Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3146

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
251161/KGRK 20-312
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer van de rechtbank Overijssel wijst het verzoek tot wraking toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 251161/KGRK 20-312

Beslissing van 8 september 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

Geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ( [land] ),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. S.C. van Klaveren, advocaat te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Op 29 juni 2020 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. J. Wentink,

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. D. ten Boer, strafrechters in deze rechtbank en in die hoedanigheid als meervoudige kamer in de zittingsplaats Zwolle belast met de behandeling van de zaak waarin verzoeker verdachte is, die is geregistreerd onder parketnummer [nummer] .

Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting van 29 juni 2020 heeft (de raadsman van) verzoeker (namens verzoeker) een mondeling verzoek tot wraking van de meervoudige strafkamer gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting.

1.3.

In verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het coronavirus heeft de mondelinge behandeling op 24 augustus 2020 plaatsgevonden via een Skype-verbinding. Bij de mondelinge behandeling zijn mr. S.C. van Klaveren, de advocaat van verzoeker, en mr. A.M. de Leeuw, officier van justitie, aanwezig geweest. Zowel de advocaat als de officier van justitie heeft (via e-mail) pleitaantekeningen overgelegd.

De gewraakte rechters, die wel een schriftelijke reactie hadden ingestuurd, zijn met kennisgeving niet verschenen.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De wrakingskamer stelt op basis van de stukken en de toelichting ter zitting het volgende vast.

2.2.

Verzoeker is verdachte in het onderzoek [onderzoek] . Hij werd op 29 oktober 2019 samen met acht anderen aangehouden in een loods in [plaats] , alwaar een sigarettenproductiestraat werd aangetroffen.

Op 11 juni 2020 heeft een zitting plaatsgevonden in de zaak tegen verzoeker en de

medeverdachten. In de zaak van verzoeker werd het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2020 geschorst voor bepaalde tijd tot 29 juni 2020 en in de zaken van de medeverdachten werd vonnis bepaald op 25 juni 2020.

2.4.

In de vonnissen van de medeverdachten heeft de meervoudige strafkamer onder meer het volgende overwogen:

Verdachte en zijn medeverdachten waren in deze loods aanwezig en verrichtten daar werkzaamheden.’(...)

‘De rechtbank is van oordeel dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn 'werkgever' de verplichtingen om op aangifte accijns te voldoen niet zou nakomen, waarmee sprake is van de situatie dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de aangetroffen rooktabak en sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in Nederland in de heffing waren betrokken. Immers:

- verdachte en zijn medeverdachten waren volgens hun eigen verklaringen onder valse voorwendselen geworven. Men zei dat het om werk in de bouw zou gaan. Pas ter plaatse -in een loods op een onbekende locatie- bleek het om het maken van sigaretten te gaan.’(…)

‘Dit zijn omstandigheden die niet anders uitgelegd kunnen worden, dan dat het om illegale activiteiten moet gaan. Ondanks dit alles, heeft verdachte zich niet aan de werkzaamheden onttrokken.’

Voorts is in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen:

‘De hieronder vermelde verdachten waren werkzaam in de loods waar de sigarettenlijn in gebruik was en zijn daar op heterdaad aangehouden: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 9].’ (…)

‘In de loods werkten 1 Poolse man en nog 7 Oekraïners.’.

2.5.

Verzoeker heeft bij de politie onder meer het volgende verklaard:

‘Ik werk bij een bouwbedrijf.’ (…) Ik wist niet dat er een sigarettenfabriek was.’ (…) ‘Ik heb niet gezien waar we naartoe reden, want de gordijnen waren dicht.’ (…) ’Ik was er voor het eerst.’

3 Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat de gewraakte leden van de meervoudige strafkamer in de zaak tegen verzoeker niet meer onbevooroordeeld zijn, omdat zij in de vonnissen van de medeverdachten al een oordeel hebben gegeven over de betrokkenheid en rol van verzoeker.

4 Het standpunt van meervoudige strafkamer

De meervoudige strafkamer heeft niet berust in de wraking en heeft zich op het standpunt gesteld dat de wrakingsgrond niet tot wraking kan leiden, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

5 De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

Volgens artikel 513 lid 1 Sv moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

De vonnissen tegen de medeverdachten van verzoeker zijn op 25 juni 2020 uitgesproken. De advocaat van verzoeker heeft onbetwist gesteld dat hij pas op 29 juni 2020, tijdens een onderbreking van de regiebehandeling van de strafzaak van verzoeker, kennis heeft genomen van deze vonnissen. De advocaat heeft vervolgens tijdens het vervolg van de zitting, na overleg met een kantoorgenoot, een wrakingsverzoek gedaan. Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.

6 De beoordeling

6.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

6.2.

De enkele omstandigheid dat een rechter al eerder een medeverdachte heeft veroordeeld in een aparte procedure levert op zichzelf geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld. Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in artikel 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in een andere zaak tegen andere (mede)verdachten buiten beschouwing te laten.

6.3.

Hoewel het enkele feit dat een rechter in een strafzaak tegen een medeverdachte reeds een beslissing heeft gegeven geen zwaarwegende aanwijzing oplevert, kan hierin onder omstandigheden wel een begin van een objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid gelegen zijn.

6.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de meervoudige strafkamer zich in de vonnissen van de medeverdachten uitgesproken over de betrokkenheid en de rol van verzoeker bij het tenlastegelegde. In de vonnissen van de medeverdachten is onder meer overwogen dat verdachte en medeverdachten in de loods aanwezig waren en daar werkzaamheden verrichtten. Dat verzoeker kan worden aangemerkt als één van deze bedoelde medeverdachten volgt niet alleen uit het vaststaande gegeven dat verzoeker, een man met de Poolse nationaliteit, op 29 oktober 2019 in een loods in [plaats] is aangehouden samen met acht anderen, maar ook uit de in de bijlage bij de vonnissen van de medeverdachten opgenomen bewijsmiddelen, te weten dat er negen personen in de loods werden aangehouden en dat zich onder de aangehouden personen één persoon bevond met de Poolse nationaliteit, alsmede dat de medeverdachten in die bewijsmiddelen allen bij naam zijn genoemd als zijnde op heterdaad aangehouden.

Daar komt bij dat de meervoudige strafkamer in de zaken van de medeverdachten de verklaringen van de medeverdachten, dat zij onder valse voorwendselen waren geworven voor werk in de bouw maar dat pas ter plaatse bleek dat het om het maken van sigaretten ging, redengevend heeft geacht voor het oordeel dat de medeverdachten redelijkerwijs moesten weten dat zij met illegale activiteiten te maken hadden. Nu verzoeker in zijn strafzaak een min of meer gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

6.5.

Het verzoek wordt toegewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Deze beslissing is gegeven door de mr. U. van Houten, mr. B.W.M. Hendriks en mr. M.H. van der Lecq, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. de Vries en in openbaar uitgesproken op 8 september 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.