Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3386

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
C/08/253872 / KG ZA 20-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Partijen zijn broer en zus van elkaar. Hun moeder is overleden. De dochter, aan wie een legaat is nagelaten, heeft de grosse van het testament ten laste van haar broer (executeur en enig erfgenaam) tenuitvoergelegd. Daarbij is derdenbeslag gelegd onder de bank met betrekking tot bankrekeningen van de broer. Tevens is beslag gelegd op de woning die tot de nalatenschap behoort. Broer vordert kort gezegd opheffing van de beslagen op straffe van een dwangsom. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0245
JERF Actueel 2020/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/253872 / KG ZA 20-193

Vonnis in kort geding van 29 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] , [land 1] ,

eiser,

advocaat mr. S.P. Bolweg te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] , [land 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna, in navolging van partijen, [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure van dit spoed kort geding blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 september 2020 met producties genummerd 1 t/m 20

  • -

    de producties 1 t/m 3 van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling van 7 september 2020

  • -

    de pleitnota van mr. Bolweg

  • -

    de pleitnota van mr. Damstra.

1.2.

In verband met de overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Coronavirus heeft de mondelinge behandeling via een Skypeverbinding plaatsgevonden. Verschenen zijn enerzijds [eiser] en zijn advocaat mr. Bolweg en anderzijds mr. Van Valburch (schriftelijk gevolmachtigde van [gedaagde] ) en advocaat mr. Damstra.

1.3.

Op 15 september 2020 heeft [eiser] een wrakingsverzoek bij de rechtbank ingediend. In verband daarmee is de behandeling van dit kort geding geschorst. De wrakingskamer van de rechtbank heeft op 25 september 2020 uitspraak gedaan en heeft [eiser] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Vervolgens is de behandeling van dit kort geding hervat en is de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn familie van elkaar. [eiser] is de broer van [gedaagde] . De verhouding tussen hen is verstoord.

2.2.

De moeder van partijen, [erflaatster] is [2019] overleden. Haar laatste woonplaats was [plaats] .

2.3.

Erflaatster heeft bij testament van 18 februari 2015 over haar nalatenschap beschikt. In dat testament heeft zij onder andere vastgelegd dat haar zoon [eiser] haar enige erfgenaam is. Hij is ook benoemd tot executeur. Aan haar dochter [gedaagde] heeft erflaatster het hierna te omschrijven legaat nagelaten.

2.4.

[eiser] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en hij heeft ook de benoeming tot executeur aanvaard.

2.5.

Het legaat voor dochter [gedaagde] houdt volgens het testament in: (…) een bedrag in contanten ter grootte van de helft van de waarde van het tot mijn nalatenschap behorende registergoed aan de [adres] te [plaats] , dan wel het registergoed dat hiervoor in de plaats is gekomen, uit te keren in maandelijkse termijnen binnen vijf jaar na mijn overlijden, onder bijberekening van een rente overeenkomend met de twaalfmaands-Euriborrente. Terzake van de bepaling van de waarde van het hierboven bedoelde registergoed bepaal ik dat dit in de waardering betrokken dient te worden voor de WOZ-waarde die gehanteerd wordt bij de aangifte voor de erfbelasting als bedoeld in de successiewet 1956, dan wel de hiervoor in de plaats getreden wet- en / of regelgeving.

2.6.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 13 februari 2020 de termijn voor het maken van een keuze ten aanzien van de aanvaarding van het legaat verlengd tot 13 juni 2020. Nadien heeft [gedaagde] bij brief van 3 april 2020 laten weten dat zij het legaat aanvaardt en dat zij aanvullend aanspraak maakt op haar legitieme; verder sommeert [gedaagde] [eiser] om aan haar een bedrag van € 21.269,39 vóór 10 april 2020 te voldoen, omdat zij meent dat op dat moment al negen termijnen van het legaat opeisbaar zijn.

2.7.

Vervolgens heeft correspondentie tussen de (gemachtigden van) partijen plaatsgevonden, waarbij overeenstemming tussen partijen over de afwikkeling van het testament is uitgebleven.

2.8.

[eiser] heeft in verband met het legaat in het voorjaar van 2020 twee maal een bedrag van € 2.781,00 aan [gedaagde] uitbetaald.

2.9.

Op grond van de grosse van het testament heeft [gedaagde] bij exploot van 26 augustus 2020 ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder ING bank en ABN AMRO bank voor een totaalbedrag inclusief kosten ad € 15.349,25. Bij exploot van 1 september 2020 heeft zij voor dit bedrag tevens executoriaal beslag gelegd op gemelde woning aan de [adres] in [plaats] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] wenst opheffing van het beslag en vordert daarom
(1) [gedaagde] te veroordelen om, binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis, de genomen executiemaatregelen jegens [eiser] te staken en gestaakt te houden, de genomen executiemaatregelen ongedaan te maken en de gelegde executoriale beslagen op te heffen, en haar te veroordelen om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling voldoet,
(2) veroordeling van [gedaagde] tot betalingvan de beslagkosten begroot op € 2.000,00, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,
(3) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen de volgende argumenten tegen de beslaglegging opgeworpen.

Ten eerste stelt [eiser] dat het beslag niet voldoet aan de regels die daarvoor gelden. Pas na de feitelijke beslaglegging op 26 augustus 2020 heeft [eiser] op 28 augustus 2020 de bescheiden ontvangen, waaruit zou blijken dat aan hem een grosse van het testament is betekend en dat hem het bevel is gegeven om binnen twee dagen na betekening tot betaling over te gaan. [eiser] heeft dus geen tijd gehad om nog voorafgaand aan de beslaglegging tot betaling over te gaan.

Ten tweede stelt hij dat aan het testament geen executoriale kracht toekomt, omdat uit de omschrijving van het legaat in het testament onvoldoende duidelijk kan worden bepaald wat de waarde van het legaat bedraagt. Dat blijkt volgens [eiser] al uit de discussie die daarover tussen partijen is gevoerd.

Ten derde stelt [eiser] dat [gedaagde] geen opeisbare vordering op [eiser] heeft. Volgens [eiser] bepaalt het testament niet dat het legaat in gelijke termijnen moet worden uitbetaald en bepaalt het ook niet of [eiser] daar wel of niet eerst de erfbelasting vanaf mag trekken, voordat hij tot maandelijkse betalingen overgaat. Het is, zo stelt hij, de vrijheid van de executeur om daarin keuzes te maken.

Ten vierde stelt [eiser] dat het beslag voor hem onnodig bezwarend is. Volgens [eiser] had [gedaagde] er voor kunnen kiezen om conservatoir beslag te leggen in plaats van de executoriale beslagen die zij nu heeft gelegd.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en concludeert daarin tot handhaving van de beslagen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrecht stelt vast dat partijen in het buitenland woonachtig zijn. [eiser] woont in [land 1] en [gedaagde] woont in [land 2] . De bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is volgens de dagvaarding gebaseerd op hetgeen is bepaald in artikel 438 Rv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) in verbinding met artikel 104 Rv. Laatst genoemd artikel bepaalt dat in zaken betreffende nalatenschappen mede bevoegd is de rechter van de laatste woonplaats van de overledene. De voorzieningenrechter constateert dat sinds 17 augustus 2015 de Europese Erfrechtverordening van kracht is (Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring). Deze verordening is van toepassing op nalatenschappen die na die ingangsdatum zijn opengevallen. Dat is in deze zaak het geval. Van belang is dat de onderhavige vordering betrekking heeft op de nalatenschap van een erflaatster met de Nederlandse nationaliteit. De laatste woonplaats van erflaatster was gelegen in [plaats] en de vordering ziet op een onroerende zaak in die gemeente. De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle gaat er daarom vanuit dat hij in alle opzichten bevoegd is om van het geschil kennis te nemen en dat het Nederlands recht daarop van toepassing is. De toepasselijkheid van het Nederlands recht is overigens ook al bij testament door erflaatster aangewezen.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op dit moment geen gronden zijn om de beslagen op te heffen. De gronden voor deze beslissing worden hierna uiteengezet. Daarbij zal allereerst het meest zwaarwegende bezwaar van [eiser] – dat van de bepaalbaarheid van de vordering uit testament – worden besproken.

Is de omvang van het legaat voldoende bepaalbaar?

4.3.

Op grond van artikel 430 lid 1 Rv kan de grosse van in Nederland verleden authentieke akten in Nederland ten uitvoer worden gelegd. Ingevolge het bepaalde in artikel 156 lid 2 Rv is een notariële akte, zoals een testament, een authentieke akte als bedoeld in artikel 430 lid 1 Rv. Blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is vereist dat de vordering voldoende bepaalbaar is (HR 26 juni 1992, NJ 1993, 449). In zijn arrest van 8 februari 2013, NJ 2013/123, heeft de Hoge Raad (nogmaals) overwogen dat de grosse van een notariële akte executoriale kracht heeft en dat die akte aan een schuldeiser de bevoegdheid geeft om zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst de in die akte vermelde aanspraak ten uitvoer te leggen. Gelet op het verstrekkende en ingrijpende karakter van deze bevoegdheid valt het bestaan daarvan alleen te aanvaarden indien de vordering waarvoor deze is verleend met voldoende bepaaldheid in de titel is omschreven. Dat houdt in dat de akte op een voor de schuldenaar bindende wijze de weg moet aanwijzen waarlangs de omvang van de schuld kan worden vastgesteld.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval aan dat criterium is voldaan. Weliswaar hebben partijen in hun correspondentie over en weer discussies opgeworpen over de omvang en de uitkering van het legaat, maar die omstandigheid neemt niet weg dat in het testament een voldoende bepaalbare omschrijving van het legaat is neergelegd, zoals hiervoor onder 2.5 is geciteerd. Weliswaar is de hoegrootheid van het legaat niet als een concreet bedrag beschreven, maar wel is vastgelegd op welke wijze de omvang van het legaat moet worden vastgesteld. Als uitgangspunt van de waarde van de woning dient immers de WOZ-waarde die gehanteerd wordt bij de aangifte voor de erfbelasting als bedoeld in de successiewet 1956, dan wel de hiervoor in de plaats getreden wet- en / of regelgeving. De helft van deze woningwaarde betreft de omvang van het legaat. Ten aanzien van de bijberekening van rente is in het testament vastgelegd dat de twaalfmaands Euriborrente daarvoor als uitgangspunt geldt, zodat ook over vaststelling van het rentetarief duidelijkheid is gegeven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omvang van het legaat aldus voldoende concreet bepaalbaar is.

Is de vordering van [gedaagde] opeisbaar?

4.5.

[gedaagde] heeft beslag gelegd voor een bedrag van € 15.349,25. Onderdeel van dit bedrag is een hoofdsom van € 14.153,00. Bij brief van 1 juli 2020 (productie 13 bij dagvaarding) heeft de gemachtigde van [gedaagde] toegelicht waar de hoogte van dit bedrag op is gebaseerd. [gedaagde] gaat uit van een (minimale) waarde van het legaat van € 153.500,00 en 60 maandtermijnen (vijf jaren) waarin het legaat moet worden uitgekeerd. Dat houdt in dat op 20 juni 2020 twaalf maandtermijnen zijn verstreken. Zij heeft de verschuldigde erfbelasting (€ 10.985,00) van dat bedrag afgetrokken alsmede de twee betalingen van € 2.781,00 die door [eiser] aan haar zijn gedaan en komt dan uit op genoemd bedrag van € 14.153,00 dat volgens [gedaagde] in elk geval op 1 juli 2020 opeisbaar is.

4.6.

[eiser] betwist die opeisbaarheid. Volgens [eiser] heeft hij als executeur op basis van het testament van erflaatster de vrijheid gekregen om de wijze van uitbetaling van het legaat nader in te vullen. Er is immers niet bepaald dat het legaat in gelijke maandelijkse termijnen moet worden voldaan en ook bepaalt het testament niet of [eiser] eerst de erfbelasting mag betalen voordat hij overgaat tot uitkering van de maandelijkse termijnen. De voorzieningenrechter gaat niet mee in deze redenering van [eiser] . In het testament is bepaald dat het legaat moet worden uitgekeerd in maandelijkse termijnen binnen vijf jaar na het overlijden. Over de grootte van die termijnen is niets specifieks opgenomen, zodat het voor de hand ligt om uit te gaan van gelijke termijnen gedurende een periode van vijf jaren. Uit artikel 4:125 BW lid 1 volgt dat een legaat van een geldsom opeisbaar wordt zes maanden na overlijden van de erflater. Uit lid 3 van dat artikel volgt dat een ingebrekestelling is vereist voordat degene op wie de schuld rust in verzuim raakt. Door [eiser] zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen die aanleiding geven om uit te moeten gaan van een andere benadering met betrekking tot de voldoening van het legaat. Het bedrag waarvoor [gedaagde] haar broer bij brief van 1 juli 2020 heeft gesommeerd om binnen 7 dagen na dagtekening van die brief te voldoen en waarvoor zij [eiser] nadien nog heeft aangemaand, ziet op de betaling van de maandelijkse termijnen over het eerste jaar na overlijden van erflaatster onder aftrek van de erfbelasting. Voor wat betreft dit laatste is zij daarmee aan de wens van [eiser] tegemoet gekomen. Het bedrag dat daaruit voortkomt en waarvoor eind augustus 2020 beslag is gelegd, moet daarom als opeisbaar worden aangemerkt.

4.7.

Voor de afwikkeling van de nalatenschap is verder van belang dat [gedaagde] het legaat binnen de daarvoor door de kantonrechter gestelde termijn heeft aanvaard. Daar komt bij dat de gevolmachtigde van [gedaagde] , mr. Van Valburch, bij de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft verklaard dat het testament door [gedaagde] niet zal worden aangevochten.

Onjuiste betekening van de beslagen?

4.8.

[eiser] stelt dat hij pas op 28 augustus 2020, en daarmee na de feitelijke beslaglegging op de bankrekeningen op 26 augustus 2020, een aangetekend schrijven heeft ontvangen, waaruit blijkt dat de grosse van het testament aan hem is betekend. De termijn om binnen twee dagen na betekening alsnog tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan was toen al verstreken, volgens [eiser] .

4.9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de deurwaarder bij exploot van 27 augustus 2020 de processen-verbaal van het derdenbeslag aan [eiser] heeft betekend en tevens bevel heeft gedaan om binnen twee dagen na betekening tot betaling over te gaan. Uit hetgeen [eiser] bij dagvaarding in kort geding heeft gesteld, volgt dat [eiser] – die in [land 1] woont en op basis van Europese regelgeving van de betekening van de beslagen in kennis werd gesteld – op 28 augustus 2020 de stukken van het beslag op zijn huisadres heeft ontvangen. Hoewel partijen daar niet concreet op in zijn gegaan, merkt de voorzieningenrechter op dat op 28 augustus 2020 de termijn van twee dagen na de betekening van 27 augustus 2020 kennelijk nog niet was verstreken. De voorzieningenrechter gaat daarom aan dit bezwaar voorbij.

4.10.

Overigens heeft de gemachtigde van [gedaagde] op de zitting onweersproken aangevoerd dat hij het derdenbeslag op de zittingsdag van dit kortgeding heeft laten doorhalen om het daarna opnieuw te doen leggen om daarmee aan onderhavige bezwaren tegen de beslaglegging tegemoet te komen.

Onnodig bezwarend?

4.11.

[eiser] heeft gesteld dat de beslagen voor hem (onnodig) bezwarend zijn. Als gevolg van de beslagen zou hij niet in staat zijn om schulden van de nalatenschap en de aanslagen erfbelasting voor hem en [gedaagde] tijdig te voldoen. De nalatenschap zelf bevat volgens [eiser] niet voldoende liquide middelen om dergelijke betalingen te kunnen doen. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] de door hem gestelde betalingsproblemen niet nader concreet heeft toegelicht en met stukken heeft onderbouwd. Hij heeft aldus geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit moet volgen dat er sprake is van onrechtmatigheid of van een onredelijk bezwarende situatie als gevolg van de beslaglegging. Ook dit bezwaar van [eiser] mist daarom het beoogde rechtsgevolg.

Hoedanigheid van [eiser] : executeur en/of privépersoon?

4.12.

In de pleitnota ten behoeve van de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft [eiser] nóg een bezwaar naar voren gebracht. Hij stelt dat [gedaagde] hem in de aanloop naar de beslaglegging in persoon heeft aangesproken tot betaling, terwijl op hem als executeur van de nalatenschap de taak rust om de nalatenschap te beheren en de schulden daarvan te voldoen. Volgens [eiser] is hij daarom voorafgaand aan het beslag niet op de juiste manier aangeschreven en in de gelegenheid gesteld om aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.13.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook dit bezwaar niet slaagt. Daarvoor is redengevend dat [eiser] weliswaar executeur van de nalatenschap van zijn moeder is, maar tevens haar enige erfgenaam en dat hij de nalatenschap in die laatste hoedanigheid zuiver heeft aanvaard. Als gevolg van deze zuivere aanvaarding is er geen sprake van een afgescheiden vermogen, maar is de nalatenschap versmolten met het privévermogen van [eiser] . Aldus is sprake van het samenvallen van deze beide hoedanigheden van [eiser] . Als de tijdelijke taak van executeur eindigt, blijft op de erfgenaam de verplichting rusten om uitvoering te geven aan de afgifte van het legaat. Het kan daarom niet aan [gedaagde] worden tegengeworpen dat zij niet uitdrukkelijk heeft vermeld in welke hoedanigheid [eiser] wordt aangesproken in de correspondentie voorafgaand aan de beslaglegging.

Proceskosten

4.14.

[eiser] heeft (onder II van de dagvaarding) gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten die gemoeid zijn met het leggen van de beslagen. Nu er geen grond bestaat om de beslagen op te heffen, zal die vordering worden afgewezen. Dat betekent dat [eiser] bedoelde kosten van beslaglegging zal moeten dragen.

4.15.

Ten aanzien van dit kort geding zullen de proceskosten worden gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit houdt verband met het gegeven dat partijen familie van elkaar zijn.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

bepaalt dat iedere partij ter zake van deze procedure in kort geding de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.