Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3056

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
08.241957.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 44-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor het in brandsteken van zijn eigen huis in Raalte. De rechtbank legt hem naast de gevangenisstraf ook een contactverbod op met zijn ex-partner voor 2 jaar en moet hij haar ook een schadevergoeding betalen van ruim 16.000 euro. Ook zijn buren moet hij een schadevergoeding betalen van in totaal bijna 8.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.241957.19 (P)

Datum vonnis: 22 september 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1976 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven en verblijvende in de PI Zwolle, Huub van Doornestraat 15, Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 januari 2020, 24 maart 2020, 16 juni 2020 en 8 september 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. P. Koreman en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw

mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

8 oktober 2019 brand heeft gesticht in zijn woning in Raalte.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 8 oktober 2019, te Raalte, althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning aan [adres 1] ,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlammen en/of vonken van een aansteker en/of de vlammen en/of vonken van (een) lucifer(s) en/of en/of brandend(e) (proppen) papier en/of vlammen en/of en/of vonken van enige brandbare voorwerpen, (proppen) papier en/of een (grote) hoeveelheid diesel en/of brandstof en/of

brandversnellende middelen, althans brandbare stoffen, aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met papier en/of een (grote) hoeveelheid diesel en/of

brandstof en/of brandversnellende middelen, althans brandbare stoffen,

ten gevolge waarvan voornoemde woning en/of de in voornoemde woning aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of de in voornoemde woning aanwezige goederen, en/of voor naastgelegen woningen en/of de in naastgelegen woningen aanwezige goederen in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor in de naastgelegen woningen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor anderen, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in de naastgelegen woningen aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in de woning en dat daarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onderdeel dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen is ontstaan. Verdachte heeft de buren nooit in gevaar willen brengen. Hij ging er vanuit dat de buren niet thuis waren en achtte de kans niet zo groot dat de brand zou overslaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.1

Verdachte heeft ter terechtzitting van 8 september 2020 verklaard dat hij op 8 oktober 2019, nadat zijn vrouw aan hem had laten weten dat zij van hem wilde scheiden, zijn huis in brand heeft gestoken. Hij wilde daarmee voorkomen dat zijn vrouw het huis te koop zou kunnen zetten en voordeel zou kunnen genieten van het werk dat hij in de woning had gedaan. Hij heeft daarom twee jerrycans met in totaal 51 liter diesel gevuld en heeft deze in de woning aan [adres 1] van de zolder tot aan de benedenverdieping leeggegoten. Hij heeft vervolgens propjes papier in brand gestoken en deze in aanraking gebracht met de diesel.2 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij voor het aansteken van de propjes papier een aansteker heeft gebruikt.3

Het team forensische opsporing heeft na de brand onderzoek gedaan in de woning. Daarbij is vastgesteld dat sprake was van ten minste drie brandhaarden, die afzonderlijk van elkaar waren ontstaan. Uit het technisch sporenonderzoek is gebleken dat de branden in de slaapkamers relatief beperkt zijn gebleven, terwijl de woonkamer door brand volledig is verwoest. In de keuken is roetaanslag en smeltschade ontstaan. Ook zijn diverse goederen zwaar beschadigd. Indien de branden niet zouden zijn geblust of gedoofd en zich verder hadden kunnen ontwikkelen, was beduidend grotere schade aan het object te verwachten geweest en zou grotere schade aan de naastgelegen woning niet zijn uit te sluiten. In het rapport is geconcludeerd dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en – in mindere mate – van een voor een ander te duchten levensgevaar, dan wel voor zwaar lichamelijk letsel van een ander.4

Het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting moet naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.

Brandstichten in een woning in lintbebouwing, waarbij de omwonenden daadwerkelijk thuis zijn, levert volgens de Hoge Raad te duchten levensgevaar op.5 In dit geval deed de brand zich overdag voor in een twee-onder-één-kapwoning. In en om de naastgelegen woning van de twee-onder-één kap, genummerd [adres 2] , waren op het moment van de brand personen aanwezig.6 Toen de buren buiten kwamen zagen ze de rook en vlammen al uit de woning van hun buren slaan.7 Verdachte heeft bij de brandstichting een grote hoeveelheid diesel (51 liter) gebruikt.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat dat levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Dat verdachte zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang.8 Het verweer wordt verworpen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 oktober 2019, te Raalte, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan [adres 1] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlammen van een aansteker proppen papier aangestoken en open vuur in aanraking gebracht met diesel, ten gevolge waarvan voornoemde woning en de in voornoemde woning aanwezige goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en de in voornoemde woning aanwezige goederen, en voor naastgelegen woning en de in naastgelegen woning aanwezige goederen, en levensgevaar voor in de naastgelegen woning aanwezige personen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in de naastgelegen woning aanwezige personen, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan verdachte een maatregel op grond van artikel 38v Sr zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, inhoudende dat verdachte geen contact zal hebben met [naam 1] en [naam 2] en met [naam 3] . Ten aanzien van [naam 3] moet een uitzondering worden gemaakt voor de contactmomenten die noodzakelijk zijn in verband met de kinderen waarvoor de reclassering na overleg met eventueel betrokken jeugdzorginstellingen dan wel Veilig Thuis uitdrukkelijk toestemming geeft, met een vervangende hechtenis van één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met daarbij een voorwaardelijk strafdeel. Verdachte kan in dat geval direct bij de Tender beginnen met de aanbevolen therapie en met de afwikkeling van de schade. De proeftijd kan op drie jaren worden gesteld. De raadsvrouw heeft zich verzet tegen oplegging een contactverbod op grond van artikel 38v Sr, omdat verdachte de contacten met zijn vrouw via professionals zal laten verlopen en zijn buren nooit heeft lastig gevallen. Aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden dan wel de maatregel op grond van artikel 38v Sr is, volgens de raadsvrouw, niet voldaan.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn eigen woning. Zijn vrouw had hem op de ochtend van de brandstichting laten weten dat zij van hem wilde scheiden. Verdachte heeft het huis in de brand gestoken, om te voorkomen dat zijn vrouw financieel beter zou worden van de scheiding. Hij heeft haar, kort voor de brandstichting, een foto van het bonnetje van de aankoop van de diesel gestuurd en hij heeft (via de telefoon) tegen haar gezegd dat hij het huis in de brand zou gaan steken. Toen zij daarop tegen hem zei: “Dat doe je toch niet” ging bij verdachte naar eigen zeggen “het licht uit”, waarna hij in totaal 51 liter diesel in de woning heeft leeggegoten en heeft aangestoken.

Brandstichting is een zeer ernstig feit, zeker als dat gepaard gaat met concreet gevaar voor personen. Naast materiële schade en hinder heeft de brand bij het gezin en de buren van verdachte veel angst en een groot gevoel van onveiligheid veroorzaakt. Door de slachtoffers is ter terechtzitting naar voren gebracht hoe groot de impact van de brand voor hen is geweest.

De slachtoffers [naam 1] hebben aangegeven dat zij zich onveilig voelen in de situatie dat zij met verdachte te maken kunnen krijgen bij het herstel van de woningen. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoek van [naam 1] om aan verdachte een contact- en een locatieverbod op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf (artikel 14c Sr) of in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van vijf jaren (artikel 38v Sr) en daarbij te bepalen dat de bijzondere voorwaarde dan wel de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ook het slachtoffer [naam 3] voelt zich onveilig en heeft dringend verzocht om een contact- en locatieverbod.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het feit dat verdachte geen justitiële documentatie heeft.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van enkele rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.

R. Brandsma, gezondheidszorgpsycholoog, heeft op 17 december 2019 gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis met gemengde trekken. Verdachte heeft hierdoor beperkte emotieregulerende en probleemoplossende vaardigheden, een gebrekkig inlevingsvermogen en een rigiditeit in het denken. Het delictgedrag lijkt te zijn ontstaan vanuit jarenlange frustraties en een gevoel van machteloosheid binnen de relatie. Waar verdachte er vanuit ging dat de benodigde hulp zou komen, werd hij verrast door de mededeling dat zijn vrouw wilde scheiden. Met de heftige emoties van verlies en woede die dit teweeg bracht en de jarenlange relationele frustraties kon hij ten tijde van het bewezenverklaarde niet goed omgaan. Hij heeft deze gevoelens in wraakzuchtige woede afgereageerd. Zijn gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens had een beperkend effect op de mate waarin en de wijze waarop verdachte zijn beleving en gedrag kon sturen ten tijde van het bewezenverklaarde. De psycholoog heeft geadviseerd het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen.

T. Berger, psychiater, heeft op 16 april 2020 gerapporteerd dat verdachte is gediagnosticeerd met een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met een zeer beperkt mentaliserend vermogen in combinatie met zwakbegaafdheid. Bijzonder opvallend zijn de narcistische trekken met onder andere een gebrek aan empathie en een bijzondere behoefte aan herkenning en aandacht. Als daar niet aan wordt voldaan, is verdachte snel gekrenkt. Hiervan was bijvoorbeeld toen zijn vrouw niet met hem verder wilde en zij hem niet geloofde toen hij zei dat hij het huis in de brand zou steken. Ook is sprake van dwangmatige, afhankelijke en paranoïde trekken met een wantrouwende houding naar anderen. De copingvaardigheden en frustratietolerantie van verdachte schoten na de aankondiging te willen scheiden te kort. Hij had geen controle meer over zijn impulsen, kon zichzelf niet meer afremmen en hield zich ook niet bezig met mogelijke consequenties voor zichzelf of anderen. Hij werd gedreven door rancuneuze gevoelens vanuit de persoonlijkheidsstoornis in combinatie met jarenlange opgekropte frustratie en het narcistisch gekrenkte gevoel er 'niet toe te doen'. Door zijn psychiatrisch toestandsbeeld was verdachte ten tijde van de brandstichting nauwelijks tot niet meer in staat tot het maken van weloverwogene keuzes. Ook de psychiater heeft geadviseerd het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen.

Het recidiverisico is volgens de psycholoog en de psychiater laag tot matig. Het bewezenverklaarde handelen heeft zich voorgedaan in een situatie met voor verdachte zeer grote stresserende omstandigheden. Verdachte heeft op dit moment nog onvoldoende zicht op de situatie, zijn eigen beperkingen en kwetsbaarheden en bagatelliseert hiermee de risico's die nog steeds aanwezig zijn. Zij achten het van belang dat verdachte bij het verdere verloop wordt begeleid, omdat hij in de toekomst opnieuw te maken zal krijgen met stressvolle situaties, bijvoorbeeld rondom de afhandeling van de scheiding en het opbouwen van zijn leven.

De psycholoog heeft geadviseerd dat verdachte, onder toezicht van de reclassering, een ambulante behandeling in de GGZ zal ondergaan, gericht op de persoonlijkheidsstoornis, waarbij onder meer aandacht is voor het verwerken van de relatie.

De psychiater heeft dit gespecificeerd en heeft als optie genoemd dat verdachte een Mentaliseren Bevorderende Therapie (MBT) op een forensische psychiatrische polikliniek zal volgen, zodat verdachte zijn eigen gevoelens en gedrag en die van een ander beter kan leren begrijpen. In de behandeling zou verder aandacht moeten zijn voor zijn gebrekkige copingvaardigheden, stressregulatie en probleemoplossend vermogen. Ook heeft de psychiater sterk aanbevolen verdachte ondersteuning te bieden op het gebied van psychosociale problemen, financiële problemen die mogelijk zijn ontstaan en het verbreden van zijn sociaal netwerk. In de behandeling moet rekening gehouden worden met de zwakbegaafdheid van verdachte.

De psycholoog en psychiater hebben geadviseerd om behandeling binnen het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht op te leggen. De psychiater heeft daarbij oplegging van een maximale proeftijd geadviseerd om, gezien de gebrekkige zelfreflectie en rigide houding van verdachte en de te verwachten reële stressvolle situaties in de toekomst, gedurende een langere termijn toezicht te kunnen houden.

Op 7 januari 2020 heeft N. Polman, reclasseringswerker, gerapporteerd dat de psychische kwetsbaarheid van verdachte een risicofactor is voor delictgedrag. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft de indruk dat de frustraties en het verdriet over de relationele problemen nog steeds aan de orde zijn. Verdachte laat blijken zichzelf ook als slachtoffer te zien en doet uitspraken op grond waarvan de reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte het gevoel heeft iets recht te moeten zetten. Daarnaast zijn met name de zwakbegaafdheid en de beperkte copingvaardigheden van verdachte redenen om aan te nemen dat de recidive kans zonder adequate behandeling niet zal verminderen. Verdachte heeft een meewerkende houding ten opzichte van de reclassering. Geadviseerd wordt aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling door Trajectum en een contactverbod met zijn (ex-)vrouw. De reclassering heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht geadviseerd. Aanvullend heeft Polman na ontvangst van het rapport van de psychiater in een rapport van 21 april 2020 in overweging gegeven om aan verdachte een langere proeftijd op te leggen dan de gebruikelijke twee jaren, omdat de reclassering inschat dat de bijzondere voorwaarden en de controle daarop langdurig van kracht zullen moeten blijven om aan (blijvende) recidive vermindering te kunnen werken.

De op te leggen straf

De rechtbank neemt het advies van de deskundigen op de in de rapporten genoemde gronden over en concludeert dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde verminderd toerekeningsvatbaar was.

Gelet op de ernst van het feit komt de rechtbank tot een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de raadsvrouw heeft bepleit. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden. De rechtbank acht het, gelet op de inhoud van voormelde rapportages, van groot belang dat verdachte, ter voorkoming van recidive, de voor zijn problematiek noodzakelijk geachte behandeling kan ondergaan. Verdachte is zelf ook gemotiveerd voor de behandeling. De rechtbank ziet daarin aanleiding om van de op te leggen gevangenisstraf een deel van twaalf maanden voorwaardelijk op te leggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, met uitzondering van het contactverbod. De rechtbank zal, gelet op het advies van de psychiater, de proeftijd stellen op drie jaren, zodat verdachte gedurende langere tijd door de reclassering kan worden begeleid.

De op te leggen maatregel

De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op te leggen voor de duur van twee jaren, waarbij aan verdachte wordt bevolen zich te onthouden van contact met [naam 3] , met een vervangende hechtenis van één week voor iedere keer dat hij zich niet aan de maatregel houdt. Als uitzondering op dit contactverbod gelden afspraken met hulpverlenende instanties in het kader van de omgangsregeling met hun kinderen.

De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte in de toekomst te maken zal krijgen met stressvolle situaties in verband met de echtscheiding, de schadeafwikkeling en het inrichten van een nieuw leven. Uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat er bij verdachte nog veel boosheid bestaat jegens [naam 3] vanwege de echtscheiding. De deskundigen hebben gerapporteerd dat verdachte op dit moment nog onvoldoende zicht heeft op de situatie, zijn eigen beperkingen en kwetsbaarheden en hiermee de risico's bagatelliseert die nog steeds aanwezig zijn. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [naam 3] en zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.

De rechtbank ziet geen aanleiding een contact- dan wel locatieverbod ten aanzien van de heer en mevrouw [naam 2] aan verdachte op te leggen op grond van artikel 38v Sr. Het delictgedrag heeft zich voorgedaan onder specifieke voor verdachte zeer stresserende omstandigheden die samenhingen met langlopende relatieproblemen met zijn partner. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om te veronderstellen dat verdachte strafbaar zal handelen jegens zijn buren. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[naam 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 16.118,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- opname verlofuren € 2.448,00;

- schoonmaakkosten Nivo Noord € 5.009,29;

- hypotheekkosten € 5.638,49;

- reiskosten € 23,18.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,00 gevorderd.

[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 4.781,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- hypotheekkosten [adres 2] € 1.316,81;

- telefoonkosten Vodafone € 81,74;

- abonnementskosten Ziggo Internetdiensten aan [adres 2] € 117,42;

- kosten energie [adres 2] € 348,75;

- dubbele inboedelverzekering [adres 2] € 124,82;

- kosten drinkwater [adres 2] € 73,64;

- kosten onderhoud CV [adres 2] € 22,70;

- belasting [adres 2] € 166,54;

- reiskosten € 29,25.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 2.500,00 gevorderd.

[naam 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.081,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de schadepost voor extra telefoonkosten bij Vodafone ter hoogte van € 81,41.

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 3.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade van alle benadeelde partijen goed is onderbouwd en de vorderingen in zoverre voor toewijzing in aanmerking komen. Wat betreft de immateriële schade is sprake van een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht dat de gedraging van verdachte op zich als een aantasting in de persoon moet worden beschouwd. Naar verhouding is de impact van het feit op het leven van de benadeelde partij [naam 3] groter, zodat een matiging ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 2] tot een bedrag van € 1.500,- op zijn plaats is. De vordering van benadeelde partij [naam 3] dient volledig te worden toegewezen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat alle vorderingen om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade onvoldoende is komen vast te staan. De schoonmaakkosten zijn geen schadepost van [naam 3] , omdat zij deze kosten dient te betwisten bij Univé. De hypotheeklasten dienen in een familierechtelijke procedure van de afwikkeling van de samenleving te worden meegenomen. Het is onredelijk om de kosten voor het verlof, de hypotheekkosten en de reiskosten voor een gesprek met slachtofferhulp bij verdachte te verhalen, omdat deze kosten hadden kunnen worden voorkomen of beperkt.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. Ook is niet onderbouwd dat benadeelden niet naar hun woning konden terugkeren. De hypotheekkosten kunnen daarom niet op verdachte worden verhaald. De schadeposten van de energiekosten, inboedelverzekering, drinkwater, het Ziggo abonnement en het onderhoud van de CV zijn betwist, omdat de woning niet is gebruikt. Ten aanzien van de schadepost van de belasting ontbreekt een oorzakelijk verband met de brand. Wat betreft de immateriële schade is niet onderbouwd dat er een causaal verband bestaat tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde immateriële schade. Deze psychische schade dient nader te worden onderbouwd.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 3]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en deze zijn onvoldoende betwist.

De opgevoerde kosten van de hypotheek zijn doorlopende kosten die direct gerelateerd zijn aan de woning. Zij heeft de volledige hypotheeklasten moeten betalen terwijl geen sprake is van woongenot. Deze schade dient als tevergeefs gemaakte kosten volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad9 te worden aangemerkt als vermogensschade, en is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. Ook de schadeposten van de schoonmaakkosten en verlofuren zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en zijn een direct gevolg van het strafbaar handelen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de raadsvrouw waarbij alle voornoemde kosten worden betwist ontoereikend is gemotiveerd en feitelijke grondslag mist. De reiskosten voor de gesprekken met slachtofferhulp Nederland merkt de rechtbank aan als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in de zin van 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) en komen eveneens voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat sprake is van een ernstig strafbaar feit met zeer grote en langdurige gevolgen voor de benadeelde. Hoewel uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken niet blijkt dat als gevolg van het strafbare feit sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden wel sprake van een strafbaar feit dat een dusdanig ernstige inbreuk maakt op een fundamenteel recht, te weten het huisrecht, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze kan worden beschouwd. Op grond van artikel 6:106 van het BW zal de rechtbank naar billijkheid een schadevergoeding vaststellen van € 3.000,-.

De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 16.118,96, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen [naam 1] en [naam 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk en deze zijn onvoldoende betwist.

De benadeelde partijen hebben de woning onmiddellijk moeten verlaten als gevolg van de door de brandstichting aan hun woning toegebrachte schade. Gelet op het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk dat de benadeelden nog niet terug hebben kunnen keren naar de woning. De opgevoerde kosten voor hypotheek, energie, inboedelverzekering, drinkwater, onderhoud CV en onroerendgoedbelasting zijn doorlopende kosten die direct gerelateerd zijn aan de woning, terwijl geen sprake is van woongenot. Deze schade dient als tevergeefs gemaakte kosten volgens voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad te worden aangemerkt als vermogensschade, en is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. Verder is niet betwist dat benadeelden een extra telefoonabonnement hebben moeten afsluiten en de hoogte van deze kosten is met bewijsstukken onderbouwd. Ook acht de rechtbank voldoende onderbouwd en aannemelijk dat benadeelden doorlopende kosten moesten maken voor het internetabonnement bij Ziggo, welke kosten alleen door benadeelde partij [naam 1] zijn gevorderd. De reiskosten ter hoogte van € 11,54 voor het gesprek met slachtofferhulp Nederland merkt de rechtbank aan als redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid in de zin van 6:96 lid 2 BW en komen voor toewijzing in aanmerking. De overige reiskosten houden verband met het bijwonen van de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank in Zwolle. Deze zijn niet te beschouwen als materiële schade zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen. Deze kosten ter hoogte van € 17,71 komen als proceskosten voor toewijzing in aanmerking.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat sprake is van een ernstig strafbaar feit – brandstichting van een huis dat deel uitmaakt van een twee-onder-één-kap terwijl de buren thuis waren – met grote en zeer langdurige gevolgen voor de benadeelden. Hoewel uit de door de benadeelde partijen overgelegde stukken niet blijkt dat als gevolg van het strafbare feit sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, is naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden wel sprake van een strafbaar feit dat een dusdanig ernstige inbreuk maakt op een fundamenteel recht, te weten het huisrecht, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze kan worden beschouwd. Op grond van artikel 6:106 van het BW zal de rechtbank naar billijkheid een schadevergoeding vaststellen van € 2.500,00 voor [naam 1] en van € 3.000,00 voor [naam 2] .

De rechtbank zal het door [naam 1] gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 4.763,87, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De proceskosten worden voorlopig vastgesteld op € 17,71. Verder zal de rechtbank het door [naam 2] gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 3.081,41, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt daarbij als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich op eerste uitnodiging van de reclassering aldaar zal melden en zich vervolgens zal blijven melden zo frequent als de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht, onder behandeling zal stellen van Trajectum of een soortgelijke forensische psychiatrische polikliniek, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen die door of namens de leiding van deze zorginstelling zullen worden gegeven;

- de reclassering toestemming zal geven voor informatie-uitwisseling met alle hulpverlenende instanties die bij hem en/of het gezin betrokken zijn en noodzakelijk is voor de uitvoering van het toezicht;

- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 3] , geboren op [geboortedatum 2] 1977, indien en zolang het Openbaar Ministerie dit verbod gedurende de maatregel nodig acht met uitzondering van contactmomenten die noodzakelijk zijn vanwege de kinderen en/of waar de betrokken jeugdzorginstelling(en) dan wel Veilig Thuis nadrukkelijk toestemming voor geeft. De politie zal toezien op handhaving van dit contactverbod;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan;

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op;

- omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 3]: van een bedrag van € 16.118,96 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2019);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 16.118,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 115 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1]: van een bedrag van € 4.763,87 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2019);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 17,71, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 4.763,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 57 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 2]: van een bedrag van € 3.081,41 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2019);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.081,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 40 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. C.A. Peterzon en
mr. J. Mulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van den Ham-Pool, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON1R019100. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal ter terechtzitting van 8 september 2020, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 oktober 2019, pagina 29.

4 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] ), pagina 82-84.

5 Hoge Raad 26 januari 1988, NJ 1988, 816.

6 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] ), pagina 83.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1] van 8 oktober 2019, pagina 43

8 Hoge Raad 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653.

9 ECLI:NL:HR:2005:AR6460