Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2945

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
C/08/253020 / FA RK 20-2134
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wvggz. Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL


Team Familierecht en Jeugdrecht

Locatie: Zwolle

Zaak-/rekestnr.: C/08/253020 / FA RK 20-2134

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 31 augustus 2020 naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren [1998] ,

verblijvende bij RIBW, [adres] , [plaats] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. P.L.E.M. Krauth te Zwolle.

1 Procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

 de medische verklaring, d.d. 7 augustus 2020;

 het zorgplan, d.d. 12 augustus 2020;

 de zorgkaart, d.d. 12 augustus 2020;

 de bevindingen van de geneesheer-directeur, d.d. 3 februari 2020;

 een overzicht van eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ en de Wvggz;

 de relevante politiegegevens en/of strafvorderlijke en justitiële gegevens.

1.2

In verband met de getroffen Covid-19 maatregelingen heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden via Skype for Business op 31 augustus 2020.

1.3

Gelet op de kwetsbare positie van degenen op wie verzoeken als het onderhavige betrekking hebben, is voor de rechtbank uitgangspunt dat zij persoonlijk dienen te worden gehoord ter plaatse waar zij zich op dat moment bevinden. Ter beperking van het risico op besmetting met het covid-19-virus hebben echter zowel de Rechtspraak als psychiatrische instellingen en verpleeghuizen op basis van door de overheid uitgevaardigde regels tijdelijk maatregelen genomen die een dergelijke wijze van horen op dit moment verhinderen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank zich in dit geval genoodzaakt gezien degene op wie het verzoek betrekking heeft en de andere betrokkenen op bovengenoemde wijze te horen. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het tevens zwaarwegende belang van de gezondheid van alle betrokkenen bij de zitting en op het verloop daarvan, aldus op toereikende wijze invulling gegeven aan de hiervoor weergegeven hoorplicht. Onder 1.5 volgt nog een aanvulling hierop.

1.4

Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

 betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de taal Arabisch Syrisch-Libanees;

 [A] , GZ-psycholoog;

 [B] , forensisch verpleegkundige.

1.5

Vanwege het matige geluid van de telefonische verbinding op dat moment, via de telefoon van betrokkene, heeft de advocaat van betrokkene verzocht de mondelinge behandeling aan te houden. De advocaat heeft te kennen gegeven dat hij wel in staat was een Skypeverbinding tot stand te brengen maar dat hij van mening was dat, als de rechtbank kiest voor een behandeling via Skype, er ook voor betrokkene een Skypeverbinding moet worden geregeld. De advocaat heeft naar het oordeel van de rechtbank niet op overtuigende wijze duidelijk gemaakt waarom niet van zijn (telefonische) Skypeverbinding gebruik kon worden gemaakt. Daarbij komt dat er niet van tevoren aan de rechtbank en de psychiatrische instelling kenbaar was gemaakt dat er een principieel bezwaar lag tegen een Skypeverbinding via de advocaat, zodat bezien kon worden of aan dit bezwaar tegemoet kon worden gekomen. De rechtbank heeft daarom, na vast te stellen dat alle betrokken partijen elkaar konden verstaan, besloten de mondelinge behandeling voort te zetten – waarbij betrokkene en zijn raadsman telefonisch doch zonder beeld door de griffier waren toegevoegd aan de Skypezitting.

2 Beoordeling

2.1

Uit de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een psychotische stoornis, vermoedelijk in het kader van een schizofrenie ontwikkeling in combinatie met middelengebruik en mogelijk PTSS.

2.2

Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:

  • -

    ernstige psychische schade;

  • -

    ernstige immateriële schade;

  • -

    ernstige financiële schade;

  • -

    ernstige verwaarlozing;

  • -

    maatschappelijke teloorgang;

  • -

    ernstige verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander;

  • -

    de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

Betrokkene is van Syrische afkomst en heeft traumatische ervaringen in de oorlog meegemaakt. Nadat betrokkene naar Nederland is vertrokken lijkt er een knik in zijn ontwikkeling plaats te hebben gevonden. Betrokkene is begonnen met het gebruik van cannabis, isoleert zichzelf en werd toenemend achterdochtig, verward en agressief. Vanwege verschillende agressie- en overlastincidenten zijn er meerdere meldingen van het gedrag van betrokkene bij de politie gemaakt. Ook lijdt betrokkene aan hallucinaties en/of wanen. Wanneer betrokkene stopt met het nemen van zijn medicatie, is de kans reëel dat betrokkene terugvalt in een psychose.

2.3

Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.

2.4

Op dit moment gaat het beter met betrokkene. Hij heeft geen last meer van psychotische verschijnselen, krijgt een maandelijks depot en gebruikt geen drugs. De advocaat heeft daarom primair verzocht het verzoek af te wijzen. Gezien het ziektebeeld en het beperkte ziektebesef en ziekte-inzicht van betrokkene kan de bereidheid van betrokkene echter snel omslaan. Zo heeft betrokkene verklaard dat hij geen medicatie meer wil en dat hij geen zorg wil van Transfore. Daaruit is gebleken dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur en bestaan uit:

  • -

    toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid;

  • -

    opnemen in een accommodatie.

2.5

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

2.6

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.7

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz.

2.8

De advocaat van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling terecht opgemerkt dat de officier van justitie het verzoekschrift te laat heeft ingediend. Op grond van artikel 6:6 sub a van de Wvggz vervalt namelijk de lopende zorgmachtiging indien de officier van justitie niet uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur van een zorgmachtiging is verstreken een nieuw verzoekschrift voor een zorgmachtiging heeft ingediend. De vorige zorgmachtiging is op 25 augustus 2020 geëindigd. Dit brengt mee dat de officier van justitie een nieuw verzoekschrift uiterlijk 28 juli 2020 had moeten indienen. Dit is niet gebeurd. In tegenstelling tot het verweer van de advocaat is de rechtbank van oordeel dat dit niet tot gevolg heeft dat de machtiging voor maximaal zes maanden toegewezen kan worden in plaats van de verzochte periode van twaalf maanden. De rechtbank houdt wel rekening met de onzekerheid waarin betrokkene ten onrechte heeft moeten verkeren door de einddatum van deze machtiging te bepalen op twaalf maanden na de uiterlijke datum waarop de rechtbank op het verzoek had kunnen beslissen indien de officier van justitie op tijd was geweest met het indienen van het verzoekschrift. De uiterste beslistermijn voor de rechtbank is drie weken. De zorgmachtiging zal daarom worden verleend voor een zodanige termijn dat deze eindigt op 18 augustus 2021.

3 Beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van

[betrokkene] ,

geboren [1998] ,

inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen voor de duur van deze maatregel:

  • -

    toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid;

  • -

    opnemen in een accommodatie,

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 18 augustus 2021,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is op 31 augustus 2020 mondeling gegeven door mr. A.L. Smit, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door C. Ruiter als griffier, en op 3 september 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.