Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3150

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
254450 KG RK 20-426
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer van de rechtbank Overijssel wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 254450 KG RK 20-426

Beslissing van 17 september 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres]

raadsman: mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Heden, 17 september 2020, bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft verzoekster bij monde van haar raadsman het verzoek tot wraking gedaan van de

mrs. P.M.F. Schreurs, J.H.W.R. Orriëns-Schipper en M.M. Lorist, rechters in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de strafza(a)k(en) tegen verzoekster, geregistreerd onder de parketnummers [nummer 1] en [nummer 2] . Een en ander zoals blijkt uit de aantekeningen (al in de vorm van een ongetekend proces-verbaal) die de griffier van die zitting van heden heeft gemaakt.

1.2.

De rechters hebben niet berust in de wraking.

1.3.

Het wrakingsverzoek van verzoekster is op heden in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam;

- de mrs. A. Doedens en F.A. Demmers, Officieren van Justitie,

2 Aanleiding en wrakingsverzoek

2.1.

Tijdens de behandeling van de strafzaken heeft de rechtbank bij aanvang van de zitting geconstateerd dat verdachte – die via een telehoor-verbinding kon worden gehoord – zich naar eigen zeggen in Spanje bevindt. Daarop is door de voorzitter het volgende meegedeeld:

Vooraf is duidelijk met uw advocaat gecommuniceerd dat u, gelet op de geldende corona-maatregelen, bij de zitting aanwezig kunt zijn met in achtneming van een quarantaineduur van tien dagen, dan wel via een telehoorverbinding vanuit de rechtszaal met u op een verblijfplaats in Nederland. Uit correspondentie met uw advocaat is gebleken dat u hebt gekozen voor het deelnemen aan de zitting via een videoverbinding, waarbij duidelijk is gecommuniceerd dat dit slechts vanuit Nederland zou kunnen plaatsvinden. Voor het horen vanuit Spanje is mogelijk een rechtshulpverzoek vereist.”.

2.2.

Daarop is door de raadsman meegedeeld dat hij van het voorgaande niet op de hoogte was en is door hem verzocht om de zaak in verband met het voorgaande, gelet op het aanwezigheidsrecht van zijn cliënte, aan te houden. Door verdachte is hierover ter zitting nog verklaard:

Ik wist dat ook niet. Anders was ik wel naar Nederland gekomen.”.

2.3.

Op het aanhoudingsverzoek heeft vervolgens debat plaatsgevonden waarbij de Officier van Justitie zich tegen aanhouding heeft verzet, en de raadsman heeft gepersisteerd bij het verzoek tot aanhouding omdat verdachte bij de behandeling van de zaak aanwezig wil zijn, ook om het woord te voeren, en de behandeling van deze strafzaak niet veel haast heeft.

2.4.

Daarop is blijkens de aantekeningen van de griffier door de rechtbank als volgt beslist:

De voorzitter deelt mede dat de rechtbank geen grond ziet om de zaak aan te houden wegens de door de verdediging opgegeven redenen. De voorzitter deelt mede dat duidelijk is gecommuniceerd onder welke voorwaarden [verzoekster] kon deelnemen aan de zitting. Zij kon lijfelijk verschijnen, mits zij 10 dagen in Nederland in quarantaine zou gaan. Anders zou zij digitaal aanwezig kunnen zijn vanuit een verblijfplaats in Nederland. Dit staat duidelijk in de e-mails van 6 en 10 september 2020. De advocaat heeft ook aan de rechtbank bericht dat mevrouw een ticket had naar Nederland kort voor de zitting. Daar is de rechtbank ook vanuit gegaan. Thans is gebleken dat aan deze voorwaarden niet is voldaan. Deelname van [verzoekster] vanuit Spanje aan de zitting zou naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het soevereiniteitsbeginsel zijn.

Daarop heeft de rechtbank besloten dat de zitting doorgang zal vinden zonder de aanwezigheid van [verzoekster] en de telehoorverbinding is vervolgens verbroken.”.

2.5.

Na een korte onderbreking voor overleg met zijn cliënte heeft de raadsman blijkens de aantekeningen van de griffier de rechtbank als volgt gewraakt:

Dan wraak ik uw rechtbank. Het aanwezigheidsrecht is een belangrijk recht voor de verdediging. Er is alleen sprake geweest van een communicatiemisverstand aan onze zijde, hierdoor zit mijn cliënte nu nog in Spanje.

Zij meende daar gehoord te kunnen worden. Er is bovendien nóg een zittingsdatum gepland, volgende week op 24 september 2020, wat ons betreft kan de behandeling dan plaatsvinden. U, voorzitter, vraagt om nog eens expliciet de wrakingsgronden te benoemen. De hoofdgrond voor de wraking is het feit dat het aanwezigheidsrecht van mijn cliënte wordt gefrustreerd. Dat is een heel belangrijk recht en mijn cliënte heeft recht op een eerlijk proces. Mijn cliënte heeft haar best gedaan om te verschijnen, hetzij fysiek hetzij via tele-horen. Door een communicatiemisverstand aan onze zijde is het verkeerd gegaan. Cliënte heeft recht om bij haar zaak aanwezig te zijn. Ik heb verzocht om de zaak volgende week te laten plaatsvinden. Verder zijn de belangen niet zodanig groot dat de zaak nu moet doorgaan: de zaak is al oud en mijn cliënte zit niet gedetineerd. En ze is in staat om volgende week alsnog te verschijnen.”.

2.6.

Bij monde van haar raadsman heeft verzoekster dit wrakingsverzoek nog als volgt toegelicht:

Omdat cliënte graag wil dat haar strafzaak wordt afgedaan heeft zij, na overleg met mij, hoewel zij daar niet toe gehouden was, uiteindelijk ingestemd met digitale aanwezigheid. Op 14 september 2020 heb ik dat schriftelijk aan de voorzitter laten weten. Cliënte was het weekend van 12 september kort in Nederland. Kennelijk is zij zondagochtend weer teruggekeerd naar Spanje in verband met haar werk. De raadsman was hiervan niet op de hoogte.

a. Vanochtend bleek dat de rechtbank constateerde dat cliënte niet in NL was.

b. Het OM vond vervolgens desgevraagd dat zij niet gehoord kon worden zonder rechtshulpverzoek.

c. Ik heb daarop opnieuw verzocht om aanhouding. Bijvoorbeeld tot 24 september. Dan hebben we immers een reservedag staan.

d. De rechtbank heeft lang geraadkamerd en bleek bij terugkomst zelfs daartoe niet bereid en wilde cliënte van verbinding uitsluiten.

Cliënte wenst te verklaren in haar zaak. Dat vind ik als raadsman ook van belang. Zij is indertijd slechts summier gehoord. Daarna niet meer.

Het aanwezigheidsrecht is een belangrijk element van een eerlijk proces,

Op grond van de tijdelijke noodwet kan dat niet beperkt worden bij de inhoudelijke behandeling. Art. 28. Zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2020:3413.

Ook art 27 geeft geen basis. Digitale behandeling is immers niet noodzakelijk in verband met Corona.

Door een communicatiemisverstand wil de rechtbank verzoekster haar aanwezigheid ontnemen. Dit terwijl sprake is van een oude strafzaak, cliënte niet vast zit en de medeverdachten al zijn berecht. Dit terwijl 24 september nog gereserveerd staat als reservedag.

Cliënte heeft hierdoor de overtuiging gekregen:

- dat haar zaak moet worden doorgedrukt, terwijl daar geen zwaarwegende argumenten voor zijn.

- dat de rechtbank haar niet wil aanhoren.

3 Het standpunt van mrs. Schreurs, Orriëns-Schipper en Lorist

3.1.

De mrs. Schreurs, Orriëns-Schipper en Lorist, hebben als volgt gereageerd op het verzoek.

3.2.

Door de raadsman is niet gesteld dat sprake zou zijn van de schijn van vooringenomenheid. Reeds daarom dient het verzoek ongegrond te worden verklaard.

3.3.

De rechtbank heeft een inhoudelijke beslissing genomen, waar de verdediging zich kennelijk niet in kan vinden. Daarvoor staat te zijner tijd de mogelijkheid van appel ter beschikking aan de verdediging. Het middel van wraking is daarvoor niet bedoeld.

3.4.

Indien en voor zover de raadsman tijdens de wrakingszitting alsnog zou stellen dat er sprake is van de schijn van vooringenomenheid, hecht de rechtbank eraan om de gang van zaken uit een te zetten.

3.5.

De zaak van verzoekster maakt onderdeel uit van het onderzoek [onderzoek] . Mrs. Zuur en Bertrand waren sinds een aantal jaren de raadslieden van [verzoekster] en haar echtgenoot, de heer [echtgenoot] . In het voorjaar van 2019 is met de advocaten van alle verdachten (8 advocaten, 10 verdachten) een zittingsplanning afgestemd voor de inhoudelijke behandeling, welke in totaal 14 dagen in beslag zou nemen. Op 28 november 2019 heeft in alle zaken een laatste regiezitting plaatsgevonden. Op 11 december 2019 heeft mr. Zuur aan de rechtbank bericht dat haar kantoorgenoot mr. Bertrand langdurig was uitgevallen. Zij heeft daarom verzocht om de pleidooien, repliek, dupliek en de laatste woorden in de zaken van [verzoekster] en de heer [echtgenoot] te verschuiven naar latere data. De rechtbank heeft aan dat verzoek gehoor gegeven. Op 14 januari 2020 is de rechtbank bericht dat een andere kantoorgenoot van mr. Zuur de zaak had overgenomen. Het door deze advocaat ingediende aanhoudingsverzoek is gemotiveerd afgewezen, waarop zij zich heeft onttrokken.

3.6.

Op 21 januari 2020 heeft mr. Van der Werf zich als advocaat voor [verzoekster] gesteld en een aanhoudingsverzoek gedaan. Op 22 januari 2020 stond de feitenbespreking in de zaak van [verzoekster] gepland. De rechtbank heeft ter zitting het aanhoudingsverzoek gehonoreerd en, in overleg met de raadsman en de officieren van justitie, het onderzoek geschorst tot de zitting van 17 september 2020 om 9.30 uur.

[verzoekster] woont sinds jaren in Spanje. Spanje is sinds 25 augustus 2020 code oranje. Op 31 augustus 2020 en 1 september 2020 heeft de voorzitter telefonisch contact opgenomen met de officier van justitie mr. Demmers en de advocaat mr. Van der Werf. Op 1 september 2020 heeft de voorzitter daarover gemaild met de officier van justitie en de raadsman. Daarop zijn reacties ontvangen. Bij e-mail van 6 september 2020 heeft de voorzitter namens de rechtbank aan de raadsman bericht dat [verzoekster] in de gelegenheid wordt gesteld om in persoon ter zitting te verschijnen, mits zij voorafgaand 10 dagen in Nederland in quarantaine zou gaan. Haar kon gelet op de geldende coronamaatregelen geen toegang worden verleend tot het gerechtsgebouw wanneer zij niet in quarantaine zou gaan. Indien zij niet in staat is om in quarantaine te gaan, is zij in de gelegenheid gesteld om haar aanwezigheidsrecht te effectueren door vanuit Nederland via een telehoor- dan wel Skype-verbinding te verschijnen. De raadsman had daaraan voorafgaand al meegedeeld dat [verzoekster] een ticket naar Nederland had geboekt kort voor de zitting. Bij e-mail van 10 september 2020 heeft de griffier nogmaals aan [verzoekster] bericht dat zij vanuit Nederland de terechtzitting digitaal kan bijwonen.

3.7.

Ter zitting van 17 september 2020 heeft de rechtbank een telehoor-verbinding met verzoekster tot stand gebracht. Op vragen van de rechtbank antwoordde verzoekster dat zij zich niet in Nederland bevond, maar in Spanje. Daarop zijn de standpunten van de officier van justitie en de raadsman ter zitting gevraagd. Na beraad heeft de rechtbank besloten dat duidelijk is gecommuniceerd onder welke voorwaarden [verzoekster] kon deelnemen aan de zitting, doch dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.

Deelname van [verzoekster] vanuit Spanje aan de zitting zou naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het soevereiniteitsbeginsel zijn. Daarop heeft de rechtbank besloten dat de zitting doorgang zal vinden zonder de aanwezigheid van [verzoekster] en de telehoor-verbinding is vervolgens verbroken.

3.8.

Hierop heeft de advocaat voornoemd wrakingsverzoek gedaan met als enige grond frustratie van het aanwezigheidsrecht. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het standpunt is toegedaan dat er alles aan is gedaan om [verzoekster] in staat te stellen om haar aanwezigheidsrecht te effectueren. De door advocaat voorgestelde mogelijkheid om de zaak op 24 september a.s. te behandelen in aanwezigheid van [verzoekster] kan ook geen soelaas bieden, nu ook dan de quarantaineduur in acht moet worden genomen, dan wel mevrouw alsnog naar Nederland dient te komen voor een videoverbinding. Een rechtshulpverzoek kan op zo’n korte termijn niet geregeld worden.

4 Het standpunt van de Officieren van Justitie

4.1.

Ook de Officieren van Justitie zijn het standpunt toegedaan dat het wrakingsverzoek gezien moet worden als een verkapt hoger beroep. Er is alleen plaats voor wraking als de beslissing onbegrijpelijk is geweest en dat is hier niet het geval.

4.2.

Het aanwezigheidsrecht behelst ook een inspanningsverplichting van verdachte. Mevrouw had vandaag in Nederland moeten zijn, wilde zij van haar aanwezigheidsrecht gebruik maken hetgeen meermalen met haar was gecommuniceerd. Hiervan heeft zij zelf afgezien.

4.3.

Door een behandeling van de wrakingskamer vandaag nog te frustreren met een beroep op artikel 515 lid 2 Sv. probeert zij de gevolgen van de door haar zelf gemaakte keuze tot een probleem van de Rechtbank te maken. Daar kan zij niet in slagen: immers was zij vandaag in Nederland geweest, was dit probleem niet ontstaan en had zij haar aanwezigheidsrecht ten volle kunnen uitoefenen.

5 De beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 512 Sv dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2.

De wrakingskamer stelt daarbij voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij partijdig is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekers daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. Het is evenzeer vaste rechtspraak dat de vraag of een processuele beslissing inhoudelijk al dan niet juist moet worden geacht, zich niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer en slechts in eventueel hoger beroep kan worden getoetst.

5.3.

Als uitgangspunt geldt voorts dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Met het nemen van de beslissing blijkt weliswaar onvermijdelijk van een standpunt van de rechter, maar dat levert niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing in voormelde zin op dat een vrees voor partijdigheid objectief is gerechtvaardigd. Dit kan anders zijn indien een beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat voor die beslissing redelijkerwijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat die beslissing voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, in die zin dat de beslissing objectief gezien bij de verzoeker tot wraking de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken (waarbij ook rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn) dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoeker. Indien niet voldaan is aan dit strikte criterium, kunnen onwelgevallige beslissingen geen gerede grond voor wraking opleveren.

5.4.

Aan de orde is de vraag of en in hoeverre dit ook geldt voor de motivering van de (tussen)beslissing om de in Spanje verblijvende verzoekster niet (langer) middels tele-horen ter zitting aanwezig te laten zijn door beëindiging van die verbinding en om niet te treden in het namens verzoekster gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling ter terechtzitting over te gaan, teneinde op die wijze mogelijk te maken dat verzoekster alsnog op een rechtens wel toelaatbare wijze kan verschijnen in haar strafza(a)k(en).

5.5.

Bij de beantwoording van die vraag moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook als het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is alleen anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, NJ 2009, 428).

5.6.

Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende. De door de rechtbank ter zitting bij monde van haar voorzitter gegeven motivering van de (tussen)beslissing is in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet onbegrijpelijk en daaruit kan dan ook niet blijken van enige vooringenomenheid van de rechters die haar hebben gegeven. Hierbij verdient overweging dat door verzoekster/haar raadsman ook geen meer/andere feiten zijn gesteld die een gerechtvaardigde vrees voor (uiterlijke schijn van) vooringenomenheid jegens verzoeker hebben kunnen wekken.

5.7.

Het wrakingsverzoek moet daarom worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.L.J. Koopmans, A.H. Margadant en
D.L. Westendorp, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op heden, 17 september 2020 en verzonden op 22 september 2020.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.