Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2947

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
252597 KG ZA 20-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vennoten exploiteren voor gezamenlijke rekening en risico een zorgonderneming. Vennoten raken gebrouilleerd. Onttrekking gelden aan vermogen van de onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2020/74
OR-Updates.nl 2020-0373
JONDR 2020/1074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : 252597 KG ZA 20-171

Vonnis in kort geding van 3 september 2020

in de zaak van

de vennootschap onder firma

Thuiszorg Longlife,

gevestigd te Hengelo,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Longlife,

advocaat: mr. S. Erkel te Enschede,

tegen

[X] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

hierna te noemen: [X] ,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Almelo.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het exploot van dagvaarding van 7 augustus 2020, met producties;

 de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

 de zijdens Longlife ingezonden pleitnotities en aanvullende pleitnotities, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling vond plaats op 17 augustus 2020 via een Skype-verbinding. Aan die behandeling werd deelgenomen door enerzijds mevrouw [A] , vennoot van Longlife (hierna: [A] ), bijgestaan door mr. Erkel en anderzijds namens [X] mr. Mercanoğlu. Ook aanwezig was de heer [B] , echtgenoot van gedaagde. Partijen hebben hun standpunt mondeling nader toegelicht. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden opdat partijen met elkaar in overleg kunnen treden over een minnelijke regeling. Bij e-mailbericht van 20 augustus 2020 heeft mr. Mercanoğlu aan de rechtbank bericht dat partijen niet tot een vergelijk zijn gekomen. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

Tussen [A] en [X] heeft een lange vriendschappelijke relatie bestaan.

Zij zijn sinds hun vroege jeugd bevriend met elkaar geweest.

2.2.

Op 22 januari 2010 hebben [A] en [X] de onderneming Longlife, een vennootschap onder firma waarvan de vennoten - [A] en [X] - ieder onbeperkt bevoegd zijn, ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

2.3.

De vennootschap is gevestigd in een pand aan de Oude Boekeloseweg te Hengelo. Binnen Longlife exploiteren de vennoten voor gezamenlijke rekening en risico een zorgonderneming. Aan zorgbehoevende cliënten wordt in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) zorg verleend.

2.4.

[A] en [X] hebben geen schriftelijke vennootschapsovereenkomst ondertekend en vastgelegd.

2.5.

[A] is gehuwd met de heer [C] en [X] is gehuwd met de heer [B] . In de praktijk werden beslissingen binnen Longlife genomen door de beide voornoemde echtgenoten. De dagelijkse leiding binnen Longlife was in handen van haar voormalig directeur, de heer [D] , zwager van [A] .

2.5.

[A] en [X] zijn gebrouilleerd geraakt. In december 2018 hebben zij een gesprek gevoerd ten kantore van mr. Mercanoğlu, in aanwezigheid van hun echtgenoten en de heer [D] . Onderwerp van gesprek was de ontbinding van de vennootschap en de wens van [A] en [X] om hun samenwerking te beëindigen per 1 januari 2019.

Van dat gesprek is geen verslag opgesteld.

2.7.

Daarna, in 2019, is geen verdere uitvoering gegeven aan de plannen om de samenwerking te beëindigen en heeft Longlife haar activiteiten voortgezet.

2.8.

Op 13 januari 2020 zond mr. Mercanoğlu namens [X] een aangetekende brief aan [A] , waarin, kort gezegd, wordt medegedeeld dat [X] wenst te stoppen met de samenwerking binnen de vennootschap Longlife.

In die brief wordt [A] voorts uitgenodigd om op gesprek te komen teneinde de beëindiging van de samenwerking schriftelijk vast te leggen.

2.9.

Vervolgens zijn door [X] over de periode 4 maart tot en met 5 augustus 2020 enkele bedragen afgeboekt/onttrokken van de bankrekening van Longlife naar haar eigen privébankrekening resp. de bankrekening van mr. Mercanoğlu.

2.10.

In totaal heeft [X] naar de rekening mr. Mercanoğlu een bedrag van

€ 5.500,00 en naar haar eigen privérekening een bedrag van € 23.200,00 overgeboekt.

2.11.

Eerder, op 29 april 2020, zond mr. Mercanoğlu in opdracht van [X] een brief aan een viertal relaties van Longlife, te weten de gemeente Hengelo, de gemeente Enschede, Zorgkantoor Twente en Menzis. In die brief wordt, kort gezegd, het advies gegeven om betalingen aan Longlife te bevriezen.

2.12.

Op 29 april 2020 heeft [X] de directeur van Longlife, de heer [D] , op staande voet ontslagen.

2.13.

Bij brief van 6 juli 2020 heeft de advocaat van [A] [X] gesommeerd de opgenomen/onttrokken bedragen terug te storten op de rekening van Longlife.

Daaraan is geen gehoor gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Longlife vordert bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I primair:

  1. [X] te veroordelen om bij wijze van voorschot een bedrag van € 28.700,00 aan Longlife te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van de onttrekkingen tot de dag van algehele voldoening;

  2. [X] te verbieden opnieuw bedragen te onttrekken van Longlife op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van dit verbod;

  3. [X] te verbieden aan derden uitlatingen te doen met betrekking tot Longlife zonder schriftelijke instemming van [A] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van dit verbod en € 1.000,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt;

II subsidiair een in goede justitie te nemen beslissing;

III primair en subsidiair: [X] te veroordelen in de proceskosten, nakosten daaronder begrepen, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Samengevat weergegeven is daartoe het navolgende aangevoerd.

[X] heeft, zonder recht of titel, bedragen onttrokken aan de vennootschapsrekening van Longlife. Het gaat om een totaalbedrag van € 28.700,00. [X] heeft dat geld aangewend voor privédoeleinden (€ 23.200,00 is overgeboekt naar haar eigen privérekening en € 5.500,00 naar de rekening van haar advocaat, mr. Mercanoğlu).

Noch voor de overboeking naar de privérekening van [X] noch voor de overboeking naar de rekening van de advocaat bestond een rechtsgrond. Voor zover mr. Mercanoğlu diensten heeft verleend, is dat gebeurd in opdracht van [X] en ontbreekt daartoe een opdracht van de vennootschap.

Nu die betalingen zonder rechtsgrond zijn verricht, zijn deze door Longlife onverschuldigd betaald en vordert zij op die grondslag terugbetaling van de bedragen. Subsidiair is sprake van ongerechtvaardigde verrijking dan wel van onrechtmatig handelen.

Daarnaast vordert Longlife een tweetal verboden. Om het risico op nieuwe onrechtmatige onttrekkingen of het uitblijven van betaling van vorderingen te verkleinen, zijn een verbod daarop vereist, een en ander als door Longlife bij dagvaarding is gevorderd.

Longlife betoogt voorts dat zij een spoedeisend belang bij de onderhavige voorlopige voorziening heeft. Zij voert aan dat, doordat er betalingen zijn onttrokken, de vrees bestaat dat bij Longlife verdere liquiditeitsproblemen zullen ontstaan.

De financiële situatie van de vennootschap is reeds penibel. Naar schatting heeft zij een schuldenlast van circa € 82.000,00. [A] was zelfs genoodzaakt eigen geld bij te storten zodat Longlife aan bepaalde financiële verplichtingen kon voldoen. Het spoedeisende belang is erin gelegen dat de onttrokken bedragen zo spoedig mogelijk worden terugbetaald, zodat zij aan haar verplichtingen kan voldoen en crediteuren kan betalen.

3.3.1.

[X] heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat (kort gezegd) strekt tot afwijzing van de vorderingen. Samengevat weergegeven voert zij het navolgende aan.

3.3.2.

Op zichzelf genomen is juist de stelling van [A] dat [X] de betreffende bedragen -waar het in conventie om gaat- heeft onttrokken aan de vennootschapsrekening. Als medevennoot is [X] volledig bevoegd om gelden aan de onderneming te onttrekken. Dat geldt ook voor de betalingen waar het in deze zaak om gaat, te meer nu [A] niet meer heeft gereageerd op verzoeken van [X] om in overleg te treden over de beëindiging van de samenwerking en de ontbinding van de vennootschap.

[X] meent dat de door haar gedane overboekingen naar haar privérekening een vorm van compensatie of vergoeding zijn. De achtergrond daarvan is gelegen in twee omstandigheden. Allereerst heeft [X] geconstateerd dat, buiten haar instemming/medeweten, een bedrag van € 23.037,00 is overgemaakt door [A] aan een werkneemster van de vennootschap, mevrouw [E] (verloofde van de voormalig directeur van Longlife, [D] ). [X] had ook geen wetenschap van een dienstverband met mevrouw [E] .

Tijdens een gesprek dat tussen de vennoten heeft plaatsgevonden, in aanwezigheid van de vader van de broers [A] , is de afspraak gemaakt dat [X] een bedrag van € 25.000,00 zou ontvangen als zij uit de onderneming zou stappen. Daarmee zou ook het door [A] betaalde bedrag van € 23.037,00 aan mevrouw [E] zijn gecompenseerd. [X] meent dat zij daarmee gegronde redenen had om de privéoverboekingen te doen.

[X] betoogt verder dat voor wat betreft de betalingen aan de advocaat, zijnde het totaalbedrag van € 5.500,00, daar wel degelijk een grondslag voor bestond, nu een opdracht was verstrekt aan die advocaat en er op basis daarvan ook werkzaamheden zijn verricht, waarvoor een vergoeding is betaald (vanaf de vennootschapsrekening van Longlife).

3.3.3.

In reconventie heeft [X] op haar beurt de stelling betrokken dat zij, op basis van haar eigen onderzoek, de conclusie heeft getrokken dat sprake is van financieel wanbeheer door [A] . Er zijn diverse bedragen betaald en/of opgenomen door [A] (met de bankpas van Longlife waarover zijn beschikte).

[X] vordert terugbetaling van die bedragen. Het gaat om het volgende:

  1. [A] heeft een bedrag van 35.092,30 bij wijze van ‘nabetaling’ aan [D] betaald. Daarvoor is geen grondslag;

  2. [A] heeft een groot aantal pinopnames gedaan met een bankpas die op naam staat van Longlife, in totaal ten bedrage van € 60.335,00;

  3. [A] heeft een totaalbedrag van € 23,037,00 betaald aan mevrouw [E] ;

  4. [A] heeft een totaalbedrag van € 1.418,26 aan CJIB-boetes (verkeersboetes) betaald vanaf de rekening van Longlife.

[X] heeft om bovengenoemde redenen in reconventie terugbetaling van alle voornoemde bedragen gevorderd alsmede enkele nevenvorderingen. Blijkens het petitum van haar conclusie van eis in reconventie vordert zij meer bepaald, bij vonnis zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

  1. [A] te schorsen in de bevoegdheid om als vennoot in de tussen partijen bestaande vennootschap rechten of plichten aan te gaan voor en namens de vennootschap;

  2. [A] te gebieden om zich te onthouden (direct en indirect) van enige gedraging waarbij de schijn wordt gewekt dat [A] nog bevoegd is om als vennoot van de vennootschap tussen partijen rechten of plichten aan te gaan;

  3. [A] te veroordelen het pand van Longlife aan de Oude Boekeloseweg te Hengelo te verlaten en ter vrije beschikking van [X] te stellen onder afgifte van de sleutels en op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  4. [A] te veroordelen tot betaling aan Longlife van € 1.418,26 ter zake CJIB-boetes;

  5. [A] te veroordelen tot betaling aan Longlife van € 23.037,00 ter vergoeding van de bedragen die aan [E] zijn betaald;

  6. [A] te veroordelen tot betaling aan Longlife van € 60.335,00 ter zake pinopnames;

  7. [A] te veroordelen tot betaling aan Longlife van € 35.092,30 ter vergoeding van de bedragen die aan [D] zijn betaald;

  8. [A] te veroordelen in de proceskosten.

Subsidiair:

  1. [A] te veroordelen om met [X] overleg te voeren over de bedrijfsactiviteiten totdat de vennootschap rechtsgeldig zal zijn beëindigd, alsmede [A] te veroordelen door te onderhandelen omtrent een beëindiging van de vennootschap, zodanig dat [A] in de ruimste zin des woords mee zal werken aan overleg en onderhandelingen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. [A] te veroordelen tot het gehengen en gedogen van het eventueel aanbrengen van wijzigingen door [X] in de bedrijfsvoering van de vennootschap, inclusief het overgaan tot het staken van de ondernemingsactiviteiten, alles in de ruimste zin des woords, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  3. [A] te veroordelen om kopieën te verstrekken van, althans inzicht te geven in, alle documentatie en overeenkomsten en de boekhouding in de periode vanaf 2015, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  4. [A] te veroordelen in de proceskosten.

3.3.4.

Op haar beurt heeft Longlife in reconventie verweer gevoerd en daarbij, kort gezegd, geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

Zij heeft daarbij de stelling betrokken, kort gezegd, dat alle vorderingen in reconventie zijn gericht tegen [A] in privé. Zij is evenwel geen partij in deze procedure. Procespartijen zijn de vennootschap onder firma Longlife en [X] . Maar ook als wel aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen wordt toegekomen, liggen deze voor afwijzing gereed nu een deugdelijke onderbouwing daarvan ontbreekt.

3.4.

Op hetgeen door partijen overigens is aangevoerd wordt hierna, voor zover van belang en indien daaraan wordt toegekomen, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie:

Spoedeisend belang

4.1.

Door Longlife is voldoende onderbouw gesteld dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering.

Spoedeisendheid / toewijsbaarheid geldvordering

4.2.

Vooropgesteld wordt dat - voor zover de vorderingen van Longlife geldvorderingen betreffen - ingevolge vaste jurisprudentie ten aanzien daarvan in kort geding terughoudendheid geboden is. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten en/of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.

4.2.1.

Het navolgende wordt overwogen.

Longlife vordert terugbetaling van enkele bedragen door [X] waarbij zij de stelling heeft betrokken (primair) dat de onttrekkingen door [X] een rechtsgrond ontberen en dat daarmee sprake is van onverschuldigde betaling.

4.2.2.

Daartegen is door [X] verweer gevoerd. Zij betoogt, kort gezegd, dat er redenen ten grondslag lagen aan de overboekingen en dat zij, als medevennoot van Longlife, bovendien ook volledig bevoegd is om betalingen of overboekingen te doen.

4.2.3.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt wordt vooropgesteld dat, zolang een vennootschap niet is ontbonden en vereffend, tussen de vennoten een (goederen)gemeenschap bestaat. Binnen die gemeenschap zijn zij inderdaad, zoals door [X] is aangevoerd, als vennoten volledig bevoegd om handelingen te verrichten, zoals bijvoorbeeld het doen van een betaling vanaf de vennootschapsrekening.

Evenwel, naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vraag of [X] bevoegd was de betreffende overboekingen naar haar privérekening resp. naar de rekening van haar advocaat te doen, niet doorslaggevend. De bevoegdheid daartoe ontleent zij inderdaad aan de tussen haar en [A] bestaande vennootschapsrechtelijke structuur.

Die bevoegdheidskwestie is niet relevant voor de beoordeling van de vraag of een rechtsgrond voor de overboeking/betaling bestaat. Longlife heeft haar vordering namelijk gegrond op de stelling dat de betreffende overboeking een rechtsgrond ontbeert, als gevolg waarvan sprake is geweest van onverschuldigde betaling. Zij beroept zich, zo begrijpt althans de voorzieningenrechter, op het bepaalde in art. 6:203 BW.

De vraag die derhalve voorligt is of [X] heeft aangetoond dat voor de overboekingen wel een (wettelijke of contractuele) rechtsgrond bestond. Daarin is zij niet geslaagd.

De door haar aangevoerde reden voor de overboeking van in totaal € 23.200,00 (naar eigen zeggen een compensatie of vergoeding, dan wel een afspraak die zou zijn gemaakt) is door Longlife gemotiveerd weersproken en bovendien door [X] ook niet met stukken onderbouwd. Van een rechtsgrond daarvoor is met andere woorden niet gebleken.

Dat zij in haar optiek daarvoor redenen stelt te hebben gehad is in ieder geval onvoldoende om te kunnen kwalificeren als een rechtsgrond.

4.2.5.

Datzelfde geldt voor de betaling van in totaal € 5.500,00 aan mr. Mercanoğlu.

Uit niets blijkt dat, zoals door [X] ten verwere is betoogd, de werkzaamheden van mr. Mercanoğlu waarvoor hij de betreffende vergoeding heeft ontvangen, zijn verricht in opdracht en voor rekening van Longlife. Een schriftelijke opdrachtbevestiging ontbreekt in ieder geval, zodat het ervoor moet worden gehouden dat daarvan geen sprake is.

4.2.6.

Resumerend leidt het vorenstaande de voorzieningenrechter voorshands tot het oordeel dat, nu Longlife terecht heeft aangevoerd dat sprake is van onverschuldigde betaling, de vordering van Longlife tot betaling van voldoende aannemelijk is geworden om in kort geding te worden toegewezen, zodat het gevorderde bedrag van € 28.700,00 voor toewijzing gereed ligt. [X] is aldus gehouden de bedragen terug te betalen.

Zij zal hierna worden veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag van € 28.700,00.

4.2.7.

Ook de daarover gevorderde wettelijke rente ligt, als op de wet gegrond en verder niet weersproken, voor toewijzing gereed, gerekend vanaf de respectieve data van de onttrekkingen tot de dag van algehele voldoening.

Spoedeisendheid / toewijsbaarheid verboden

4.3.1.

Dan wordt toegekomen aan de twee verboden die Longlife heeft gevorderd.

4.3.2.

Het onder 1 sub b in het petitum gevorderde verbod, inhoudende een verbod om opnieuw bedragen te onttrekken, wordt afgewezen. In dat verband wordt overwogen dat voor een dergelijk algemeen verbod in het kader van de onderhavige kort gedingprocedure door Longlife onvoldoende is onderbouwd dat en welk spoedeisend belang zij daarbij heeft.

Een voorziening in kort geding kan slechts dan worden gegeven als:

  1. het belang van de eiser bij toewijzing van zijn vordering zodanig spoedeisend is dat van hem niet kan worden gevergd de afloop van de bodemprocedure af te wachten én

  2. het zodanig aannemelijk is dat de (vrijwel) gelijkluidende vordering van de eiser in een bodemprocedure zal worden toegewezen, dat daarop redelijkerwijs met het treffen van een voorlopige voorziening vooruit kan worden gelopen.

Die toets kan de onderhavige vordering van Longlife niet doorstaan, nu zij in dat verband onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd.

4.3.3.

Dat ligt anders voor wat betreft het onder 1 sub c in het petitum gevorderde verbod, inhoudende een verbod tot het doen van uitlatingen met betrekking tot Longlife.

In dat kader heeft Longlife naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dát en welk spoedeisend belang zij bij dat verbod heeft.

Meer bepaald betreft dat de penibele financiële situatie van Longlife, als gevolg waarvan verder uitlatingen aan derden door [X] moeten worden verboden, teneinde ook de verder oplopende financiële schade te voorkomen of te beperken. Het gevorderde verbod zal hierna worden toegewezen.

4.3.4.

Ook de daarover gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zijnde een prikkel tot nakomen van het voornoemde verbod. De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding de gevorderde dwangsom te matigen en te maximeren, een en ander als hierna in het dictum is bepaald.

in reconventie:

4.4.1.

Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering in reconventie kan worden toegekomen, zal moeten worden beoordeeld of het juridisch mogelijk is dat de vorderingen in reconventie allen (zowel primair en subsidiair) zijn ingesteld tegen [A] en niet tegen de, thans nog immer bestaande, vennootschap onder firma Longlife, die tevens de eisende partij in deze procedure is.

4.4.2.

De wet gaat uit van het beginsel dat een eenmaal tussen bepaalde partijen aangevangen rechtsgeding tussen dezelfde partijen moet worden voortgezet, ook in volgende instanties (HR 17 maart 1961, NJ 1961/310). Dit geldt ook voor een situatie als de onderhavige waarin de eis is ingesteld door een vennootschap onder firma.

Dat uitgangspunt wordt versterkt doordat uit artikel 32 lid 1 Wetboek van Koophandel alsmede bestendige jurisprudentie voortvloeit dat na de ontbinding van een vennootschap onder firma de bijzondere rechtstoestand van het afgescheiden vermogen blijft voortbestaan voor zover dit voor de vereffening van de zaken van de vennootschap nodig is, waaronder de afwikkeling van lopende processen (HR 27 juni 1975, NJ 1976/128). Daarnaast geldt dat een tegen een vennootschap onder firma verkregen vonnis niet tegen de vennoten in privé kan worden geëxecuteerd doch uitsluitend op het vennootschappelijk vermogen. Redengevend hiervoor is dat de vennoten zich in een geding tegen de vennootschap niet kunnen bedienen van de verweermiddelen die hen persoonlijk betreffen (HR 9 mei 1969, NJ 1969/307).

In zijn arrest van 9 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251) heeft de Hoge Raad uitgesproken dat vorderingen op de VOF en op de vennoten als afzonderlijke (samenlopende) vorderingen moeten worden beschouwd, hetgeen bevestigt dat de VOF en de vennoten ook wat betreft een in te stellen vordering, niet vereenzelvigd kunnen worden.

4.4.3.

Nu vaststaat dat in casu uitsluitend de vennootschap -Longlife- als eisende partij in conventie optrad -en niet ook de vennoten in privé als eisers optraden-, kan [X] , geen vordering in reconventie instellen tegen [A] althans niet op de wijze zoals zij voorstaat en door haar is geformuleerd in de eis in reconventie.

Hetgeen namens [X] in dit verband overigens nog is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.4.4.

Dit betekent dat [X] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen in reconventie.

Proceskosten in conventie en in reconventie

4.5.

[X] zal tot slot als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in conventie als in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente over die kosten.

De kosten aan de zijde van Longlife worden begroot op:

- dagvaarding: € 83,38

- griffierecht: € 2.042,00

- salaris advocaat: € 980,00

Totaal: € 3.105,38

4.6.

Ook de apart gevorderde nakosten worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, een en ander als hierna in het dictum is bepaald.

5 De beslissing in kort geding

de voorzieningenrechter

in conventie:

- veroordeelt [X] tot betaling aan Longlife van € 28.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de respectieve data van de onttrekkingen tot de dag van algehele voldoening;

- verbiedt [X] aan derden uitlatingen te doen met betrekking tot de vennootschap onder firma Longlife zonder schriftelijke instemming van [A] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding van dat verbod en € 500,00 per dag dat die overtreding voortduurt, tot een maximum van

€ 25.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;

in reconventie:

- verklaart [X] niet ontvankelijk in haar vorderingen;

in conventie en in reconventie:

- veroordeelt [X] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Longlife begroot op € 3.105,38, vermeerderd met de wettelijke rente daarover gerekend vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [X] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [X] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente daarover gerekend vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis, tot de dag van algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis voor wat betreft de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg - van Ommeren, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2020.