niets viel aan te haken.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu vergunninghouder hangende bezwaar separate aanvragen voor natuurtoestemmingen bij GS heeft ingediend, de argumenten van eisers met betrekking tot de (eventuele) effecten op Natura 2000-gebieden in deze procedure niet worden besproken. De vraag of er al dan niet natuurtoestemming(en) zijn vereist ligt ter beoordeling voor bij GS en niet bij hem, aldus verweerder in het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt hierover allereerst dat in beroep de rechtmatigheid van het bestreden besluit voorligt en niet de rechtmatigheid van het primaire besluit. Of het standpunt van verweerder, zoals opgenomen in het primaire besluit, juist is, kan dan ook in het midden worden gelaten. Verder overweegt de rechtbank dat, nu ten tijde van het bestreden besluit afzonderlijke Wnb-trajecten waren opgestart, verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat al wat eisers hebben aangevoerd over de mogelijke gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden, in deze procedure niet aan de orde kan komen. Dat eisers hierdoor genoodzaakt zijn om in twee afzonderlijke procedures rechtsmiddelen aan te wenden, is inherent aan de keuzemogelijkheid van de aanvrager, die de wetgever bewust heeft gecreëerd. De stelling van eisers dat reeds door in primo niet aan te haken het bestreden besluit een gebrek bevat, onderschrijft de rechtbank dan ook niet.

16.3.

De in dit kader aangevoerde beroepsgronden slagen niet.

17. Eisers bestrijden de berekening van de parkeerbehoefte. In dat kader hebben zij, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hun berekening van de parkeerbehoefte uitkomt op een (veel) hoger aantal parkeerplaatsen dan waar verweerder op is uitgekomen.

18. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

18.1.

Uit de stukken blijkt dat een deel van de parkeerplaatsen (262 stuks) in het inrichtingsplan zijn opgenomen. De door eisers genoemde parkeerplaatsen ten behoeve van de camping/kampeerplekken worden te zijner tijd in het noordelijke gedeelte van het recreatieterrein gerealiseerd. Dit kampeergedeelte en de daarbij behorende parkeerplaatsen vallen buiten de thans voorliggende omgevingsvergunning.

18.2.

Wat betreft de door eisers aangehaalde parkeerplaatsen die worden geregeld in de thans voorliggende omgevingsvergunning, begrijpt de rechtbank deze beroepsgrond aldus dat eisers stellen dat het project niet voldoet aan de planregels van het parapluplan en dat verweerder dit niet heeft onderkend. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat eraan in de weg dat een rechtspersoon, die in rechte opkomt voor een algemeen belang, zich met resultaat kan beroepen op de schending van rechtsnormen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van de algemene belangen die deze rechtspersoon krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. De door de Stichting ingeroepen normen, neergelegd in het parapluplan, zijn gesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening en strekken ter bescherming van een goed woon- en leefklimaat. Dit is geen belang waarvoor eisers blijkens hun statutaire doelstelling opkomen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een geslaagd beroep van eisers op de planregels van het parapluplan. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond niet bespreken.

19. Eisers stellen dat zij zich afvragen of waterveiligheid alleen kan worden bereikt door het bouwen van de grootste recreatie-eenheden op de dijk. Eisers vragen zich af of met het achter de dijk bouwen de waterveiligheid niet beter zou zijn gewaarborgd. Eisers stellen dat bij het beantwoorden van deze vraag het natuurbelang van het naastliggende Natura 2000-gebied moet worden meegewogen.

20. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus dat eisers stellen dat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 11.3 van de planregels, omdat niet is voldaan aan de hierin opgenomen voorwaarde, te weten dat ter plaatse een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd in verband met de waterveiligheid. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat eraan in de weg dat een rechtspersoon, die in rechte opkomt voor een algemeen belang, zich met resultaat kan beroepen op de schending van rechtsnormen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van de algemene belangen die deze rechtspersoon krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. De door de Stichting ingeroepen norm, neergelegd in artikel 11.3 van de planregels, ziet op de bescherming van de gebruikers van het recreatieterrein tegen (hoog)water. Dit is geen belang waarvoor eisers blijkens hun statuten opkomen. Dit is ter zitting desgevraagd ook erkend.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een geslaagd beroep van eisers op artikel 11.3 van de planregels. De rechtbank zal daarom deze beroepsgrond niet bespreken.

21. Eisers stellen dat niet wordt voldaan aan de in artikel 31.2, onder e, van de planregels opgenomen voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, zodat verweerder geen hogere goothoogte heeft kunnen toestaan. De reden hiervoor is dat hoe hoger er wordt gebouwd, des te verder de verstoring van het Natura 2000-gebied reikt, aldus eisers.

22. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 31.1, onder a, van de planregels, is in deze zaak (onder meer) aangewend om de goothoogte (en niet de bouwhoogte) van de 36 zuiderzeewoningen te verhogen van 6 meter naar 6,6 meter. Deze afwijking kan worden vergund indien de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast. Deze voorwaarde, neergelegd in artikel 31.2, onder e, van de planregels, ziet naar het oordeel van de rechtbank op de planologische gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan dat een deel van de recreatie-eenheden een hogere goothoogte krijgt, niet resulteert in een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, zoals het naastgelegen Natura 2000-gebied. Dit gebied kan immers nog steeds conform de (planologische) bestemming die aan dit gebied is toegekend, worden gebruikt.

Verweerder heeft daarom in redelijkheid de afwijkingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 31.1, onder a, van de planregels, kunnen aanwenden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

23. Het beroep is ongegrond.

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en

mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier, op

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.