Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3689

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
08-996092-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een bloemengroothandel uit Aalsmeer tot een geldboete van 30.000 euro voor het medeplegen van valsheid in geschrifte. Van dit bedrag is 15.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Namens de groothandel zijn 107 claimbevestigingen opgesteld die deden voorkomen dat de door de groothandel geleverde bloemen deels van een zodanig slechte kwaliteit waren dat ze onverkoopbaar waren en dat de groothandel deze retour heeft ontvangen van de klant. Daardoor heeft de groothandel het bedrijf van de klant - een belangrijke klant voor de groothandel goed voor ruim 12% van haar totale omzet - in de gelegenheid gesteld om inkopen van ruim 800.000 euro buiten de boeken te houden. Dit heeft de klant en zijn buitenlandse bedrijven vermoedelijk fiscaal voordeel opgeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-996092-18 (P)

Datum vonnis: 9 november 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] ,

gevestigd aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2020.

De heer [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ) en de heer [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ) hebben de verdachte vertegenwoordigd in de zin van artikel 528 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Lambregts, van hetgeen door de vertegenwoordigers van verdachte en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. J.P.W. Nijboer, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Samen met (een) ander(en) verklaringen vals heeft opgemaakt door daarin in strijd met de waarheid te vermelden dat claims betreffende leveringen van bloemen door verdachte werden erkend,

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2012 tot en met 1 april 2016, te

Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer), in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer verklaring(en) (112 stuks of daaromtrent) -(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een of meer anderen

te doen gebruiken,

immers hebben/heeft zij, verdachte, en/of haar mededaders (telkens) valselijk,

immers opzettelijk in strijd met de waarheid, in die verklaring(en) vermeld

en/of doen vermelden dat claims betreffende de in die verklaring(en) aan de

hand van factuurnummers beschreven leveringen van bloemen door [verdacht bedrijf]

. werden erkend,

het betrof onder meer de navolgende verklaring(en):

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 25-04-2012 : invoice [nummer] 30-04-2012 : invoice [nummer] 07-05-2012 : invoice [nummer] en/of voorzien van een handtekening met daarbij de vermelding [bestuurder 1] [verdacht bedrijf] ; (bijlage DOC-093-112) en/of

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 04-01-2013 : invoice [nummer] 07-01-2013 : invoice [nummer] 11-01-2013 : invoice [nummer] en/of voorzien van een handtekening met daarbij de vermelding [bestuurder 1] [verdacht bedrijf] ; (bijlage DOC-093-093) en/of

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 2-1-2014 invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en/of voorzien van een handtekening; (bijlage DOC-093-060); en/of

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 6-1-2015 invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en/of voorzien van een handtekening; (bijlage DOC-093-052); en/of

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 09-01-2016 : invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en/of voorzien van een handtekening; (bijlage DOC-093-018)

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat bij verdachte geen oogmerk is geweest om de documenten als echt en onvervalst te doen gebruiken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

Bestuurders van [verdacht bedrijf] zijn [bedrijf 1] (sinds 1 september 2007) en [bedrijf 2] (sinds 6 oktober 2010).2 Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] is [bestuurder 2]3 en enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bestuurder 1] .4 [bestuurder 1] heeft verklaard dat hij en [bestuurder 2] de bestuurders en feitelijk leidinggevenden van verdachte zijn.5

Tijdens een doorzoeking bij verdachte is een map (inbeslagnamecode A.01.09.0016) aangetroffen met daarin 112 documenten waarin steeds is vermeld ‘[verdacht bedrijf] agrees with the following claims’.7 [bestuurder 1] heeft hierover verklaard: ‘in die map zitten claims die ik voor [naam] gemaakt heb, die niet echt waren'.8

In deze map zitten onder meer de volgende documenten:

- een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 25-04-2012 : invoice [nummer] 30-04-2012 : invoice [nummer] 07-05-2012: invoice [nummer] en voorzien van een handtekening met daarbij de vermelding [bestuurder 1] [verdacht bedrijf] ;9

- een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 04-01-2013 : invoice [nummer] 07-01-2013: invoice [nummer] 11-01-2013: invoice [nummer] en voorzien van een handtekening met daarbij de vermelding [bestuurder 1] [verdacht bedrijf] ;10

- een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 2-1-2014 invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en voorzien van een handtekening;11

- een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 6-1-2015 invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en voorzien van een handtekening;12

- een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 09-01-2016 : invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en voorzien van een handtekening;13

[bestuurder 1] heeft hierover verder verklaard: ‘ik heb die 112 stukken alleen opgemaakt, op verzoek van [naam] . Hij heeft dat aan mij gevraagd op enig moment. Wat mij bijstaat is, dat het voor zijn boekhouding is14, 'ik maakte die dingen en zette er een paraaf op. Daarna scande ik het stuk in en stuurde ik het op naar [naam] , als bijlage bij een email-bericht aan hem'15 en ‘ik herinner mij, dat ik soms die verklaring wel eens op een stuk wit papier heb gedaan. [naam] nam dan met mij contact op om mij er op te wijzen, dat ik voor die verklaringen briefpapier van [verdacht bedrijf] moest gebruiken’.16

Bewijsoverwegingen

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [bestuurder 1] de documenten opzettelijk vals heeft opgemaakt met het oogmerk deze als onvervalst te doen gebruiken. [bestuurder 1] heeft immers op deze documenten vermeld dat de claims betreffende de in die verklaring aan de hand van factuurnummers beschreven leveringen van bloemen door verdachte werden erkend, terwijl hij wist dat dit in strijd met de waarheid was. [bestuurder 1] heeft deze valse documenten opgemaakt en ze vervolgens naar de heer [naam] gemaild, terwijl hij wist dat deze waren bestemd voor de boekhouding van het bedrijf van de heer [naam] en (dus) om door de laatste als echt te worden gebruikt. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Nu van vijf valse documenten niet vaststaat dat ze zijn opgemaakt in de ten laste gelegde periode (DOC-0093-001 tot en met DOC-0093-005 hebben immers betrekking op leveringen van 3-4-2016 en later) is de rechtbank van oordeel dat [bestuurder 1] 107 documenten vals heeft opgemaakt in de ten laste gelegde periode.

Toerekening aan de rechtspersoon [verdacht bedrijf]

Op grond van artikel 51 Sr kunnen strafbare feiten worden begaan door een rechtspersoon. Hiertoe is van belang of de verboden gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord op deze vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hierna volgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938):

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  4. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat [bestuurder 1] en [bestuurder 2] de beslissingen namens verdachte namen en dat zij – indirect – als bestuurders van verdachte stonden ingeschreven en alle aandelen bezitten. Zij hadden aldus de volledige zeggenschap over het handelen van verdachte. Het erkennen van claims past binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte en is verdachte dienstig geweest. Weliswaar zijn er geen aanwijzingen dat verdachte direct financieel voordeel heeft behaald met de gepleegde valsheden, maar wel is gebleken dat het paste binnen het streven om deze grote afnemer (circa 12% van de jaaromzet) van dienst te zijn, zodat hij klant zou blijven. Dat is gedurende de ten laste gelegde periode ook het geval geweest en langs die weg is het ten laste gelegde handelen voor de vennootschap dienstig geweest.

Daarmee kunnen de strafbare feiten aan verdachte worden toegerekend. Nu [bestuurder 1] deze handelingen opzettelijk heeft gepleegd en verdachte dat handelen heeft aanvaard, rekent de rechtbank het opzet waarmee [bestuurder 1] heeft gehandeld tevens aan verdachte toe.

In vereniging

Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in een zodanig nauwe en bewuste samenwerking met de heer [naam] zijn gepleegd, dat sprake is van medeplegen. [bestuurder 1] heeft de ten laste gelegde documenten namelijk op verzoek van de heer [naam] opgesteld en kreeg van hem bovendien instructies over het opstellen van de documenten, zoals het gebruik van het briefpapier van verdachte.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging met anderen, te weten [naam] en diens buitenlandse vennootschappen, meermalen valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 april 2012 tot en met 1 april 2016 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

107 verklaringen -elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt zulks telkens met het oogmerk om die

geschriften als echt en onvervalst door anderen doen gebruiken,

immers hebben zij, verdachte, en haar mededaders telkens valselijk,

immers opzettelijk in strijd met de waarheid, in die verklaringen vermeld

of doen vermelden dat claims betreffende de in die verklaringen aan de

hand van factuurnummers beschreven leveringen van bloemen door [verdacht bedrijf]

werden erkend,

het betrof onder meer de navolgende verklaringen:

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 25-04-2012 : invoice [nummer] 30-04-2012 : invoice [nummer] 07-05-2012: invoice [nummer] en voorzien van een handtekening met daarbij de vermelding [bestuurder 1] [verdacht bedrijf] ; en

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 04-01-2013 : invoice [nummer] 07-01-2013: invoice [nummer] 11-01-2013: invoice [nummer] en voorzien van een handtekening met daarbij de vermelding [bestuurder 1] [verdacht bedrijf] ; en

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] , inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 2-1-2014 invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en voorzien van een handtekening; en

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 6-1-2015 invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en voorzien van een handtekening; en

* een verklaring gesteld op briefpapier van [verdacht bedrijf] te Hoofddorp, inhoudende de tekst: [verdacht bedrijf] agrees with the following claims: 09-01-2016 : invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] invoice: [nummer] en voorzien van een handtekening.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 51 en 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een geldboete van € 30.000,-- geëist, waarvan € 15.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Wat de officier van justitie betreft wordt het onvoorwaardelijke deel voldaan in drie termijnen van steeds € 5.000,--.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen, of een geldboete met een lager onvoorwaardelijk deel dan door de officier van justitie is geëist. Indien de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete zal opleggen, dan verzoekt de raadsman om te bepalen dat deze in termijnen kan worden voldaan, gelet op de financiële positie van verdachte.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de bedrijfsomstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte. In de ten laste gelegde periode zijn er namens verdachte 107 claimbevestigingen opgesteld, die deden voorkomen dat de door verdachte geleverde bloemen deels van een zodanig slechte kwaliteit waren dat ze onverkoopbaar waren en dat verdachte deze retour heeft ontvangen van het bedrijf van de heer [naam] . Daardoor heeft verdachte het bedrijf van de heer [naam] , een belangrijke klant voor verdachte – in die periode goed voor 11,1% tot 12,4% van haar totale omzet, in de gelegenheid gesteld inkopen (ruim € 800.000,-- over de ten laste gelegde periode) buiten de boeken te houden. Vermoedelijk heeft dat [naam] en/of zijn buitenlandse bedrijven (fiscaal) voordeel opgeleverd.

Uit het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd als uitgangspunt genomen. Hoewel in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten voor fraude zijn vastgesteld, heeft de rechtbank deze in dit geval niet als uitgangspunt genomen. De rechtbank is van oordeel dat deze oriëntatiepunten niet van toepassing zijn omdat het bestaan van en de omvang van het fraudebedrag niet vast is komen te staan. Daarnaast is niet komen vast te staan dat verdachte hiervan zelf directe financiële voordelen heeft gehad, anders dan het als klant hebben en behouden van (de buitenlandse bedrijven) van de heer [naam] .

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de coöperatieve houding van de vertegenwoordigers van de verdachte in het strafrechtelijk onderzoek. Dat is mede aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Een geheel voorwaardelijke geldboete, zoals door de raadsman bepleit, zou naar het oordeel van de rechtbank geen recht doen aan de ernst van de feiten, met name de lange periode waarover de gedragingen zich uitstrekken en het totaalbedrag waarop de valsheden betrekking hebben. De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 30.000,--, waarvan € 15.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

Gelet op de financiële positie van verdachte, zoals die uit de door de officier van justitie en verdediging voorafgaand aan de zitting overgelegde stukken is gebleken, zal de rechtbank bepalen dat het onvoorwaardelijke deel van de geldboete in drie twee-maandelijkse termijnen van steeds € 5.000,-- mag worden voldaan (dus € 5.000,-- per twee maanden).

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24a en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 30.000,-- (dertigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 15.000,-- (vijftienduizend euro) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat (het onvoorwaardelijke deel van) de geldboete mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 2 maand, elke termijn € 5.000,-- (vijfduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met nummer 63094 (onderzoek Meindertsma). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 273 tot en met 279 (DOC-001).

3 Pagina 280 en 281 (DOC-002).

4 Pagina 282 en 283 (DOC-003).

5 Pagina 128 (V-003-01).

6 Pagina 882 tot en met 894 (DOC-104).

7 Pagina 511 tot en met 622 (DOC-093-001 tot en met DOC-093-112).

8 Pagina 164 (V-003-07).

9 Pagina 622 (DOC-093-112).

10 Pagina 603 (DOC-093-093).

11 Pagina 570 (DOC-093-060).

12 Pagina 562 (DOC-093-052).

13 Pagina 528 (DOC-093-018).

14 Pagina 164 (V-003-07).

15 Pagina 166 (V-003-07).

16 Pagina 170 (V-003-08).