Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3509

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
8532564 CV EXPL 20-2132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het aangaan van een overeenkomst uit hoofde waarvan een huiswerkbegeleidingsinstituut aan de zoon van eisers een examentraining zal verzorgen tegen een totaalprijs van € 813,00 is geen rechtshandeling waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van deze leeftijd deze zelfstandig verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 8532564 CV EXPL 20-2132

Vonnis van 29 september 2020

In de zaak van

[eiser] en [eiseres], in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van [zoon],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

gemachtigde: mr. M.W. van der Heijden te Vught,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] B.V.,

gevestigd te [plaats 1] en kantoorhoudende te [plaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J. Draaisma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] (mannelijk enkelvoud), [zoon] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het (tussen)vonnis van 21 juli 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen

- de akte overleggen producties van [eiser]

- de mondelinge behandeling op 1 september 2020, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt

- de spreekaantekeningen van [eiser]

- de (verbeterde) pleitaantekeningen van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een landelijke aanbieder van verschillende vormen van onderwijsondersteuning voor middelbare schoolleerlingen en studenten (o.a. huiswerkbegeleiding, bijles, studiekeuzeadvies en examentrainingen).

2.2.

Op 12 maart 2020 heeft de destijds minderjarige [zoon] (17 jaar) met [gedaagde] een overeenkomst gesloten uit hoofde waarvan [gedaagde] onder meer examentraining voor de vakken wiskunde A, Duits en Management en Organisatie op VWO-niveau aan [zoon] zal verzorgen tegen een totaalprijs van € 813,00 (hierna: de overeenkomst). [zoon] heeft dit bedrag vanaf zijn betaalrekening voldaan.

2.3.

Op 24 maart 2020 heeft [gedaagde] aan haar klanten meegedeeld dat de geplande examentrainingen door, kort gezegd, de coronacrisis geen doorgang kunnen vinden en dat reeds betaalde gelden niet zullen worden gerestitueerd en dat de klanten in plaats daarvan een (vrij overdraagbare) tegoedbon/voucher zullen krijgen.

2.4.

Bij brief van 23 april 2020 heeft [eiser] de overeenkomst primair vernietigd en subsidiair ontbonden en verzocht om terugbetaling van het bedrag ad € 813,00.

2.5.

Op of omstreeks 1 juli 2020 heeft [gedaagde] in het kader van een eenzijdig door haar vastgestelde betalingsregeling een bedrag van € 203,25 (25% van € 813,00) aan [eiser] terugbetaald.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(A1) primair voor recht zal verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd, althans de overeenkomst zal vernietigen;

(A2) subsidiair voor recht zal verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden, althans de overeenkomst zal ontbinden;

(B) primair en subsidiair [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van het bedrag ad € 960,56 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten en exclusief wettelijke rente), almede de proces- en nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover nodig, hierna ingaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(I) primair voor recht zal verklaren dat [gedaagde] met de voucherregeling heeft voldaan aan haar verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, op basis van de uitzonderlijke omstandigheden en artikel 6:248 BW;

(II) subsidiair [eiser] zal veroordelen het aanbod van [gedaagde] met betrekking tot de nieuwe betalingsregeling te aanvaarden;

(III) primair en subsidiair [eiser] zal veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eiser] voert gemotiveerd verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen zal de kantonrechter, voor zover nodig, hierna ingaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Vanwege de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, primair ten grondslag dat [zoon] ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst handelingsonbekwaam was, zodat de overeenkomst vernietigbaar is. Subsidiair beroept [eiser] zich op ontbinding van de overeenkomst, op de grond dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst. [eiser] betoogt dat aan de zijde van [gedaagde] sprake is van volledige niet-nakoming.

5.3.

[gedaagde] betwist zowel het een als het ander. In reconventie vordert [gedaagde] primair een verklaring voor recht dat zij met de door haar voorgestelde voucherregeling voldoet aan haar verplichting uit de overeenkomst op grond van artikel 6:248 BW en subsidiair [eiser] te veroordelen om akkoord te gaan met de nieuwe betalingsregeling. Volgens [gedaagde] voldoet de voucherregeling aan de daarvoor opgestelde uitgangspunten van de Autoriteit Consument & Markt (ACM).

5.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:234 lid 1 BW is een minderjarige, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt. [eiser] betwist uitdrukkelijk dat hij aan [zoon] toestemming heeft verleend voor het aangaan van de overeenkomst. Anders dan [gedaagde] betoogt, kan deze toestemming niet uit de adressering, aanhef en tekst van de factuur d.d. 12 maart 2020 (productie 1 bij dagvaarding) worden afgeleid. Het derde lid van artikel 1:234 BW bepaalt evenwel dat de toestemming aan de minderjarige wordt verondersteld te zijn verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten. Het gaat hier om rechtshandelingen waarbij de wederpartij niet naar de toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger pleegt te informeren, zoals het kopen van levensmiddelen, een buskaartje of een kaartje voor een filmvoorstelling, het aanschaffen van studieboeken en geluidsbanden, het ontplooien van activiteiten en het in verband daarmee verrichten van rechtshandelingen op het gebied van sport en spel (Kamerstukken II 1992/1993, 23 012, nr. 3, p. 13).

Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar (artikel 3:32 lid 2 BW).

5.5.

De kantonrechter is van oordeel dat het aangaan van de overeenkomst geen rechtshandeling is waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van deze leeftijd deze zelfstandig verrichten. Een dergelijke overeenkomst gaat verder dan de hiervoor in 5.4 in de wetsgeschiedenis beschreven voorbeelden. Daarbij betrekt de kantonrechter dat minderjarigen specifieke bescherming nodig hebben, ook als het – zoals in dit geval – bijna meerderjarigen betreft, alsmede de hoogte van het bedrag waarop de overeenkomst ziet. Dit betekent dat niet mag worden aangenomen dat toestemming voor het aangaan van de rechtshandeling door [eiser] als wettelijk vertegenwoordiger was verleend. De overeenkomst is bij brief van 23 april 2020 rechtsgeldig vernietigd. De primair gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd is daarom toewijsbaar. Voorts zullen de gevorderde betaling tot een bedrag van € 609,75 (€ 813,00 –

€ 203,25) en de wettelijke rente over dit bedrag worden toegewezen. Hieruit volgt dat het in reconventie gevorderde, zowel primair als subsidiair, dient te worden afgewezen.

5.6.

[eiser] maakt ook aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief (15% x € 813,00 = € 121,95) en zal worden toegewezen. Nu [eiser] geen BTW kan verrekenen, zal dit bedrag worden vermeerderd met € 25,61 (21% x € 121,95), dus totaal € 147,56.

5.7.

[gedaagde] heeft verzocht te bepalen dat het vonnis niet eerder uitgevoerd mag/kan worden dan uiterlijk twee weken na 30 april 2021. In dit verband heeft [gedaagde] gewezen op de precedentwerking die het gevolg zal zijn van restitutie aan [eiser] waardoor de kans groot is dat dit leidt tot een financieel debacle voor [gedaagde] .

5.8.

Nu op de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad verweer wordt gevoerd, moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval (HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2215). In dit geval weegt het belang van [eiser] zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand tot (uiterlijk) medio mei 2021. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. Degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben (HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602). Voorts is [gedaagde] volgens eigen zeggen een relatief groot bedrijf (circa 500 fte) en zijn van de ruim 7000 klanten die een examentraining hadden gekocht er slechts zes gaan procederen (zie randnummers 9 en 10 van de pleitaantekeningen van [gedaagde] ), zodat het door [gedaagde] gestelde “financieel debacle” niet geloofwaardig voorkomt. Ook overigens heeft [gedaagde] deze stelling niet onderbouwd.

5.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie.

De kosten aan de zijde van [eiser] in conventie worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht € 236,00

- salaris gemachtigde € 240,00 (2 punten x tarief € 120,00)

- nakosten € 60,00

Totaal € 642,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal, op de hierna te melden wijze, eveneens worden toegewezen.

De kosten aan de zijde van [eiser] in reconventie worden tot op heden begroot op

€ 36,00 aan salaris gemachtigde (1 punt x 0,5 x tarief € 72,00).

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd,

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het bedrag ad € 757,31 (€ 609,75 + € 147,56), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 13 mei 2020 tot de dag der algehele voldoening,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 642,47, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening,

6.4.

verklaart 6.2 en 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.

6.5.

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

6.6.

wijst de vorderingen af,

6.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 36,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020. (PS)