Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3385

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
8325027 \ CV EXPL 20-625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De moeder heeft geld opgenomen van de spaarrekening van de – toen nog minderjarige – zoon. Het geld heeft zij gebruikt voor het onderhoud van de zoon. Dat mocht zij niet doen, omdat het spaargeld tot het vermogen van de zoon behoort en ouders verplicht zijn om het onderhoud uit hun eigen vermogen te bekostigen. Daarom moet de moeder het geld terugbetalen. De curator is deze procedure terecht begonnen. Geen misbruik van procesrecht zoals door de moeder is aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8325027 \ CV EXPL 20-625

Vonnis van 15 september 2020

in de zaak van

[A] , in zijn hoedanigheid van curator van [X],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen de curator,

gemachtigde: mr. M.E. Beeker,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen [B] ,

gemachtigde: mr. I.H. Grandjean.

1 De procedure

1.1.

De curator is de procedure tegen [B] begonnen met zijn dagvaarding van
10 februari 2020. [B] heeft daarop gereageerd met haar conclusie van antwoord en daarbij een tegeneis ingediend (vordering in reconventie). Daarna hebben partijen nog schriftelijk op elkaars standpunten gereageerd, zowel in conventie als in reconventie.

1.2.

De kantonrechter is hiermee voldoende ingelicht om te beslissen op het geschil. Die beslissing wordt in dit vonnis opgenomen en toegelicht.

2 De beoordeling

Waarover gaat deze zaak?

2.1.

Deze zaak draait om het spaargeld van [X] , de zoon van de curator en [B] . Sinds 2014 is van zijn spaarrekening ruim € 9.000,00 verdwenen. De curator wil dat [B] daarover rekening en verantwoording aflegt en het geld terugbetaalt aan [X] .

Wat er vaststaat.

2.2.

[X] is geboren [2001] . Hij is onder curatele gesteld door de kantonrechter in deze rechtbank met ingang van de dag waarop hij achttien is geworden. De ouders van [X] , dat zijn partijen, zijn benoemd tot curator van [X] . Zij zijn sinds [2015] gescheiden.

2.3.

Uit een bankafschrift van 2 september 2014 blijkt dat op de spaarrekening van [X] een bedrag stond van € 9.293,04.

Wat de curator wil.

2.4.

De curator wil dat de kantonrechter [B] veroordeelt om rekening en verantwoording af te leggen over en inzage verleent in de spaarrekening(en) van [X] gedurende zijn minderjarigheid, versterkt met een dwangsom.

2.5.

Daarnaast wil de curator dat de kantonrechter [B] veroordeelt om de schade die [X] heeft geleden te vergoeden. Dat is een bedrag van minimaal € 15.000,00 en daar komen de buitengerechtelijke incassokosten bovenop.

2.6.

Tot slot wil de curator dat de kantonrechter [B] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Wat [B] daartegenover stelt.

2.7.

[B] heeft met haar eerste processtuk de rekening en verantwoording overgelegd, die zij op 1 oktober 2019 aan het team Toezicht van de rechtbank Overijssel heeft opgestuurd. De spaarrekening is al per 1 september 2014 opgeheven. Er stond € 9.239,04 op. Dat geld is naar de bankrekening van [B] overgemaakt. [B] heeft een lijst overgelegd met daarop vermeld waaraan het spaargeld tot een bedrag van € 8.146,55 is besteed. Volgens [B] was de curator hiermee bekend. [B] vindt daarom dat de kantonrechter de
vorderingen van de curator moet afwijzen.

2.8.

[B] vindt bovendien dat de curator een persoonlijk verwijt is te maken van onnodig gemaakte proceskosten. Daarom wil zij dat de kantonrechter de curator veroordeelt in de werkelijk gemaakte proceskosten, die [B] nog zal specificeren. Ook heeft [B] veel last van deze procedure. Zij wil daarom een bedrag aan immateriële schadevergoeding. Dit alles moet de curator binnen zeven dagen na het vonnis dat in deze zaak wordt gewezen betalen, op straffe van een dwangsom.

De overwegingen van de kantonrechter.

2.9.

De kantonrechter beslist dat [B] geen rekening en verantwoording meer hoeft af te leggen. Wel moet zij het geld dat zij van de spaarrekening van [X] heeft opgenomen terugbetalen aan [X] . De proceskosten in deze zaak worden gecompenseerd, wat inhoudt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.10.

De tegeneis van [B] wijst de kantonrechter af.

2.11.

De kantonrechter licht hierna haar beslissing verder toe.

Moet [B] rekening en verantwoording afleggen? Nee.

2.12.

De curator heeft gelijk dat bewindvoerders rekening en verantwoording over het
gevoerde bewind verschuldigd zijn. Daarom moet [B] in dit geval aan [X] kunnen
tonen waaraan zij zijn vermogen heeft besteed en hoeveel daarvan over is.

2.13.

[B] vindt dat zij aan haar verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording heeft voldaan. Zij heeft de spaarrekening opgeheven en het bankgegoed is op haar bankrekening bijgeschreven. Met een overzicht en een rekening en verantwoording, die zij aan het team Toezicht in deze rechtbank heeft gestuurd, heeft zij aan haar verplichting voldaan, zo meent ze. De curator is daarop niet inhoudelijk ingegaan. De kantonrechter ziet daarom geen reden om [B] te veroordelen nog verdere rekening en verantwoording af te leggen dan wat ze al heeft gedaan. Dat betekent dat het eerste deel van de vordering van de curator (dagvaarding onder I.) wordt afgewezen.

2.14.

Volgens de conclusie van repliek (randnummer 9) wil de curator ook nog documenten van [B] ontvangen over het kindgebonden budget en het persoonsgebonden budget van [X] . Die wens van de curator heeft niet geleid tot een wijziging van eis. De kanton-rechter hoeft daarover dus niet te beslissen.

Mocht [B] het spaargeld van [X] uitgeven? Nee.

2.15.

[X] had in september 2014 nog een vermogen van € 9.239,04. Dat geld is er nu niet meer, zo volgt uit de toelichting van [B] . Zij heeft het geld gebruikt voor [X] , onder meer voor meubels, schoenen, uitstapjes en vakanties. De vraag is of [B] daarmee slecht bewind heeft gevoerd, zoals de curator stelt. Want bij slecht bewind zijn ouders, die het bewind voeren over het vermogen van hun kinderen, aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van hun slechte bewindvoering.

2.16.

De kantonrechter begrijpt [B] zo dat zij vindt dat ze als goed bewindvoerder heeft opgetreden, omdat het geld voor c.q. ten behoeve van [X] is gebruikt. Maar daarin volgt de kantonrechter haar niet. De uitgaven die [B] (voor [X] ) heeft gedaan, die
optellen tot het bedrag dat [B] heeft vastgesteld op € 8.146,55, merkt de kantonrechter aan als kosten voor het ‘onderhoud’ van [X] . Ouders zijn verplicht om in het onderhoud van hun kinderen te voorzien (zie artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek). Dat onderhoud
moeten zij bekostigen uit het eigen vermogen of inkomen. Daarom mogen ouders het
vermogen van hun kinderen niet aanwenden voor kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen. Als [B] over het vermogen van [X] had willen beschikken anders dan in het kader van een normaal beheer, had zij daarvoor machtiging moeten vragen van de
kantonrechter. Dat geldt ook voor de tijd dat [B] ‘alle zeilen diende bij te zetten’ na de echtscheiding, zoals zij schrijft. Maar [B] heeft geen machtiging gevraagd en mocht dus niet het spaargeld van [X] gebruiken. Dat betekent dat [X] , anders dan [B] zegt, wel degelijk schade lijdt doordat zijn vermogen is verdampt.

Moet [B] het geld terugbetalen aan [X] ? De beroepen op verjaring, rechtsverwerking en redelijkheid en billijkheid.

2.17.

[B] vindt het niet fair dat zij het geld moet terugbetalen aan [X] .

2.17.1.

Op de eerste plaats beroept zij zich op verjaring van de rechtsvordering, ‘voor zover het ziet op een periode gelegen voor oktober 2014’. [B] heeft haar beroep op verjaring verder niet toegelicht of onderbouwd. En vrijwel alle uitgaven aan schoenen en uitstapjes en dergelijke voor [X] zijn gedaan na oktober 2014. Daarom gaat de kantonrechter hieraan voorbij.

2.17.2.

Is dan sprake van rechtsverwerking? Ook die stelling heeft [B] nauwelijks onderbouwd. Het mag zo zijn dat de curator en [B] in 2013 zijn gescheiden en dat zij hun gemeenschap hebben verdeeld, maar daarvan maakt het vermogen van [X] geen onderdeel uit. Ook valt niet in te zien dat het terugeisen van spaargeld van [X] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het ‘stilzitten’ na een sommatie op 7 oktober 2019 brengt evenmin rechtsverwerking mee, omdat [B] niet duidelijk maakt waarom zij er nadien gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de curator de vordering van [X] niet langer zou innen.

2.18.

Subsidiair voert [B] nog aan dat de curator de helft moet terugbetalen aan [X] , omdat de curator ook gerechtigd was tot het vermogen van [X] . Dat is echter niet zo, omdat het vermogen aan [X] toebehoorde. Verder is niet gesteld of gebleken dat de curator over het geld van [X] heeft beschikt.

De conclusie.

2.19.

[B] zal worden veroordeeld om het geld dat zij van de spaarrekening van [X] heeft opgenomen, een bedrag van € 9.239,04, terug te betalen. De curator eist € 15.000,00, maar licht niet toe waarom hij meent dat de schade van [X] zo hoog is. Ook is het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten niet genoemd en die kosten zijn ook niet onderbouwd. Daarom wijst de kantonrechter het meerdere af.

De tegeneis.

2.20.

[B] vindt dat de curator deze procedure misbruikt en stelt dat zij daarom schade heeft geleden. Maar de curator heeft gelijk gekregen. Van misbruik van deze procedure is daarom geen sprake. De kantonrechter wijst de vordering van [B] daarom af.

De proceskosten.

2.21.

[X] , de curator en [B] zijn familie van elkaar. Het uitgangspunt van de rechter in dit soort familiezaken is dat geen partij in de proceskosten van de ander wordt veroordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarom zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, zowel in conventie als in reconventie, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

3.1.

veroordeelt [B] tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] een bedrag van € 9.239,04;

3.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, op die manier dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie

3.5.

wijst de vorderingen af;

3.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen, op die manier dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.