Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3148

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
08/030392-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man uit Hengelo is veroordeeld voor belaging en bedreiging. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 226 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar. Daarnaast moet de man zich laten behandelen, en komt hij onder reclasseringstoezicht te staan. Ook mag de man gedurende twee jaar geen contact opnemen met de twee slachtoffers en mot hij één van hen een schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/030392-19 (P)

Datum vonnis: 28 september 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in FPA De Boog te Warnsveld, Vordenseweg 12.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 mei 2019, 26 november 2019, 4 februari 2020 en 14 september 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Markink-Grolman en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.W. Stegeman, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 16 april 2015 tot en met 5 februari 2019 [benadeelde 1] heeft gestalkt;

feit 2: op 5 februari 2019 [benadeelde 1] met de dood heeft bedreigd;

feit 3: in de periode van 1 maart 2015 tot en met 14 november 2018 [benadeelde 2] heeft

gestalkt;

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 april 2015 tot en met 05 februari 2019, te Delden, in de gemeente Hof van Twente, en/of in de gemeente Hengelo (O), in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [benadeelde 1] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde 1] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij aldaar in genoemde periode

- veelvuldig die [benadeelde 1] en/of de vriend/partner van die [benadeelde 1] en/of de zus van die [benadeelde 1] opgebeld en/of opgezocht en/of benaderd, en/of

- veelvuldig e-mailberichten en/of berichten via Facebook en/of Facebook Messenger en/of

Whats app en/of Instagram en/of andere sociale media aan die [benadeelde 1] verzonden, en/of

- veelvuldig via Facebook en/of Facebook Messenger en/of Whats app en/of Instagram en/of

andere sociale media contact met die [benadeelde 1] gezocht, en/of

- zich veelvuldig in de (onmiddellijke) nabijheid van de woning van die [benadeelde 1]

opgehouden, en/of

- veelvuldig die [benadeelde 1] in of bij haar woning opgezocht en/of benaderd, en/of

- veelvuldig bedreigende en/of intimiderende teksten uitgesproken aan het adres van die M.W. [benadeelde 1] ;

2.

hij op een of meer verschillende tijdstippen op of omstreeks 05 februari 2019, althans in de

maand februari 2019, te Delden, in de gemeente Hof van Twente, en/of in de gemeente Hengelo (O), althans in Nederland, (telkens) een persoon, genaamd [benadeelde 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] (telkens) opzettelijk dreigend in een verzonden emailbericht toe te voegen - zakelijk weergegeven -, dat hij (verdachte) haar (genoemde [benadeelde 1] ) dood wil(de)

maken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met

14 november 2018 te Vroomshoop, gemeente Twenterand en/of Hengelo (O), althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 2] , door:

- meerdere malen, althans eenmaal via (meerdere nieuw aangemaakte accounts en/of

nepaccounts van) Facebook en/of Instagram contact te zoeken met die [benadeelde 2] en/of

- meerdere malen, althans eenmaal via voornoemde accounts berichten en/of links naar pornofilmpjes te sturen naar die [benadeelde 2] en/of

- meerdere malen, althans eenmaal via (meerdere nieuw aangemaakte accounts en/of

nepaccounts van) Facebook en/of Instagram vriendschapsverzoeken en/of volgverzoeken naar die [benadeelde 2] te sturen,

met het oogmerk die [benadeelde 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

3 De voorvragen

- Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

- Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ter terechtzitting van 21 mei 2019 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Reeds in haar tussenvonnis van

4 juni 2019 heeft de rechtbank overwogen dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. De rechtbank zal, nu bij genoemd tussenvonnis deze beslissing niet is opgenomen in het dictum, dit in dit vonnis alsnog bepalen.

- Overige voorvraag

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij feit 1 enkel sprake is van het veelvuldig langs elektronische weg sturen van berichten en het contact zoeken met [benadeelde 1] , en van het veelvuldig benaderen van [benadeelde 1] . Daarmee is echter geen sprake van belaging, omdat verdachte op niets anders heeft ingezet dan het overbrengen van zijn gevoelens. Hierdoor is er geen sprake van ‘een ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen’, zoals onder 1 en 3 ten laste is gelegd.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging van [benadeelde 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte zich gerealiseerd heeft dat er wellicht een vorm van dreiging van zijn handelen is uitgegaan en hij dat op de koop toe heeft genomen. Verdachte heeft nooit de bedoeling gehad om [benadeelde 1] bang te maken. Daarnaast wordt de bedreiging geconstrueerd door het voorafgaand veelvuldig mailen en het bezoek aan huis, te combineren met het e-mailbericht waarin verdachte heeft getypt dat hij [benadeelde 1] dood wil maken. Dat enkele e-mailbericht is niet bedreigend.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand kunnen worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan, zijn door verdachte bekend en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

- Feiten 1 en 3

In de periode van 16 april 2015 tot en met 5 februari 2019 heeft verdachte aangeefster

[benadeelde 1] veelvuldig e-mailberichten, berichten via Facebook en Facebook Messenger, WhatsApp- en Instagramberichten gestuurd. Ook heeft verdachte in die periode veelvuldig contact met aangeefster gezocht via deze sociale media en heeft hij haar op 4 februari 2019 bij haar woning opgezocht en benaderd.

In nagenoeg dezelfde periode – 1 maart 2015 tot en met 14 november 2018 – heeft verdachte aangeefster [benadeelde 2] op vergelijkbare wijze benaderd. Hij heeft via nieuw aangemaakte accounts en nepaccounts op Facebook en Instagram meermalen contact met haar gezocht, hij heeft haar berichten gestuurd en een link naar een pornofilmpje en hij heeft meerdere keren vriendschaps- en volgverzoeken naar haar gestuurd.

Aangeefsters hebben verklaard dat zij in die periode verdachte herhaaldelijk hebben laten weten dat zij geen berichten meer van hem wilden ontvangen en geen prijs stelden op verder contact met hem.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de processen-verbaal van aangifte met diverse bijlagen zoals door aangeefsters [benadeelde 1] en [benadeelde 2] aan de politie verstrekt en de bekennende verklaring van verdachte over de door hem verstuurde berichten, volgt dat verdachte opzettelijk die berichten via diverse sociale mediakanalen heeft gestuurd naar aangeefsters. Gedurende een lange periode, die in het geval van [benadeelde 1] bijna vier jaar en in het geval van [benadeelde 2] ruim drieënhalf jaar besloeg, bleef verdachte stelselmatig contact zoeken met aangeefsters ondanks het feit dat aangeefsters verdachte herhaaldelijk te verstaan hebben gegeven dat zij geen prijs stelden op contact. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte stelselmatig aangeefsters lastig heeft gevallen door het sturen van die berichten en door hen op andere wijze te benaderen. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] .

De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefsters en dat hij het oogmerk had om zijn handelingen door hen te laten dulden en om hen vrees aan te jagen. Door het gedurende een periode van jaren telkens sturen van berichten via verschillende (media)kanalen hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] er niet voor kunnen kiezen om aan de berichten te ontkomen, zodat beiden dat telkens hebben moeten dulden en verdachte telkens inbreuk heeft gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer.

Het verweer van de verdediging dienaangaande wordt dan ook verworpen. De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

- Feit 2

Feit 2 betreft de verdenking van een bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling.

Verdachte heeft ter zitting van 21 mei 2019 verklaard dat hij op 5 februari 2019 naar de woning van [benadeelde 1] is gegaan. Ook heeft verdachte [benadeelde 1] die dag e-mails gestuurd, inhoudende niet alleen dat hij die dag bij haar zou komen, maar ook dat hij haar dood wilde maken.

[benadeelde 1] heeft verklaard dat verdachte die dag tot drie keer toe bij haar aan de deur is geweest. Twee keer heeft [benadeelde 1] hem weggestuurd, maar telkens is verdachte terug gekomen. De derde keer heeft [benadeelde 1] de deur niet meer open gedaan en heeft zij de politie gebeld. Als verdachte kort daarna door de politie op het station wordt aangehouden, blijkt dat verdachte twee forse keukenmessen van circa 24 centimeter bij zich draagt.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte die dag naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden gekwalificeerd dan als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft aangekondigd naar de woning van [benadeelde 1] te komen, hij heeft haar bericht dat hij haar wilde doden en hij is ook daadwerkelijk bij haar woning geweest. [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij bang was. De omstandigheid dat haar op dat moment niet bekend was dat verdachte twee messen bij zich droeg maakt de bedreiging niet anders.

De rechtbank acht daarmee het onder feit 2 ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 16 april 2015 tot en met 5 februari 2019 in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] met het oogmerk die

[benadeelde 1] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij aldaar in genoemde periode

- veelvuldig e-mailberichten en berichten via Facebook en Facebook Messenger en

WhatsApp en Instagram aan die [benadeelde 1] verzonden en

- veelvuldig via Facebook en Facebook Messenger en WhatsApp en Instagram contact met die [benadeelde 1] gezocht en

- veelvuldig die [benadeelde 1] bij haar woning opgezocht en benaderd;

2.

hij op 5 februari 2019 in Nederland een persoon, genaamd [benadeelde 1] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 1] opzettelijk dreigend in een verzonden e-mailbericht toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat hij haar dood wilde maken;

3.

hij in de periode van 1 maart 2015 tot en met 14 november 2018 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 2] , door:

- meerdere malen via meerdere nieuw aangemaakte accounts en/of

nepaccounts van Facebook en Instagram contact te zoeken met die [benadeelde 2] en

- meerdere malen via voornoemde accounts berichten en een link naar een pornofilmpje te sturen naar die [benadeelde 2] en

- meerdere malen via meerdere nieuw aangemaakte accounts en nepaccounts van Facebook en Instagram vriendschapsverzoeken en volgverzoeken naar die [benadeelde 2] te sturen, met het oogmerk die [benadeelde 2] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1 en 3: telkens het misdrijf belaging;

feit 2: het misdrijf bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is in het voorjaar van 2019 door drs. T. ‘t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, onderzocht. Dat heeft geleid tot diens rapport van 13 mei 2019. In de zomer van 2020 is verdachte door C.J.F. Kemperman, psychiater, onderzocht. Dat heeft geleid tot diens rapport van 5 augustus 2020. Beiden hebben zich onder meer uitgelaten over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde het plegen van de delicten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, anders dan de psychiater heeft geadviseerd, dat het handelen van verdachte niet gedurende de gehele ten laste gelegde periode niet aan hem toegerekend kan worden. De psychose waar verdachte aan heeft geleden is gaandeweg, in een proces van afglijden, ontstaan. Op het moment dat verdachte bij [benadeelde 1] voor de deur stond, was wel sprake van een psychose, zodat het handelen van verdachte ten aanzien van dat feit niet aan hem toegerekend kan worden en hij voor dat feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van een volledige ontoerekeningsvatbaarheid gedurende de gehele ten laste gelegde periode geen sprake is geweest. Zij acht het niet aannemelijk dat verdachte gedurende de gehele ten laste periode is beheerst door ernstige psychiatrische stoornissen. Verdachte heeft telkens opnieuw welbewust handelingen verricht, zoals berichten via sociale media sturen, bij de woning komen, messen meenemen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of de bewezenverklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, het volgende.

Uit de rapportages van de psycholoog en de psychiater blijkt dat verdachte lijdt aan een

een psychose die op dit moment in remissie is en dat er daarnaast kenmerken zijn van een autisme spectrum stoornis.

Volgens de psychiater heeft verdachte gehandeld vanuit wanen. Zijn gedrag is volledig voortgekomen uit de stoornis. De psychiater heeft geadviseerd verdachte de ten laste gelegde feiten niet toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen enkele twijfel is dat bij verdachte sprake is van complexe bestaande en terugkerende psychopathologie, waardoor verdachte op alle levensgebieden steeds problematischer functioneerde en er uiteindelijk gesproken kan worden van een volledig sociaal-maatschappelijke teloorgang.

Het is dan ook aannemelijk dat deze pathologie een belangrijke rol heeft gespeeld bij de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is echter van oordeel dat gezien de lange periode waarin de feiten zijn gepleegd, niet zonder meer gesteld kan worden dat het gedrag van verdachte gedurende die gehele periode hem niet is toe te rekenen. Hetgeen de psychiater daartoe aanvoert, acht de rechtbank, mede in het licht van de lange periode, onvoldoende overtuigend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de feiten in het geheel niet aan verdachte toegerekend kunnen worden. Gelet op het handelen van verdachte en zijn beweegredenen daarvoor is het naar het oordeel van de rechtbank echter evident dat wel sprake is van handelen dat niet volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting van 14 september 2020 haar eis gewijzigd ten opzichte van de ter zitting van 21 mei 2019 geponeerde eis. De officier van justitie heeft thans gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 134 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd, inhoudende dat verdachte zich moet melden bij Reclassering Nederland, zich moet laten opnemen in een zorginstelling, moet meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang en aan ambulante behandeling en aan een contactverbod met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie ter zitting van 21 mei 2019 gedane eis, inhoudende dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden wordt opgelegd, waarvan een gedeelte van 137 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend is. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de volgende bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld: meldplicht bij de reclassering, opname bij GGNet FPA De Boog, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang alsmede het opleggen van een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr), inhoudende dat verdachte zich dient te onthouden van contact met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , met dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel.

Het thans opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de verdediging niet wenselijk en niet proportioneel. De voortzetting van behandeling van verdachte is wenselijk, maar die kan ook plaatsvinden binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel met verplicht reclasseringstoezicht. De reclassering kan dan ingrijpen in het geval verdachte weer zou afglijden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft gedurende zeer lange periodes zowel [benadeelde 1] als R.S [benadeelde 2] belaagd. Ook heeft hij [benadeelde 1] met de dood bedreigd. Hij heeft haar daartoe via

e-mailberichten benaderd, aangekondigd dat hij bij haar zou komen, heeft zich tot twee keer laten wegsturen maar is steeds weer teruggekomen en is, nadat aangeefster de politie heeft gebeld, kort daarna aangehouden met twee keukenmessen op zak. In een van zijn e-mails heeft verdachte haar geschreven dat hij haar dood wilde maken, omdat dan de dood voor hemzelf minder erg zou zijn.

Deze ervaring, mede in het licht bezien van de al lange periode – circa vier jaar – daaraan voorafgaand dat verdachte telkens via diverse sociale mediakanalen opnieuw contact met aangeefster heeft gezocht, maakt dat dit een ernstig bedreigende en belastende situatie voor aangeefster moet hebben opgeleverd.

Steeds na tussenpozen heeft verdachte opnieuw contact met aangeefsters opgenomen. Ook als zij hem herhaaldelijk hadden laten weten geen contact meer te willen is verdachte daarmee doorgegaan. Zelfs na gesprekken van de politie met verdachte met het doel zijn gedrag te laten stoppen, is verdachte doorgegaan met het benaderen van aangeefsters. Hierdoor werden aangeefsters gedurende jaren achtervolgd door de ongewenste en dreigende aanwezigheid van verdachte in hun leven.

Dat verdachte met zijn handelen naar zijn zeggen geen kwaad in de zin had, is hoogstens een verduidelijking voor zijn handelen achteraf, maar neemt de angst van de aangeefsters in die periode niet meer weg.

Belaging brengt bij slachtoffers gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Naar de ervaring leert, heeft dit feit veelal langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij het slachtoffer tot gevolg. Zij blijven nog lang op hun hoede uit angst dat verdachte opnieuw contact met hen zal opnemen. De rechtbank neemt verdachte de gepleegde feiten erg kwalijk.

De vraag die vervolgens voorligt is welke straf aan verdachte moet worden opgelegd.

Gezien de ernst én de duur van de feiten is in beginsel het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats. De rechtbank houdt evenwel ook rekening met de omstandigheid dat verdachte de feiten heeft gepleegd in een periode dat hij ernstig psychiatrisch ziek was, daarvoor nu behandeling ondergaat en nog behandeling en begeleiding nodig blijft houden. In dat licht bezien houdt de rechtbank ook rekening met de kans op herhaling die door de psychiater laag wordt ingeschat binnen de huidige situatie waarin verdachte is ingesteld op medicatie en hij daar goed op reageert en hij behandeling ondergaat. Verdachte is ook in toenemende mate tot zelfinzicht gekomen en er ligt een langzame resocialisatie in de rede onder toezicht en begeleiding. Voorzetting van de reeds in gang gezette behandeling in een klinische setting acht de rechtbank dan ook wenselijk. De rechtbank heeft hierbij ook gelet op hetgeen M. Schoemaker, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, in het rapport van 27 augustus 2020 over de persoon van verdachte heeft geschreven.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden opleggen. Het onvoorwaardelijk deel van deze gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen op de duur van de tijd die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank is van oordeel dat met het opleggen van deze voorwaarden het recidiverisico voldoende is ingeperkt. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan de voorwaarden te houden. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf zal de rechtbank een proeftijd van vijf jaar verbinden, zoals geadviseerd door de reclassering.

Tenslotte acht de rechtbank het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr noodzakelijk. De rechtbank zal verdachte een contactverbod opleggen met zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] , inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , gedurende een periode van twee jaar. Iedere overtreding van deze contactverboden levert steeds een week voorlopige hechtenis op, tot een maximum van 26 weken.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom zich belastend zal gedragen ten opzichte van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , beveelt de rechtbank dat deze vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

Mr. E.M. Keulen, advocaat van [benadeelde 2] , heeft ter zitting van 14 september 2020 de vordering mondeling vermeerderd met een bedrag van € 2.759,82.

De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van primair € 12.901,99 en subsidiair € 11.062,11, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- verlies van verdienvermogen: primair € 8.739,43 P.M. netto,

subsidiair € 6.899,55 P.M. netto;

- eigen risico: € 1.076,--;

- reiskosten: € 146,39;

- kosten psychologische behandeling: € 440,17 P.M.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,-- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair gevorderde bedrag inzake verlies van verdienvermogen inclusief de ter zitting gevraagde vermeerdering, alsmede de overige gevorderde posten kunnen worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering integraal betwist en zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat de vordering in volle omvang aan de civiele rechter moet worden voorgelegd, omdat er onduidelijkheid is over de schade, het bewijs van gestelde feiten, de causaliteit en hoogte van de schadevergoeding. De benadeelde partij dient dan ook in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering heeft betrekking op het onder 3 ten laste gelegde. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De verdediging heeft de schade gemotiveerd betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten, mede gelet op de gevoerde verweren, van dien aard zijn dat zij zich niet lenen voor eenvoudige toe- dan wel afwijzing. De rechtbank is van oordeel dat het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden, daar waar het immateriële schade betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de immateriële schade van € 2.500,-- voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen, inclusief de wettelijke rente.

De verdediging heeft gevorderd de benadeelde partij te veroordelen in de proceskosten conform het liquidatietarief. Aangezien de rechtbank de gevorderde immateriële schade toewijst, zal deze vordering van de verdediging worden afgewezen.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 3 is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38w en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feiten 1 en 3: telkens het misdrijf belaging;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 226 (tweehonderdenzesentwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 5 (vijf) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland te Zutphen op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich klinisch laat behandelen in FPA De Boog te Warnsveld of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering. De opname duurt maximaal twee jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte zal zich dan houden aan de regels en aanwijzingen die door de zorginstelling gegeven worden voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan indicatiestelling en plaatsing.

- na de intramurale behandeling verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor verdachte heeft opgesteld;

- zich na de intramurale behandeling laat behandelen door GGNet of en soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. De betrokkene werkt mee aan een time-out in een FPA met een maximum van zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens zeven weken, tot een maximum van 14 weken per jaar indien de reclassering dat nodig acht;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt op de maatregel dat verdachte gedurende twee jaar op geen enkele wijze – direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] of

[benadeelde 2] ;

  • -

    beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van 26 weken;

  • -

    beveelt dat deze opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 3) van een bedrag van € 2500,-- (twee duizend vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2018;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2500,-- (twee duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 35 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- wijst af de vordering van verdachte tot veroordeling van de benadeelde partij

[benadeelde 2] in de kosten van het geding door verdachte gemaakt;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. G.J. Stoové, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 september 2020.

Mr. Van Berlo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, District Twente, met nummer PL0600-2019053851 van

7 februari 2019, en het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, District Twente, met nummer PL0600-2018514895 van 10 december 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 mei 2019 voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik heb [benadeelde 1] in de periode van 16 april 2015 tot en met 5 februari 2019 gestalked.

Ik heb haar via Facebook en Facebook Messenger veel berichten gestuurd. Via Instagram heb ik haar gevolgd en ontvolgt, om haar vervolgens weer een vervolgverzoek te sturen.

In 2015 stuurde ze terug dat ik op moest houden met berichten sturen en dat ze niets met mij wilde. Ik ben toen toch doorgegaan.

Het klopt inderdaad dat ik in 2015 met haar een date heb gehad via Tinder. Na die date bleef ik haar berichten sturen. Eerst via WhatsApp totdat ze mij blokkeerde. Ik heb ook nepaccounts aangemaakt om haar berichten te sturen.

Met betrekking tot het feit op 5 februari 2019 kan ik u zeggen dat ik naar de woning van [benadeelde 1] ben toegegaan

Ik had haar niet moeten mailen dat ik haar dood wilde maken, maar dat heb ik wel gedaan.

Ik heb haar de volgende ochtend weer een mail gestuurd waarin ik heb gezegd dat ik er aan zou komen en die middag ben ik bij haar aan de deur gegaan.

Ik zeg daarop dat ik die messen toch wel bij mij had toen ik bij [benadeelde 1] aan de deur stond.

Ik heb in de periode van 1 maart 2015 tot en met 14 november 2018 ook aan [benadeelde 2] meerdere malen berichten gestuurd. Dat deed ik via Facebook en Instagram. Ook heb ik daar meerdere malen een nieuw account aangemaakt of een nepaccount waarmee ik contact met haar zocht. Dat waren vriendschapsverzoeken of volgverzoeken. Ook heb ik haar een link naar een pornofilmpje gestuurd.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 5 februari 2019 met diverse bijlagen (pag. 6 t/m 85), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb in 2015 een Tinder date gehad met een jongen die [verdachte] heet.

Na deze date begon hij mij heel veel berichtjes te sturen. Eerst waren deze berichtjes nog dat hij nogmaals met mij af wilde spreken en ik heb hem telkens gezegd dat ik dit niet wilde. Ik ben op een gegeven moment ook gestopt met reageren op zijn berichtjes. Veel van deze berichten kwamen binnen via Facebook.

[verdachte] stuurde mij ook via Facebook Messenger een SM boek.

Ik heb hem geblokkeerd op WhatsApp, Facebook en Instagram. Hij is altijd blijven stalken. Dit was de ene maand meer dan de andere. Nadat ik hem had geblokkeerd op Facebook ging hij fake accounts aan maken en viel mij hierdoor lastig.

Op 4 februari 2019 kreeg ik een mail van [verdachte] .

Om 12.53 uur kwam er nog een mail binnen van [verdachte] waarin stond " [benadeelde 1] ik kom vanmiddag om 15.00 uur bij je. Mijn moeder brengt me. Ik moet je iets zeggen".

Om 14.45 uur ging bij mijn thuis de bel.

[verdachte] zei niets maar bleef me alleen aan kijken.

Ik heb [verdachte] toen heel erg duidelijk gezegd dat hij weg moest gaan en mij met rust moest laten.

Iets over 15.30 uur ging weer de bel. Toen ik naar de voordeur liep en door het kijkgaatje keek zag ik dat [verdachte] weer voor mijn deur stond. Ik heb toen weer

open gedaan en gezegd tegen hem dat ik de politie zou bellen en hij nu weg moest

gaan.

Ik voelde mij op dat moment niet meer prettig en veilig voelde in mijn eigen huis.

Om 16.00 uur ging weer de bel. Ik zag weer dat [verdachte] voor mijn deur stond. Ik heb toen niet open gedaan maar direct de politie gebeld. Ik wist niet meer wat ik op dat moment moest doen en ik was ook bang.

3.

Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 5 februari 2019 (pag. 96), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 februari 2019 waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , belast met de Noodhulp in de Gemeente Hof van Twente.

Wij kregen een melding dat aan de [adres] melder lastig gevallen werd.

Wij zagen een man lopen op het perron welke aan het opgegeven signalement voldeed. Wij hebben de man staande gehouden.

[verdachte] verklaarde dat hij inderdaad bij de woning aan de [adres] was geweest.

Tijdens de fouillering kwamen 2 keuken messen uit zijn jaszak.

4.

Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 14 november 2018 met bijlagen (pag. 7 t/m 24) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 31 mei 2014 heb ik afgesproken met een jongen genaamd [verdachte] .

Ik merkte vanaf het begin dat [verdachte] mij heel veel berichten stuurde. Ik heb eigenlijk na een week al naar [verdachte] gestuurd dat ik geen verdere intenties met hem had. [verdachte] bleef veel berichten sturen. Ik heb een week later hem geblokt op WhatsApp. Het WhatsApp contact was op dat moment verbroken.

Ik doe een bijlage met allemaal screenshots van berichten en fake accounts bij de aangifte.

Vanaf maart 2015 heb ik allemaal berichten ontvangen van [verdachte] via Facebook Messenger.

Rond die tijd kreeg ik van hem een link met een pornofilmpje binnen.

In april/mei 2016 ontving ik allemaal vriendschapsverzoeken via Facebook. Het ware hele rare vriendschapsverzoeken want ik herkende de personen niet. Ook waren het allemaal buitenlandse of niet bestaande namen. Ik voeg de screenshots toe.

Door de manier van praten en doordat ik al zolang last had van [verdachte] wist ik direct dat dit vanuit [verdachte] kwam. Ik heb echt in deze periode wel 20 tot 30 Facebook accounts geblokkeerd van allemaal verschillende mensen, welke allemaal vanuit [verdachte] kwamen. De berichten wat hij stuurde maakte mij erg bang.

Ongeveer halverwege 2017 begon hij weer. Ik kreeg het idee dat hij toen Instagram had ontdekt. Ik heb op Instagram wel 30 tot 40 accounts geblokkeerd, deze accounts zijn allemaal gelinked aan [verdachte] en [verdachte] stuurt via deze verschillende accounts

vriendschapsverzoeken. De accounts hebben hele rare namen zoals [naam] maar

daaronder staat dan gewoon de naam [verdachte] .