Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3503

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
8626901 \ CV EXPL 20-2795
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Vordering tot betaling van achterstallige huurpenningen, servicekosten en contractuele boetes. Terughoudendheid bij veroordeling tot betaling van een geldsom in kort geding. Spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt, vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8626901 \ CV EXPL 20-2795

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen, hierna te gezamenlijk te noemen [eiser 1] c.s. (mannelijk meervoud),

gemachtigde: mr. N.W. Sprenger-Andela,

tegen

de besloten vennootschap ULFCAR BENELUX B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde partij, hierna te noemen Ulfcar,

gemachtigde: mr. Ö. Çolak.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties, uitgebracht op 8 juli 2020;

- de van de zijde van Ulfcar overgelegde producties;

- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2020, waarvan aantekening is gehouden door de griffier;

- de pleitnota van Ulfcar.

1.2.

Bepaald is dat vandaag vonnis tussen partijen zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

Ulfcar huurt van [eiser 1] c.s. de bedrijfsruimte aan de Voltastraat 27a te Zwolle. De huurprijs bedroeg laatstelijk € 2.343,54.

2.2.

[eiser 1] c.s. hebben de huurovereenkomst op 14 februari 2020 opgezegd, met ingang van 1 juni 2020. Op 31 juli 2020 heeft Ulfcar bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot verlenging van de ontruimingstermijn.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vragen – samengevat en na vermindering van eis – de kantonrechter om de volgende veroordelingen uit te spreken. Zij vragen om veroordeling van Ulfcar tot betaling van een bedrag van € 11.717,70 aan achterstallige huurpenningen, een bedrag van

€ 3.525,98 voor achterstallige betalingen van servicekosten en een bedrag van € 1.500,00 aan contractuele boetes. Daarnaast vragen [eiser 1] c.s. veroordeling van Ulfcar tot het overleggen van onderhoudsrapporten en periodieke keuringsrapporten van de technische installaties, op straffe van een dwangsom. Ten slotte vorderen [eiser 1] c.s. een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van Ulfcar in de proceskosten.

3.2.

Ulfcar heeft verweer gevoerd. Dit verweer komt – samengevat – op het volgende neer. [eiser 1] c.s. hebben geen spoedeisend belang bij toewijzing van de vorderingen en dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. De huurpenningen van februari, maart en mei 2020 zijn voldaan door middel van verrekening, waarvoor [eiser 3] toestemming heeft verleend. De betaling van verdere openstaande bedragen is vertraagd vanwege persoonlijke omstandigheden van de heer [A] , maar deze huurachterstand zal op korte termijn worden voldaan. De verschuldigdheid van de servicekosten wordt door Ulfcar betwist. Aangezien er slechts in beperkte mate sprake is van achterstallige huurpenningen, dient de vordering tot betaling van de contractuele boetes te worden afgewezen. Bovendien ontbreekt voor deze boetes iedere grondslag, omdat de “Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte (…)” (hierna: algemene voorwaarden) niet door [eiser 1] c.s. ter hand zijn gesteld, en Ulfcar om die reden de vernietiging ervan inroept. Onderhoud en keuring van technische installaties is volgens Ulfcar niet haar verantwoordelijkheid, maar die van [eiser 1] c.s. De algemene voorwaarden moeten zoals gezegd worden vernietigd, zodat ook op die grond de vordering moet worden afgewezen. De onderhoudscontracten zijn daarnaast niet in het bezit van Ulfcar.

3.3.

De stellingen van partijen worden hierna besproken, voor zover dit van belang is.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat in kort geding terughoudend moet worden omgegaan met een veroordeling tot betaling van een geldsom. De kantonrechter moet daarom nagaan of de vordering voldoende aannemelijk is, en ook of er sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat er met onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bij de belangenafweging moet de kantonrechter daarnaast het risico van onmogelijkheid van terugbetaling meewegen.

Huurpenningen over de maanden februari, maart en mei 2020 en de servicekosten

4.2.

Omdat Ulfcar ten aanzien van de huurpenningen over de maanden februari, maart en mei 2020 heeft aangevoerd dat zij deze mocht verrekenen met de borg op basis van een afspraak met [eiser 3] , is de verschuldigdheid van deze huurpenningen voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. Daarvoor is immers nadere bewijslevering noodzakelijk, terwijl daar in deze kort geding procedure geen ruimte voor is. Daarom zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

4.3.

Hetzelfde lot geldt voor de gevorderde servicekosten. Ulfcar heeft de verschuldigdheid en de hoogte van die kosten betwist. Zij stelt onder meer dat zij ten onrechte moet betalen voor vast recht groot verbruik en dat zij ook in het verleden in dat kader teveel heeft betaald. Deze vordering is vooralsnog zonder nadere onderbouwing of bewijslevering onvoldoende aannemelijk geworden.

Huurpenningen over de maanden juni en juli 2020

4.4.

De verschuldigdheid van de huurpenningen over de maanden juni en juli 2020 heeft Ulfcar niet betwist. Met toewijzing van de vordering voor wat betreft deze huurachterstand moet de kantonrechter, zoals hiervoor onder punt 4.1. is opgemerkt, terughoudend zijn. [eiser 1] c.s. hebben aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] geen pensioen hebben opgebouwd, en dat [eiser 1] c.s. van de inkomsten van de verhuur moeten leven. Om die reden hebben zij een spoedeisend belang bij een veroordeling van Ulfcar tot betaling van deze huurpenningen, zo stellen zij. Ulfcar heeft dit spoedeisend belang betwist en stelt dat [eiser 1] c.s. hun standpunt niet hebben onderbouwd.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser 1] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij veroordeling van Ulfcar tot betaling van de huurpenningen over de maanden juni en juli 2020. Weliswaar hebben zij aangevoerd dat zij van deze inkomsten moeten leven, maar deze stelling hebben zij niet nader onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is bovendien gebleken dat [eiser 1] c.s. ook een ander gedeelte van hetzelfde bedrijfspand verhuren. [eiser 1] c.s. hebben niet gesteld, en daarnaast is ook niet gebleken, waarom zij ondanks deze inkomsten niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De vordering tot betaling van de huurpenningen over de maanden juni en juli 2020 zal daarom eveneens worden afgewezen.

Contractuele boetes

4.6.

Voor wat betreft de vordering tot betaling van een bedrag aan contractuele boetes op grond van de algemene voorwaarden heeft ook te gelden dat [eiser 1] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij veroordeling van Ulfcar tot betaling hiervan, nog daargelaten de discussie over de vraag of in een bodemprocedure het beroep van Ulfcar op vernietiging van de algemene voorwaarden zal slagen. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

Het overleggen van onderhoudscontracten en keuringsrapporten

4.7.

[eiser 1] c.s. hebben voorts veroordeling van Ulfcar gevorderd tot het overleggen van onderhoudsrapporten en periodieke keuringsrapporten van de technische installaties die zich in het gehuurde bevinden. Ulfcar heeft aangevoerd dat het onderhoud van die installaties niet onder haar verantwoordelijkheid valt en dat genoemde rapporten niet in haar bezit zijn.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat heeft te gelden dat het onderhoud en de keuring van de technische installaties waar [eiser 1] c.s. op doelen voor rekening van Ulfcar moeten komen, mede gelet op de discussie over de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden. Bovendien is het niet duidelijk geworden wat er ten aanzien van het onderhoud van de technische installaties van Ulfcar verwacht wordt, in het bijzonder omdat [eiser 1] c.s. in een eerder stadium zelf meerdere malen onderhoud heeft laten uitvoeren aan onder meer de centrale verwarming op verzoek van Ulfcar. Om die reden zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

4.9.

Aangezien de vorderingen van [eiser 1] c.s. worden afgewezen, moet de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ook worden afgewezen.

4.10.

[eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten. De nakosten zullen worden begroot op een half punt van het salaris gemachtigde, met een maximum van € 120,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Ulfcar vastgesteld op € 720,00, en in de nakosten, begroot op € 120,00.

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020.