Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3110

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
08/107044-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 47-jarige man tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het stalken en bedreigen van zijn ex-vriendin. Ook moet hij haar een schadevergoeding betalen van 1000 euro en krijgt hij een contactverbod opgelegd.

De aanleiding voor zijn gedrag was dat het slachtoffer een einde had gemaakt aan hun relatie. Verdachte heeft het haar meermalen op duidelijke en laakbare wijze gedreigd te vermoorden. Zo heeft hij gedreigd haar te onthoofden, in stukken te snijden, dood te schieten of in brand te steken. Hij heeft deze intimiderende teksten rechtstreeks naar het slachtoffer gestuurd of naar haar familie, kennissen en vrienden. Ook heeft verdachte zijn toenmalige huisbaas geluidsfragmenten verstuurd waarin hij dreigde het slachtoffer iets aan te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/107044-20 (P)

Datum vonnis: 24 september 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Veen en van wat door verdachte en de raadsvrouw mr. M. Mulderij-Anker, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: meerdere personen heeft bedreigd met de dood;

feit 3: [slachtoffer 1] heeft gestalkt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart
2020 tot en met 17 april 2020 te Zwolle en/of Hattem en/of elders in
Nederland, elk geval in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling
en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de
woorden toe te voegen
(gericht aan [slachtoffer 1] :)
- “Ik vermoord je” en/of
- “Jij hebt mijn leven dood gemaakt. En dat ga ik persoonlijk bij jou
doen. Ik zou maar beter laatste dagen met je zoon doorbrengen. Je kan
doen wat je wil. Je kan overal aangifte doen. Maar [slachtoffer 1] , geloof mij
maar, vanaf nu kan niemand mij tegenhouden” en/of
- “ [slachtoffer 1] ik zweer op jou op [naam] op mijn eigen kinderen ik ga jou
vermoorden. Jij hebt mij levend dood gemaakt. Ik heb niks meer te
verliezen” en/of
(gericht aan [slachtoffer 2] :)
- “Al gaat zij terug kruipen in haar moeders haar kut, weet je he, al gaat
zij terug kruipen in haar moeders ze kut, ik steek mijn hand erin, ik haal
haar eruit en ik onthoofd haar” en/of
- “Ik ga haar doodmaken” en/of
- “Waar, waar zij ook heen gaat, ok zij gaat er gewoon aan, weet je”
en/of
- “Wat voor iemand is zij, [slachtoffer 2] ? Als ik zulke dingen denk, echt dan
snijd ik haar in stukken” en/of
- “Haar eh, erger dan dood maken eh, doen he? Dus haar niet
doodmaken maar zorgen dat gewoon rest van haar leven op een rolstoel
zit, weet je? Ok, dat ze eigenlijk zon pijn gaat lijden zoals ik, niet dood
maken maar ik weet waar ik eh haar moet raken dat ze gewoon de rest
van haar leven op een rolstoel gaat zitten, weet je, dat ze net kan lopen,
geen foto’s meer kan maken, ze kan niet meer neuken, niks.” en/of
- “Ik heb alles gepland, [slachtoffer 2] , ik zweer het, weetje, ik heb alles
gepland. Zij gaat gewoon dood, [slachtoffer 2] , Ik zweer het je. Weetje wat? Als
zij gaat erger maken, ik ga, ga haar in brand steken. He? Ik ga haar in
brand steken met de huis erbij. Echt ik zweer, ik zweer op alles.”
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 15 januari 2020 te Zwolle
en/of Hattem en/of elders in Nederland, in elk geval in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling
door die [slachtoffer 1] en/of [getuige] dreigend de woorden toe te voegen
(gericht aan [slachtoffer 1] :)
- “Ik vermoord je” en/of
(gericht aan [getuige] :)
- "Ben je thuis? Ik kom nu naar Zwolle, dan schiet ik je dochter dood en
daarna mezelf"
althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 maart
2020 tot en met 8 mei 2020 te Zwolle en/of Hattem en/of Arnhem en/of
elders in Nederland, elk geval in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke
levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door die [slachtoffer 1] en/of haar familie en/of kennissen veelvuldig berichten
te sturen en/of veelvuldig te bellen en/of veelvuldig voicemails achter te
laten (dreigend/intimiderend van aard) en/of die [slachtoffer 1] (meermalen) op
te zoeken (zonder dat zij daar weet van had) en/of (vervolgens) haar
daarover te berichten,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te
dulden en/of vrees aan te jagen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 15 januari 2020 doet [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aangifte van bedreiging tegen verdachte. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte haar die nacht een app- en voicemailbericht heeft gestuurd inhoudende dat zij dood zou gaan en dat hij haar zou vermoorden.

Op 13 april 2020 doet [slachtoffer 1] wederom aangifte tegen verdachte. Zij vertelt dat verdachte haar sinds 2 maart 2020 lastigvalt via de telefoon en sociale media. Verdachte stuurt haar en haar vader doodsbedreigingen. [slachtoffer 1] beschikt over twee geluidsfragmenten die verdachte op

6 april 2020 aan zijn huisbaas [slachtoffer 2] heeft gestuurd. Daarop is te horen dat verdachte onder meer zegt dat hij [slachtoffer 1] gaat vermoorden en haar in brand gaat steken. Daarnaast leidt [slachtoffer 1] uit berichten die verdachte haar stuurt af dat hij haar regelmatig in de gaten houdt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw merkt op dat haar cliënt een bekennende verklaring heeft afgelegd, zodat zij zich ten aanzien van de bewezenverklaring kan vinden in de eis van de officier van justitie.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1:

- de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 september 2020;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 13 april 2020, inclusief bijlagen (pagina’s 13-25);

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 januari 2020 (pagina’s 30-32);

- het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2020 (pagina’s 36-37);

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 15 januari 2020 (pagina’s 38-39);

- het proces-verbaal van bevindingen van 20 april 2020 (pagina’s 43-44).

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 2 maart 2020 tot en met 17 april 2020 in Zwolle en Hattem,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting, door die [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen

(gericht aan [slachtoffer 1] :)
- “Jij hebt mijn leven dood gemaakt. En dat ga ik persoonlijk bij jou doen. Ik zou maar beter laatste dagen met je zoon doorbrengen. Je kan doen wat je wil. Je kan overal aangifte doen. Maar [slachtoffer 1] , geloof mij maar, vanaf nu kan niemand mij tegenhouden” en
- “ [slachtoffer 1] ik zweer op jou op [naam] op mijn eigen kinderen ik ga jou vermoorden. Jij hebt mij levend dood gemaakt. Ik heb niks meer te verliezen” en
(gericht aan [slachtoffer 2] :)
- “Al gaat zij terug kruipen in haar moeders haar kut, weet je he, al gaat zij terug kruipen in haar moeders ze kut, ik steek mijn hand erin, ik haal haar eruit en ik onthoofd haar” en
- “Ik ga haar doodmaken” en
- “Waar, waar zij ook heen gaat, ok zij gaat er gewoon aan, weet je” en
- “Wat voor iemand is zij, [slachtoffer 2] ? Als ik zulke dingen denk, echt dan snijd ik haar in stukken” en
- “Haar eh, erger dan dood maken eh, doen he? Dus haar niet doodmaken maar zorgen dat gewoon rest van haar leven op een rolstoel zit, weet je? Ok, dat ze eigenlijk zo’n pijn gaat lijden zoals ik, niet dood maken maar ik weet waar ik eh haar moet raken dat ze gewoon de rest van haar leven op een rolstoel gaat zitten, weet je, dat ze net kan lopen, geen foto’s meer kan maken, ze kan niet meer neuken, niks.” en
- “Ik heb alles gepland, [slachtoffer 2] , ik zweer het, weetje, ik heb alles gepland. Zij gaat gewoon dood, [slachtoffer 2] , Ik zweer het je. Weetje wat? Als zij gaat erger maken, ik ga, ga haar in brand steken. He? Ik ga haar in brand steken met de huis erbij. Echt ik zweer, ik zweer op alles.”;
2.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 15 januari 2020 in Zwolle en Hattem,
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] en

[getuige] dreigend de woorden toe te voegen

(gericht aan [slachtoffer 1] :)
- “Ik vermoord je” en
(gericht aan [getuige] :)
- "Ben je thuis? Ik kom nu naar Zwolle, dan schiet ik je dochter dood en daarna mezelf";
3.
hij in de periode van 2 maart 2020 tot en met 8 mei 2020 in Zwolle en Hattem en Arnhem,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke
levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door die [slachtoffer 1] en haar familie en kennissen veelvuldig berichten te sturen en veelvuldig te bellen en veelvuldig voicemails achter te laten (dreigend/intimiderend van aard) en die [slachtoffer 1] (meermalen) op te zoeken (zonder dat zij daar weet van had) en (vervolgens) haar
daarover te berichten, met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dulden en vrees aan te jagen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

bedreiging met brandstichting;

feit 2

het misdrijf:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf:

belaging.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, waarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gesteld en dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Ten aanzien van het locatieverbod vordert de officier van justitie uitbreiding naar Hattem én Zwolle.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. De raadsvrouw maakt kenbaar zich te kunnen vinden in de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, maar buiten de woonplaats van [slachtoffer 1] een uitbreiding van het locatieverbod naar Zwolle niet noodzakelijk te vinden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het stalken en het veelvuldig bedreigen van zijn ex-vriendin. De aanleiding voor zijn gedrag was dat [slachtoffer 1] een einde had gemaakt aan hun relatie. Verdachte heeft [slachtoffer 1] meermalen op duidelijke en laakbare wijze gedreigd te vermoorden. Zo heeft hij gedreigd haar te onthoofden, in stukken te snijden, dood te schieten of in brand te steken. Hij heeft deze intimiderende teksten rechtstreeks naar [slachtoffer 1] gestuurd of naar haar familie, kennissen en vrienden. Ook heeft verdachte zijn toenmalige huisbaas geluidsfragmenten verstuurd waarin hij dreigde [slachtoffer 1] iets aan te doen. De door verdachte geuite teksten hebben bij [slachtoffer 1] onveilige en angstige gevoelens veroorzaakt, mede omdat verdachte haar – zonder dat zij dat doorhad – in de gaten hield. De rechtbank overweegt dat belaging en bedreiging, zeker in combinatie met elkaar, ernstige feiten zijn. Zij neemt het verdachte kwalijk dat hij [slachtoffer 1] , haar ouders en anderen uit haar omgeving telkens de vrees heeft aangejaagd dat hij de bedreigingen ten uitvoer zou leggen.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van 7 augustus 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank de veroordeling voor huiselijk geweld jegens zijn ex-echtgenote in 2009 wel relevant.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte 92 dagen in voorarrest heeft gezeten.2 Verdachte is op 21 april 2020 door de rechter-commissaris geschorst onder voorwaarden, waaronder dat hij niet in Hattem mocht komen en dat hij geen contact mocht opnemen met [slachtoffer 1] . Desondanks heeft verdachte beide voorwaarden overtreden. Dit heeft ertoe geleid dat de schorsing van de voorlopige hechtenis op 28 april 2020 is opgeheven. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 24 juli 2020 opnieuw geschorst. Het locatieverbod is in die beslissing uitgebreid naar Hattem èn Zwolle. Verdachte lijkt zich (voor zover bekend) ditmaal wél aan de voorwaarden te hebben gehouden.

Naar aanleiding van de overtreding van de schorsingsvoorwaarden, is verdachte onderzocht door een psycholoog. De psycholoog, drs. T. ’t Hoen, schrijft in zijn rapport van 21 juli 2020 dat verdachte voldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek, maar dat hij wel heeft geprobeerd zich op een rooskleurige en sociaal wenselijke wijze te presenteren. Volgens de rapporteur is sprake van sterk op de voorgrond staande narcistische persoonlijkheidstrekken alsmede enkele antisociale trekken. Vanuit de narcistische dynamiek is verdachte geneigd negatieve affecten die bij hem worden opgeroepen te externaliseren. Verdachte houdt kwetsbaarheid en bijvoorbeeld gevoelens van falen uit de realiteit. Hij legt de schuld en verantwoordelijkheid volledig buiten zichzelf en beschouwt zichzelf als slachtoffer. De psycholoog adviseert vooral alert te zijn op agressief gedrag van verdachte. Dit kan door middel van een ambulante behandeling, verplicht reclasseringstoezicht, contact- en locatieverbod alsmede elektronisch toezicht.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 september 2020. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. Verdachte heeft zich sinds de laatste schorsing van zijn voorlopige hechtenis gehouden aan het contact- en locatiegebod.

De rapporteur schrijft dat verdachte wil doorgaan met zijn leven en niks meer met [slachtoffer 1] te maken wil hebben. Hij zegt zijn werk in het buitenland te hervatten en zich in te schrijven bij zijn moeder in Den Haag, met wie hij het contact heeft hersteld. De reclassering beschouwt de positieve ontwikkelingen in het sociale netwerk van verdachte als beschermende factor. De reclassering sluit zich aan bij het advies van de psycholoog, daarbij opgemerkt dat elektronisch toezicht onuitvoerbaar is, gelet op zijn werk in het buitenland. Omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is, adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht daarop.

De rechtbank overweegt dat, gezien de ernst van de gepleegde feiten, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt mee dat verdachte zich sinds de laatste schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan de voorwaarden lijkt te houden. Verdachte beschikt over dagbesteding in het buitenland en lijkt tot het besef te zijn gekomen, en daar ook in te berusten, dat de relatie met [slachtoffer 1] definitief ten einde is. Gelet op deze positieve ontwikkelingen, acht de rechtbank het niet passend om verdachte terug te sturen naar de gevangenis. De rechtbank wil verdachte echter wel een fikse waarschuwing geven, zodat hij niet opnieuw (dergelijke) strafbare feiten pleegt. Gelet op de aard van de bedreigingen, waarbij verdachte meermalen tot in detail beschreef hoe hij een einde aan het leven van [slachtoffer 1] zou maken, is de rechtbank van oordeel dat een hoger voorwaardelijk strafdeel gerechtvaardigd is dan dat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank komt, alles afwegende, tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. Zij zal als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod en een locatieverbod stellen. De rechtbank zal het locatieverbod, net als in de schorsingsbeslissing het geval is, bepalen voor Hattem èn Zwolle. Anders dan de reclassering adviseert en de officier van justitie vordert, zal de rechtbank de voorwaarden en het toezicht niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is er namelijk geen aanleiding om aan te nemen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen. Er hoeft evenmin ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 4.040,- (vierduizend veertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bedraagt

€ 2.040,- en ziet op de kosten van de haptotherapeut. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.000,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat immateriële schade van de benadeelde partij wordt geschat op een bedrag van € 1.000,- en dat de materiële schade niet ontvankelijk wordt verklaard. Hij voert daartoe aan dat [slachtoffer 1] reeds in therapie was voordat de strafbare feiten zijn gepleegd en daarmee geen sprake lijkt te zijn van een direct causaal verband.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit primair de afwijzing van de vordering, subsidiair dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard en meer subsidiair dat de schadevergoeding wordt gematigd. De raadsvrouw maakt kenbaar zich te kunnen vinden in het door de officier van justitie geschatte bedrag.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de door de benadeelde partij opgevoerde materiële schade onvoldoende is komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op € 1.000,-. De rechtbank zal de vordering tot zover toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd en bedreiging met brandstichting;

feit 2 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3 het misdrijf: belaging;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 178 (honderdachtenzeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich binnen vijf werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, Bezuidenhoutseweg 179 in Den Haag, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij de polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht. Hierbij dient aandacht te zijn voor het vergroten van het probleembesef en dient inzicht te worden verkregen in de onderliggende dynamiek in zijn persoonlijkheid. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

- op geen enkele wijze (direct of indirect) contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer 1] en haar zoon, zo lang het Openbaar Ministerie dit nodig acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

- zich niet bevindt in de Gemeente Hattem en de Gemeente Zwolle, zo lang het Openbaar Ministerie dit nodig acht. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1, 2 en 3) van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2020;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2020 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en

mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON3R020017 (LUTZ). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Deze berekening wijkt af van die van de officier van justitie.