Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3232

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
8700053 \ CV EXPL 20-2221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Consumentenkrediet. Artikelen 7:60 BW, 7:61 BW en 4:34 Wft. Ambtshalve toetsing. Gespreid betalen. Is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen en kredietwaardigheidstoets?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 8700053 \ CV EXPL 20-2221

Vonnis van 1 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap

INTRUM NEDERLAND B.V.,
rechtsopvolgster van Intrum Justitia Nederland B.V., rechtsopvolgster van Wehkamp B.V. en Wehkamp Finance B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eisende partij, hierna te noemen Wehkamp,

gemachtigde: De Schout gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het tegen [gedaagde] verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Intrum heeft bij dagvaarding gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 6.587,61 te vermeerderen met de contractuele kredietvergoeding c.q. vertragingsvergoeding over € 5.948,44 vanaf 22 juli 2020 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.

2.2.

Ter onderbouwing van die vordering heeft Intrum gesteld dat Wehkamp met [gedaagde] een overeenkomst van geldlening in de vorm van gespreid betalen heeft gesloten voor een kredietbedrag van € 4.754,00. Volgens Intrum is [gedaagde] jegens Wehkamp toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de hiervoor genoemde kredietovereenkomst doordat [gedaagde] de termijnbedragen en later het opgeëiste bedrag onbetaald heeft gelaten. Wehkamp heeft haar vordering overgedragen aan Intrum.

3 De beoordeling

3.1.

Nu er sprake is van een consumentenkrediet, zijn de artikelen 7:60 BW, 7:61 BW en 4:34 Wft van toepassing.

3.2.

Ingevolge artikel 7:60 BW dient de kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, de consument ‘geruime tijd’ voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de in de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2008/28 voorgeschreven precontractuele informatie, op de in die artikelen voorgeschreven wijze te verstrekken. Dit kan door middel van het Europees standaardformulier.

3.3.

Uit de door Intrum overgelegde print-screens van het aanvraagproces blijkt dat Wehkamp de informatie van het Europees standaardinformatieformulier heeft getoond tijdens het aanvraagproces. Het is echter de vraag of dit is te kenmerken als ‘geruime tijd’ voordat [gedaagde] was gebonden aan de overeenkomst. In het kader daarvan dient te worden vastgesteld wanneer [gedaagde] was gebonden aan de overeenkomst. Intrum wordt in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.

3.4.

Artikel 7:61 BW bepaalt dat een kredietovereenkomst op papier of op een andere duurzame drager wordt aangegaan en dat de kredietverstrekker een exemplaar van de kredietovereenkomst aan de kredietnemer verstrekt waarin de in lid 2 van dat artikel genoemde informatie is opgenomen. Intrum heeft gesteld dat Wehkamp de kredietovereenkomst per e-mail heeft gestuurd aan [gedaagde] . Zij heeft de kredietovereenkomst echter niet overgelegd en zal hiertoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.

3.5.

In het kader van de kredietwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4:34 Wft dient de informatie over de financiële situatie te worden onderbouwd met bewijsstukken. Intrum heeft gesteld dat deze stukken zijn opgevraagd en een en ander blijkt ook uit de print-screens van de aanvraagprocedure. De stukken zelf zijn echter niet bijgevoegd bij de dagvaarding. Intrum zal in de gelegenheid worden gesteld deze stukken alsnog te overleggen.

3.6.

Indien niet komt vast te staan dat Intrum heeft voldaan aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen en/of kredietwaardigheidstoets, zal de kantonrechter de kredietovereenkomst vernietigen en dient [gedaagde] het geleende bedrag terug te betalen zonder rentevergoeding en kosten. Intrum moet op haar beurt de betaalde rente door [gedaagde] in het kader van de kredietovereenkomst terugbetalen. Intrum wordt eveneens in de gelegenheid gesteld een berekening over te leggen waaruit een en ander blijkt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 29 september 2020, waarop Intrum zich schriftelijk kan uitlaten over hetgeen is overwogen onder 3.3., 3.4., 3.5. en 3.6.,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020. (SK)