Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3611

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
08-994502-20 en 08-994504-20 (gev.) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 51-jarige veehouder uit Hengelo heeft zich in 2018 bij herhaling schuldig gemaakt aan een economisch delict door niet de zorg te geven aan de gehouden runderen die op grond van geldende wet- en regelgeving is vereist. De man heeft sinds jaar en dag een veebedrijf. Zo is op foto's te zien dat dieren volop in de mest staan en geen droge en schone ligplaats tot hun beschikking hebben. Ook de voeding was ver onder de maat, zeker ten aanzien van de (ernstig) verzwakte kalveren.

De man heeft momenteel echter een substantieel aantal koeien minder op zijn erf staan dan voorgaande jaren, als gevolg van bestuursrechtelijk ingrijpen. Bovendien zijn er ten aanzien van de dieren geen overtredingen geconstateerd tijdens controles in oktober 2019 en april 2020, hoewel de situatie ook toen bepaald niet overhield aangezien slechts aan de absolute minimumvoorschriften was voldaan. Gelet op het voorgaande geeft de rechtbank verdachte nog een laatste kans, om te laten zien dat hij de verzorging van de runderen aankan, zodat de stillegging van de onderneming kan worden voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08-994502-20 en 08-994504-20 (gev.) (P)

Datum vonnis: 2 november 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] ,

in rechte vertegenwoordigd door de hierna te noemen bestuurder:

[bestuurder] , geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Kooten, en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met een of meer ander(en), in de uitoefening van een agrarisch bedrijf, al dan niet opzettelijk:

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

feit 1: op 8 mei 2018 er niet voor heeft gezorgd dat een aantal runderen beschikten over een schone en droge ligplaats;

feit 2: op 17 mei 2018 er niet voor heeft gezorgd dat een aantal runderen voldoende gezond en geschikt voer kregen;

feit 3: op 17 mei 2018 er niet voor heeft gezorgd dat een aantal runderen beschikten over een schone en droge ligplaats;

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

feit 1: op 18 april 2019 er niet voor heeft gezorgd dat een aantal runderen beschikten over een schone en droge ligplaats;

feit 2: op 18 april mei 2019 er niet voor heeft gezorgd dat een aantal runderen voldoende gezond en geschikt voer kregen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

1

zij op of omstreeks 8 mei 2018 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, als houder van (ongeveer) 225 runderen, althans één of meer rund(eren), al dan niet opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: 153 runderen (in de hellingstallen, zie p. 6-7 proces-verbaal)), althans één of meer rund(eren), over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die runderen niet de beschikking had(den) over een droge en/of schone ligplaats, immers lag er een laag dunne mest in het achterste hellende deel en/of was slechts een kleine hoeveelheid stro aanwezig en/of bestond het voorste deel van de hokken uit een laag van enkele centimeters vloeibare mest, zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van (een) bedrijf/bedrijven waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van

de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

2

zij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, als houder van (ongeveer) 225 runderen, althans één of meer rund(eren), al dan niet opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: één of meerdere runderen (zie p. 9 proces-verbaal en p. 2 en 3 van de veterinaire verklaring) een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen/kreeg toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers was het voer dat tijdens de controle werd aangeboden van slechte kwaliteit en/of was op enkele plekken in het voer zand en schimmel aanwezig, zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van (een) bedrijf/bedrijven waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

3

zij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, als houder van (ongeveer) 225 runderen, althans één of meer rund(eren), al dan niet opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: één of meerdere runderen (in de hellingstallen, zie p. 9 proces-verbaal en p. 1 en 2 van de veterinaire verklaring) over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die runderen niet de beschikking had(den) over een droge en/of schone ligplaats, zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van (een) bedrijf/bedrijven waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

1

zij op of omstreeks 18 april 2019 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, als houder van (ongeveer) 135 runderen, althans één of meer rund(eren), al dan niet opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: 14 runderen (in hellingstal 1, zie p. 6-7 proces-verbaal), althans één of meer rund(eren), en/of 74 runderen (in hellingstal 2, zie p. 6-7 proces-verbaal), althans één of meer rund(eren), over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die runderen niet de beschikking had(den) over een droge en/of schone ligplaats, immers stonden de runderen in de hellingstallen vooraan bij het voerhek in minimaal 10 centimeter dunne mest en/of was verder naar achteren in het hok de mest vermengd met een minimale hoeveelheid stro en/of was de vacht van de poten, flank(en) en buik(en) (van het merendeel) van (de) (het) rund(eren) vervuild met ingedroogde mest, zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet

dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

2

zij of omstreeks 18 april 2019 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, als houder van (ongeveer) 135 runderen, althans één of meer rund(eren), al dan niet opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: 26 runderen (in hellingstal 1, zie p. 7 proces-verbaal), althans één of meer rund(eren), en/of 13 runderen (in hellingstal 2, zie p. 7 proces-verbaal en p. 47 van de veterinaire verklaring), althans één of meer rund(eren), een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen/kreeg toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers lag op de voergang in hellingstal 1 geen kuilvoer en/of lag er een hoeveelheid broodafval afkomstig van een bakkerij buiten het bereik van (de) (het) rund(eren) en/of beschikte(n) (de) (het) rund(eren) in hellingstal 2

niet over voer op het moment van de controle, zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) ontving op 9 april 2018 een anonieme melding over de boerderij aan de [adres] , waar ongeveer 50 runderen in hun eigen uitwerpselen zouden liggen, de mest niet goed werd opgeslagen en de boerderij een onverzorgde indruk maakte.

Aan de [adres] zijn twee ondernemingen gevestigd: [verdachte] en [bedrijfsnaam 1] VOF. De heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is woonachtig op voornoemd adres.

[verdachte] wordt bestuurd door [bedrijfsnaam 2] (waarvan de heer [naam] enig aandeelhouder en directeur is1) en [bedrijfsnaam 3] .2 [bestuurder] is sinds 16 oktober 2015 bestuurder van [bedrijfsnaam 3] . [bestuurder] is ook één van de vennoten van [bedrijfsnaam 1] VOF.3 [bestuurder] heeft aangegeven dat hij verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering en de werkzaamheden binnen de ondernemingen.4

De NVWA heeft naar aanleiding van de voornoemde melding inspecties uitgevoerd bij het bewuste agrarische bedrijf, onder meer op 8 mei 2018, 17 mei 2018 en op 18 april 2019. De voornoemde bedrijven en [bestuurder] zijn vervolgens allen (al dan niet als medeverdachten) gedagvaard voor de verwaarlozing van runderen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het (primair) ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

[bestuurder] , als vertegenwoordiger van verdachte, heeft erkend dat op de ten laste gelegde tijdstippen de runderen onvoldoende voer tot hun beschikking hadden. Daarnaast heeft hij erkend dat een aantal runderen niet over een schone en droge ligplaats beschikten. Hij betwist echter dat dit het geval was bij alle runderen en voert aan dat hij voornemens was om de stallen uit te mesten. Bovendien hoort een laag mest bij de werking van een hellingstal, aldus [bestuurder] .

4.4

Het oordeel van de rechtbank

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

De rechtbank overweegt het volgende.5

Op 8 mei 2018 heeft aan de [adres] een inspectie plaatsgevonden, uitgevoerd door de heer [opsporingsambtenaar] , opsporingsambtenaar van de NVWA. Ter voorbereiding op de controle zijn de stallijsten gecontroleerd, waar op 7 mei 2018 bij [verdachte] totaal 142 runderen stonden vermeld en bij [bedrijfsnaam 1] totaal 83 runderen.6 Aan de [adres] werden totaal 225 runderen gehouden. Tijdens de inspectie werd het volgende aangetroffen.

De runderen van [bedrijfsnaam 1] en [verdachte] werden niet van elkaar gescheiden en niet in aparte hokken gehuisvest. Op het terrein stonden drie verschillende stallen waarin de runderen werden gehuisvest, waarvan stallen 1 en 3 van het type hellingstal waren. In de hellingstallen werden totaal 153 runderen gehuisvest.7

In de hellingstallen lag in (het achterste hellende deel van) de hokken een laag veelal dunne mest (met weinig stro), waarin de runderen diep weg zakten. Het voorste deel van de hokken bestond uit een laag van enkele centimeters tot op sommige plekken 25 centimeter vloeibare mest.8 Deze vloeibare mest bevond zich direct achter het voerhek op de plek waar de runderen moesten staan om te kunnen eten. De verbalisant constateerde dat er veel te weinig stro werd gestrooid, waardoor vrijwel alle 153 runderen niet konden beschikken over een schone, droge en hygiënische ligplaats/huisvesting.9 Volgens de verbalisant wezen de bevuilde en kale plekken in de vacht erop dat de runderen de voorgaande periode regelmatig en langdurig niet over een schone, droge en hygiënische ligplaats hadden beschikt.

In beide hellingstallen waren runderen aanwezig met een enorme achterstand in groei en ontwikkeling. De runderen waren sterk vermagerd, slecht bespierd en ribben- en heupbeenderen waren sterk ingevallen. Daarnaast waren er runderen met een grote kop in verhouding tot het lichaam, hetgeen kenmerkend is voor runderen die zijn achtergebleven in groei en ontwikkeling. Tevens stonden sterk verzwakte runderen bij de overige runderen en waren zieke en verzwakte runderen niet afgezonderd in een ziekenboeg. Daarnaast was er een kleine hoeveelheid voorraad kuilvoer van matige kwaliteit op het bedrijf aanwezig, dat op meerdere plekken met zand was vervuild. In stal 1 werd er oud brood bijgevoerd. Tijdens de controle was er geen krachtvoer, strovoorraad of ander strooisel op het bedrijf aanwezig. De strobalen die werden aangetroffen, waren onvoldoende om de hokken meerdere dagen voldoende in te kunnen strooien.

Op donderdag 17 mei 2018 heeft de NVWA nogmaals een controle uitgevoerd aan de [adres] . Op die dag was opnieuw sprake van een vergelijkbare toestand als op 8 mei 2018.10 Hoewel de hokken in de hellingstallen volgens [bestuurder] waren uitgemest, beschikten de runderen nog steeds niet over een voldoende schone, droge, hygiënische ligplaats. Het aangeboden veevoer was tijdens de controle van slechte kwaliteit omdat er op enkele plekken zand en schimmel in zat.

Dierenarts Van Den Brink heeft naar aanleiding van de inspectie op 17 mei 2018 een veterinaire verklaring opgemaakt. In deze verklaring stelt de dierenarts – voor zover hier relevant zakelijk weergegeven – dat een deel van de runderen niet de beschikking had over een voldoende schone en droge ligplaats en er sprake was van onhygiënische huisvesting.11 Het merendeel van de hokken in stallen 1 en 3 waren vervuild met mest en urine. De runderen in stal 1 die wilden eten, moesten met hun poten in een laag mest staan om bij het voer te kunnen. Achterin een groot deel van de hokken in beide hellingstallen lag stro dat was vervuild met mest en urine. Ook was een groot deel van de runderen bevuild met zowel ingedroogde als natte mest. Daarnaast werden vermagerde runderen en runderen met een groeiachterstand niet passend gehuisvest en kregen zij geen aangepast rantsoen. Het voer op de voergang was verontreinigd met zand en bevatte op diverse plekken schimmel.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het opgemaakte proces-verbaal en de veterinaire verklaring, en stelt op basis van het hiervoor overwogene vast dat verdachte er geen zorg voor heeft gedragen dat de runderen een toereikende behuizing hadden en een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, waardoor de gezondheid en het welzijn van de dieren ernstig werden benadeeld.

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

De rechtbank overweegt het volgende.12

Op 18 april 2019 heeft [opsporingsambtenaar] namens de NVWA nogmaals een inspectie aan de [adres] uitgevoerd. Op de stallijst van [verdachte] stonden totaal 135 runderen vermeld.13 Tijdens de controle is het volgende aangetroffen.

De runderen van [bedrijfsnaam 1] en [verdachte] stonden tijdens deze controle niet meer door elkaar. De runderen van [bedrijfsnaam 1] stonden in de wei en de runderen van [verdachte] stonden op stal. In hellingstal 1 beschikten 14 runderen niet over een voldoende schone, droge en hygiënische ligplaats. In hellingstal 2 beschikten 74 runderen niet over een voldoende schone, droge en hygiënische ligplaats.14 In beide stallen stonden de runderen vooraan bij het voerhek in minimaal tien centimeter dunne mest. Verder naar achteren in het hok was de mest vermengd met een minimale hoeveelheid stro, waardoor runderen ver in de stromest wegzakten en geen mogelijkheid hadden om droog te liggen. De vacht van de poten, flanken en buiken van het merendeel van de runderen was vervuild met ingedroogde mest. De vacht was bij een aantal runderen dermate ernstig aangetast dat deze hierdoor was uitgevallen.

Deze bevindingen worden ondersteund door de bevindingen van dierenarts Van Den Brink, die naar aanleiding van een inspectie op 24 april 2019 een veterinaire verklaring heeft opgemaakt. In deze verklaring stelt de dierenarts – voor zover hier relevant zakelijk weergegeven – dat de vacht van verschillende runderen is aangetast door het langdurig liggen in de mest en urine.15 In de hellingstallen was de vacht van de poten, flanken en buiken van het merendeel van de runderen vervuild met ingedroogde mest. In enkele hokken was de vacht over het gehele lijf van de runderen vervuild met ingedroogde mest. Daarnaast was de vacht bij een aantal runderen ernstig aangetast en bij verschillende runderen was er een duidelijke (min of meer horizontale) grens te zien op het lichaam, waar de huid aangetast of kaal was. Deze grens liep op het niveau van het dier welke nat/vervuild wordt wanneer de dieren langdurig in borst- buikligging liggen in de natte mest en urine. De runderen hebben voorafgaand aan de controle niet de zorg gekregen die zij redelijkerwijs behoefden. Deze zorg moet van een dierhouder in alle redelijkheid wel worden verwacht.

Voorts constateerde de opsporingsambtenaar tijdens de inspectie van 18 april 2019 dat er niet of onvoldoende voer in de stallen aanwezig was. In hellingstal 1 lag op de voergang geen kuilvoer en er lag een hoeveelheid broodafval afkomstig van een bakkerij buiten het bereik van de runderen. In hellingstal 2 beschikten de restkalveren (kalveren met een achterstand in de groei- en ontwikkeling) niet over voer en zij moesten de concurrentie met andere runderen aangaan op het moment dat er werd gevoerd.16

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het opgemaakte proces-verbaal en de veterinaire verklaring, en stelt op basis van het hiervoor overwogene vast dat verdachte er geen zorg voor heeft gedragen dat de runderen een toereikende behuizing hadden en een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, waardoor de gezondheid en het welzijn van de dieren ernstig werden benadeeld.

Conclusies ten aanzien van beide parketnummers

De rechtbank merkt [verdachte] aan als dader van de onder beide parketnummers tenlastegelegde feiten. Het schenden van de zorgplicht kan redelijkerwijs telkens aan de BV worden toegerekend, nu deze schendingen werden verricht in de sfeer van de BV. Het nakomen van de zorgplicht omtrent het huisvesten en voeren past immers in de normale bedrijfsvoering van de BV.

Gelet op het samenstel van feiten waaruit is gebleken dat in 2016 de eerste waarschuwing is gegeven aan [bestuurder]17 en bij controles en nacontroles telkens is gewezen op (strafbare) tekortkomingen, is de rechtbank van oordeel dat [bestuurder] wist dat binnen de BV sprake was van genoemde strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon, de BV telkens opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) deze feiten heeft gepleegd, omdat [bestuurder] , gelet op de bedrijfsvoering die uit de bewijsmiddelen naar voren komt, ook als “houder” in de zin van de wet is aan te merken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 bij parketnummer 08-994502-20 en het ten laste gelegde onder 1 en 2 bij parketnummer 08-994504-20 heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

feit 1

zij op 8 mei 2018 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met anderen, als houder van 225 runderen, opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: meerdere runderen over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die runderen niet de beschikking hadden over een droge en schone ligplaats, immers lag er een laag dunne mest in het achterste hellende deel en was slechts een kleine hoeveelheid stro aanwezig en bestond het voorste deel van de hokken uit een laag van enkele centimeters vloeibare mest, zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

feit 2

zij op 17 mei 2018 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met anderen, als houder van 225 runderen, opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: meerdere runderen een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, immers was het voer dat tijdens de controle werd aangeboden van slechte kwaliteit en was op enkele plekken in het voer zand en schimmel aanwezig, zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

feit 3

zij op 17 mei 2018 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met anderen, als houder van 225 runderen, opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: meerdere runderen (in de hellingstallen) over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die runderen niet de beschikking hadden over een droge en schone ligplaats, zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

feit 1

zij op 18 april 2019 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één ander, als houder van 135 runderen, opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: 14 runderen (in hellingstal 1) en 74 runderen (in hellingstal 2), over een toereikende behuizing beschikten onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien die runderen niet de beschikking hadden over een droge en schone ligplaats, immers stonden de runderen in de hellingstallen vooraan bij het voerhek in minimaal 10 centimeter dunne mest en was verder naar achteren in het hok de mest vermengd met een minimale hoeveelheid stro en was de vacht van de poten, flanken en buiken van het merendeel van de runderen vervuild met ingedroogde mest, zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;

feit 2

zij op 18 april 2019 in de gemeente Hengelo, tezamen en in vereniging met één ander, als houder van 135 runderen, opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat: 26 runderen (in hellingstal 1) en 13 runderen (in hellingstal 2), een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het

ontwikkelingsstadium van het dier, immers lag op de voergang in hellingstal 1 geen kuilvoer en lag er een hoeveelheid broodafval afkomstig van een bakkerij buiten het bereik van de runderen en beschikten de runderen in hellingstal 2 niet over voer op het moment van de controle, zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij:

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

  • -

    feit 1 en 3: artikel 1 onder 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 onder d, Besluit houders van dieren;

  • -

    feit 2: artikel 1 onder 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 onder e, Besluit houders van dieren;

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

  • -

    feit 1: artikel 1 onder 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 onder d, Besluit houders van dieren;

  • -

    feit 2: artikel 1 onder 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, Wet dieren juncto artikel 1.7 onder e, Besluit houders van dieren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

feit 1, 2 en 3

telkens het misdrijf:

het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

feit 1 en 2

telkens het misdrijf:

het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de onvoorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

[bestuurder] heeft namens verdachte aangevoerd dat de veestapel op dit moment op orde is. De stillegging van de onderneming is een te zware straf, omdat het bedrijf daarna niet meer levensvatbaar is (gelet op het feit dat fosfaatrechten niet worden vergeven wanneer op de peildatum geen vee wordt gehouden).

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de bedrijfsomstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich bij herhaling schuldig gemaakt aan een economisch delict door niet de zorg te geven aan de gehouden runderen die op grond van geldende wet- en regelgeving is vereist. [bestuurder] heeft sinds jaar en dag een veebedrijf. Uit de door de verbalisant van de NVWA opgemaakte processen-verbaal komt bij [bestuurder] , en dus ook verdachte, een beeld naar voren van een boer die het werk boven zijn hoofd groeit en zijn vee geen passende zorg en verzorging (meer) kan geven. De bij de processen-verbaal gevoegde foto’s laten daarbij zien hoe ernstig de situatie voor de dieren op de tenlastegelegde data was en bevestigen de beschreven schrijnende situatie. Op de foto’s is te zien dat dieren volop in de mest staan en geen droge en schone ligplaats tot hun beschikking hebben. Ook de voeding was ver onder de maat, zeker ten aanzien van de (ernstig) verzwakte kalveren.

Als veehouder is verdachte verantwoordelijk voor de zorg van de dieren. Zij heeft de absolute zorg voor het leven en de leefomstandigheden van haar dieren en zij moet ervoor zorgen dat de dieren op een zodanige wijze gehouden worden dat aan het streef(minimum)niveau van het dierenwelzijn wordt voldaan. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een structureel probleem. [bestuurder] heeft weliswaar vele jaren werkervaring, maar hij kampt al eveneens jarenlang met problemen op het gebied van zijn gezondheid, financiën en privésituatie en leunt, vooral de laatste tijd, op zijn kinderen om de bedrijven voort te laten bestaan. Verdachte conformeert zich niet aan de voorschriften en adviezen die de NVWA haar bij de controles heeft gegeven. Hierdoor heeft verdachte het welzijn van de dieren ernstig benadeeld. [bestuurder] lijkt te verzanden in zijn problemen, waaronder (juridische) procedures met de overheid omtrent bestemmingsplannen, waardoor hij geen oog voor en inzicht lijkt te hebben in de gevolgen die het gebrek aan verzorging van de dieren heeft. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.

De rechtbank overweegt bij de strafoplegging in verlichtende zin rekening te houden met de justitiële documentatie van [verdachte] , waaruit blijkt dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat thans het winterseizoen, en dus het stalseizoen, intrede heeft gemaakt, de periode waarin doorgaans meer van verdachte wordt verlangd omtrent de verzorging van de dieren dan in het weideseizoen. Verdachte heeft momenteel echter een substantieel aantal koeien minder op zijn erf staan dan voorgaande jaren, als gevolg van bestuursrechtelijk ingrijpen. Bovendien zijn er ten aanzien van de dieren geen overtredingen geconstateerd tijdens controles in oktober 2019 en april 2020, hoewel de situatie ook toen bepaald niet overhield aangezien slechts aan de absolute minimumvoorschriften was voldaan. Gelet op het voorgaande geeft de rechtbank verdachte nog een laatste kans om te laten zien dat zij de verzorging van de runderen aankan, zodat de stillegging van de onderneming kan worden voorkomen. Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke geldboete van € 5.000,- en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van zes maanden passend en geboden, waarbij een proeftijd van drie jaren geldt.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 6 en 7 van de Wet op de Economische Delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van parketnummer 08-994502-20:

feit 1, 2 en 3

telkens het misdrijf:

het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

ten aanzien van parketnummer 08-994504-20:

feit 1 en 2

telkens het misdrijf:

het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onderdeel d, van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, Wet dieren aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bij parketnummer 08-994502-20 en het onder 1 en 2 bij parketnummer 08-994504-20 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend) euro;

- bepaalt dat deze geldboete in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

bepaalt dat als bijkomende straf aan verdachte wordt opgelegd:

  • -

    gehele stillegging van de onderneming van de veroordeelde, waarin de economische delicten zijn begaan, voor de tijd van 6 (zes) maanden;

  • -

    bepaalt dat deze bijkomende straf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging van deze straffen gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Koning, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.

Mr. Wentink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Een schriftelijk bescheid zijnde een uittreksel kamer van koophandel van [bedrijfsnaam 2] van 14 april 2020.

2 Een schriftelijk bescheid zijnde een uittreksel kamer van koophandel van [verdachte] van 14 april 2020.

3 Een schriftelijk bescheid zijnde een uittreksel kamer van koophandel van [bedrijfsnaam 1] VOF van 14 april 2020.

4 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [bestuurder] d.d. 26 juni 2018, opgemaakt door verbalisant [opsporingsambtenaar] d.d. 12 april 2019, pagina 11.

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s, zijn dit pagina’s van het proces-verbaal opgemaakt op 12 april 2019 door de verbalisant [opsporingsambtenaar] , buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), afdeling Dier, Team Dierenwelzijn Zuid, met referentienummer 143676/110376/6014337/2.

6 Pagina 3.

7 Pagina 6.

8 Pagina 6.

9 Pagina 7.

10 Pagina 9.

11 Een geschrift, zijnde de veterinaire verklaring van drs. W.D.J. van den Brink, pag. 2 en 3.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s, zijn dit pagina’s van het proces-verbaal opgemaakt op 21 augustus 2019 door de verbalisant [opsporingsambtenaar] , buitengewoon opsporingsambtenaar, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), afdeling Dier, Team Dierenwelzijn Zuid, met referentienummer 151154/115965/6014337/3.

13 Pagina 5.

14 Pagina’s 6-7.

15 Een geschrift, zijnde de veterinaire verklaring van drs. W.D.J. van den Brink, pag. 2.

16 Pagina 7.

17 Het proces-verbaal van de NVWA van 12 april 2019, met kenmerk 143676/110376/6014337/2, pagina 5.