Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3160

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
C/08/251759 / KG ZA 20-154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Na een periode van 25 jaar van samenleven van partijen (de vrouw, eiseres, en de man, gedaagde) heeft de vrouw de samenlevingsovereenkomst opgezegd. Psychische problematiek bij de man heeft tot deze situatie geleid. De vrouw wil met de drie kinderen van partijen (waarvan twee nog minderjarig en schoolgaand) voor een periode van zes maanden het uitsluitend gebruik van de woning van partijen met een bijdrage van de man in de eigenaarslasten van de woning. Deze woning is gezamenlijk eigendom van hen. Na een belangenafweging komt de voorzieningenrechter tot toewijzing van het gevorderde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/251759 / KG ZA 20-154

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres, hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. Bouwhuis te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde, hierna te noemen de man,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in kort geding van 27 juli 2020

  • -

    de mondelinge behandeling op 14 augustus 2020

1.2.

In verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Corona-virus is aan partijen de mogelijkheid geboden om de zitting via Skype te laten plaatsvinden. [eiseres] heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. [gedaagde] is in persoon op de rechtbank verschenen en heeft daar de zitting bijgewoond.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Waar gaat het geschil over?

2.1.

Partijen hebben 25 jaar lang een relatie gehad. Gezamenlijke afspraken over verschillende aspecten van hun samenleving hebben zij laten vastleggen in een notariële akte van samenleving van 22 januari 2010. Partijen hebben in de loop van de tijd samen drie kinderen gekregen ( [A] nu 18 jaar, [B] nu 16 jaar en [C] nu 14 jaar) en hebben tot voor kort samengewoond in de woning gelegen aan [adres 1] te [plaats] . Partijen hebben deze woning gemeenschappelijk in eigendom. Psychische dan wel psychiatrische problematiek bij de man - en daarmee samenhangend huiselijk geweld - heeft ertoe geleid dat met ingang van 24 juni 2020 aan de man een huisverbod is opgelegd door de burgemeester. Dit verbod hield in dat hij in de periode van 24 juni 2020 17.30 uur tot 4 juli 2020 17.30 uur de woning van partijen niet mocht betreden. Dat is ook niet gebeurd maar na afloop van die periode verscheen de man weer bij de woning. Daarop heeft de vrouw samen met de kinderen de woning verlaten. Zij heeft toen tijdelijk onderdak gevonden bij vrienden. Verder heeft de vrouw bij aangetekend schrijven van 15 juli 2020 de samenlevingsovereenkomst opgezegd.

Wat wil de vrouw?

2.2.

De vrouw wil graag samen met haar kinderen wonen in de woning aan [adres 1] in [plaats] , zodat de jongste twee kinderen na de zomervakantie (vanaf 17 augustus 2020) vanuit die woning weer naar school kunnen gaan.

2.3.

De vrouw vordert daarom in kort geding dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat aan haar het uitsluitend gebruik van de woning en de inboedel wordt verleend voor de duur van zes maanden, met het gebod dat de man de woning dient te verlaten en niet mag betreden op straffe van een dwangsom. Verder vordert zij te bepalen dat de man is gehouden om bij te dragen in de kosten van de woning met een bedrag van € 608,50 per maand en veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

Wat heeft de man tegen de vordering aangevoerd?

2.4.

De man heeft tegen de vordering aangevoerd dat hij in het belang van zijn kinderen inmiddels de woning heeft verlaten. Hij verblijft nu in het huis van een buurvrouw, schuin aan de overkant van de straat ( [adres 2] ). Hij voert tegen de vordering van de vrouw aan dat hij de periode van zes maanden die de vrouw heeft gevorderd te lang vindt. Over zo’n lange periode lopen de kosten van de woning teveel op, meent hij. De man is het ermee eens dat partijen niet meer samen onder één dak kunnen wonen. Met het oog op de kosten moet de woning, volgens de man, zo snel mogelijk worden verkocht aan een derde.

Kan de voorzieningenrechter de zaak beoordelen?

2.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij in alle opzichten bevoegd is om te oordelen over dit geschil.

2.6.

Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat de vrouw voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Partijen kunnen namelijk niet meer in hetzelfde huis wonen en voor de kinderen van partijen, die bij de vrouw wonen, is het van belang dat zij vanuit hun vertrouwde woning aan het nieuwe schooljaar kunnen beginnen.

2.7.

De vordering ziet op het gebruik van de woning door uitsluitend de vrouw en de bij haar wonende kinderen voor een periode van 6 maanden. De vrouw heeft deze duur van de periode gebaseerd op hetgeen in artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst is opgenomen. In lid 1 van dat artikel staat het volgende: In geval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van één van de partijen, heeft ieder van de partijen het recht zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat hij of zij – met uitsluiting van de andere partij – nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beiden bewoonde woning. De kantonrechter zal daarbij afwegen de belangen die partijen hebben om in de woning te blijven en de mogelijkheid andere woonruimte te vinden.

Weliswaar is in dit geval de vordering van de vrouw niet voorgelegd aan de kantonrechter maar aan de voorzieningenrechter. Dat staat echter niet in de weg aan de behandeling door de voorzieningenrechter. Dat volgt uit het feit dat de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 3:168 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd is om in spoedeisende gevallen een voorziening te treffen omtrent het gebruik van een gemeenschappelijk goed. In dit geval gaat het om de woning van partijen. Daarbij dient de voorzieningenrechter een afweging te maken van de belangen van ieder van de deelgenoten. De vordering die de vrouw in kort geding aan de voorzieningenrechter heeft voorgelegd kan dus door deze behandeld en beslist worden.

Belangenafweging

2.8.

De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de woning voor een periode van zes maanden toewijzen. Dat gebeurt op basis van de volgende belangenafweging.

2.9.

De voorzieningenrechter begrijpt uit de dagvaarding en de verklaringen van partijen op de zitting dat de kinderen van partijen een roerige tijd achter de rug hebben. Dat houdt verband met de psychische problematiek van de man, wat heeft geleid tot het huisverbod jegens de man dat in juni 2020 is opgelegd door de burgemeester en met het verbreken van de samenlevingsrelatie van partijen. De kinderen verblijven sinds die tijd bij de vrouw. De twee jongste (nog minderjarige) kinderen gaan na de zomervakantie (vanaf 17 augustus 2020) weer naar school. De voorzieningenrechter laat in deze omstandigheden zwaar wegen het belang van de kinderen om vanuit hun vertrouwde woonomgeving naar school te kunnen gaan. Aangezien de kinderen bij hun moeder verblijven en moeder de zorg draagt voor de kinderen, zal het woonrecht aan haar worden toegekend. Overigens heeft de man het belang van de kinderen onderkend. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij om die reden eind juli al uit eigen beweging de woning heeft verlaten.

2.10.

De vordering van de vrouw ziet op een periode van 6 maanden, waarvoor zij aanspraak maakt op het uitsluitend gebruik van de woning. De man heeft aangevoerd dat hij die duur van de periode te lang vindt. Hij wil dat de woning zo snel mogelijk wordt verkocht. Daarover overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Ook de vrouw gaat ervanuit dat de woning verkocht zal moeten worden. Het belang van de vrouw is er nu in gelegen dat zij tijd krijgt om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor vervangende woonruimte voor haarzelf en de bij haar inwonende kinderen. Een periode van zes maanden is daarvoor niet onredelijk lang. Bovendien volgt die duur van de periode uit artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst van partijen. De periode van zes maanden wordt daarom toegewezen.

2.11.

Het recht op het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw gaat gepaard met een gebod aan de man om de woning te verlaten en niet meer te betreden op straffe van een dwangsom. Die dwangsom stelt de voorzieningenrechter vast op een bedrag van € 150,= per dag dat de man het gebod overtreedt met een maximum van € 15.000,=.

Bijdrage in eigenaarslasten?

2.12.

De woning is het gezamenlijk eigendom van partijen. De vrouw heeft daarom gevraagd om een bijdrage van de man in de eigenaarslasten van de woning ter grootte van € 608,50 per maand. Daartegen zijn door de man geen verweren aangevoerd. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom toegewezen.

Proceskosten

2.13.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing in kort geding

De voorzieningenrechter:

3.1.

bepaalt dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning en de inboedel aan [adres 1] te [plaats] toekomt voor een periode van zes maanden na dagtekening van dit vonnis, met het gebod dat de man de woning in deze periode niet mag betreden op straffe van een dwangsom van € 150,= voor iedere dag dat de man dit gebod overtreedt, tot een maximum van € 15.000,= is bereikt;

3.2.

bepaalt dat de man is gehouden om bij te dragen in de eigenaarslasten van de woning met een bedrag van € 608,50 per maand;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2020.