Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:3020

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
08-952956-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 43-jarige man uit Meppel is door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor het doden van Halil Erol en het wegmaken van het lichaam van de man uit Steenwijk. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 10 jaar en tbs met dwangverpleging.

Het slachtoffer, een 34-jarige man uit Steenwijk, is op 6 februari 2010 voor het laatst gezien. Ongeveer een maand later werd zijn auto uitgebrand teruggevonden in Haren. De kentekenplaten van de auto ontbraken en in de auto waren geen sporen te vinden die iets zouden kunnen zeggen over zijn locatie of wat er met hem is gebeurd. Later dat jaar, op 22 juni, werd in het water van de Steenwijker Aa een zak met menselijke resten gevonden. Het ging om twee armen – zonder handen –, twee bovenbenen en twee onderbenen met voeten. Later blijkt uit DNA onderzoek dat de lichaamsdelen van Erol zijn. In de eerste maand van 2013 zijn in Wanneperveen skeletdelen gevonden. Deze delen zijn gevonden in een soortgelijke zak als die was gebruikt om de in 2010 gevonden lichaamsdelen te verpakken. Later zijn op en rondom die plek nog andere sporen, zoals delen van een Matsuro judopak en een dekbedovertrek met het DNA van de verdachte gevonden. Ook was bekend dat de verdachte in het bezit was van een judopak van dat merk.

Getuigen, waaronder de toenmalige partner van Erol, verklaren dat het slachtoffer op 6 februari in de woning van verdachte aanwezig was. Samen zijn ze naar de schuur gegaan waarna Erol niet meer gezien is. Vast staat dat verdachte hem als laatste heeft gezien. Ook heeft verdachte erkend dat het gevonden dekbedovertrek van hem is. Hij heeft belangrijke vragen van de rechtbank niet kunnen of willen beantwoorden. Alles tezamen en in onderling verband kan het niet anders dan dat de man uit Meppel, al dan niet samen met iemand anders, Erol om het leven heeft gebracht en zijn lichaam heeft weggemaakt. Onder andere de toenmalige partner van het slachtoffer wordt nog verdacht van betrokkenheid bij de dood van Erol. Wat haar rol precies was en wanneer zij terecht staat is niet duidelijk. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat een vooropgezet plan niet bewezen kan worden, waardoor er juridisch sprake is van doodslag en niet van moord.

Het slachtoffer is van zijn leven beroofd, in stukken gezaagd en over verschillende plekken verspreid. In de loop der jaren zijn verschillende delen van Erol teruggevonden. De nabestaanden hebben hierdoor al meerdere keren afscheid moeten nemen. Tot op de dag van vandaag is het nog niet mogelijk geweest om het lichaam in zijn geheel te begraven. Onder andere het hoofd en de handen zijn niet teruggevonden. De verdachte heeft de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Daarnaast is ook de maatschappij ernstig geschokt door de dood van Erol en het herhaaldelijk in openbare natuurgebieden aantreffen van lichaamsdelen.

De man is eerder veroordeeld voor doodslag en heeft toen een tbs-maatregel opgelegd gekregen. Slechts een paar weken na het beëindigen van die maatregel is hij opnieuw in de fout gegaan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de maatschappij langdurig tegen verdachte beschermd moet worden en dat hij na zijn gevangenisstraf niet zo maar kan terugkeren in de maatschappij. Naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf legt de rechtbank ook de maatregel tbs met dwangverpleging op. Ook moet de man een schadevergoeding betalen aan de dochter, de zus en de broer van Erol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-952956-16 (P)

Datum vonnis: 17 september 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] ,

nu verblijvende in de P.I. Almelo te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 september 2019, 3 december 2019, 27 februari 2020, 30 april 2020, 9 juli 2020 en

3 september 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Veen en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. T. Westerhof-Dijkstra, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 3 september 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1, primair: tussen 6 februari 2010 en 22 juni 2010, samen met anderen, [slachtoffer] heeft vermoord;

feit 1, subsidiair: tussen 6 februari 2010 en 22 juni 2010, samen met anderen, [slachtoffer] heeft gedood;

feit 2: tussen 6 februari 2010 en 22 juni 2010, samen met anderen, het lijk van [slachtoffer] in stukken heeft gezaagd, in zakken heeft verpakt en die zakken in het water heeft gegooid of begraven in het bos, om de oorzaak van het overlijden te verhullen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1 Primair

hij in en/of op of omstreeks de periode van 6 februari 2010 tot en met 22 juni 2010 in

de gemeente Steenwijkerland en/of De Wolden en/of te Meppel en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door op die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld en/of een of meer geweldshandeling(en) toe te passen/uit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

Subsidiair

hij in en/of op of omstreeks de periode van 6 februari 2010 tot en met 22 juni 2010 in

de gemeente Steenwijkerland en/of De Wolden en/of te Meppel en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld en/of een of meer geweldshandeling(en) toe te passen/uit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2

hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2010 tot en met 22 juni 2010 in

de gemeente Steenwijkerland en/of De Wolden en/of te Meppel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (delen van) een lijk, te weten: (delen van) het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft begraven, verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks voornoemde periode - het lichaam van die [slachtoffer] in stukken te zagen/snijden en/of - de armen (zonder handen), bovenbenen en onderbenen (met de voeten) van die [slachtoffer] in een (juten) zak te verpakken en/of (vervolgens) in (het water van) de Steenwijker Aa te dumpen/gooien/achter te laten en/of - (een deel van) de romp van die [slachtoffer] in een dekbedovertrek en/of een (juten) zak te verpakken en/of (vervolgens) te begraven in de bossen van Wanneperveen en/of - een of meer sporen die zouden kunnen leiden naar het gepleegde geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] heeft gewist/trachten te wissen door een of meer goed(eren) in de bossen van Wanneperveen te begraven, te weten (onder andere) textielmateriaal afkomstig van een (Matsuru) judopak en/of touw en/of stukken plastic met tape eraan en/of een of meer grote (jute) zak(ken).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1, primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Voor het onder feit 1, subsidiair en feit 2 ten laste gelegde, de doodslag op het slachtoffer, ziet de officier van justitie wel voldoende bewijs. Volgens de officier van justitie is het slachtoffer op 6 februari 2010 tussen 13:00 uur en 18:00 uur om het leven gebracht in Meppel. Na dit tijdstip is feitelijk geen overtuigend teken van leven meer van het slachtoffer vernomen. Zijn telefoon is die middag blijven aanstralen te Meppel en is in de avond voor het laatst actief geweest op de Havelterberg. De - weinige en niet overtuigende – aanwijzingen in het dossier dat het slachtoffer na de middag van

6 februari 2010 nog in leven was kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Het slachtoffer en verdachte zijn die middag steeds samen geweest. De polyester stoelhoes waarin de lichaamsdelen van het slachtoffer in 2010 zijn aangetroffen, alsmede het dekbedovertrek dat bij de lichaamsdelen van het slachtoffer die in 2013 is aangetroffen waren van verdachte afkomstig. Op deze dekbedovertrek en op de polyester zak uit Wanneperveen waarin lichaamsdelen waren verpakt, is DNA-materiaal van verdachte aangetroffen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor alle ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit. Verdachte heeft altijd ontkend de feiten te hebben gepleegd. Uit het dossier volgt op geen enkele wijze door welke geweldshandelingen het slachtoffer om het leven is gekomen. Er zijn geen sporen van geweldshandelingen in de toenmalige woning van verdachte aangetroffen. De zendmastgegevens in het dossier geven geen helder beeld over waar het slachtoffer precies is geweest en hoelang. Het is niet uitgesloten dat het slachtoffer, na vertrek uit de woning van verdachte, bij een sportschool in Meppel is geweest waar hij aikidolessen volgde en daar om het leven is gebracht. Het dossier biedt onvoldoende aanleiding voor de overtuiging dat verdachte een beschermer van vrouwen zou zijn, of dat sprake was van een dispuut tussen verdachte en het slachtoffer. Het is niet uitgesloten dat het dekbedovertrek van verdachte, dat bij de lijkdelen in 2013 is aangetroffen, bij een verhuizing in 2009 door de toenmalige partner van verdachte naar een kringloopwinkel is gebracht. Er is geen technisch of forensisch bewijs dat verdachte het slachtoffer in stukken zou hebben gezaagd en evenmin voor de conclusie dat verdachte de lichaamsdelen van het slachtoffer zou hebben verpakt en begraven. Het aangetroffen DNA van verdachte op het dekbedovertrek is daarvoor onvoldoende. De toenmalige partner van verdachte was ver voor de start van hun relatie in het bezit van een ‘Pello-stoel’, maar niemand heeft die stoel ooit in de woning van verdachte en zijn toenmalige partner gezien. De resten van een Matsuru-judopak die bij de lichaamsdelen van het slachtoffer in 2013 zijn aangetroffen, kunnen ook hebben toebehoord aan het slachtoffer, omdat deze sinds kort een vechtsport beoefende.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de aanwijzingen in het dossier dat het slachtoffer opzettelijk naar het huis en in de schuur van verdachte is gelokt, onvoldoende zijn om te concluderen dat er een vooropgezet plan of idee zou zijn geweest om het slachtoffer die middag om het leven te brengen. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1, primair tenlastegelegde.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, subsidiair en 2 heeft begaan. Daarbij gaat zij uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

De verdwijning van het slachtoffer

Op 15 februari 2010 kwam bij de politie de eerste melding binnen van een bekende van het slachtoffer dat hij al twee weken vermist was. Op 18 februari 2010 kwamen ook [naam 1] (de broer van het slachtoffer), [naam 2] (een vriend van het slachtoffer, hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (de ex-vrouw van het slachtoffer, hierna: [naam 3] ) naar het politiebureau om te melden dat het slachtoffer vermist was. [naam 3] meldde dat zij had het slachtoffer voor het laatst had gezien op 6 februari 2010 rond 00:00 uur. Zij verklaarde dat hij die avond een laptop was komen halen bij haar thuis. [naam 2] meldde dat hij het slachtoffer voor het laatst had gezien op 5 februari 2010. Er leek toen niets aan de hand. Op 6 februari 2010 zou het slachtoffer [naam 2] ’s middags komen helpen in zijn winkel in Steenwijk, maar daar was hij niet komen opdagen. [naam 2] had verwacht dat hij het slachtoffer later op die avond zou zien in de [adres 6] om voetbal te kijken, maar ook daar was het slachtoffer niet verschenen. Ook bij de wedstrijd met het eerste elftal op 7 februari 2010 in de ochtend was hij niet verschenen. [naam 2] meldde voorts ook dat het slachtoffer onlangs was bedreigd door de vriend van een vriendin van [naam 3] , omdat het slachtoffer niet wilde dat [naam 3] met die vriend omging. Tussen het slachtoffer en zijn ex-schoonfamilie ging het ook niet erg goed volgens [naam 2] .

De auto van [slachtoffer]

Op 8 maart 2010 is de auto van het slachtoffer brandend gevonden tegenover de botanische tuin “de Hortus” aan [adres 2] in Haren (Groningen).2 De kentekenplaten ontbraken en er waren in de auto en in het gebied rondom de auto geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een lichaam of andere sporen die iets zouden kunnen zeggen over de locatie van het slachtoffer of wat met hem was gebeurd. Voort is vastgesteld dat de bestuurdersstoel in de verste stand stond hetgeen zou passen bij een bestuurder van een grotere lengte dan het slachtoffer.

De vondst van lichaamsdelen in 2010

Op 22 juni 2010 werd door een medewerker van het waterschap in het water van de Steenwijker Aa een zak met menselijke lichaamsdelen gevonden.3 Het ging om twee armen zonder de handen, twee bovenbenen en twee onderbenen met voeten. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat de lijkdelen aan één persoon toebehoren. Het DNA-profiel uit de lichaamsdelen komt overeen met het DNA-profiel van de tandenborstel van het slachtoffer. Door de hoge matchkans kan de conclusie worden getrokken dat de lichaamsdelen aan het slachtoffer toebehoren.4 Het was niet duidelijk of de lichaamsdelen ter plaatse in het water waren gegooid of dat deze daar door de stroming in het water terecht waren gekomen. De omgeving en het water zijn daarom verder onderzocht, maar de ontbrekende lichaamsdelen of verdere sporen voor de aanwezigheid van een overleden mens zijn niet gevonden. Antropologisch onderzoek naar de gevonden lijkdelen heeft opgeleverd dat de ledematen in overeenkomende mate in gevorderde staat van ontbinding waren.5 De rechtbank leidt hieruit af dat de lichaamsdelen op hetzelfde moment in de zak zijn gedaan en gebleven.

De vondst van lichaamsdelen in 2013

Op zaterdag 26 januari 2013 werd een melding gemaakt van skeletdelen die waren gevonden in de Kiersche Wijde in Wanneperveen. De politie trof daar een soortgelijke polyester zak aan als die waarin in 2010 gevonden lichaamsdelen van het slachtoffer waren aangetroffen. Enkele meters verderop lag een bekken met de onderste lendenwervels en een paar ruggenwervels. In de omgeving werden nog vijf gedeelten van ribben en enkele ruggenwervels gevonden. Verder werd een tweede polyester zak (dit bleek te gaan om een dekbedovertrek) en twee plastic vuilniszakken aangetroffen in de omgeving.6 Vanwege de sneeuw heeft de politie op 1 februari 2013 nogmaals op dezelfde plek naar sporen gezocht. Op de plek waar de vuilniszakken waren aangetroffen werd een gat/kuil gezien waarin een touw met knopen en resten van een Matsuru judopak werden aangetroffen. In de omgeving werden vervolgens nog drie ribben en een ruggenwervel aangetroffen.7 De kuil was door menselijk handelen gegraven, op een afstand van circa 40 meter van de Zandweg in een klein bosperceel. Het NFI heeft gerapporteerd dat denkbaar is dat de verspreide menselijke resten oorspronkelijk in plastic verpakt in de kuil hebben gelegen, en door een dier, mogelijk een vos, eruit zijn getrokken. Hierbij is het plastic aan stukken gescheurd. De menselijke resten zijn vervolgens minimaal 14 meter naar het zuiden verplaatst.8

Het DNA-profiel uit de skeletdelen komt overeen met het DNA-profiel van de tandenborstel van het slachtoffer. Door de hoge matchkans kan de conclusie worden getrokken dat de skeletdelen aan het slachtoffer toebehoren.9

Door de wijze waarop het (gedeeltelijke) lichaam van het slachtoffer is aangetroffen, te weten in stukken gezaagd en in verschillende delen verpakt, staat vast dat het slachtoffer niet aan een natuurlijke dood of door zelfdoding is gestorven, maar dat hij door een gewelddadige dood om het leven is gebracht.

Aangetroffen zakken

Nabij de plek waar de skeletdelen in 2013 zijn aangetroffen zijn twee polyester zakken aangetroffen. Eén zak heeft overeenkomsten met de polyester zak waarin de in 2010 aangetroffen lijkdelen waren verpakt. De tweede polyester zak betreft een dekbedovertrek. De rechtbank zal de verschillende zakken aanduiden als de polyester zak [AAE0761NL] aangetroffen in 2010, de polyester zak [AAE0950NL] aangetroffen in 2013 en het dekbedovertrek [AAE0951NL] aangetroffen in 2013.

DNA op aangetroffen zakken

Op de polyester zak [AAAE0950NL] aangetroffen in 2013 zijn zeer veel haren aangetroffen. Gezien de kenmerken van deze haren zijn die waarschijnlijk van één persoon afkomstig. Van het slachtoffer was geen referentiemonster hoofdhaar beschikbaar. Onder de aanname dat grote hoeveelheid hoofdhaardelen in de polyester zak [AAAE0950NL] (2013) van het slachtoffer afkomstig zijn, zijn deze hoofdhaardelen beschouwd als het referentiemonster “hoofdhaar van het slachtoffer”. De hoofdhaarsporen aangetroffen op de overige aangetroffen sporendragers zijn vergeleken met dit 'referentiemonster hoofdhaar'. Ook op het aangetroffen touw is een haardeel aangetroffen.

De niet naar het slachtoffer terug te leiden, aangetroffen haren zijn aanvullend onderzocht en vergeleken met referentieharen van andere personen. Uit drie hoofdhaardelen op het dekbedovertrek [AAE0951NL] (2013) is een (onvolledig) mitochondriaal (mt) DNA-profiel verkregen dat matcht met het referentieprofiel van verdachte.10 Voor elk hoofdhaardeel geldt dat de resultaten van het (mt)DNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer het hoofdhaardeel afkomstig is van de verdachte of een in de moederlijke lijn aan de verdachte verwant persoon, dan wanneer dit hoofdhaardeel afkomstig is van een willekeurige, niet in de moederlijke lijn aan de verdachte verwant persoon. Uit een hoofdhaardeel aangetroffen op de polyester zak [AAE0950NL] (uit 2013) is eveneens een (mt)DNA-profiel verkregen.

Het verkregen (mt)DNA-profiel matcht met het (mt) DNA-profiel van verdachte. Ook voor dit verkregen (mt)DNA-profiel geldt dat de resultaten van het (mt)DNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer het hoofdhaardeel afkomstig is van de verdachte of een in de moederlijke lijn aan de verdachte verwant persoon, dan wanneer dit hoofdhaardeel afkomstig is van een willekeurige, niet in de moederlijke lijn aan de verdachte verwant persoon.11

Uit een ander, op het dekbedovertrek [AAE0951NL] (2013) aangetroffen, haarspoor is een (mt)DNA-profiel verkregen welke eveneens is vergeleken met het (mt)DNA-profiel van [naam 4] (de toenmalige partner van verdachte, hierna: [naam 4] ). Het verkregen (mt)DNA-profiel match met het (mt)DNA-profiel van [naam 4] . Het vinden van dit (mt)DNA-profiel is veel waarschijnlijker wanneer het haardeel afkomstig is van [naam 4] , of een in de moederlijke lijn aan [naam 4] verwant persoon, dan wanneer dit haarspoor afkomstig is van een willekeurige, niet in de moederlijke lijn aan [naam 4] verwant persoon.12

Beeldonderzoek dekbedovertrek

Het aangetroffen dekbedovertrek [AAE0951NL] (2013) heeft een kenmerkende opdruk. Dit dekbedovertrek is vergeleken met de dekbedhoes die te zien is op foto’s die zijn gevonden in de woning van [naam 4] . Op de foto zijn drie mannen, waaronder verdachte, te zien die op een bed zitten. De bevindingen van het onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer de opdruk op het dekbedovertrek dat op die foto’s te zien is, dezelfde opdruk is als op het dekbedovertrek dat is gevonden in het graf in de Kiersche Wijde, dan wanneer dat niet zo is.13

De moeder van verdachte heeft verklaard dat zij zo’n zelfde soort dekbedovertrek aan verdachte had gegeven. Zij herkent het dekbedovertrek op de foto’s als het dekbedovertrek dat zij aan hem heeft gegeven.14

Verdachte heeft ter terechtzitting over dit dekbedovertrek verklaard dat hij het herkent als zijn dekbedovertrek en dat hij niet weet hoe zijn dekbedovertrek terecht is gekomen in het graf in de Kiersche Wijde.15

De rechtbank stelt vast dat het dekbedovertrek [AAE0951NL] (2013) dat is aangetroffen bij de skeletdelen van het slachtoffer toebehoorde aan verdachte.

IKEA ‘Pello’ stoelhoes

De polyester zak [AAE0761NL] waarin de in 2010 gevonden lichaamsdelen waren verpakt is uitgebreid onderzocht. De polyester zak, aangetroffen bij het graf in de Kiersche Wijde in 2013 [AAE0950NL] vertoont sterke gelijkenissen met de polyester zak [AAE0761NL] uit 201016 Naar aanleiding van een uitzending van Opsporing Verzocht op 27 augustus 2019, waarbij een foto van de polyesterzak [AAE0950NL] uit 2013 werd getoond, kwamen verschillende tips binnen dat het om een stoelhoes van de stoel type ‘Pello’ van IKEA zou gaan.17Eén van de tipgevers heeft een stoelhoes van de stoel ‘Pello’ ter beschikking gesteld zodat het NFI vergelijkend onderzoek kon doen. De deskundige heeft geconcludeerd dat er veel overeenkomsten zijn tussen de polyesterzakken [AAE0761NL & AAE0950NL] en de door de tipgever aangeleverde stoelhoes Pello. De kans dat een willekeurig ander textiel gelijke kenmerken heeft, acht de deskundige zeer klein. Er zijn echter ook verschillen geconstateerd: het materiaal waaruit de weefsels bestaan komt niet overeen. Het is mogelijk dat de hoezen afkomstig zijn uit verschillende productiebatches. Het is ook mogelijk dat de onbekende zakken als binnenhoezen van gelijksoortige stoelen afkomstig zijn.18

De moeder van [naam 4] heeft verklaard dat [naam 4] in het bezit is geweest van een IKEA Pello stoel.19 Niemand heeft een verklaring gegeven over wat er met die stoel is gebeurd.

Op grond van het voorgaande is de conclusie van de rechtbank dat lichaamsdelen van het slachtoffer zijn gevonden in een dekbedovertrek dat van verdachte afkomstig was – waarop zich DNA van verdachte bleek te bevinden. En ook concludeert de rechtbank dat beide aangetroffen polyester zakken vermoedelijk van een Pello stoel afkomstig waren, waarvan [naam 4] er één in bezit heeft gehad – en dat zich op de in 2013 aangetroffen polyester zak [AAE0950NL] eveneens DNA van verdachte bevond.

Matsuru judopak

De politie heeft niet kunnen vaststellen of het slachtoffer in het bezit was van een Matsuru judopak. Wel is gebleken dat hij in november en december 2009 drie proeflessen aikido heeft gevolgd bij een sportschool in Meppel op de maandagavonden en dat van hem verwacht werd dat hij een judopak zou aanschaffen als hij een abonnement zou nemen. Het slachtoffer heeft echter nooit betaald en is na de laatste proefles, vóór de kerst van 2009, niet meer geweest.20

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte een zwart judopak had in [naam 5] . Dat wist hij nog omdat ze erom hadden gelachen dat zijn naam in het merk 'Mat'suru stond.21

Uit de technische en forensische onderzoeken volgt niet hoe het slachtoffer om het leven is gebracht en evenmin wanneer of waarom dat is gebeurd. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank verder het volgende vast. Daarbij merkt de rechtbank op dat van de verklaringen van verdachte, [naam 3] en [naam 4] alleen gebruik wordt gemaakt indien deze elkaar in voldoende mate bevestigen danwel een objectief bewijsmiddel de verklaring ondersteunt.

De middag van 6 februari 2010

Vaststaat dat het slachtoffer met [naam 3] en de kinderen naar de woning van verdachte is gegaan. Dit was na de zumbales van de oudste dochter [naam 6] , welke om 12.30 uur eindigde. Blijkens de verklaringen van verdachte22, [naam 3]23 en [naam 4]24 is verdachte met het slachtoffer naar buiten gegaan, te weten naar de schuur, om daar koffie te drinken en naar een schotel te kijken. Vervolgens zou het slachtoffer, eveneens blijkens de verklaringen van zowel [naam 4] , [naam 3] als verdachte, zijn weggegaan uit de woning. Onduidelijk is geworden op grond van deze verklaringen hoe laat het slachtoffer zou zijn vertrokken. Geen van de aanwezigen is over het veronderstelde vertrek van het slachtoffer duidelijk of concreet geweest in de zin dat er een tijdstip of tijdsspanne is genoemd waarin dit zou zijn geweest. Verder zijn de omstandigheden waaronder het vertrek van het slachtoffer zou hebben plaatsgevonden uit deze verklaringen evenmin helder geworden. [naam 4] heeft hierover, als getuige, verklaard dat er chaos ontstond op het moment dat verdachte in de keuken kwam, waar zij en [naam 3] stonden te roken en verdachte vertelde dat het slachtoffer was weg gegaan. Volgens [naam 4] ontstond er paniek, omdat [naam 3] niet wist hoe zij met de kinderen thuis moest komen. [naam 3] en verdachte hebben niets verklaard over een dergelijke chaotische situatie. [naam 3] heeft aanvankelijk verklaard het slachtoffer te hebben zien vertrekken en later dat zij alleen heeft gehoord dat hij zou zijn vertrokken.

[naam 4] en [naam 3] zijn op een bepaald moment in de middag naar een park en een winkelcentrum gegaan met de kinderen, maar zijn niet duidelijk over hoe laat dat is geweest en of het slachtoffer toen al weg was. Uit een pintransactie van [naam 3] blijkt dat zij op

6 februari 2010 om 15:47 uur heeft gepind bij de Rook&Lectuurshop in Meppel. Aangezien het ongeveer 11 minuten lopen is van die winkel naar de [adres 3] , moeten [naam 3] en [naam 4] rond 15:30 uur bij verdachte zijn vertrokken.25

[naam 3] , [naam 4] en verdachte hebben alle drie verklaard dat zij na terugkomst van het winkelcentrum samen met de kinderen pannenkoeken hebben gegeten en dat verdachte [naam 3] en de kinderen tussen 17:30 uur en 18:00 uur naar haar woning in Meppel heeft gebracht. In 2019 is [naam 4] opnieuw als getuige bevraagd en heeft zij verklaard dat verdachte het slachtoffer voor het laatst heeft gesproken.26

Tegenover de onduidelijkheid met betrekking tot het door verdachte, [naam 4] en [naam 3] gesuggereerde vertrek van het slachtoffer uit de woning van de verdachte staan heldere feiten in de zin van het gegevensverkeer van de telefoons van het slachtoffer. Het slachtoffer had twee mobiele telefoons eindigend op 3030 en 0666. Volgens [naam 3] had het slachtoffer beide telefoons altijd bij zich.27 Het toestel eindigend op 0666 straalde tot 6 februari 2010 12:27 uur een mast in Steenwijk aan. Om 13:28 uur straalde de telefoon een mast aan de [adres 4] in Meppel aan.28 Die mast kan worden aangestraald vanuit de [adres 3] in Meppel, waar verdachte en [naam 4] woonden in februari 2010.29 Het toestel van het slachtoffer bleef diezelfde mast aanstralen tot 17:45 uur. Daarna bewoog het toestel richting Steenwijk naar de [adres 5] in Havelterberg, tussen Meppel en Steenwijk in. Verdachte heeft verklaard dat hij rond dat tijdstip [naam 3] en de kinderen naar Steenwijk heeft weggebracht. Het signaal van de telefoon van het slachtoffer eindigend op 0666 stopt daar op 6 februari 2010 om 22:45 uur. Daarna is er van deze telefoon geen actie meer waargenomen en is niet vast te stellen dat hij in Steenwijk is teruggekeerd, in tegenstelling tot zijn gebruikelijke patroon in de maanden daarvoor, waarbij hij dagelijks meerdere keren een mast aanstraalde in Steenwijk.

Na de middag van 6 februari 2010 is er van het slachtoffer geen levensteken meer vernomen. Hij is niet verschenen bij de winkel van [naam 2] in de loop van de zaterdagmiddag, zoals de gebruikelijke afspraak was.30 [naam 2] heeft het slachtoffer hiervoor gebeld om 17:51 uur op het telefoonnummer eindigend op 3030 en deze oproep werd door het slachtoffer niet beantwoord.31 Ook is het slachtoffer de volgende dag niet op de voetbal verschenen voor een wedstrijd met het eerste team.32

Dat met het toestel van het slachtoffer eindigend op 3030 op 7 februari 2010 om 09:53:58 uur, 10:41:08 uur en 10:59:39 uur naar het toestel van [naam 3] is gebeld – [naam 3] heeft deze oproepen niet beantwoord -, maakt niet dat hieruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer dus toen nog in leven was. Opvallend daarbij is dat vlak daarna twee inkomende oproepen van twee andere nummers niet door de telefoon van het slachtoffer worden beantwoord. Deze “levenstekenen” van het slachtoffer staan op zichzelf en worden niet ingebed in andere feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat het slachtoffer dan nog leeft.

De avond van 6 februari 2010

[naam 3] heeft verklaard dat het slachtoffer in de avond van 6 februari 2010 naar haar woning is gekomen om een laptop op te halen die ook gebruikt werd door hun oudste dochter. Het slachtoffer zou om 20:00 uur via de achterdeur zijn binnengekomen. Zij zouden televisie hebben gekeken en hebben gepraat en het slachtoffer zou rond 00:00 uur weer zijn vertrokken.33

Deze verklaring past niet in hetgeen hierboven is beschreven over de historische telecomgegevens van het mobiele toestel eindigend op 0666. Deze telefoon is namelijk niet meer in Steenwijk geweest. Ook heeft zij met betrekking tot dit bezoek wisselend verklaard over het al dan niet slapen van de kinderen, over de wijze van binnenkomen van het slachtoffer en over hoe het slachtoffer en zij de avond zouden hebben doorgebracht. Er is verder geen getuige die de aanwezigheid van het slachtoffer die avond bij [naam 3] kan bevestigen. Ook [naam 4] heeft niet verklaard dat [naam 3] tijdens hun telefoongesprek heeft gemeld dat het slachtoffer bij haar was. Zowel [naam 3] als [naam 4] kunnen zich het telefoongesprek niet herinneren.

Op grond van bovenstaande is het meest voor de hand liggende scenario dat het slachtoffer is overleden op de middag van 6 februari 2010 in Meppel en dat in elk geval door verdachte is getracht dit te verhullen.

Conclusie

De rechtbank komt resumerend tot de volgende conclusies. Verdachte is degene geweest die het slachtoffer voor het laatst in leven heeft gezien. De historische telefoongegevens wijzen erop dat het slachtoffer de woning van verdachte tot 17:45 uur niet heeft verlaten, dat hij vanaf 17:51 uur geen telefoontjes meer beantwoordde en niet op gemaakte afspraken verscheen, zoals bij de winkel van [naam 2] op 6 februari 2010, in de vroege avond in de [adres 6] en bij een voetbalwedstrijd met het eerste op 7 februari 2010 in de ochtend.

Vaststaat dat er DNA van de verdachte is gevonden en DNA van het slachtoffer op het dekbedovertrek waarin skeletdelen waren verpakt en op de polyesterzak - die bij dezelfde skeletdelen is aangetroffen in 2013. Voor de aanwezigheid van zijn DNA op deze materialen of de aanwezigheid van dit dekbedovertrek op die locatie heeft de verdachte geen verklaring gegeven. Wel heeft hij bevestigd dat de dekbedhoes van hem is. Het scenario dat het dekbedovertrek zou zijn weggebracht naar de kringloop en dat degene die dat dekbedovertrek daar gekocht heeft het slachtoffer om het leven heeft gebracht en verpakt in deze overtrek, alsmede in een Pello stoelhoes, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk. Daarnaast was [naam 4] , met wie verdachte toen samenwoonde, in bezit van een IKEA Pello stoel, inclusief hoes. Zoals eerder vermeld zijn lichaamsdelen van het slachtoffer ook in zakken gevonden die vermoedelijk van een dergelijke stoel afkomstig waren. Verdachte heeft evenmin uitleg gegeven over waar zijn Matsuru judopak is gebleven, hetgeen in het licht van het feit dat een deel van een dergelijk pak is aangetroffen in het graf in 2013 voor hem belastend is.

Alles tezamen en in onderling verband beschouwd komt de rechtbank op basis van dit dossier tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht, het lichaam in stukken heeft gezaagd en in de lichaamsdelen in zakken heeft verpakt om die vervolgens in de Steenwijker Aa achter te laten en in het bos de Kiersche Wijde in Wanneperveen te begraven. Een ander scenario dat dit scenario uitsluit of ontzenuwt, is aangevoerd noch aannemelijk geworden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten 1, subsidiair en 2 heeft begaan, met dien verstande dat:

1 Subsidiair

hij omstreeks 6 februari 2010 in Meppel, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld toe te passen/uit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2

hij in de periode van 6 februari 2010 tot en met 22 juni 2010 in de gemeente Steenwijkerland of De Wolden of te Meppel en/of elders in Nederland, (delen van) een lijk, te weten: (delen van) het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , heeft begraven, verborgen, weggevoerd en weggemaakt, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door in voornoemde periode - het lichaam van die [slachtoffer] in stukken te zagen en - de armen (zonder handen), bovenbenen en onderbenen (met de voeten) van die [slachtoffer] in een zak te verpakken en (vervolgens) in (het water van) de Steenwijker Aa achter te laten en - (een deel van) de romp van die [slachtoffer] in een dekbedovertrek en een zak te verpakken en (vervolgens) te begraven in de bossen van Wanneperveen en - sporen die zouden kunnen leiden naar het gepleegde geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] heeft gewist/trachten te wissen door goederen in de bossen van Wanneperveen te begraven, te weten (onder andere) textielmateriaal afkomstig van een (Matsuru) judopak en touw en stukken plastic met tape eraan en grote zakken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 287 en 151 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf: doodslag;

feit 2:

het misdrijf: een lijk begraven, vernietigen, verbergen, wegvoeren en wegmaken, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Op advies van de reclassering en het NIFP is verdachte opgenomen op de ‘weigerafdeling’ van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (verder: het PBC). Op 14 mei 2020 hebben G.M. Jansen, GZ-psycholoog en T.W.D.P. van Os, psychiater bij het PBC een rapport uitgebracht. Verdachte heeft, zo blijkt uit dit rapport, niet meegewerkt aan het psychologisch onderzoek (waaronder het testpsychologisch onderzoek) en ook niet aan het psychiatrisch onderzoek. Ook het milieuonderzoek is door de weigering van verdachte om vragen te beantwoorden summier gebleven. Er heeft beperkt referentenonderzoek kunnen plaatsvinden. Verdachte heeft zijn weigering goed kunnen volhouden; er zijn geen aanwijzingen dat de weigering voortkomt uit psychopathologie. Vanwege deze grote beperkingen van het onderzoek is er niet voldoende zicht verkregen op de persoon van verdachte en zijn functioneren om tot diagnostische conclusies te komen, aldus het PBC.

De onderzoekers van het PBC hebben geen uitspraak kunnen doen over een eventuele doorwerking van een eventuele stoornis in de bewezenverklaarde feiten. Hierdoor hebben de onderzoekers geen advies gegeven over de mate van toerekening van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen. De onderzoekers hebben daarom ook geen uitspraken gedaan over het recidivegevaar en welke interventies eventueel nodig zijn om het risico op herhaling van soortgelijke feiten te verlagen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen beletsel is voor het opleggen van een gevangenisstraf aan verdachte voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf en maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, geen verweer gevoerd op de geëiste straf en maatregel.

7.3

De gronden voor een straf en maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft het slachtoffer van zijn leven beroofd, een vader van twee kinderen, in de bloei van zijn leven. Zijn familie en vrienden moeten zonder hem verder leven. Het leed dat hij de nabestaanden heeft aangedaan is onbeschrijflijk. Door het levenloze lichaam van het slachtoffer in stukken te zagen en op verschillende plekken te verspreiden hebben de dierbaren van het slachtoffer al twee keer afscheid van hem moeten nemen. Tot op de dag van vandaag is het niet mogelijk geweest om het lichaam van het slachtoffer in het geheel te begraven, hetgeen voor de nabestaanden onverteerbaar is.

Dat de gevolgen van het door verdachte begane misdrijf van enorme omvang zijn blijkt uit de slachtofferverklaringen van de broer en zus van het slachtoffer en van zijn oudste dochter. Het gedurende tien jaar meermalen geconfronteerd worden met de vondst van lichaamsdelen, onderzoekshandelingen door de politie en de media-aandacht heeft een zware tol geëist die mede tot uitdrukking is gebracht in de schadevorderingen van de nabestaanden.

Daarnaast is ook de maatschappij ernstig geschokt door de dood van het slachtoffer en het herhaaldelijk in openbare natuurgebieden aantreffen van lijkdelen. Dit soort misdrijven zorgt voor gevoelens van angst in de samenleving en doen denken aan een scène uit een horrorfilm die werkelijkheid wordt.

Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal verdachte daarom een gevangenisstraf van 10 jaren, zoals door de officier van justitie geëist, opleggen.

De rechtbank ziet zich daarnaast voor de vraag gesteld of aan verdachte, zoals gevorderd, de maatregel van tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Artikel 37a, vierde lid, Sr, maakt het mogelijk dat ook aan een weigerende observandus de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd. De eis van een recente multidisciplinaire rapportage geldt in een dergelijk geval niet. Wel dient, gelet op artikel 37a, eerste lid Sr te worden vastgesteld dat verdachte op het moment van het begaan van de misdrijven leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dient er zoveel mogelijk informatie te worden vergaard over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de last van een terbeschikkingstelling waaraan verdachte wel bereid is geweest medewerking te verlenen.

De rechtbank komt op grond van het hierna volgende tot de conclusie dat er bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Verdachte is in 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren en tbs met dwangverpleging wegens doodslag en verkrachting. De tbs-maatregel is beëindigd op

30 december 2009.

In het PBC rapport van 14 mei 2020 hebben de onderzoekers gerefereerd aan het tbs-dossier uit de periode van 2000 tot 2009. Dit dossier is op verzoek van de officier van justitie integraal aan het strafdossier toegevoegd. In februari 2009 werd de dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd en de tbs-maatregel verlengd met één jaar. In het advies van FPC de Oostvaarderskliniek van 2 februari 2009 staat over de diagnostiek van verdachte beschreven dat verdachte een bovengemiddeld intelligente man is. In het gezin van herkomst was weinig ruimte voor persoonlijke en emotionele ontwikkeling, waardoor zijn empathie en geweten gebrekkig ontwikkeld zijn. Van jongs af aan is hij snel verveeld, impulsief en opstandig. Verdachte is een man met minderwaardigheidsgevoelens met een sterke behoefte aan aandacht, persoonlijke belangstelling en erkenning, maar hij kan dit door zijn hooghartige houding afhouden. Daarnaast bestaat een sterke behoefte aan zelfstandigheid, vrijheid en onafhankelijkheid. Hij is erg op zichzelf gericht en is weinig gevoelig voor de behoeftes van anderen, Betrokkene is moeilijk in staat zijn eigen grenzen te zien en overschat zichzelf.

In DSM-IV termen is er op As 1 sprake van: Misbruik alcohol, in volledige remissie onder

toezicht en op As II: Persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische en borderline trekken.

Het meest recente rapport waarin inhoudelijke conclusies zijn getrokken is dat van psychiater B. Gotink die op 11 oktober 2009 schreef dat bij verdachte sprake is van matig ernstige persoonlijkheidsproblematiek, waarvoor op dat moment behandeling niet meer is geïndiceerd, bij afwezigheid van ziekelijke stoornissen van de geestvermogens in engere zin, in combinatie met alcohol-abstinentie sinds vele jaren en met een sinds bijna twee jaren benedengemiddeld ingeschat risicoprofiel met betrekking tot recidief delictgedrag.

De rechtbank concludeert op basis van de bovenstaande rapporten dat de persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, narcistische en borderline trekken in elk geval ten tijde van het advies van FPC Oostvaarderskliniek in februari 2009 aanwezig was en dat in oktober van dat zelfde jaar sprake is van matig ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Onderzoekers van het PBC hebben nog genoteerd dat uit het tbs-dossier niet kon worden opgemaakt of en in hoeverre verdachte heeft geprofiteerd van de behandeling. Het is op grond van deze overwegingen dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de begin 2009 bestaande persoonlijkheidsstoornis en de eind 2009 door de psychiater benoemde persoonlijkheidsproblematiek – waar conclusies omtrent het effect van de behandeling ontbreken - enige maanden later, in februari 2010, ten tijde van het misdrijf, nog immer aanwezig waren.

Dat verdachte slechts een paar weken na de beëindiging van de tbs opnieuw een gruwelijk levensdelict heeft gepleegd, leidt tot de conclusie dat de maatschappij langdurig tegen verdachte moet worden beschermd en dat hij na zijn gevangenisstraf niet onbehandeld kan terugkeren in de maatschappij. De rechtbank ziet in al het bovenstaande aanleiding om, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, de maatregel van terbeschikkingstelling te gelasten met bevel tot verpleging van overheidswege.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van [naam 7]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 42.326,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    studievertraging €17.625,-

  • -

    toekomstige studievertraging € 21.400,-

  • -

    collegegeld € 2.168,-

  • -

    studieboeken € 500,-

  • -

    opvragen medisch dossier € 41,80

  • -

    (toekomstige) Proceskosten € 591,55

De vordering van [naam 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 6.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    uitvaartkosten á € 1500,-

  • -

    reiskosten t.b.v. uitvaart 1 (Hamburg-Istanbul) á € 2500,-

  • -

    reiskosten t.b.v. uitvaart 2 (Hamburg-Istanbul) á € 2500,-

De vordering van [naam 8]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    reiskosten t.b.v. uitvaart 1 (Düsseldorf-Istanbul) á € 2500,-

  • -

    reiskosten t.b.v. uitvaart 2 (Düsseldorf-Istanbul) á € 2500,-

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen van de benadeelde partijen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [naam 7]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten studievertraging, opvragen medisch dossier en de proceskosten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Terzake de post toekomstige studievertraging overweegt de rechtbank dat benadeelde partij momenteel een studie volgt waarbij zij geen vertraging heeft opgelopen vanwege klachten als gevolg van het tenlastegelegde. Ook de toekomstige reiskosten zijn nog niet gemaakt en het is van een onzekere toekomstige gebeurtenis afhankelijk of die kosten nog zullen worden gemaakt. De benadeelde partij zal om die reden voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 18.010,47, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd (6 februari 2010).

De vordering van [naam 1]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en de schadepost uitvaartkosten is voldoende onderbouwd en aannemelijk. Dat ligt anders voor de gevorderde reiskosten. Hoewel de prijzen van vliegtickets door de jaren heen fluctueren, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde voor tweemaal een retourticket van Hamburg naar Istanboel te hoog is. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van die schade te schatten en is van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op € 2000,-.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 3500,- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd (6 februari 2010). Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De vordering van [naam 8]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, maar onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk. Hoewel de prijzen van vliegtickets door de jaren heen fluctueren, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde voor tweemaal een retourticket van Düsseldorf naar Istanboel te hoog is. Dat neemt niet weg dat de benadeelde partij wel schade heeft geleden. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van die schade te schatten en is van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op € 2000,-.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 2000,- te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd (6 februari 2010). Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a en 37b Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit 1, subsidiair en feit 2 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: doodslag;

feit 2

het misdrijf: een lijk begraven, vernietigen, verbergen, wegvoeren en wegmaken, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1, subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 7] (feit 1, subsidiair en feit 2): van een bedrag van € 18.010,47 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2010);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 18.010,47, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2010 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 151 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 7] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 1] ((feit 1, subsidiair en feit 2) van een bedrag van € 3500,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2010);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2010 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 45 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 1] , voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam 8] ((feit 1, subsidiair en feit 2) van een bedrag van € 2000,- (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2010);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2010 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [naam 1] , voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter en mr. F. van der Maden en

mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker en C. van Dam MSc, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.

C. van Dam MSc is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met kenmerk 04TG010001 Devel. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2010, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , p. 13-15.

3 Proces-verbaal 04TG010001 Zoeking met lijkenspeurhond [hond] van 13 juli 2010, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , p. 21-22.

4 DNA onderzoek, NFI, dr. [naam 9] , d.d. 30 juni 2010, p. 304-308 van de map Forensisch Onderzoek.

5 Onderzoek lijkdelen, NFI, dhr. [naam 10] & mw. Drs. [naam 11] , d.d. 08 juli 2010, p. 295- 299 van de map Forensisch Onderzoek.

6 Proces-verbaal sporenonderzoek van 10 maart 2013, inhoudende bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p 509-511 van map Forensisch Onderzoek.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek van 10 maart 2013, inhoudende bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , p 522-525 van map Forensisch Onderzoek.

8 Forensisch Archeologisch onderzoek, NFI, drs. [naam 12] , d.d. 6 maart 2013, p. 530-542 van map Forensisch Onderzoek.

9 Herzien rapport DNA-onderzoek, NFI, dr. [naam 9] , d.d. 31 januari 2013, p. 590-592 van map Forensisch Onderzoek.

10 Aanvullend mitochondriaal onderzoek, NFI, ing. [naam 13] , d.d. 13 juni 2019, p. 1024-1028 van map Forensisch Onderzoek & DNA-onderzoek, NFI, ing. [naam 13] , d.d. 13 januari 2020, aanvullend rapport.

11 DNA-onderzoek, NFI, ing. [naam 13] , d.d. 20 november 2019, aanvullend rapport.

12 DNA-onderzoek, NIF, ing. [naam 13] , d.d. 2 augustus 2019, p. 1118-1121.

13 Beeldvergelijkend onderzoek, NFI, dr. [naam 14] , d.d. 30 september 2019, p. 1181-1191 van map Forensisch Onderzoek.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige van 23 juli 2019, inhoudende de verklaring van [getuige 2] , p. 261-267 van de map Getuigendossier M t/m Z.

15 Proces-verbaal ter terechtzitting van 3 september 2020, inhoudende de verklaring van verdachte over het dekbedovertrek.

16 Vezel- en textielonderzoek van 26 juni 2010, dr. ir. [naam 15] , p. 645-660.

17 Proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2019, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 330-332.

18 Vergelijkend textielonderzoek, NFI, [naam 16] , MSc, d.d. 28 november 2019, aanvullend rapport.

19 Proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2019, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] , p. 336-338.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige van 12 maart 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 4] , p. 520-521 van Getuigendossier M t/m Z.

21 Proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2019, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] , p. 187-188 van Getuigendossier A t/m L.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige van 22 april 2010, inhoudende de verklaring van [verdachte] , p.148-152 van Persoonsdossier [verdachte] .

23 Proces-verbaal verhoor getuige van 10 augustus 2010, inhoudende de verklaring van [naam 3] , p. 206-234 van Persoonsdossier [naam 3] .

24 Proces-verbaal verhoor getuige van 26 augustus 2010, inhoudende de verklaring van [naam 4] , p. 189-195 van Persoonsdossier [naam 4] .

25 Proces-verbaal verhoor getuige van 19 juni 2019, inhoudende de verklaring van [naam 4] , p. 67 van Persoondossier [naam 4] .

26 Proces-verbaal verhoor getuige van 20 juni 2019, inhoudende de verklaring van [naam 4] , p. 89 van Persoondossier [naam 4] .

27 Proces-verbaal verhoor getuige van 22 februari 2010, inhoudende de verklaring van [naam 3] , p. 150-156 van Persoonsdossier [naam 3] .

28 Historische telecomgegevens 6 februari 2010 nummer [telefoonnummer] , p. 66 e.v.

29 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek communicatienetwerk van 17 juni 2019, inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en T47, inclusief bijlagen, p. 90-99.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige van 25 maart 2010, inhoudende de verklaring van [naam 2] , p.289-294 van Getuigendossier M t/m Z.

31 Historische telecomgegevens 6+7 februari 2010 nummer 31616943030 en 31624738457, p. 69 e.v.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige van 7 april 2010, inhoudende de verklaring van [getuige 5] , p.508-512 van Getuigendossier M t/m Z.

33 Proces-verbaal verhoor getuige van 22 februari 2010, inhoudende de verklaring van [naam 3] , p. 150-156 van Persoonsdossier [naam 3] .