Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3065

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
8512873 \ CV EXPL 20-2376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurzaak, ontbinding en ontruiming, aan hennepkweek gerelateerde goederen in huurwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 8512873 \ CV EXPL 20-2376

Vonnis van 22 september 2020

in de zaak van

de stichting STICHTING WELBIONS,
gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo,

eisende partij, hierna te noemen Welbions,

gemachtigde: mr. A. Çapkurt,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J. Eliya.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 mei 2020,

- de conclusie van antwoord van 26 mei 2020,
- het tussenvonnis van 30 juni 2020,

- de mondelinge behandeling op 25 augustus 2020, welke heeft plaatsgevonden via Skype.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt met ingang van 17 maart 2015 de woning staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) van Welbions.

2.2.

Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte d.d. augustus 2011 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard.

2.3.

De politie eenheid Oost-Nederland (hierna: de politie) heeft op 9 maart 2020 in de woning een aanzienlijke hoeveelheid hennepkweek gerelateerde goederen aangetroffen.

2.4.

De politie heeft hiervan een ‘Hennepbericht’ opgemaakt waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“Op maandag 9 maart 2020 is de politie de woning binnengetreden ter opsporing en inbeslagneming, op grond van artikel 9, lid 1, onder b van de Opiumwet en artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering.

In de woning en de kelderbox werden goederen en attributen, nodig en gebruikt bij het inrichten van een hennepkwekerij, aangetroffen.

In beslaggenomen en vernietigd werden:


10x armaturen met geïntegreerde transformator en assimilatielamp (1000 Watt)
1x schakelbord
1x ventilatoren
2x slakkenhuizen (aan-/afvoerventilator)
1x elektrische kachel
1x buisventilator
1x dompelpomp
1x plantenspuit
1x temperatuur/ventilatieregelaar
1x weegschaal
Diverse elektriciteitssnoer/-kabels
13x flacons voedingsmiddel (2x 5 ltr en 11x 1 ltr)
3x koolstoffilter
1x waterzak”

3 Het geschil

De vordering

3.1.

Welbions vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de bestaande huurovereenkomst tussen Welbions en [gedaagde] ontbindt;

  2. [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de woning ontruimt en verlaat, met al hetgeen van [gedaagde] is en al de personen die zijdens [gedaagde] in voormelde woning verblijven en deze woning ter vrije beschikking van Welbions te stellen onder afgifte van de sleutels op het kantoor van Welbions;

  3. [gedaagde] veroordeelt om aan Welbions tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 498,15 per maand voor elke ingegane maand, dat [gedaagde] na ontbinding van de huurovereenkomst in de woning verblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

  4. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten en het salaris en verschotten van de gemachtigde van Welbions.

3.2.

Welbions legt aan haar vordering de navolgende stellingen ten grondslag. [gedaagde] is in ernstige mate tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de huurovereenkomst en de wet. Het aanwezig hebben van aan hennepkweek gerelateerde goederen is in strijd met art. 11a van de Opiumwet. Daarmee heeft [gedaagde] tevens in strijd gehandeld met art. 7.5 van de algemene voorwaarden.
heeft zich niet als een goed huurder gedragen (art. 7:213 BW). Dit betreft derhalve een tekortkoming in de nakoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Welbions heeft een belang bij de gevorderde ontbinding, nu zij een ‘zerotolerance’ beleid voert ten aanzien van (voorbereidingshandelingen voor) hennepkwekerijen in haar (huurwoningen).

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van Welbions.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat uit art. 7:231 lid 1 BW volgt dat een ontbinding van een huurovereenkomst wegens een tekortkoming van de huurder enkel door de rechter kan geschieden. De kantonrechter toetst daarbij aan het bepaalde in art. 6:265 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.2.

De eerste vraag die voorligt is er of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] stelt dat hij nimmer bewust aan hennep gerelateerde goederen in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft de goederen voor een kennis bewaard. Voorts stelt [gedaagde] dat het niet aannemelijk is dat hij een hennepkwekerij in zijn woning heeft gehad. Derhalve is hij niet tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen zoals deze voortvloeien uit de huurovereenkomst en de wet. De kantonrechter overweegt als volgt.

4.3.

In de algemene voorwaarden is in art. 7.5. het navolgende bepaald:

“Het is huurder niet toegestaan in het gehuurde of aanverwante producten te (doen) kweken, te (doen) knippen of te (doen) drogen, of een hennepkwekerij/hennepdrogerij/ hennepknipperij aanwezig te hebben, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar zijn gesteld.”

4.4.

Voorts bepaalt art. 11a van de Opiumwet:

“Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”

4.5.

Het voorgaande betekent dat de vraag of er in de woning daadwerkelijk hennepkweek dan wel een oogst heeft plaatsgevonden, voor de vraag of er sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] in het midden kan blijven. Uit het voorgaande volgt immers dat het enkel voorhanden hebben van de aan hennepkweek gerelateerde goederen, hetgeen blijkt uit het Hennepbericht van de politie en door [gedaagde] ook niet is weersproken, voldoende is voor overtreding van art. 11a van de Opiumwet. Daarmee heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met art. 7.5 van de algemene voorwaarden en met de verplichting van art. 7:213 BW om zich als een goed huurder te gedragen.

4.6.

Voor zover het verweer van [gedaagde] erop ziet dat de aan hennep gerelateerde goederen niet van hem waren en dat hij deze voor een kennis heeft bewaard, overweegt de kantonrechter dat in deze procedure niet aannemelijk is geworden dat de goederen van een derde zijn. [gedaagde] heeft in dat kader ter zitting gesteld dat hij in het centrum van [woonplaats] is aangesproken door een onbekende man met de vraag of hij de goederen wilde opslaan, tegen een vergoeding van € 100,00. [gedaagde] kon desgevraagd geen personalia van deze man noemen, anders dan zijn voornaam. Voorts stelt [gedaagde] dat hij niet wist dat deze goederen voor hennepkweek waren bestemd, omdat hij ze niet heeft gezien. De kantonrechter komt dit verhaal ongeloofwaardig voor.

4.7.

Indien al zou worden aangenomen dat de aan hennepkweek gerelateerde goederen daadwerkelijk van een derde waren, die [gedaagde] amper kende, geldt op grond van 7:219 BW dat [gedaagde] hiervoor eveneens aansprakelijk is. Daarbij neemt de kantonrechter in overweging dat [gedaagde] niets heeft gesteld waaruit zou blijken dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij de opslag van de (voor hem onbekende) goederen voor deze derde in zijn huurwoning zomaar mocht toestaan. [gedaagde] heeft in dat kader ook geen redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen getroffen, zoals de (inhoud van de) goederen controleren of (kritisch) aan deze persoon vragen waarvoor de goederen precies bestemd waren en waarom deze persoon de goederen niet zelf ergens zou opslaan.1 Derhalve heeft [gedaagde] zich evenmin als een goed huurder gedragen in de situatie dat de aan hennepkweek gerelateerde goederen van een derde waren.

4.8.

Het in de woning voorhanden hebben van de aan hennepkweek gerelateerde goederen door [gedaagde] vormt op grond van het voorgaande een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Dit oordeel ligt in lijn met vaste rechtspraak, waarin het hof ’s Hertogenbosch in dezelfde zin oordeelde.2 Dit wordt slechts anders indien de tekortkoming van zodanige aard of geringe betekenis is, dat ontbinding niet behoort plaats te vinden. Het is aan [gedaagde] om zich gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dienen de belangen van Welbions en [gedaagde] tegen elkaar afgewogen te worden.

4.9.

[gedaagde] heeft daartoe gesteld dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt nu de goederen slechts voor een zeer korte periode bij hem in de woning hebben gestaan. De tekortkoming zou daarnaast makkelijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Voorts heeft [gedaagde] ter zitting aangevoerd dat hij belang heeft bij behoud van de woning nu hij hartpatiënt is. Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat hij de woning nodig heeft zodat zijn dochters (van 22, 18 en 15 jaar oud en eveneens woonachtig in [woonplaats] ), in het kader van een omgangsregeling, op bezoek kunnen (blijven) komen.

4.10.

Welbions heeft belang bij de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, nu zij een strikt ‘zerotolerance’ beleid voert ten aanzien van hennepkweek of daaraan gerelateerde goederen, ook indien deze zich in de voorbereidende fase bevinden. Voorts heeft Welbions gesteld dat zij onder meer te waken heeft voor de leefbaarheid in de wijken waarin haar woningen gelegen zijn. De aanwezigheid en/of exploitatie van dergelijke kwekerijen schaadt de verhuurbaarheid van woningen van Welbions. Ten slotte stelt Welbions dat zij precedentwerking wil voorkomen en andere huurders wil ontmoedigen om soortgelijke activiteiten te ondernemen. Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat woningcorporaties hard tegen hennepkweek optreden. Huurders dienen zoveel mogelijk ontmoedigd te worden om in (sociale) huurwoningen hennep te gaan kweken.

4.11.

Dat de goederen voor een korte periode bij [gedaagde] hebben gestaan en dat de tekortkoming makkelijk ongedaan zou kunnen worden gemaakt, maakt niet dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt. Het gaat hier immers om een huurovereenkomst, die voor beide partijen voortdurende verplichtingen inhoudt. Indien een partij is tekortgeschoten in de nakoming van een dergelijke verplichting, kan deze weliswaar in de toekomst alsnog worden nagekomen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt. Wat deze tekortkoming betreft is nakoming dan ook niet meer mogelijk.3

4.12.

Al het voorgaande tezamen beschouwd, acht de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd. [gedaagde] heeft de stelling dat hij hartpatiënt zou zijn in het geheel niet nader onderbouwd, zodat de kantonrechter deze stelling als onvoldoende onderbouwd zal passeren. Het belang van [gedaagde] weegt niet op tegen het belang van Welbions. Daarbij acht de kantonrechter van groot belang dat Welbions een ‘zerotolerance’ beleid voert ten aanzien van hennep gerelateerde activiteiten in haar woningen en dat het een feit van algemene bekendheid is dat woningcorporaties hard tegen hennepkweek optreden. Daarmee wordt ook een belangrijk signaal afgegeven, namelijk dat het voorbereiden van hennepkweek niet wordt getolereerd. De overige persoonlijke omstandigheden zijn onvoldoende om de vordering van Welbions niet toe te wijzen. De kantonrechter meent dat [gedaagde] ook op andere wijze inhoud kan geven aan omgang met zijn dochters, zodat ook daar geen doorslaggevende betekenis aan toekomt. De termijn voor de ontruiming zal daarbij op veertien dagen worden gesteld.

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van Welbions begroot op:

- kosten dagvaarding € 102,96

- griffierecht € 124,00
- salaris gemachtigde € 240,00 (2 punten × tarief € 120,00)

- nakosten € 60,00 (½ x tarief € 120,00, met een max. van € 120,00)
Totaal € 526,96

5 De beslissing


De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en te verlaten, met al hetgeen van [gedaagde] is en al de personen die zijdens [gedaagde] in voormelde woning verblijven en deze woning ter vrije beschikking van Welbions te stellen onder afgifte van de sleutels op het kantoor van Welbions;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan Welbions tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 498,15 per maand voor elke ingegane maand, dat [gedaagde] na ontbinding van de huurovereenkomst in de woning verblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Welbions begroot op € 526,96;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020. (TD)

1 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2007:AZ8743.

2 Zie ook ECLI:NL:GHSHE:2015:443, ECLI:NL:GHSHE:2018:3257 en ECLI:NL:GHSHE:2019:4069.

3 Zie ook ECLI:NL:HR:2002:AD4925.