Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2971

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
11-09-2020
Zaaknummer
8573946 \ EJ VERZ 20-196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven. Dringende reden. Stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1089
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats: Zwolle

Zaaknummer : 8573946 \ EJ VERZ 20-196

Beschikking van de kantonrechter van 26 augustus 2020

in de zaak van

[X] ,

wonende te [plaats 1] ,

verzoeker in het verzoek, verweerder in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.P.W.A. Bink,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOVUS PROFESSIONALS B.V.,

gevestigd te Kampen,
2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KIWI PERSONEELSGROEP B.V.,

gevestigd te Hoogezand,

verweerders in het verzoek, verzoekers in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M. Walvius.

Partijen worden hierna [X] , Novus en Kiwi genoemd.

1 De procedure

1.1.

[X] heeft een verzoek ingediend dat strekt tot – kort samengevat – een verklaring voor recht dat het door Novus gegeven ontslag op staande voet onrechtmatig is, tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding, en tot betaling van het salaris. [X] berust in het ontslag op staande voet. Novus en Kiwi hebben een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2020 plaatsgevonden. [X] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Novus en Kiwi zijn vertegenwoordigd door
[A] , middellijk bestuurder van Novus (hierna: [A] ), vergezeld door hun gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigde van [X] heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnota overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [X] nog stukken toegezonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de (inhoud van de) mondelinge behandeling.

1.3.

Ter zitting is gepoogd een minnelijke regeling tussen partijen tot stand te brengen, maar deze pogingen hebben niet tot een schikking geleid. Vervolgens hebben partijen verzocht om de zaak een week aan te houden voor overleg. Op 22 juli 2020 hebben partijen laten weten dat de onderhandelingen niet tot een schikking hebben geleid. Partijen hebben de kantonrechter verzocht om uitspraak te doen.

1.4.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Novus is een uitzendbureau. Kiwi is enig aandeelhouder van Novus.

2.2.

[X] , geboren op 27 december 1968, is - in ieder geval - op 1 december 2017 als uitzendkracht in dienst getreden bij Novus in de functie van montage medewerker.

2.3.

In de periode februari en maart 2020 was [X] belast met de verbouwing van een pand in [plaats 2] (Duitsland). Dit project liep vertraging op. Hierop heeft [A] de rittenadministratie 2020 van de werkauto van [X] erop nageslagen. Op 30 maart 2020 heeft [A] [X] geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek naar de rittenadministratie.

2.4.

Op 31 maart 2020 heeft Novus [X] een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband aangeboden. Diezelfde dag hebben Novus en [X] de vaststellingsovereenkomst ondertekend. In artikel 4.1 van de vaststellingsovereenkomst staat dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt met ingang van 1 april 2020.

2.5.

Bij brief van 10 april 2020 heeft [X] de vaststellingsovereenkomst ontbonden.

2.6.

Op 16 april 2020 heeft Novus [X] op staande voet ontslagen. De door [A] opgestelde ontslagbrief van diezelfde dag luidt als volgt:

(…)

Op maandag 30 maart jl. heb ik u gesproken en u geconfronteerd met het vermoeden dat u zonder toestemming en waarschijnlijk voor eigen rekening (klus)werkzaamheden voor derden verrichtte. In eerste instantie ontkende u, maar daarna vroeg u een tweede kans. U heeft vervolgens uw werk hervat.

Na dit gesprek heb ik een eerste onderzoek gestart door te praten met medewerkers en te kijken in de rittenadministratie over 2020. Daaruit bleek dat u in februari een toiletgroep heeft gerenoveerd in Café [naam 1] te Kampen en dat u op onze naam en onze kosten voor dat werk materiaal bij derden heeft aangeschaft. In de maand maart heeft u werkzaamheden verricht voor het bedrijf [naam 2] te Kampen.

Dinsdag 31 maart jl. heb ik u aan het einde van de dag hiermee geconfronteerd en hebben wij afgesproken dat de arbeidsovereenkomst per direct door middel van een vaststellingsovereenkomst zou eindigen.

Per brief d.d. 10 april jl. heeft u de vaststellingsovereenkomst en daarmee de beëindiging van uw dienstverband per 1 april jl. herroepen. Deze herroeping was voor ons aanleiding dinsdag 16 april jl. het onderzoek te hervatten en juridisch advies in te winnen. Uit ons onderzoek, dat nog niet volledig is afgerond, kwam een schrikbarend beeld naar voren. De rittenadministratie over 2019 toont dat u in 2019 in ieder geval op vier verschillende adressen werkzaam bent geweest, terwijl u óf voor ons aan het werk moest zijn, dan wel in verband met uw gezondheidssituatie eerder van ons werk (met onze toestemming) was vertrokken. U heeft voorgewend dat u als gevolg van gezondheidsklachten verminderd inzetbaar zou zijn. Vanzelfsprekend wisten wij niet dat u vervolgens elders aan het werk zou gaan. Hadden wij dat wel geweten, dan hadden wij u daar uiteraard nooit toestemming voorgegeven.

Uit de rittenadministratie blijkt dat u onder werktijd, dan wel nadat u wegens uw gezondheid eerder naar huis mocht, werkzaam c.q. aanwezig bent geweest aan de [adres 1] te Kampen (17x), aan [adres 2] te Kampen (75x), aan [adres 3] te Kampen (62x) en aan [adres 4] te Kampen (44x). Overigens wordt door diverse personen bevestigd dat u op deze adressen werkzaamheden heeft verricht.

De omvang is vele malen groter dan wij in eerste instantie vermoeden. Het mag voor zich spreken dat uw handelwijze voor ons volstrekt onaanvaardbaar is en voornoemde omstandigheden, zowel gezamenlijk als ieder voor zich, een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Per heden wordt u dan ook op staande voet ontslagen en dit betekent dat uw arbeidsovereenkomst per vandaag eindigt.

Ontslag op staande voet maakt u schadeplichtig. Wij weten dat u zaken op onze naam en rekening heeft gekocht en zullen deze in mindering brengen op het loon. Daarnaast zullen wij de omvang van de door u toegebrachte schade nader onderzoeken. Onze voorlopige inschatting is dat dit voor het project Café [naam 1] in ieder geval € 725,= bedraagt en voor [naam 2] € l.775,=. Dienaangaande beroepen wij ons op verrekening. U ontvangt derhalve geen loon meer.

Ten slotte verzoek, en voor zover nodig sommeer, ik u de aan u ter beschikking gestelde telefoon en gereedschappen in te leveren op ons kantoor te Kampen en wel uiterlijk maandag 20 april a.s. Voor het geval u aan dit verzoek geen gehoor geeft overwegen wij aangifte te doen wegens verduistering.

(…)

2.7.

Bij e-mail van 22 april 2020 van zijn gemachtigde is [X] opgekomen tegen het hem gegeven ontslag op staande voet.

3 Het verzoek van [X]

3.1.

verzoekt een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onrechtmatig is en dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig is opgezegd. Daarnaast verzoekt [X] (door)betaling van het salaris en een hoofdelijke veroordeling van Novus en Kiwi tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding, vermeerderd met rente. Bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv verzoekt [X] doorbetaling van het salaris lopende deze procedure.

3.2.

Aan dit verzoek legt [X] ten grondslag – kort gezegd – dat geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Bovendien is het ontslag niet onverwijld gegeven en is over de dringende reden geen onverwijlde mededeling gedaan, aldus [X] .

3.3.

Novus en Kiwi concluderen tot afwijzing van de verzoeken van [X] .

3.4.

Bij wijze van tegenverzoek verzoekt Novus afgifte van gereedschappen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-. Daarnaast verzoekt Novus veroordeling van [X] tot betaling van een schadevergoeding van € 8.228,22, omdat [X] onder werktijd bij derden zou hebben gewerkt (en dus niet voor werkgever Novus). Kiwi verzoekt veroordeling van [X] tot betaling van € 199,36 in verband met – kort samengevat – het door [X] op kosten van Kiwi aanschaffen van materialen ten behoeve van een verbouwing elders (Café [naam 1] ).

3.5.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

van het verzoek

4.1.

[X] heeft zijn verzoek tijdig ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop het ontslag op staande voet is gegeven.

4.2.

[X] heeft zijn verzoeken mede gericht tegen Kiwi, omdat hij, althans zijn gemachtigde, veronderstelde dat Kiwi – naast Novus – ook zijn werkgever is. Nadat de gemachtigde van Novus en Kiwi ter zitting opmerkte dat dit niet het geval is, heeft [X] zijn verzoeken beperkt tot Novus. [X] heeft desgevraagd de kantonrechter geantwoord dat de verzoeken jegens Kiwi desondanks niet worden ingetrokken. Dit betekent dat de kantonrechter de verzoeken (en tegenverzoeken) in hun volle omvang zal beoordelen.

Het ontslag op staande voet

4.3.

Ter beantwoording ligt allereerst de vraag voor of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.

Ontslag onverwijld gegeven?

4.4.

[X] heeft bestreden dat het ontslag onverwijld is gegeven, omdat – naar de kantonrechter begrijpt – hij zich op het standpunt stelt dat Novus het ontslag op staande voet reeds op de dag van de aangeboden vaststellingsovereenkomst (zijnde 31 maart 2020) had kunnen geven. Op 16 april 2020 waren de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd al lang en breed bij Novus bekend. Het ontslag op staande voet is als gevolg daarvan niet onverwijld gegeven, aldus [X] .

4.5.

In reactie hierop heeft Novus aangevoerd dat zij de brief van 10 april 2020, waarmee [X] de toen gesloten vaststellingsovereenkomst heeft ontbonden, in verband met de paasdagen pas op 14 april 2020 heeft ontvangen. De ontbinding was voor Novus reden om op 16 april 2020 nader c.q. aanvullend onderzoek te doen en in de rittenadministratie 2019 van [X] te duiken. Dit blijkt ook uit de datum van het aanmaken van de rittenadministratie (producties 7 en 8). Volgens Novus is uit dat onderzoek gebleken dat Ebrink niet enkel in 2020 maar ook in 2019 onder en buiten werktijd voor derden heeft gewerkt. Na ingewonnen juridisch advies heeft Novus uiteindelijk [X] op basis van deze nieuwe bevindingen op 16 april 2020 op staande voet ontslagen.

4.6.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het woord "onverwijld" geeft enige ruimte na het ontdekken van de dringende reden voordat tot ontslag moet worden overgegaan. Op voorwaarde dat voortvarend wordt gehandeld, is er bijvoorbeeld gelegenheid voor onderzoek en het inwinnen van juridisch advies. In dit geval heeft Novus het ontslag gebaseerd op haar bevindingen uit het onderzoek dat zij op 16 april 2020 heeft verricht. Daarnaast heeft Novus juridisch advies ingewonnen. Novus heeft vervolgens na afronding van het onderzoek en na het inwinnen van juridisch advies, [X] nog op dezelfde dag ontslagen. [X] heeft deze door Novus geschetste gang van zaken niet bestreden, zodat daarvan wordt uitgegaan. Novus heeft gelet op die omstandigheden voldoende voortvarend gehandeld zodat het ontslag onverwijld is gegeven. Daarbij komt dat [X] niet, althans niet voldoende gemotiveerd, heeft gesteld dat Novus al op of omstreeks 31 maart 2020 bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de bevindingen uit het nadere op 16 april 2020 begonnen onderzoek.

Onverwijlde mededeling van de dringende reden?

4.7.

Volgens [X] is de dringende reden voor het ontslag niet onverwijld aan hem medegedeeld. De reden voor het ontslag is in de loop van de tijd namelijk steeds verder uitgebreid. Pas in het verweerschrift wordt voor het eerst duidelijk welke feiten Novus ten grondslag legt aan het ontslag op staande voet, aldus [X] .

4.8.

Novus heeft de stellingen van [X] gemotiveerd weersproken.

4.9.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het vereiste dat de dringende reden ‘onverwijld wordt medegedeeld’ strekt ertoe te waarborgen dat het voor de wederpartij ( [X] ) onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander (Novus) hebben gebracht tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. In dit geval heeft Novus in de brief van 16 april 2020 – de ontslagbrief – in heldere bewoordingen aan [X] medegedeeld welke dringende reden aan het ontslag ten grondslag ligt. De brief verwijst naar een aantal specifieke adreslocaties waar [X] onder werktijd “werkzaam c.q. aanwezig” zou zijn geweest. Volgens Novus werkte [X] ook buiten werktijd voor derden, nadat hij op eigen verzoek eerder naar huis mocht vanwege gezondheidsredenen. De tekst van voormelde brief is in duidelijke bewoordingen opgeschreven en is niet voor meerdere interpretaties vatbaar. De stelling van de gemachtigde van [X] dat “de dringende reden volstrekt onduidelijk is geformuleerd en cliënt geen idee heeft waarop u [Novus, toevoeging kantonrechter] doelt” (productie 8), is in dat licht dan ook onnavolgbaar. Bovendien is, anders dan [X] stelt, de reden voor het ontslag nadien niet uitgebreid. Nu [X] de ontvangst van de brief niet heeft betwist, concludeert de kantonrechter dat sprake is van een onverwijlde mededeling van de dringende reden.

Dringende reden voor het ontslag op staande voet?

4.10.

Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [X] , die ten gevolge hebben dat van Novus redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen Novus als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop [X] deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van [X] , zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.

4.11.

De dringende reden die is medegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 16 april 2020 de volgende:


De rittenadministratie over 2019 toont dat u in 2019 in ieder geval op vier verschillende adressen werkzaam bent geweest, terwijl u óf voor ons aan het werk moest zijn, dan wel in verband met uw gezondheidssituatie eerder van ons werk (met onze toestemming) was vertrokken. U heeft voorgewend dat u als gevolg van gezondheidsklachten verminderd inzetbaar zou zijn. Vanzelfsprekend wisten wij niet dat u vervolgens elders aan het werk zou gaan. Hadden wij dat wel geweten, dan hadden wij u daar uiteraard nooit toestemming voor gegeven.

Uit de rittenadministratie blijkt dat u onder werktijd, dan wel nadat u wegens uw gezondheid eerder naar huis mocht, werkzaam c.q. aanwezig bent geweest aan [adres 1] te Kampen (17x), aan de [adres 2] te Kampen (75x), aan [adres 3] te Kampen (62x) en aan [adres 4] te Kampen (44x).

4.12.

Novus heeft ter onderbouwing van de gestelde dringende reden de rittenadministratie 2019 van [X] overgelegd (productie 8). In reactie hierop heeft [X] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij op de bewuste dagen en tijdstippen op de betreffende adressen is geweest. De aanwezigheid van [X] op die adressen, zowel onder als na werktijd, staat daarmee vast.

4.13.

Niet in geschil is daarnaast dat er op de betreffende vier adressen klusprojecten liepen op de dagen waarop [X] daar aanwezig was. [X] heeft tijdens de mondelinge behandeling echter verklaard dat hij enkel buiten werktijd en op beperkte schaal werkzaamheden heeft verricht op die vier adressen. Onder werktijd was [X] daar slechts om met vrienden te spreken en/of om koffie te drinken. [X] verwijst onder meer naar de verklaring van [Y] en [Z] . In de verklaring van [Z] valt onder meer te lezen dat [X] in het pand aan [adres 3] “nagenoeg” geen (betaalde) werkzaamheden heeft verricht.

4.14.

Novus heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de hand van de rittenadministratie een aantal voorbeelden gegeven van de reisbewegingen van [X] . Op 2 januari 2019 was [X] aanwezig op [adres 1] en is hij tussendoor naar de Handelsstraat 8 te Kampen gereden, alwaar een ijzerhandelaar is gevestigd. Op 3 januari 2019 was [X] ook aanwezig op [adres 1] en is hij tussendoor naar de Ertsstraat 11 in Kampen gereden, alwaar een leverancier van bouwmaterialen is gevestigd. Op 11 juni 2019 verliet [X] een project van Novus vroegtijdig om zich vervolgens naar [adres 2] te begeven, waarbij hij tussendoor naar de Ambachtstraat 1 in Kampen reed, alwaar een bouwmarkt van Karwei is gevestigd. Volgens [X] blijkt uit deze voorbeelden dat [X] wel degelijk onder werktijd bij derden werkzaamheden heeft verricht. [X] heeft deze voorbeelden niet weersproken.

4.15.

De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [X] onder werktijd en op momenten dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie eerder van het werk was vertrokken, langdurig en structureel aanwezig is geweest op de vier adressen zoals genoemd in de ontslagbrief (r.o. 4.11 en 4.12). Evenmin is in geschil dat op die adressen klusprojecten liepen en dat [X] in dat kader werkzaamheden heeft verricht (r.o. 4.13). Wel is tussen partijen in geschil of die werkzaamheden (ook) – kort gezegd – onder werktijd hebben plaatsgevonden. De kantonrechter is van oordeel dat [X] , gelet op de uitvoerige toelichting van Novus (r.o. 4.14), niet kon volstaan met de stelling dat Novus niet kan “bewijzen” dat [X] onder werktijd werkzaamheden elders heeft verricht. Voor zover [X] verlangt dat Novus met foto’s (of ander beeldmateriaal) ‘aantoont’ dat [X] onder werktijd op die adressen aan het klussen was, dan miskent [X] dat hij de stellingen van Novus voldoende gemotiveerd dient te weerspreken. [X] kan, gelet op de uitvoerige en gedetailleerde toelichting van Novus, in dat verband niet volstaan met de stelling dat hij – bijvoorbeeld – in een periode van circa een jaar 75x aan [adres 2] is geweest om daar enkel en alleen koffie te drinken of om gesprekken te voeren. De kantonrechter acht die stelling (en soortgelijke stellingen wat betreft de andere adressen), zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ongeloofwaardig nu [X] zelf heeft verklaard dat hij op die adressen werkzaamheden heeft verricht. Daarbij komt dat [X] niet heeft weersproken dat [A] hem op 25 maart 2019 heeft gebeld en [A] in dat gesprek heeft aangegeven dat hij het niet goed vond dat [X] werkzaamheden zou (blijven) verrichten op [adres 4] te Kampen ( [naam 2] ). Uit de rittenadministratie blijkt evenwel dat [X] nadien nog veelvuldig op dat adres aanwezig is geweest en die aanwezigheid was niet slechts beperkt tot de weekenden.

4.16.

Gelet op het voorgaande gaat de kantonrechter uit van de door Novus gestelde gang van zaken. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van voornoemde feiten en omstandigheden voldoende grond op voor een ontslag op staande voet. Anders dan door [X] wordt aangevoerd, is het ontslag op staande voet niet disproportioneel. Het niet nader onderbouwde beroep van [X] op “persoonlijke omstandigheden” doet daarnaast aan het voorgaande niet af. De kantonrechter acht het handelen van [X] namelijk zodanig ernstig dat Novus, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid kon beslissen dat van haar niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [X] te laten voortduren. Daarbij wijst de kantonrechter ook op de (door [X] niet betwiste) vertraging bij diverse projecten van Novus; de bedrijfsvoering van Novus werd door de afwezigheid van [X] derhalve belemmerd. Novus heeft de arbeidsovereenkomst met [X] op 16 april 2020 dan ook om een dringende reden onverwijld mogen opzeggen.

4.17.

De conclusie is derhalve dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

Gevolg voor de verzoeken

4.18.

Het voorgaande leidt ertoe dat de door [X] verzochte verklaring voor recht en de door hem verzochte doorbetaling van het loon worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het verzoek van [X] om toekenning van een billijke vergoeding en de door hem verzochte vergoeding in verband met de onregelmatige opzegging.

4.19.

[X] heeft verder verzocht om Novus te veroordelen een transitievergoeding te betalen op grond van artikel 7:673 BW. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en het verzoek van [X] zal worden afgewezen.

4.20.

[X] heeft wel recht op salaris tot aan het moment van het gegeven ontslag op staande voet. Uit de stellingen van partijen begrijpt de kantonrechter dat Novus het salaris over april 2020, derhalve van 1 april tot en met 15 april 2020, niet aan [X] heeft betaald. Novus heeft op dit punt, waaronder begrepen de hiervoor vermelde termijn, geen gemotiveerd verweer gevoerd. Novus doet wel een beroep op verrekening, maar de onderbouwing daarvan acht de kantonrechter onvoldoende. Novus zal daarom worden veroordeeld om het salaris over voormelde periode alsnog te betalen.

van het incident ex artikel 223 Rv

4.21.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het verzoek van [X] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding.

van het tegenverzoek

ten aanzien van Novus

4.22.

Novus verzoekt afgifte van gereedschappen die zij in het kader van de vaststellingsovereenkomst aan [X] heeft meegegeven (productie 22), behoudens een aantal specifiek benoemde gereedschappen (o.a. een decoupeerzaag). [X] heeft de vaststellingsovereenkomst namelijk ontbonden, als gevolg waarvan [X] de gereedschappen moet teruggeven, aldus Novus.

4.23.

Hiertegen heeft [X] aangevoerd dat de gereedschappen na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst zijn eigendom zijn geworden. De kantonrechter volgt [X] hierin niet. De ontbinding van de vaststellingsovereenkomst leidt tot een ongedaanmakingsverplichting. Concreet betekent dit dat [X] het gereedschap, zoals nader geformuleerd in het petitum, aan Novus dient terug te geven. Uit niets blijkt dat Novus definitief afstand heeft gedaan van de gereedschappen. [X] zal tot de afgifte van de gereedschappen worden veroordeeld, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom, op de hierna te melden wijze, zal worden gematigd en gemaximeerd. [X] heeft geen verweer gevoerd tegen de termijn van 48 uur.

4.24.

Novus heeft verder verzocht om [X] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 8.228,22. Dit bedrag houdt verband met de werkuren die [X] voor Novus had kunnen werken, als hij niet onder werktijd voor derden had gewerkt. Bij gebreke van een nadere onderbouwing zal de kantonrechter dit deel van het tegenverzoek afwijzen. Novus heeft weliswaar een aan [X] gerichte e-mail overgelegd met daarin een kostenspecificatie, maar de daarin genoemde bedragen zijn zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te herleiden tot het verzochte bedrag. Zowel (de achtergrond van) het aantal uren ongeoorloofd verzuim als het gehanteerde uurtarief worden niet nader toegelicht. Bovendien is niet uitgesloten dat Novus wellicht binnen het bestaande team een vervanger voor [X] heeft geregeld, die het werk van [X] tijdens diens afwezigheid heeft overgenomen, en in hoeverre haar dit op kosten is komen te staan. Of Novus mogelijk schade heeft geleden als gevolg van het handelen van [X] kan dus niet worden vastgesteld. Dit verzoek wordt dus afgewezen; aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

ten aanzien van Kiwi

4.25.

Kiwi verzoekt veroordeling van [X] tot betaling van € 199,36 aan schade. Volgens Kiwi heeft [X] op kosten van Kiwi materialen besteld ten behoeve van derden die niet aan Kiwi zijn gelieerd. Kiwi heeft haar verzoek onderbouwd door overlegging van facturen (productie 18). [X] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Bovendien heeft [X] niet weersproken dat hij werkzaamheden heeft verricht bij Café [naam 1] . De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van Kiwi. Dit betekent dat [X] gehouden is het verzochte bedrag aan Kiwi te betalen. Het verzoek van Kiwi is dus toewijsbaar.

van het verzoek, het incident en het tegenverzoek

4.26.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

op het incident ex artikel 223 Rv

5.1.

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

op het verzoek

5.2.

veroordeelt Novus tot betaling aan [X] van het salaris over de periode van 1 april 2020 tot en met 15 april 2020;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af;

op het tegenverzoek

ten aanzien van Novus
5.4. veroordeelt [X] om binnen 48 uur na betekening van deze beschikking over te gaan tot afgifte aan Novus van het gereedschap, zoals opgenomen in de lijst die als productie 22 van het tegenverzoek is overgelegd, behoudens één decoupeerzaag, één boorschroefmachine en één slagschroevendraaier en een mobiele telefoon, op straffe van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [X] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,-;

ten aanzien van Kiwi

5.5.

veroordeelt [X] tot betaling aan Kiwi van € 199,36;

op het incident, verzoek en het tegenverzoek

5.6.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. R.G.J. Gehring, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.