Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3710

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
08/014747-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 49-jarige man tot een gevangenisstraf van 150 dagen waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en algemene en bijzondere voorwaarden voor het bezit van softdrugs. Naast de gevangenisstraf legt de rechtbank de man een taakstraf op van 180 uren. In de woning van de man werd een omvangrijke hoeveelheid softdrugs aangetroffen bestaande uit ruim 51 kilogram hennep en 40 gram hasjiesj. Daarnaast werd ook een aanzienlijke hoeveelheid contact geld in de woning van de man aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/014747-20 (P)

Datum vonnis: 9 november 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Pol en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R. Oude Breuil, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte circa 40 gram hasjiesj en ongeveer 51 kilo hennep aanwezig heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2020 te Enschede, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 40,2 gram, in elk geval een grote hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of ongeveer 51746,5 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep, (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

  1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 oktober 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

  2. Het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 4 februari 2020 (pag. 331).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 januari 2020 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad 40,2 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 51746,5 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 3 jo. 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met daaraan gekoppeld een meldplicht bij de reclassering, en tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het opleggen van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 34 dagen, bepleit. Daarmee kan volgens de verdediging worden volstaan, omdat de tijd die verdachte in beperkingen en voorarrest heeft doorgebracht veel impact op hem heeft gehad, zijn woning als gevolg van deze zaak is gesloten en hij een vaststellingovereenkomst met het Openbaar Ministerie heeft gesloten, waardoor hij (ook) afstand heeft gedaan van zijn eigen auto’s die geen verband met strafbare feiten houden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een omvangrijke hoeveelheid softdrugs. Op 16 januari 2020 heeft verdachte ruim 51 kilogram hennep en 40 gram hasjiesj in zijn woning aanwezig gehad.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze hoeveelheid in zijn woning aanwezig had, omdat hij zorgt voor de bevoorrading van coffeeshops, nu de coffeeshops zelf geen voorraad van meer dan 500 gram aanwezig mogen hebben.

Wat ook de verklaring voor de aanwezigheid van deze hoeveelheid softdrugs is, neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding van de productie van softdrugs én des te kwalijker, aan de ondermijnende criminaliteit die gepaard gaat met die productie en aan de nadelige gevolgen van veelvuldig drugsgebruik voor de maatschappij in het algemeen en voor gebruikers in het bijzonder.

De rechtbank is van oordeel dat het aanwezig hebben van zo’n grote hoeveelheid softdrugs in de woning, waarbij verdachte overigens ook nog een aanzienlijke hoeveelheid contant geld in zijn woning aanwezig had, in beginsel het opleggen van een forse gevangenisstraf rechtvaardigt.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld voor het aanwezig hebben van softdrugs. Als uitgangspunt geldt bij een hoeveelheid softdrugs variërend van 25 tot 250 kilogram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat gezien het uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 september 2020 verdachte weliswaar antecedenten op het gebied van de Opiumwet heeft, maar dat deze dateren uit 2001 en niet meer strafverhogend doorwerken. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte een vaststellingsovereenkomst met het Openbaar Ministerie heeft gesloten, waarbij hij afstand heeft gedaan van een groot geldbedrag en een aantal auto’s. Tot slot houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte gedurende zijn voorarrest geruime tijd in beperkingen heeft gezeten.

Alles overziend en afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is en de rechtbank zal deze dan ook aan verdachte opleggen. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daarbij een meldplicht bij de reclassering op zijn plaats, nu dit verdachte er in de toekomst van kan weerhouden zich andermaal in te laten met drugshandel.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 116 (honderdzestien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van

3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, [adres 2] , op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. V.P.K. van Rosmalen en

mr. G.J. Stoové, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2020.

Mr. Van Rosmalen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district Twente, met nummer [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.