Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3695

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
253373 KG RK 388-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer van de rechtbank Overijssel wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 253373 KG RK 388-20

Beslissing van 24 augustus 2020

in de zaak van

[verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1] ,

en

[verzoeker 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 1986,

wonende te [adres 2] ,

verzoekers tot wraking,

advocaat: mr. Y. Moszkowicz te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Op 24 augustus 2020 hebben verzoekers het verzoek tot wraking gedaan van mrs. G.H. Meijer, E. Venekatte en S.K. Huisman, rechters in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de strafzaken tegen verzoekers, geregistreerd onder de parketnummers [nummer] en [nummer] resp. [nummer] en [nummer] .

1.2.

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoekers een mondeling verzoek tot wraking van voormelde rechters gedaan, zoals blijkt uit de aantekeningen die de griffier van de zitting van 24 augustus 2020 heeft gemaakt.

1.3.

De rechters hebben niet berust in de wraking.

1.4.

Het wrakingsverzoek van verzoekers is op 24 augustus 2020 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekers, bijgestaan door hun raadsman mr. Y. Moszkowicz,

- de rechters mrs. G.H. Meijer, E. Venekatte en S.K. Huisman,

- de officier van justitie mr. G. Jansen.

2 Aanleiding en wrakingsverzoek

2.1.

Tijdens de behandeling van de strafzaken heeft de rechtbank het verzoek om bepaalde (aangekondigde) getuigen te horen, afgewezen. Deze getuigen zouden volgens verzoekers kunnen verklaren over de (on)betrouwbaarheid van getuige [getuige] . Volgens de rechtbank had getuige [getuige] , die eerder bij de politie en later bij de rechter-commissaris verklaringen had afgelegd, waar het gaat om de handelingen zoals in de tenlasteleggingen weergegeven, geen waarnemingen gedaan in die zin dat ze deze zelf had gezien. Daarom heeft de rechtbank het horen van de meegebrachte getuigen als rechtens niet relevant afgewezen, nu die verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet van belang zijn voor de beantwoording van vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv.

2.2.

Verzoekers hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat het niet juist is dat [getuige] volgens de rechtbank geen visuele waarneming heeft gedaan. De vraag of deze getuige betrouwbaar is, is daarom van belang, nu getuige [getuige] volgens verzoekers en de meegebrachte getuigen daar die dag niet aanwezig was. Het betreft derhalve een zeer belastende verklaring en een potentieel bewijsmiddel. In de wet staat dat meegebrachte getuigen worden gehoord, en dat is slechts anders als er geen rechtens te respecteren belang is. Dat belang is er, nu de getuigen voor de verdachten ontlastende verklaringen kunnen afleggen. De beslissing van de rechtbank is daarom op onjuiste gronden gebaseerd. Volgens verzoekers is de rechtbank niet onbevooroordeeld, ook gelet op het volgende. Er is voorafgaand aan de terechtzitting niet gemotiveerd beslist op de verzoeken inzake het verstrekken van de processen-verbaal van de eerste verhoren van de getuige [getuige] en het verstrekken van haar telefoongegevens. Er is niet op de verzoeken gereageerd terwijl het OM deze stukken wel heeft. De voorzitter had op deze verzoeken kunnen beslissen. Ook dit is onbegrijpelijk en stuit zo tegen de borst, dat hiermee de schijn van vooringenomenheid is gewekt, zowel objectief als subjectief bezien. Er lijkt sprake van een persoonlijke afkeer tegen verzoekers.

3 Het standpunt van mrs. Meijer, Venekatte en Huisman

De mrs. Meijer, Venekatte en Huisman hebben als volgt gereageerd op het verzoek. Het gaat om meegebrachte getuigen die zien op de betrouwbaarheid van de getuige [getuige] . Er is een briefwisseling met de advocaat van verzoekers geweest waarin de rechtbank heeft meegedeeld niet op voorhand over de eerder gedane verzoeken te beslissen maar pas op de zitting. De rechter spreekt alleen ter zitting. Voor wat betreft de meegebrachte getuigen heeft de rechtbank zoveel mogelijk getracht te motiveren waarom ze niet gehoord hoeven te worden. Het gaat er niet om of de getuige [getuige] een waarneming heeft gedaan maar of deze ziet op de in verband met het tenlastegelegde te beantwoorden vragen als bedoeld in artikel 348 en 350 Sv.. Zoals de rechtbank heeft gemotiveerd, is daarvan geen sprake. Als verzoekers het niet eens zijn met de beslissing kunnen zij dat in hoger beroep aan de orde stellen. Wraking is daarvoor geen geschikt middel.

4 Het standpunt van de officier van justitie

Ook de officier van justitie is van mening dat het wrakingsverzoek gezien moet worden als een verkapt appèl. Er is alleen plaats voor wraking als de beslissing onbegrijpelijk is geweest en dat is hier niet het geval.

5 De beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 512 Sv dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

De wrakingskamer stelt daarbij voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij partijdig is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekers daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. Het is evenzeer vaste rechtspraak dat de vraag of een processuele beslissing inhoudelijk al dan niet juist moet worden geacht, zich niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer en slechts in eventueel hoger beroep kan worden getoetst.

Als uitgangspunt geldt voorts dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Met het nemen van de beslissing blijkt weliswaar onvermijdelijk van een standpunt van de rechter, maar dat levert niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing in voormelde zin op dat een vrees voor partijdigheid objectief is gerechtvaardigd. Dit kan anders zijn indien een beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat voor die beslissing redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat die beslissing voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, in die zin dat de beslissing objectief gezien bij de verzoeker tot wraking de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken (waarbij ook rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn) dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoeker. Indien niet voldaan is aan dit strikte criterium, kunnen onwelgevallige beslissingen geen gerede grond voor wraking opleveren.

5.2.

Aan de orde is de vraag of en in hoeverre dit ook geldt voor de motivering van de (tussen)beslissing om de door de verdediging meegebrachte getuigen niet te horen. Bij de beantwoording van die vraag moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook als het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is alleen anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, NJ 2009, 428).

5.3.

Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.

5.4.

In artikel 287 lid 2 Sv en artikel 288 lid 1 onder c Sv is geregeld (voor zover in deze zaak van belang) dat verschenen getuigen (zoals de in dit geval door verzoekers meegebrachte getuigen) worden gehoord, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

5.5.

Uit de hiervoor onder 2.1. weergegeven motivering volgt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de getuige [getuige] geen waarnemingen heeft gedaan die van belang zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Daarmee heeft de rechtbank niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verzoekers door het niet horen van de meegebrachte getuigen ter controle van de vermeende onbetrouwbaarheid van de getuige [getuige] niet in hun verdediging worden geschaad, nu de verklaringen van getuige [getuige] kennelijk niet tot het bewijs zullen worden gebezigd door de rechtbank.

5.6.

Deze motivering van de (tussen)beslissing om de getuigen niet te horen is in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet onbegrijpelijk en daaruit kan dan ook niet blijken van enige vooringenomenheid van de rechters die haar hebben gegeven.

5.7.

Dat de rechtbank niet voorafgaand aan de terechtzitting heeft beslist op de verzoeken inzake het verstrekken van de processen-verbaal van de eerste verhoren van de getuige [getuige] en het verstrekken van haar telefoongegevens geeft evenmin blijk van gebrek aan onpartijdigheid. Het stond de rechtbank vrij om ervoor te kiezen daarover tijdens de zitting te beslissen.

5.8.

De stelling dat bij de rechters sprake is van een persoonlijke afkeer tegen hen is door verzoekers niet op geen enkele wijze onderbouwd en wordt daarom verworpen.

5.9.

Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, B.W.M. Hendriks en A. Flos, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2020 en verzonden op 11 september 2020.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.