Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3237

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
8730680 \ CV EXPL 20-2370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Ontruiming. Executiegeschil. Gevorderde schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad vonnis afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 8730680 \ CV EXPL 20-2370

Vonnis in kort geding van 2 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. C.J. van der Have, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen

de stichting STICHTING ALMELOSE WONINGSTICHTING "BETER WONEN",
gevestigd en kantoorhoudende te Almelo,

gedaagde partij, hierna te noemen Beter Wonen,

gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink, advocaat te Hardenberg.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- het faxbericht met aanvullende gronden en producties van mr. Van der Have van

31 augustus 2020;

- het e-mailbericht met pleitnota en producties van mr. Rorink van 1 september 2020;

- de mondelinge behandeling van 1 september 2020, die plaatsvond via een Skype-verbinding.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt van Beter Wonen de woning aan [het adres] . De huurprijs is € 519,12 per maand.

2.2.

Op 20 december 2016 heeft de kantonrechter in deze rechtbank een vonnis gewezen waarin jegens [eiser] de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van Beter Wonen is toegewezen.

2.3.

In maart 2017 is in aanvulling op de huurovereenkomst door Beter Wonen een addendum opgesteld waarin afspraken met (onder meer) [eiser] zijn vastgelegd, waaronder (nogmaals) de afspraak dat de lopende huur vooraf wordt voldaan en dat [eiser] zich zal houden aan de voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst die [eiser] met de Stadsbank Oost Nederland zal treffen.

2.4.

Op 9 april 2019 heeft de kantonrechter weer een vonnis gewezen waarbij jegens [eiser] de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van Beter Wonen is toegewezen.

2.5.

De ontruiming is op 8 mei 2019 door Beter Wonen ingepland en aan [eiser] middels een betekening kenbaar gemaakt. In verband met een door deze rechtbank gewezen vonnis van 3 mei 2019 waarbij een moratorium is gelast, heeft de aangekondigde ontruiming niet plaatsgevonden.

2.6.

Op 4 juli 2019 heeft Beter Wonen aan [eiser] een brief gestuurd en daarin staat onder andere opgenomen: “(…) Dit is echt uw laatste kans. Er mag nooit meer een huurachterstand ontstaan. Indien dit wel zo is, zal er zonder nadere aankondiging een kort geding worden gestart. Het mag duidelijk zijn dat u “onder een vergrootglas” ligt. (…)”.

2.7.

Op 13 december 2019 heeft Beter Wonen een brief ontvangen van de Stadsbank Oost Nederland waaruit blijkt dat de budgetbeheerrekening van [eiser] is beëindigd en de Stadsbank geen betalingen meer verricht namens [eiser] .

2.8.

[eiser] heeft de huur over de maanden januari tot en met juni 2020 steeds een paar dagen na de eerste dag van de maand betaald. De kantonrechter in deze rechtbank heeft hem in verband met te late betaling van de huur en schending van de voorwaarde van begeleiding door de Stadsbank Oost Nederland bij vonnis van 9 juni 2020 onder andere voorwaardelijk veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, indien hij binnen twaalf maanden na het vonnis in gebreke blijft met de tijdige betaling van de huur aan Beter Wonen. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. In dit vonnis is onder meer overwogen:

Mede gelet op de hele voorgeschiedenis en de herhaalde wanprestaties van [eiser] zouden voorgaande tekortkomingen in beginsel (wederom) de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde kunnen rechtvaardigen. Op dit moment acht de kantonrechter echter deze tekortkomingen gelet op de relatief gezien beperkte ernst ervan, gelet op alle omstandigheden van het geval waaronder het concrete woonbelang van [eiser] , van onvoldoende gewicht om de huurovereenkomst onvoorwaardelijk te ontbinden. De kantonrechter heeft daarbij betrokken dat het belang van [eiser] bij het voortduren van de huurovereenkomst vanwege de door de regering opgelegde Corona-maatrelen - waarbij (nog steeds) wordt geadviseerd om zo veel mogelijk thuis te blijven - is toegenomen. De kantonrechter zal gelet op het voorgaande de gevorderde onvoorwaardelijke ontbinding en ontruiming en aanverwante vorderingen afwijzen. De kantonrechter ziet echter wel aanleiding om een onvoorwaardelijke ontbinding uit te spreken, zoals in het dictum vermeld.”

2.9.

Beter Wonen heeft bij deurwaardersexploot van 2 juli 2020 het vonnis aan [eiser] betekend en de ontruiming van de woning aangezegd tegen 29 juli 2020.

2.10.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 28 juli 2020 een kort geding aangespannen tegen Beter Wonen en gevorderd dat het haar zal worden verboden de aangezegde ontruiming door te zetten. Bij vonnis van 12 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank de vordering van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding van 12 augustus 2020.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittings-plaats Almelo, rechtsprekende in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 9 juni 2020 opschort totdat op

het hoger beroep hiertegen zal zijn beslist althans, subsidiair, totdat op het hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van 12 augustus 2020 zal zijn beslist;

II. bepaalt dat indien Beter Wonen gedurende de hierboven genoemde periode toch

overgaat tot ontruiming van [het adres] , zij een dwangsom verbeurt van € 100.000,00;

met veroordeling van Beter Wonen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten.

3.1.1.

[eiser] heeft aan zijn vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen. [eiser] wordt onevenredig in zijn belangen getroffen door de geplande ontruiming op 2 september 2020. Hij woont al zijn hele leven in de woning en is sociaal en emotioneel aan de woning en de buurt gehecht. Hij is slecht ter been: dakloosheid zou een groot probleem opleveren. Zijn zoon krijgt wellicht binnenkort zijn hoofdverblijf bij hem: in geval van ontruiming kan zijn zoon niet terug naar het huis waar hij is opgegroeid. Bij een ontruiming zou [eiser] zijn inboedel kwijt raken. Er is een reële kans dat, als de ontruiming doorgaat, de woning niet meer voor hem beschikbaar zal zijn als hij in hoger beroep alsnog gelijk krijgt. [eiser] heeft een WW-uitkering. Het is de vraag of hij de woonlasten van een andere woning, die waarschijnlijk hoger zullen zijn, kan voldoen. [eiser] heeft begin 2020 weliswaar iedere maand de huur enkele dagen te laat betaald, maar er is op dit moment geen huurachterstand. Een vriend van hem leent hem elke maand geld om de huur tijdig te kunnen betalen. Hij heeft een groot belang om in afwachting van het hoger beroep in de woning te kunnen blijven.

Tegenover deze zwaarwegende belangen van [eiser] bij schorsing heeft Beter Wonen maar een verwaarloosbaar belang bij uitvoerbaarheid van het vonnis, aldus [eiser] .

3.2.

Beter Wonen voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechterlijke uitspraak kan, na betekening, ten uitvoer worden gelegd. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de tenuitvoerlegging, tenzij de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

4.2.

De partij ten laste van wie de tenuitvoerlegging dreigt of wordt aangevangen kan een executiegeschil aanhangig maken bij de voorzieningenrechter en daarbij vorderen dat de tenuitvoerlegging wordt verboden of geschorst (vgl. art. 438 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4.3.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (2019:2026) is het juridisch kader voor de beoordeling van het geschil tussen partijen als volgt:

a. uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden;

b. bij de toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag;

c. indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

In dit geval was in het vonnis van 9 juni 2020 de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd, zodat hetgeen onder c. is omschreven niet van toepassing is.

4.4.

Onderdeel a. van de toe te passen maatstaf betekent dat een belangenafweging moet worden gemaakt. De belangen van [eiser] zijn hiervoor onder 3.1.1. beschreven. Het is evident dat hij belang heeft bij voortzetting van de huurovereenkomst en het blijven wonen in de huurwoning. Daar staat echter tegenover dat bij vonnis van 9 juni 2020 al voor de derde keer op vordering van Beter Wonen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning jegens [eiser] zijn uitgesproken. Naar aanleiding van de eerste, in 2016 uitgesproken maar niet uitgevoerde ontruiming is een addendum opgesteld bij de huurovereenkomst, waarin [eiser] nog eens nadrukkelijk is gewezen op zijn verplichting tot tijdige betaling van de huur. Naar aanleiding van de tweede, in 2019 uitgesproken maar niet uitgevoerde ontruiming is [eiser] bij brief van 4 juli 2019 gewaarschuwd dat het zijn laatste kans betrof en dat er nooit meer een huurachterstand mocht ontstaan. Vervolgens heeft [eiser] bij de derde, op 9 juni 2020 door de kantonrechter uitgesproken voorwaardelijke veroordeling tot ontbinding en ontruiming nogmaals een (aller)laatste kans gekregen om ontruiming te voorkomen door tijdig te betalen. Ook die derde kans heeft [eiser] echter niet aangegrepen: de huur van juli 2020 werd niet voor de eerste van de maand betaald. Uit het dossier blijkt dat Beter Wonen al jaren geconfronteerd wordt met tekortkomingen van [eiser] in de nakoming van de huurovereenkomst, telkens wordt er te laat betaald. Dit heeft geleid tot de nodige interne uren en kosten voor Beter Wonen en inmiddels ook de nodige proceskosten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van Beter Wonen niet gevergd kan worden dat zij toestaat dat een van haar huurders stelselmatig te laat betaald. De emmer die de afgelopen jaren steeds verder is gevuld, is nu overgelopen.

Gelet op de voorgeschiedenis en de vele kansen die [eiser] tot op heden van Beter Wonen gekregen heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaarder weegt dan het belang van Beter Wonen om afscheid te nemen van een huurder die de afgelopen stelselmatig wanpresteert door de huur te laat te betalen. Dat een vriend van [eiser] hem nu helpt de huur te betalen, maakt dit niet anders, omdat het maar de vraag is hoe bestendig deze hulp is. Ook het feit dat zijn zoon misschien zijn hoofdverblijf bij [eiser] krijgt, doet aan vorenstaand oordeel niet af, omdat dit geenszins zeker is (op korte termijn).

4.5.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de proceskosten van Beter Wonen, begroot op € 480,- aan salaris van haar advocaat.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Beter Wonen begroot op

€ 480,- aan salaris van haar advocaat;

5.3.

verklaart onderdeel 5.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. K.J. Haarhuis, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020. (SL(O)