Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3130

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
8286894 CV EXPL 20-232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is het een brave zwarte merrie of een paard met een moeilijk karakter? Voor die vraag staat de kantonrechter wanneer eiser de aankoop van een paard ongedaan wil maken. De rechter oordeelt dat partijen op zitting een toelichting moeten geven of er is voldaan aan de mededelingsplicht en de onderzoeksplicht. Ook wil de rechter met hen bespreken of zij het op één of meerdere punten met elkaar eens kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Kanton- en Handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : 8286894 CV EXPL 20-232

datum : 4 augustus 2020

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij, hierna: [eiser] ,

verschenen bij gemachtigde mr. F.Y. de Reus,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij, hierna: [gedaagde] ,

verschenen bij gemachtigde mr. H.G. Ruis.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2020 en

nadat de kantonrechter heeft bepaald dat in verband met de uitbraak van het Coronavirus er geen mondelinge behandeling zal volgen maar dat er schriftelijk zal worden doorgeprocedeerd,

  • -

    een antwoordakte van [gedaagde] ,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    een akte van depot van [eiser] voorzien van een usb-stick en

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is het vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft op 10 augustus 2019 haar paard [naam paard] te koop aangeboden. [naam paard] heeft zij (ongeveer) 4 jaar in haar bezit heeft gehad en ze heeft enkele jaren (amateur)wedstrijden met [naam paard] gereden, voornamelijk in de discipline dressuur, maar ook in de discipline springen.

2.2.

Over het karakter van [naam paard] vermeldt de advertentie: “fijne zwarte merrie te koop (…), Brave merrie, maar kan sensibel zijn. (…) Zeer lief en braaf in omgang. (…). Gaat weg wegens overgang naar Eventing.”

2.3.

[eiser] heeft belangstelling voor [naam paard] getoond. [eiser] heeft bij [gedaagde] proefritten gemaakt op 16 en 21 augustus 2019. Na een positieve aankoopkeuring op 20 augustus 2019 heeft [eiser] [naam paard] gekocht voor € 7.500,00 en mee naar huis genomen.

2.4.

Tot 2 september 2019 heeft [eiser] [naam paard] aan de longeerlijn getraind. Op
2 september 2019 heeft [eiser] [naam paard] voor het eerst bereden. Zij is daarbij van [naam paard] gevallen toen deze direct na het opstappen naar voren sprong, bokte en omdraaide.

2.5.

Nadat [eiser] van [naam paard] is gevallen op 2 september 2019 heeft de partner van [eiser] telefonisch contact met [gedaagde] gezocht. Ook is er tussen [eiser] en [gedaagde] op 2 en
3 september 2019 contact geweest via whats-app. [eiser] heeft [gedaagde] daarbij gevraagd of zij langs kon komen om [naam paard] te berijden. [gedaagde] heeft [eiser] bericht dat zij vanwege haar werk geen mogelijkheid zag om langs te komen. Zij heeft [eiser] wel advies gegeven. Dit luidt:
“Wees erg consequent. Ook aan de hand. Stilstaan is stilstaan en dan ook geen pas meer verzetten bijvoorbeeld. Gewoon meteen terugzetten en desnoods een corrigerende tik.
Ik ben altijd erg consequent tegen mijn paarden en dat werkt bij ieder paard. Desnoods gooi je dr eerst aan de longe voordat je er op stapt als dat jou meer vertrouwen geeft.”

2.6.

Vanaf 6 september 2019 is [naam paard] gedurende (ruim) 2 maanden in training geweest bij [stal] , waarbij ze is bereden door [naam 1] .

2.7.

Op 19 september 2019 heeft [eiser] per what’s-app aan [gedaagde] gevraagd om [naam paard] terug te nemen. [gedaagde] heeft [eiser] per what’s app op 21 september 2019 bericht dat zij niet bereid is om [naam paard] terug te nemen.

2.8.

Op 17 en 31 oktober 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] aangeschreven met het voorstel om de koop ongedaan te maken. Daarop is namens of door [gedaagde] niet welwillend gereageerd.

2.9.

Vanaf omstreeks medio december 2019 is [naam paard] niet bereden maar onder leiding van [naam 2] , trainer Revalidatie paarden, 1 tot 2 keer per week getraind. Op 22, 25 en
27 april 2020 heeft [naam 2] [naam paard] drie keer bereden. De eerste twee keren gingen goed. Op
27 april 2020 is [naam 2] van [naam paard] gesprongen nadat [naam paard] bij het aandraven drie keer steigerde.

3 De vorderingen

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van de vordering bij akte, dat de kantonrechter bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

-primair: voor recht verklaart dat de overeenkomst op 19 september 2019 dan wel
17 oktober 2019 is ontbonden met veroordeling van [gedaagde] in terugbetaling aan [eiser] van de koopsom van € 7.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
19 september 2019, dan wel 26 oktober 2019 tot aan de algehele voldoening, alsmede gelijktijdige terugname van het paard binnen 8 dagen na betekening van het vonnis;

-subsidiair: de overeenkomst ontbindt met veroordeling van [gedaagde] in terugbetaling aan [eiser] van de koopsom van € 7.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de algehele voldoening, alsmede gelijktijdige terugname van het paard binnen 8 dagen na betekening van het vonnis;

-meer subsidiair: voor recht verklaart dat de overeenkomst op 17 oktober 2019 is vernietigd, met veroordeling van [gedaagde] in terugbetaling aan [eiser] van de koopsom van € 7.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2019 tot aan de algehele voldoening, alsmede gelijktijdige terugname van het paard binnen 8 dagen na betekening van het vonnis;

-meer meer subsidiair: de overeenkomst te vernietigen, met veroordeling van [gedaagde] in terugbetaling aan [eiser] van de koopsom van € 7.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de algehele voldoening, alsmede gelijktijdige terugname van het paard binnen 8 dagen na betekening van het vonnis;

II [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] ten titel van schadevergoeding te betalen het bedrag van € 3.919,00 + p.m. te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de algehele voldoening, alsmede de door [eiser] vanaf datum dagvaarding gemaakte kosten t.b.v. het paard tot aan de dag van het ophalen van het paard;

III [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten.

Bij conclusie van repliek heeft [gedaagde] voor wat betreft de schadevergoeding (onder II gevorderd) verwezen naar productie 39, waar een bedrag van € 4.598,00 is opgenomen.

3.2.

[eiser] stelt dat er bij [naam paard] sprake is van non-conformiteit. [naam paard] heeft een moeilijk karakter en vertoont bij het opstappen en rijden extreem gedrag, zich uitend in steigeren, bokken, omdraaien en gericht naar het been trappen. Dit gedrag heeft zich zowel bij [eiser] als bij [naam 1] en [naam 2] voorgedaan. Dit gedrag valt niet onder de omschrijving ‘een sensibel paard’.

[naam paard] is hierdoor niet geschikt voor een middelmatige ruiter. Dat [eiser] een middelmatige ruiter is, is uitdrukkelijk met [gedaagde] besproken tijdens de beide proefritten. [gedaagde] heeft toen benadrukt dat [naam paard] sensibel maar braaf is. [naam paard] zou prima te rijden zijn voor een middelmatige ruiter, aldus [gedaagde] .

[eiser] heeft [gedaagde] op 2 september 2019 op de hoogte gesteld van haar val van [naam paard] op
2 september 2019 en haar uitgenodigd om te komen kijken en [eiser] te adviseren. [gedaagde] wilde niet komen maar kon wel een advies, zoals onder 2.4. vermeld, geven.
In december 2019 is bij [naam paard] synovitis in de hals vastgesteld met als gevolg pijn en ataxie. Deze aandoening is met rust, revalidatie en een behandeling verholpen. Daarna heeft het moeilijke gedrag van [naam paard] zich in april 2020 onder het zadel bij [naam 2] weer laten zien. [gedaagde] moet bekend zijn geweest met het karakter van het paard en met dit soort gedrag: [eiser] heeft vernomen dat [gedaagde] in mei 2019 een dressuurwedstrijd heeft afgebroken door het staakgedrag van [naam paard] .

3.3.

[gedaagde] voert aan dat er geen sprake is van non-conformiteit. [naam paard] is altijd een braaf paard geweest dat geen problemen gaf met het rijden. Het staakgedrag of zelfs steigeren van het paard is geheel nieuw voor haar. Het door [eiser] omschreven onwenselijke gedrag kan veroorzaakt zijn door eigen handelen van [eiser] en/of de door haar ingeschakelde hulptroepen, en dat kan op verschillende manieren in zijn werk zijn gegaan.
Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] niet aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan. [gedaagde] heeft zowel in de advertentie als bij de proefritten naar voren gebracht dat [naam paard] sensibel is, wat betekent dat het paard een gevoelig karakter heeft, schrikreacties kan vertonen en niet hard moet worden aangepakt. Een dergelijk paard vergt een ervaren ruiter dat met het karakter overweg kan. [eiser] heeft zich niet voorgedaan als een middelmatige ruiter en [eiser] heeft ook niet die indruk gekregen. Als er iets is gebeurd met [naam paard] na de aankoop is [gedaagde] daar niet verantwoordelijk voor. [eiser] heeft met de keuze voor [naam 1] , werkzaam op een africhtingsstal waar paarden zadelmak worden gemaakt, voor een totaal niet bij [naam paard] passende aanpak gekozen.

4 De overwegingen

4.1.

In geschil is de vraag of [naam paard] beantwoordt aan de koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] .

In artikel 7:17 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt hierover onder meer bepaald:

- dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden,

- dat daar geen sprake van is indien de zaak gezien de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten en

- dat de koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.

4.2.

Bij een koopovereenkomst als onder 4.1 beschreven komt het er ook op aan wat partijen ten tijde van en voorafgaand aan de koop hebben verklaard en wat zij over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen hebben mogen afleiden. Bovendien dienen partijen zich op grond van de wet te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat de aandoening synovitis en (de daaruit voortvloeiende) ataxie niet langer een grondslag is voor de vorderingen van [eiser] , zodat deze verder onbesproken zullen blijven.

4.4.

[eiser] stelt dat er sprake is van non-conformiteit door het hierboven omschreven moeilijke karakter van [naam paard] en het daaruit voortvloeiende extreme gedrag bij het opstappen en tijdens het rijden. Zij wenst dat de koop ongedaan wordt gemaakt.

Waar partijen in dit verband onder meer over verschillen is;

  • -

    het karakter van [naam paard] : moeilijk karakter/scherp paard ( [eiser] ) tegenover braaf maar sensibel( [gedaagde] );

  • -

    de vraag of [naam paard] al vóór het moment van verkoop staakgedrag of een andere uiting van haar gestelde moeilijke karakter heeft laten zien;

  • -

    in hoeverre [gedaagde] heeft voldaan aan haar mededelingsplicht/ [eiser] heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht over:

 het karakter en het gedrag van [naam paard] ,

 de voor [naam paard] noodzakelijke rijkwaliteiten/rijstijl van de (toekomstige) ruiter,

 de bestaande rijkwaliteiten van [eiser] .

4.5.

De kantonrechter acht zich vooralsnog op de onder 4.4. weergegeven punten onvoldoende voorgelicht om in deze zaak gefundeerde beslissingen te kunnen geven. Alles afwegende zal de kantonrechter daarom in deze zaak een mondelinge behandeling van partijen bevelen om nadere informatie van partijen over de zaak te krijgen en om met hen te bespreken of zij het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.6.

De kantonrechter acht de aanwezigheid van beide partijen bij de mondelinge behandeling wenselijk, in het bijzonder van personen die inhoudelijk van de zaak op de hoogte zijn alsmede van personen die bevoegd zijn om een regeling te treffen.

4.7.

Vervolgens kan, afhankelijk van het besprokene, worden overgegaan tot het beproeven van een schikking. Ook bestaat de mogelijkheid dat de kantonrechter een mondeling (tussen)vonnis wijst. Ten slotte zullen zo nodig nadere afspraken worden gemaakt over het verdere verloop van de procedure.

4.8.

Een partij die zich tijdens de mondelinge behandeling wil beroepen op stukken die nog niet zijn overgelegd, moet die stukken uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling hebben ingebracht door (tijdige) toezending aan de kantonrechter en aan de wederpartij. Indien een partij stukken later indient, moet zij er rekening mee houden dat die stukken mogelijk niet worden geaccepteerd.

4.9.

Als een partij niet op de mondelinge behandeling verschijnt kan de kantonrechter daaraan de gevolgen - -ook in het nadeel van die partij - -verbinden die de kantonrechter geraden voorkomen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

beveelt een mondelinge behandeling;

5.2.

bepaalt dat partijen (eventueel) bijgestaan door hun gemachtigden, verschijnen op de mondelinge behandeling door mr. A. Smedes, kantonrechter, in het gerechtsgebouw te Almelo aan de Egbert Gorterstraat 5 op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd;

5.3.

bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn;

5.4.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 augustus 2020 voor het bepalen van dag en tijdstip waarop de mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Partijen hoeven niet aanwezig te zijn bij deze rolzitting. Partijen kunnen tot uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk 20 verhinderdata (of 40 verhinderingsdagdelen) opgeven voor de drie maanden volgend op genoemde rolzitting;

5.5.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen, alsmede dat de mondelinge behandeling zou kunnen worden bepaald op een verhinderdag, indien partijen bij hun opgave meer dan
20 verhinderdata (of 40 verhinderingsdagdelen) hebben opgegeven;

5.6.

bepaalt dat de mondelinge behandeling in beginsel niet zal worden uitgesteld nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.7.

wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling anderhalf uur zal worden uitgetrokken;

5.8.

wijst partijen er op dat zij eventuele nadere stukken ten behoeve van de mondelinge behandeling tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding kunnen brengen;

5.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A. Smedes, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2020 door mr. U van Houten in tegenwoordigheid van de griffier.