Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2927

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
08/952363-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 50-jarige W. uit Emmeloord is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden voor deelname aan een criminele drugsorganisatie. De man had een uitvoerende, maar niet ondergeschikte rol binnen deze organisatie. Naast het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennep, tapte hij ook elektriciteit af voor de hennepkwekerijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/952363-15 (P)

Datum vonnis: 2 september 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

Marc [verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juni 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.J. Wiegant en van wat door verdachte (hierna: ‘ [verdachte] ’) en zijn raadsvrouw

mr. J. Rump, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] :

feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele drugsorganisatie;

feiten 2 en 3: (met anderen) een hennepkwekerij heeft gehad, waarbij elektriciteit illegaal werd afgetapt;

feiten 4 en 5: (met anderen) een hennepkwekerij heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] , dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01

januari 2009 tot en met 10 mei 2016,

te Vroomshoop en/of Almelo en/of andere plaatsen in Nederland

(telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een

samenwerkingsverband van verdachte en/of (onder meer) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en een of meer andere perso(o)n(en)

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het

plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of

beroep) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig

hebben van (grote) hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet,

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks 1

augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 te Gramsbergen, gemeente Hardenberg,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

(op het adres [adres 2] )

heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of

vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2700 hennepplanten (berekend op

basis van 900 aangetroffen hennepplanten en 2 oogsten van telkens 900

hennepplanten), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks

terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een

bedrijf heeft uitgeoefend,

waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door Enexis geleverde

elektriciteit voor een bedrag van E. 4.894,51,- illegaal is afgetapt,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid

van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid

meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 2700 hennepplanten, althans meer dan 200

hennepplanten en/of delen daarvan);

3.

hij op tijdstippen in de periode van omstreeks 9 februari 2015 tot en met 27

juli 2015 te Hoogeveen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3]

) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 6770 hennepplanten (berekend

op basis van 5 oogsten van telkens 1354 hennepplanten), althans een groot

aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van die wet, waarbij ten behoeve van die hennepteelt

een hoeveelheid door Rendo geleverde elektriciteit voor een bedrag van E.

56.688,54 illegaal is afgetapt,

welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur

bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 6770 hennepplanten, althans meer

dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

4.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 15

oktober 2015 te Steenwijk

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

(op het adres [adres 4] )

heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of

vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 550 hennepplanten, althans een groot

aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

artikel 3a, vijfde lid van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van

dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid

van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid

meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 550 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten

en/of delen daarvan);

5.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 februari 2015 tot en met

31 juli 2015 te Hoogeveen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 5]

) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1814 hennepplanten (berekend op

basis van 907 aangetroffen hennepplanten en een eerdere oogst), althans een

groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen

krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet,

zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als

een bedrijf heeft uitgeoefend,

terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid

van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid

meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 1814 hennepplanten, althans meer dan 200

hennepplanten en/of delen daarvan).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

Deze zaak maakt onderdeel uit van het onderzoek ‘Travee’. Dit onderzoek richt zich met name op het ontmantelen van een criminele organisatie die zich vanaf januari 2009 op grote schaal zou bezighouden met het telen en verkopen van grote hoeveelheden hennep. In de loop van het onderzoek zijn in de periode van maart 2014 tot en met mei 2016 negen hennepkwekerijen opgerold. Er zijn meerdere personen als verdachten aangemerkt. Het aandeel van [verdachte] bestaat er volgens het Openbaar Ministerie uit dat hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 mei 2016 heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie en betrokken is geweest bij vier hennepkwekerijen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Wat betreft het betrouwbaarheidsverweer van de verklaring van [medeverdachte 5] , gaat de officier van justitie uit van de juistheid van de door hem afgelegde politieverklaringen, vooral nu de verklaring bij de rechter-commissaris grotendeels overeenkomt.

De betrokkenheid van [verdachte] bij de hennepkwekerij in Gramsbergen blijkt uit het feit dat zijn voertuig bij het pand is gezien en de belastende verklaring van [medeverdachte 5] .

Ten aanzien van het pand aan [adres 3] in Hoogeveen gebruikte [verdachte] een nepbedrijf als dekmantel. Op basis van de THC-test en de verklaring van [medeverdachte 6] staat vast dat er wel degelijk een in werking zijnde hennepkwekerij in het pand aan [adres 3] in Hoogeveen is geweest. Op camerabeelden is [verdachte] heel vaak bij het pand gezien. Bovendien is in het bewuste pand een peuk gevonden met DNA-materiaal dat overeenkomt met het DNA-profiel van [verdachte] .

Voor de hennepkwekerij in Steenwijk geldt dat [medeverdachte 7] belastend over een ‘ [supermarkt] crimineel’ spreekt, waarmee alleen [verdachte] kan worden bedoeld. Daarnaast kan op basis van de verklaring van [naam 1] worden vastgesteld dat [verdachte] aanwezig was bij een betaling.

Wat betreft de hennepkwekerij aan [adres 5] in Hoogeveen geldt dat [verdachte] op

1 juni 2015 is waargenomen bij het pand en meer dan een uur binnen is geweest. Ook is [verdachte] vaker met leden van de organisatie, in wisselende samenstellingen, bij het pand gesignaleerd, waarbij ook heen en weer werd gereden naar [adres 3] in Hoogeveen.

Gelet op voornoemde betrokkenheid bij vier hennepkwekerijen alsmede bij een door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgezet transport van verdovende middelen naar Duitsland, heeft [verdachte] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 16 februari 2016 deelgenomen aan een crimineel samenwerkingsverband, dat gericht was op de hennepteelt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten.

Zij betrekt bij de hennepkwekerijen in Gramsbergen, Steenwijk en aan [adres 3] in Hoogeveen dat [medeverdachte 5] bij de politie weliswaar belastend verklaart over [verdachte] , maar dat hij deze verklaringen bij de rechter-commissaris weerspreekt. Volgens [medeverdachte 5] is zijn verklaring over [verdachte] bij de rechter-commissaris de waarheid.

Dit leidt tot de conclusie dat er, ondanks de belastende politieverklaringen van [medeverdachte 5] , bij de hennepkwekerijen in Gramsbergen en Steenwijk geen bewijs is waaruit blijkt dat [verdachte] een strafrechtelijke rol heeft gespeeld bij de hennepkwekerijen.

Wat betreft de hennepkwekerij aan [adres 5] in Hoogeveen geldt dat [verdachte] alleen gezien is bij het pand, maar er zit geen bewijsmiddel in het dossier waaruit blijkt dat hij als (mede)pleger kan worden aangemerkt.

Met betrekking tot de het pand aan [adres 3] in Hoogeveen staat niet vast dat er een draaiende hennepkwekerij heeft gestaan. Omdat [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris zijn politieverklaringen weerspreekt, kunnen die verklaringen niet worden gebruikt voor het bewijs van de aanwezigheid van een kwekerij. Bovendien werden er vanuit het bewuste pand legale activiteiten ontplooid. Er ligt niets wat de verdenking hard maakt.

Er blijkt aldus niet van een actieve, strafrechtelijk verwijtbare betrokkenheid van [verdachte] bij de organisatie.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat zij ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis de tenlastegelegde feiten niet in chronologische volgorde zal bespreken, maar eerst een algemene overweging over de betrouwbaarheid van verklaringen zal geven, vervolgens de vermeende betrokkenheid bij de hennepkwekerijen zal beoordelen en daarna die bij de criminele organisatie.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van verklaringen:

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de hennepkwekerij in Gramsbergen en Steenwijk aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 5] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Bij de vraag naar de keuze en waardering van bewijs heeft de rechter een grote vrijheid. In het geval uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren worden gebracht ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen moet de rechter motiveren waarom de ene verklaring wel voor het bewijs kan worden gebezigd en een andere niet.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring is een aantal factoren en omstandigheden van belang. In de eerste plaats is van belang of de getuige die belastend verklaart over anderen ook zelf een deel van de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. In dat geval wint de verklaring aan betrouwbaarheid ten opzichte van een verklaring waarin de gehele schuld wordt afgewenteld op een ander of anderen.

Verder is bij de vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige of medeverdachte van belang of dat wat wordt verklaard overeenkomt met of steun vindt in zo te noemen andere bewijsmiddelen. Des te meer de verklaring wordt gesteund door objectieve feiten of omstandigheden of verklaringen van anderen des te meer waarde aan die verklaring kan worden gehecht.

Een andere belangrijke factor is het tijdsverloop. Aangenomen wordt dat de kans op een waarheidsgetrouwe verklaring groter is als deze is afgelegd kort na het voorval dan in het geval het verhoor plaatsvindt geruime tijd na het gebeuren. Dat ziet enerzijds op het feit dat herinneringen kunnen vervagen, zeker bij complexe of repeterende (strafbare) feiten en anderzijds op het feit dat bij een ruim tijdsverloop er meer gelegenheid is voor, al dan niet vrijwillig, contact met medeverdachten waardoor een getuige gemotiveerd kan raken om anders dan de waarheid te verklaren.

Daarnaast is van belang of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf van hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens.

Bij de toets of de verklaring van [medeverdachte 5] al dan niet betrouwbaar is, overweegt de rechtbank het volgende.

[medeverdachte 5] heeft bij de politie meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd. In zijn verhoren van 13 februari 2015, 20 oktober 2015 en 28 oktober 2015 verklaart [medeverdachte 5] over een groep van ongeveer vijf personen die (mede)verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerijen in Gramsbergen en Steenwijk.2 In eerste instantie wil [medeverdachte 5] geen namen noemen van de groepsleden, in de eerste plaats omdat hem was verteld dat hij dat niet mocht en in de tweede plaats omdat hij zich bedreigd voelt. [medeverdachte 5] zegt de jongens wel te kunnen beschrijven, maar kiest ervoor dat op dat moment niet te doen. Pas in zijn verhoor van 23 mei 2016 wil [medeverdachte 5] daar vanwege de verdenking van grootschalige hennepteelt op terugkomen. Hij noemt de namen [verdachte] (hierna ‘ [verdachte] ’), [medeverdachte 8] (hierna ‘ [medeverdachte 8] ’) en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] .3

Vervolgens is [medeverdachte 5] bijna vier jaren later, op 28 april 2020, nogmaals gehoord bij de rechter-commissaris. [medeverdachte 5] merkt daar op dat hij op 23 mei 2016 fysiek en psychisch gezien niet in staat was om een verklaring af te leggen en daarom afstand wil doen van die verklaringen. Ook komt [medeverdachte 5] voor een deel terug op de verklaring die hij over [verdachte] heeft afgelegd. Hij verklaart over de hennepkwekerij in Gramsbergen dat hij [verdachte] nooit heeft gezien als contactpersoon tussen hem en in het bijzonder [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] . Zijn rol was niet meer dan dat hij een boezemvriend van zijn zoon was. [medeverdachte 5] heeft hem wel informatie gevraagd over de business. [verdachte] heeft [medeverdachte 5] in contact gebracht met personen die hem zouden kunnen helpen. [verdachte] heeft in het pand in Steenwijk geen enkele rol gespeeld voor de hennepteelt.

De rechtbank overweegt dat zij de door [medeverdachte 5] bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar acht. In de eerste plaats omdat zijn verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals camerabeelden, observaties en verklaringen van medeverdachten. De rechtbank acht deze verklaring ook betrouwbaar omdat [medeverdachte 5] zichzelf belast waar het gaat om de betrokkenheid bij de kwekerij en er overigens geen motief ligt om andere genoemden, zoals [verdachte] , ten onrechte te belasten. Bovendien is er veel tijd verstreken tussen de verklaring zoals afgelegd bij de politie en de verklaring zoals afgelegd bij de rechter-commissaris.

Daaraan voegt de rechtbank toe dat is gebleken dat [medeverdachte 5] zich bedreigd voelde door enkele medeverdachten, wat mogelijk tot gevolg heeft gehad dat hij, in elk geval ten aanzien van [verdachte] , minder uitgesproken is bij de rechter-commissaris. [medeverdachte 5] verklaart echter ook bij de rechter-commissaris dat het niet zo is dat zijn bij de politie afgelegde verklaringen over [verdachte] helemaal niet kloppen.

Tot slot heeft ten aanzien van de vermeende benarde gezondheidstoestand van [medeverdachte 5] tijdens zijn politieverhoren het volgende te gelden. Uit het tweede verhoor van 23 mei 2016 volgt dat pas op het moment dat wordt overgegaan tot de inverzekeringstelling van [medeverdachte 5] , een opmerking wordt gemaakt over zijn gezondheid. [medeverdachte 5] is vervolgens door een arts bezocht die heeft besloten dat er geen bezwaren waren tegen het verblijf in detentie van [medeverdachte 5] . In datzelfde verhoor is [medeverdachte 5] door de hulpofficier van justitie gevraagd of hij nog behoefte had aan een arts, maar daarvan heeft [medeverdachte 5] vervolgens afstand gedaan. Bij dit verhoor werd [medeverdachte 5] bijgestaan door een advocaat. De rechtbank overweegt dat er tijdens dit verhoor, maar ook tijdens de opvolgende verhoren meermalen de gelegenheid is geweest om problemen betreffende de fysieke en psychische gesteldheid naar voren te brengen. Aangezien dat niet is gebeurd, was de fysieke en psychische gesteldheid kennelijk dus niet zo benard als [medeverdachte 5] bij de rechter-commissaris doet voorkomen. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt dan ook verworpen.

Ten aanzien van feit 2:

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 11 februari 2015 wordt door de politie in een pand gelegen aan [adres 2] in Gramsbergen binnengetreden.4 De verbalisanten stuiten onder meer op een in werking zijnde hennepkwekerij met in totaal negenhonderd planten, verspreid over twee afgetimmerde kweekruimtes.5 In de eerste kweekruimte staat een koelinstallatie. De assimilatielampen zijn door middel van een tijdsklok ingeschakeld. In de tweede kweekruimte is een afvoer voor de warme lucht gebouwd. Ook hier staan tijdschakelaars ingesteld op assimilatielampen. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij Enexis, geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.6

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij al in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur al langer in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er is bijvoorbeeld onder meer sprake van een vervuiling op het filterdoek van de aanwezige koolstoffilters en op de lampenkappen die in de kweekruimtes hangen. Ook zijn er vervuilde bamboestokken aangetroffen.

Daarnaast is over de periode van 17 december 2014 tot en met 24 december 2014 door Enexis een netmeting verricht. Uit de meting blijkt dat het gemeten patroon duidt op een mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij in de betreffende loods.7

Volgens de verklaring van [medeverdachte 5] kwamen er in augustus 2014 mensen in het pand kijken die voorstelden een hennepkwekerij te starten.8 De eerste hennepplanten zijn er eind september, begin oktober 2014 ingegaan en begin december geoogst.9

Verder heeft een overbuurman omstreeks augustus/september 2015 een sterke wietlucht geroken, waarvan hij dacht dat deze uit de loods aan [adres 2] kwam.10

Onderzoek naar betrokken personen

Uit onderzoek blijkt dat op 14 februari 2014 een huurovereenkomst is afgesloten ten behoeve van het bewuste pand, waarvan de ingangsdatum 1 maart 2014 is.11 Het pand wordt gehuurd op naam van [bedrijf 1] . De bestuurder van het bedrijf is [medeverdachte 5] .12 Uit observaties is gebleken dat [medeverdachte 5] , kort voor de ontmanteling van deze kwekerij, meermalen bij en in het pand is geweest.13 Daarnaast is er sporenonderzoek verricht op voorwerpen in het pand. De verbalisanten stellen onder meer een drinkbeker14 en kauwgum waarop gekauwd was15 veilig. Uit het NFI rapport blijkt dat het daarop aangetroffen DNA-materiaal afkomstig kan zijn van [medeverdachte 5] .16 In beide gevallen is de kans dat het DNA-materiaal van een ander dan van [medeverdachte 5] afkomstig is kleiner dan één op één miljard. Op grond daarvan is [medeverdachte 5] als verdachte gehoord.

[medeverdachte 5] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd, waarin hij ook belastend over andere betrokkenen verklaart. [medeverdachte 5] noemt onder meer de namen [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] .17 Van deze laatste twee personen weet [medeverdachte 5] de achternaam niet. De rolverdeling was dat [medeverdachte 9] de man was die onderhoud deed en de andere personen (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] en [verdachte] ) kwamen zo nu en dan eens even langs om te kijken of alles goed ging (de rechtbank begrijpt met de hennepplanten).18De afspraken zijn gemaakt met [medeverdachte 2] , ook over het geld. [medeverdachte 2] is de man waar het om gaat: de jongen die de lijn uitzet en bepaalt wat er gebeurt. Zijn wil is wet. [medeverdachte 2] deed ook de specialistische dingen, zoals stroom aansluiten. [medeverdachte 5] vertelt afhankelijk te zijn geweest van [medeverdachte 2] , want die zou de hennep verkopen.19 Het contact liep via [verdachte] en [medeverdachte 9] . Verder verklaart [medeverdachte 5] dat [medeverdachte 9] de ‘waterman’ was, die elke twee á drie dagen langskwam om de plantjes te verzorgen. Hij hield ook toezicht op de hennepkwekerij.20 [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] hebben het (de rechtbank begrijpt de planten water geven) ook wel eens gedaan.21 [medeverdachte 8] heeft ook meegeholpen met de opbouw en kwam zo nu en dan kijken naar de plantjes.22 [medeverdachte 5] had de indruk dat hij de technische man was, wat inhoudt dat hij verstand van de plantjes had. Volgens [medeverdachte 5] was [verdachte] een meeloper. Hij had altijd geld bij zich. Er kwamen nog meer personen, maar die kent [medeverdachte 5] niet bij naam. Aan [medeverdachte 5] zijn daarom foto’s getoond van mogelijk betrokken personen.23 Aan de hand hiervan kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte 5] met ‘ [medeverdachte 9] ’ op [medeverdachte 9] (hierna ‘ [medeverdachte 9] ’) en met ‘ [medeverdachte 2] ’ op [medeverdachte 2] doelt.24 [medeverdachte 5] herkent de persoon op foto nummer 11 ( [medeverdachte 10] ), maar weet zijn naam niet. Het was iemand die meehielp bij de opbouw in Gramsbergen.

Daarnaast heeft ook [medeverdachte 9] verklaard over de hennepkwekerij aan [adres 2] in Gramsbergen. [medeverdachte 9] bevestigt dat hij de ‘waterman’ is, waarover [medeverdachte 5] spreekt, en zegt dat hij af en toe voor [medeverdachte 5] de planten water gaf.25 [medeverdachte 9] zegt dat hij met [medeverdachte 5] in contact is gekomen omdat hij hem vroeg of hij dit wilde.

Verder zijn er in de periode van 15 januari 2015 tot 26 februari 2015 camera's geplaatst met zicht op het pand [adres 2] in Gramsbergen.26 Er zijn op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. De rechtbank zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Er is regelmatig een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken] bij het pand geweest.27 Dit voertuig stond tijdens de bovengenoemde periode op naam van [medeverdachte 9] .

Ook is in diezelfde periode meermalen een Volkswagen bus met het kenteken [kenteken] bij het pand gesignaleerd.28 Dit voertuig stond tijdens de bovengenoemde periode op naam van [medeverdachte 8] .

Daarnaast wordt op de camerabeelden tussen 1 december 2014 en 24 februari 2015 tweemaal een Renault Vel Satis waargenomen met de kentekens [kenteken] en [kenteken] .29 Deze voertuigen stonden destijds op naam van [verdachte] . Daar komt bij dat ook een voertuig is gezien op naam van [bedrijf 2] B.V., welk bedrijf een rechtstreeks verband heeft met [verdachte] .

Tot slot is door het observatieteam gezien dat [medeverdachte 2] op 1 december 2014 de Renault Vel Satis met het kenteken [kenteken] heeft bestuurd, deze auto heeft geparkeerd nabij het bedrijf [bedrijf 1] en daar naar binnen ging.30

Overwegingen en conclusies

De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 8] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan [adres 2] in Gramsbergen.

Volgens de raadsvrouw is het bewijs voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij in Gramsbergen alleen gebaseerd op de verklaring van [medeverdachte 5] , maar vindt zijn verklaring geen steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt dat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ziet op de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan.31 Het artikel staat er dus niet aan in de weg dat het daderschap van een verdachte wordt aangenomen op basis van één bewijsmiddel.

De rechtbank constateert dat de gehele tenlastelegging steun vindt op meer dan de verklaring van [medeverdachte 5] , zoals het proces-verbaal van aantreffen van de hennepkwekerij, de eigen verklaring van [verdachte] dat hij wel eens in het pand is geweest en het feit dat zijn voertuigen bij het pand zijn gesignaleerd.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] samen met [medeverdachte 9] de contactpersoon was. [verdachte] kwam tevens, net als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] , zo nu en dan langs om de plantjes te bekijken. De rechtbank merkt dit laatste aan als een toezichthoudende taak op het telen. Daarnaast staat het voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] de lijntjes uitzette en bepaalde wat er gebeurde. Met hem werden ook de afspraken gemaakt en hij was ook degene die de hennep verkocht. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] de hennepplanten water hebben gegeven. [medeverdachte 8] heeft tevens geholpen met de opbouw en heeft [medeverdachte 5] ook geadviseerd over de hennepkwekerij.32 [medeverdachte 10] heeft geholpen bij de opbouw van de hennepkwekerij. [medeverdachte 5] heeft het pand geregeld ten behoeve van de hennepkwekerij. [medeverdachte 5] heeft daarnaast [medeverdachte 9] gevraagd of hij werkzaamheden wilde verrichten in de kwekerij.

Voor de vraag hoe de rol van [verdachte] strafrechtelijk kan worden geduid, overweegt de rechtbank het volgende. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.33

De rechtbank is, gelet op deze rechtsregel, van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij door controle uit te oefenen op de hennepplanten heeft bijgedragen aan het eindproduct. Voornoemde gedraging van [verdachte] is tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, met uitzondering van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 5] kan de ten laste gelegde periode van 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 worden bewezen verklaard.

De rechtbank zal in de bewezenverklaring uitgaan van de capaciteit van de hennepkwekerij, in dit geval negenhonderd planten, en overweegt dat het passender is om de vraag naar de hoeveelheid oogsten onderdeel van debat te laten uitmaken in de (eventuele) ontnemingsprocedure. Om diezelfde reden zal de rechtbank zich niet uitlaten over het bedrag dat hoort bij de hoeveelheid weggenomen elektriciteit.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. De rechtbank weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op [adres 2] in Gramsbergen negenhonderd planten. Daar komt bij dat er in de kweekruimtes professionele klimaatbeheersingsvoorzieningen waren getroffen, zoals het instellen van tijdschakelaars op assimilatielampen, en de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 3:

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 27 juli 2015 wordt door de politie in een pand gelegen aan [adres 3] in Hoogeveen binnengetreden. De verbalisanten zien in de opslagruimte allerlei goederen en attributen die nodig zijn voor de hennepteelt, waaronder assimilatielampen, ventilatoren, cannacutters, trafo’s en flexibele buizen.34 Vervolgens betreden de verbalisanten een kweekruimte met daarin een grotendeels ontmantelde hennepkwekerij. Er staan geen hennepplanten meer en de meeste voor een kwekerij benodigde attributen en goederen zijn weggehaald. In het plafond boven het kantoorgedeelte zijn vijf gaten voor de flexibele buizen gemaakt, vermoedelijk voor de aanvoer van verse lucht.35 Uit onderzoek naar het aantal planten lijkt te volgen dat er minimaal 1.354 planten in het pand hebben gestaan.36 In de kweekbakken liggen resten van hennepplanten. Een aantal van deze resten wordt getest met gebruikmaking van een cannabistest. De test geeft een positieve reactie, indicatief voor hennep of THC. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij N.V. RENDO, geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.37

De politie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe lang de hennepkwekerij in werking is geweest. Er zijn meerdere indicatoren dat de aangetroffen apparatuur al langer in gebruik is geweest in de kweekruimtes. Er is bijvoorbeeld onder meer sprake van verdroogde resten van hennepplanten op, in en naast de kweekbakken en in vuilniszakken.38 Ook bevinden zich hennepresten op de in de kweek- en opslagruimtes aangetroffen knipschaartjes.

Verder valt het de verbalisanten op, afgezet tegen het feit dat het pand sinds juli 2012 wordt verhuurd, dat de in de kweekruimte aangetroffen vervuilde afzuigventilator een productiedatum van week 18 van het jaar 2012 vermeldt. In de kweekruimte worden daarnaast gipsplaten aangetroffen, die als scheidingswand dienen, waarop de productiedatum 7 juli 2012 staat.

Onderzoek naar betrokken personen

Uit onderzoek blijkt dat het pand sinds juli 2012 wordt gehuurd door [bedrijf 2] B.V..39 De bestuurder en enig aandeelhouder van dit bedrijf is [verdachte] (hierna ‘ [verdachte] ’).40 Tijdens de inval is er sporenonderzoek verricht op voorwerpen in het pand. Een verbalisanten stelt onder meer een in de kweekruimte aangetroffen sigarettenpeuk veilig.41 Uit het NFI rapport blijkt dat het daarop aangetroffen DNA-materiaal afkomstig kan zijn van [verdachte] .42 De kans dat het DNA-materiaal van een ander dan [verdachte] afkomstig is kleiner dan één op één miljard. Op grond hiervan wordt [verdachte] als verdachte gehoord. [verdachte] verklaart dat hij sinds januari 2015 bezig was met het opzetten van een hennepkwekerij, maar dat er nog nooit een plant in het pand heeft gestaan. In het dossier zitten echter diverse bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt.

Zo zijn er in de periode van 9 februari 2015 tot 18 augustus 2015 camera’s geplaatst met zicht op het pand aan [adres 3] in Hoogeveen. Ook is er een observatieteam ingezet. Er zijn vanaf 10 februari 2015 op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. Verbalisant [verbalisant] relateert dat hij naast [verdachte] heeft gezien dat onder meer [medeverdachte 2] , [medeverdachte 11] (hierna ‘ [medeverdachte 11] ’), [medeverdachte 12] (hierna ‘ [medeverdachte 12] ’), [medeverdachte 9] (hierna ‘ [medeverdachte 9] ’) en [medeverdachte 6] (hierna ‘ [medeverdachte 6] ’) zich bij of in het pand aan [adres 3] in Hoogeveen bevonden.43De rechtbank zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 7 april 2015 wordt om 07.32 uur een Renault Vel Satis met het kenteken [kenteken] voor het pand geparkeerd.44 Er wordt gerelateerd dat onder andere [verdachte] en [medeverdachte 6] uitstappen en het pand betreden. Ook wordt gezien dat om 08.34 uur een Ford Focus met het kenteken [kenteken] , die op naam staat van [medeverdachte 12] , achteruit de loods wordt ingereden. De inzittenden zijn niet zichtbaar. Om 13.24 uur wordt gezien dat een voertuig met [medeverdachte 2] als (mede)inzittende bij het pand arriveert. Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte 2] meermalen het pand in- en uitloopt met boodschappentassen.45 Om 17.32 uur verlaat een aantal mannen de loods. De verbalisant herkent onder andere [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 6] .46 Om 17.40 uur verlaat ook [medeverdachte 11] het pand.47

De dagen daarna, op 8 en/of 9 en/of 13 april 2015, worden [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 11] wederom op de camerabeelden gezien bij het pand aan [adres 3] in Hoogeveen.48 [medeverdachte 11] is op 13 april 2015 ruim drie uur in het pand geweest.

De op de foto’s dan wel camerabeelden herkende personen zijn vervolgens door de politie gehoord. [medeverdachte 6] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd. Volgens [medeverdachte 6] wilde [medeverdachte 2] hem helpen met zijn financiële situatie.49 Hij moest daarvoor werk doen in de hennepkwekerij. [medeverdachte 6] zegt het installatiewerk te hebben gedaan, zoals het aansluiten van koolstoffilters en afzuigingen. Het was hem bij binnenkomst direct duidelijk dat het om een kweeklocatie ging. [medeverdachte 6] verklaart desgevraagd dat hij één keer heeft geholpen met oogsten.50 Hij kreeg daar € 200,- voor. [medeverdachte 2] deed hem voor hoe hij moest oogsten. [medeverdachte 2] vertelde wat [medeverdachte 6] moest doen en was dan zelf ook bezig.51 Volgens [medeverdachte 6] hebben [medeverdachte 2] en [verdachte] de kwekerij ingericht, dat wil zeggen het neerzetten van hennepplanten. [medeverdachte 6] neemt aan dat [verdachte] en [medeverdachte 2] ook het onderhoud van de planten deden, omdat zij er altijd waren.52 Nadat [medeverdachte 6] een aantal foto’s is getoond,53geeft hij aan dat hij de personen op foto nummer 2 ( [medeverdachte 2] ), nummer 5 ( [verdachte] ), nummer 6 ( [medeverdachte 9] ), nummer 8 ( [medeverdachte 11] ) en nummer 9 ( [medeverdachte 12] ) kent. [medeverdachte 6] noemt [medeverdachte 9] ‘ [naam 2] ’ en [medeverdachte 11] ‘ [naam 3] ’.54 Hij omschrijft [medeverdachte 12] als de rechterhand van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] zegt over [medeverdachte 9] dat het een loopjongen van [medeverdachte 2] is. Hij zag hem ook wel eens in de kwekerij, waar hij dingen deed die hem werden opgedragen. Over [medeverdachte 11] zegt [medeverdachte 6] dat hij bezig was met de opbouw en dat hij hem heeft zien slepen met spullen voor de kwekerij.55 [medeverdachte 6] vertelt dat zij vaak bij een carpoolplek werden opgehaald in een bus en naar het pand werden gebracht.56 Wie er reed was verschillend, soms was het [verdachte] . De anderen die in de bus zaten waren [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] heeft meerdere oogsten gezien, namelijk twee of drie, maar heeft er zelf maar aan één meegedaan. Hij is betaald door [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] zegt dat hij twee dagen over het knippen heeft gedaan. Daarna is de hennepkwekerij ontmanteld. [medeverdachte 6] vermoedt dat het rond 30 juni 2015 al klaar was. Bij het ontmantelen heeft [medeverdachte 6] alleen zijn eigen spullen weggehaald, dus de hele ventilatie-installatie.

Verder verklaart [medeverdachte 5] dat hij wel eens in het pand aan [adres 3] in Hoogeveen is geweest.57 Deze verklaring vindt steun in de camerabeelden.58[medeverdachte 5] zegt dat hij daar ook wel eens planten heeft zien staan. In de beleving van [medeverdachte 5] was de kwekerij van [verdachte] .

Overwegingen en conclusies

De rechtbank zal allereerst ingaan op de stelling van de raadsvrouw dat er geen hennepkwekerij in het pand aan [adres 3] in Hoogeveen heeft gestaan, laat staan gedraaid. De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek van de politie (in het bijzonder de positieve cannabistest) zoals weergegeven onder het kopje ‘aantreffen van hennepkwekerij’, reeds genoegzaam volgt dat er wel degelijk een draaiende hennepkwekerij heeft gestaan in het pand aan [adres 3] in Hoogeveen.

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld dat te betwisten, acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 6] , die ook verklaart over een draaiende hennepkwekerij, betrouwbaar. [medeverdachte 6] belast zichzelf waar het gaat om de betrokkenheid bij de kwekerij en er ligt overigens geen motief om andere genoemden, zoals [verdachte] , ten onrechte te belasten. Bovendien is er veel tijd verstreken tussen de verklaring zoals afgelegd bij de politie en de verklaring zoals afgelegd bij de rechter-commissaris. Nog afgezien van het feit dat er aanwijzingen zijn dat de herinneringen in de loop van de tijd zijn vervaagd, staat ook vast dat [medeverdachte 6] bij de rechter-commissaris niet terugkomt op de over [verdachte] afgelegde verklaring. De rechtbank is dan ook van oordeel dat alle door [medeverdachte 6] afgelegde verklaringen tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De verweren van de raadsvrouw op deze punten worden verworpen.

De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 12] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan [adres 3] in Hoogeveen.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] samen met [verdachte] de hennepkwekerij heeft ingericht. Zij waren er altijd als [medeverdachte 6] er was. Ook heeft [verdachte] het vervoer van een carpoolplek naar de hennepkwekerij wel eens verzorgd. In het busje zaten ook [medeverdachte 12] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] . [medeverdachte 11] was betrokken bij de opbouw van de hennepkwekerij.

Daarnaast staat het voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 6] heeft benaderd voor het verrichten van werkzaamheden in de hennepkwekerij. [medeverdachte 2] gaf [medeverdachte 6] aanwijzingen en opdrachten en betaalde hem. [medeverdachte 12] was de rechterhand van [medeverdachte 2] . Verder gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 6] het installatiewerk heeft gedaan, heeft geholpen met oogsten en daarna met het ontmantelen van de hennepkwekerij. Tot slot was [medeverdachte 9] de loopjongen van [medeverdachte 2] die in de hennepkwekerij dingen deed die hem werden opgedragen.

Voor de vraag hoe de rol van [verdachte] strafrechtelijk kan worden geduid, overweegt de rechtbank het volgende. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.59

De rechtbank is, gelet op deze rechtsregel, van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld, nu hij met de inrichting heeft geholpen de hennepkwekerij te realiseren. Voornoemde gedraging van [verdachte] is tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde.

Gelet op de resultaten van de camerabeelden kan de ten laste gelegde periode van 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 worden bewezen verklaard.

De rechtbank zal in de bewezenverklaring uitgaan van de capaciteit van de hennepkwekerij, in dit geval ongeveer 1.354 planten, en overweegt dat het passender is om de vraag naar de hoeveelheid oogsten onderdeel van debat te laten uitmaken in de (eventuele) ontnemingsprocedure. Om diezelfde reden zal de rechtbank zich niet uitlaten over het bedrag dat hoort bij de hoeveelheid weggenomen elektriciteit.

Ten aanzien van feit 4:

Aantreffen van hennepkwekerij

Na de ontmanteling van de hennepkwekerij aan [adres 2] in Gramsbergen (zie zaaksdossier 01), wordt opgemerkt dat [medeverdachte 5] wederom een pand huurt, ditmaal aan de [adres 4] in Steenwijk. Ook daar komen personen en voertuigen van de ‘organisatie’. Het vermoeden rijst daarom dat op deze locatie een hennepkwekerij wordt opgezet. In dat kader wordt op 15 oktober 2015 door de politie in het bewuste pand binnengetreden. In de ruimte achter de deur van de opslagruimte staan allerlei benodigdheden voor een hennepkwekerij, zoals potaarde, assimilatielampen en koolstooffilters.60 Vervolgens stuiten de verbalisanten op twee afgetimmerde kweekruimtes, waarvan de eerste ruimte kennelijk nog in opbouw is. In de tweede kweekruimte treffen de verbalisanten een hennepplantage aan. In deze ruimte staan 550 planten van ongeveer acht weken oud.61 In totaal hangen er 26 assimilatielampen. Alle hennepplanten worden door middel van een irrigatiesysteem van een vloeistof voorzien vanuit een watervat. De luchtverversing, luchtafvoer en warmteafvoer wordt geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. Ook wordt er gebruikgemaakt van CO2 toevoeging.62 Er zijn geen indicaties die duiden op een eerdere oogst.

Onderzoek naar betrokken personen

[medeverdachte 5] heeft meerdere (bekennende) verklaringen afgelegd, waarin hij ook belastend over andere betrokkenen verklaart. Zo spreekt [medeverdachte 5] over een groep van ongeveer vijf personen die (mede)verantwoordelijk zou zijn voor de hennepkwekerijen in Gramsbergen en Steenwijk.63 De rechtbank overweegt dat [medeverdachte 5] is geconfronteerd met een aantal foto’s en leidt uit zijn herkenningen af dat hij met [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] en ‘ [naam 4] ’ doelt op [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 6] .64[medeverdachte 5] vertelt dat hij in geldproblemen kwam met de hennepkwekerij in Gramsbergen. Hij had een schuld bij ‘de jongens’. Daarom besloot [medeverdachte 5] om het pand aan de [adres 4] in Steenwijk te huren, op naam van [naam 5] .65 Het huurcontract ving aan op 15 mei 2015 en de huur bedroeg € 20.000,- per jaar. [medeverdachte 5] heeft € 5.000,- van [verdachte] gekregen en € 5.000,- van de vader van [medeverdachte 2] , die hij ‘ [medeverdachte 13] ’ noemt, wonende aan [adres 6] in [woonplaats] .66 Het contact liep toen nog uitsluitend via [verdachte] , maar [medeverdachte 2] is wel in het pand aan de [adres 4] in Steenwijk geweest.67 De planten zijn er op 24 augustus 2015 neergezet.68 ‘De jongens’ hebben de kweekruimtes ingericht, namen de planten mee en verzorgden deze. Om de twee dagen werd er iemand gestuurd om de plantjes te verzorgen.69 Ten tijde van de inval was [medeverdachte 5] naar eigen zeggen net een jongen aan het ophalen van een carpoolplek. [medeverdachte 5] verklaart dat hij [medeverdachte 9] heeft gezien bij de opbouw van de koelcel en kwekerij.70 Daarnaast hebben [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] alle hokken gebouwd.71 De andere personen waren allemaal van [medeverdachte 2] afhankelijk. Hij weet bijvoorbeeld dat [medeverdachte 9] door [medeverdachte 2] werd betaald. [medeverdachte 5] zegt [medeverdachte 6] vermoedelijk ook in Steenwijk te hebben gezien. Zijn rol was bouwen.72

[medeverdachte 9] verklaart dat hij een koelcel heeft geplaatst in het pand aan de [adres 4] in Steenwijk.73 Hij zegt dat [medeverdachte 5] (de rechtbank begrijpt uit de context van het verhoor dat hij [medeverdachte 5] bedoelt) hem soms daarbij heeft geholpen.

Daarnaast vertelt [medeverdachte 7] over de hennepkwekerij aan de [adres 4] in Steenwijk dat [medeverdachte 5] dat pand had samen met zijn zoon en nog wat mensen uit [café] in Zwolle.74 [medeverdachte 7] zegt er twee keer binnen te zijn geweest. De eerste keer dat [medeverdachte 7] er was, zag hij dat het een hennepkwekerij was. Er waren twee hokken waar hennepplanten in stonden. Hij had het idee dat [medeverdachte 5] het voor het zeggen had.75 [medeverdachte 7] heeft zelf ook werkzaamheden verricht, die bestonden uit camera’s installeren, lampen ophangen en kabels aansluiten. Volgens [medeverdachte 7] wilde [medeverdachte 5] die camera’s omdat hij problemen had gehad in Gramsbergen. [medeverdachte 7] was nog bezig met de installatie toen er al een inval was. Hij zou de nieuwe kweekruimte gaan verzorgen. De potgrond hiervoor lag al klaar bij de koelcel. De tweede keer dat [medeverdachte 7] er was, kwam de zoon van [medeverdachte 5] langs, samen met een beruchte crimineel, die de [supermarkt] supermarkt (de rechtbank begrijpt [supermarkt] ) had afgeperst.76 Deze crimineel is samen met de zoon van [medeverdachte 5] in het pand geweest en wilde graag de plantjes zien. De rechtbank stelt onder meer op basis van de verklaring van [medeverdachte 5]77 vast (die spreekt over [verdachte] en een [supermarkt] affaire) dat [medeverdachte 7] met de beruchte crimineel op [verdachte] doelt.

Verder verklaart [medeverdachte 6] dat hij vier keer in Steenwijk is geweest. [medeverdachte 2] was er altijd en die deed de deur voor hem open.78 Het was daar niet zo groot. In de loods stond een grote koelvriezer en daarachter was de kwekerij. [medeverdachte 6] zegt dat hij de ventilatie heeft aangesloten.79[medeverdachte 6] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij verdacht wordt van betrokkenheid bij drie hennepkwekerijen en dat [medeverdachte 2] bij al die kwekerijen was betrokken.80 [medeverdachte 6] vond [medeverdachte 2] een beetje ogen als de baas, zo’n regelbaasje.

Tot slot volgt uit de verklaring van [medeverdachte 14] (hierna ‘ [medeverdachte 14] ’) dat hij camera’s heeft opgehangen.81

Bij [medeverdachte 9] en [verdachte] zijn bakens onder hun voertuigen geplaatst. Bij [medeverdachte 9] is dat gebeurd in de periode van 10 maart 2015 tot 26 november 2015, onder een Hyundai Getz met het kenteken [kenteken] .82 Hieruit is gebleken dat zijn voertuig in juni 2015 zeven keer en in juli 2015 twee keer bij het pand aan de [adres 4] in Steenwijk is geweest.

Bij [verdachte] is de baken geplaatst geweest in de periode van 5 juni 2015 tot 22 september 2015, onder een Renault Kangoo met het kenteken [kenteken] .83 Hieruit is gebleken dat zijn voertuig in juni 2015 vier keer bij het pand aan de [adres 4] in Steenwijk is geweest.

Daarnaast zijn er in de periode van 10 september 2015 tot en met 22 oktober 2015 camera’s geplaatst met zicht op het pand aan de [adres 4] in Steenwijk.84Ook is er een observatieteam ingezet. Een aantal observaties komt overeen met de bakengegevens van de hierboven genoemde voertuigen, bijvoorbeeld op 2 juni 2015 en op 23 juni 2015.85 Voorts zijn op verschillende momenten diverse personen waargenomen en herkend. De rechtbank zal een aantal momenten in het bijzonder vermelden.

Op 23 juni 2015 wordt door het observatieteam om 13.50 uur gezien dat [medeverdachte 5] als bestuurder van een Fiat Croma met het kenteken [kenteken] bij het pand arriveert.86 Wat verder opvalt is dat een Volvo met het kenteken [kenteken] en een Ford Transit met het kenteken [kenteken] van [adres 3] in Hoogeveen (zie zaaksdossier 02) naar de [adres 4] in Steenwijk rijden. De bestuurder van de Volvo wordt als [verdachte] herkend en de bestuurder van de Ford Transit als [medeverdachte 6] .87

Op 30 juni 2015 wordt gezien dat [medeverdachte 6] met de Ford Transit met het kenteken [kenteken] en [verdachte] met de Mercedes met het kenteken [kenteken] van [adres 3] in Hoogeveen naar de [adres 4] in Steenwijk rijden.88

Ook tussen 24 september 2015 en 15 oktober 2015 wordt [medeverdachte 5] regelmatig bij het pand waargenomen als bestuurder van de eerder genoemde Fiat Croma of van een Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken] .89

Overwegingen en conclusies

De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 14] betrokken zijn geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres 4] in Steenwijk.90

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] de contactpersoon van [medeverdachte 5] was. Hij kwam tevens meermalen bij het pand, waaronder (tenminste) één keer om de plantjes te bekijken. De rechtbank merkt dit laatste aan als een toezichthoudende taak op het telen. Daarnaast staat het voor de rechtbank vast dat de bij de hennepkwekerij betrokken personen afhankelijk waren van [medeverdachte 2] , die hen (in elk geval [medeverdachte 9] ) betaalde. Dit past ook bij de verklaring van [medeverdachte 6] , dat [medeverdachte 2] oogde als de baas, zo’n regelbaasje. [medeverdachte 6] heeft geholpen bij de opbouw en heeft de ventilatie aangesloten. [medeverdachte 5] heeft onder een valse naam het pand gehuurd. Hij heeft ook wel eens het vervoer van een carpoolplek naar de hennepkwekerij verzorgd. [medeverdachte 7] had bovendien het idee dat [medeverdachte 5] het voor het zeggen had in het pand. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] de hokken voor de hennepkwekerij hebben gebouwd. Tot slot staat het voor de rechtbank vast dat [medeverdachte 14] zich bezighield met de camera-installatie. Dat geldt ook voor [medeverdachte 7] , die tevens lampen ophing en kabels aansloot.

Voor de vraag hoe de rol van [verdachte] strafrechtelijk kan worden geduid, overweegt de rechtbank het volgende. Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van "in vereniging" - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.91

De rechtbank is, gelet op deze rechtsregel, van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten van voldoende gewicht is om tot de kwalificatie medeplegen te komen. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] een essentiële en actieve rol heeft vervuld en hecht met name waarde aan het feit dat hij door controle uit te oefenen op de hennepplanten heeft bijgedragen aan het eindproduct. Voornoemde gedraging van [verdachte] is tevens van zodanige aard dat daarin het opzet op het telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep ligt besloten.

De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde, met uitzondering van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hennepplanten.

Gelet op de verklaring van [medeverdachte 5] , bakengegevens en observaties kan de ten laste gelegde periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 worden bewezen verklaard.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. De rechtbank weegt bij dat oordeel de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt mee. In dit geval maakte de kwekerij onderdeel uit van een georganiseerd verband waarbinnen aanmerkelijke hoeveelheden planten werden geteeld, op de [adres 4] in Steenwijk 550 planten. Daar komt bij dat de kweekruimtes waren afgetimmerd, een bevloeiingssysteem was geregeld en een afzuiging naar buiten was gemaakt. Het telen van de hennep was bovendien bestemd om geldelijk gewin te verkrijgen.

Ten aanzien van feit 5:

Aantreffen van hennepkwekerij

Op 31 juli 2015 wordt door de politie in een pand aan [adres 5] in Hoogeveen binnengetreden in verband met de mogelijke aanwezigheid van een hennepkwekerij. Binnen wordt een hennepkwekerij aangetroffen, die bestaat uit een tweetal afgetimmerde kweekruimtes. In beide ruimtes zijn drie kweekbedden ingericht. In de eerste ruimte staan 425 hennepplanten van ongeveer vier tot zes weken oud en in de tweede ruimte staan 482 hennepplanten van ongeveer acht weken oud. Daarnaast wordt door een fraude-inspecteur, werkzaam bij N.V. Rendo, geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

Onderzoek naar betrokken personen

De vraag is of [verdachte] betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan [adres 5] in Hoogeveen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit observaties, camerabeelden en bakengegevens blijkt dat vanaf 30 maart 2015 regelmatig voertuigen en personen, waaronder [verdachte] , bij het pand zijn geweest, die ook te linken zijn aan hennepkwekerijen aangetroffen op andere adressen.

[verdachte] verklaart dat hij wel eens in het pand is geweest, maar dat hij daar op dat moment geen hennepkwekerij heeft gezien.

De rechtbank stelt vast dat er door medeverdachten belastende verklaringen zijn afgelegd over andere betrokkenen, maar dat [verdachte] door hen niet wordt genoemd.

De rechtbank constateert dat er in het dossier geen bewijsmiddelen zijn waaruit blijkt dat [verdachte] een intellectuele en/of materiële bijdrage zou hebben geleverd aan de hennepkwekerij. Het enkele feit dat [verdachte] in het pand is geweest waar een hennepkwekerij is geweest, is onvoldoende om een dergelijke bijdrage aan te nemen. Om die reden zal de rechtbank [verdachte] vrijspreken van het onder 5 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 1:

Aanleiding van onderzoek

Op 5 december 2013 wordt een anonieme melding gemaakt inzake internationale drugshandel.92 De melding houdt in dat de heer [medeverdachte 1] (fonetisch) het brein is achter een georganiseerde organisatie die zich bezighoudt met internationale drugshandel (hennep) naar Duitsland. De geoogste hennep wordt geleverd dan wel verzameld in een pand aan [adres 7] in Almelo. Hierna wordt de hennep ten behoeve van het knippen en verpakken overgebracht naar [opslag] in Almelo.

Hier heeft recent een inbraak plaatsgevonden, maar daarbij is de verkeerde box opengebroken. Vervolgens worden de verpakte drugs naar Duitsland getransporteerd, aldus de melder.

De politie trekt de informatie uit de melding na, en komt op basis daarvan tot de conclusie dat in de melding vermoedelijk wordt gedoeld op [medeverdachte 1] . Opvallend is dat er tussen 26 oktober 2013 en 27 oktober 2013 een inbraak heeft plaatsgevonden bij de [opslag] .93 Uit de garagebox met het nummer [nummer] , die volgens de eigenaar werd gehuurd door de heer [naam 6] , kwam een sterke wietlucht. In deze garagebox waren naast allerlei kweekbenodigdheden ook hennepresten en –toppen aangetroffen. Ook lagen er in de garagebox twee lege blikjes Red Bull die ten behoeve van sporenonderzoek in beslag zijn genomen. Hierop werd speeksel aangetroffen dat overeenkomsten vertoont met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] .94

In dit verband is het enigszins opmerkelijk dat een paar jaar eerder, op 3 februari 2009, in Vlagtwedde een hennepkwekerij is aangetroffen.95 In de kweekruimte waren drie personen aanwezig, namelijk [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] . Verder werd een bedrijfsauto aangetroffen waarin hennepgerelateerde goederen waren opgeslagen. Uit de verklaringen van verdachten bleek dat zij met dit voertuig naar de hennepkwekerij waren gereden. Het voertuig bleek op naam te staan van het bedrijf [bedrijf 3] in Almelo, dat op naam staat van [medeverdachte 1] en is gevestigd aan [adres 7] in Almelo.96 Uit informatie die bij Team Criminele Inlichtingen is binnengekomen volgt dat [medeverdachte 1] op het gebied van hennepteelt reeds jaren samenwerkt met [naam 6] .97

Op 30 oktober 2014 ontvangt de politie wederom een anonieme melding waarin onder meer staat dat de heer [medeverdachte 1] exploitant is van hennepkwekerijen die hoofdzakelijk in Twente gesitueerd zijn.98 De hennep die uit de verschillende hennepkwekerijen wordt geoogst, wordt doorgezet naar een aantal mannen in Vroomshoop. Dit gaat om ongeveer tien mannen, waaronder [medeverdachte 2] en zijn vader. De hennep wordt door deze mannen verpakt en vervoerd/verkocht naar Duitsland.

Op 5 november 2014 wordt de politie opnieuw anoniem getipt over weedhandel.99 De melder vertelt dat [medeverdachte 1] in weed handelt. [medeverdachte 1] koopt spullen in bij growshops. Dit spul wordt opgehaald door jongens uit Vroomshoop, waaronder [medeverdachte 2] en zijn vrienden. Zij verpakken het ergens in Vroomshoop en rijden daarna samen naar Duitsland.

In de periode van juni tot juli 2015 is bij Team Criminele Inlichtingen via meerdere informanten informatie binnengekomen, waaronder dat [medeverdachte 2] momenteel op het gebied van de drugshandel voor [medeverdachte 1] werkt.100 [medeverdachte 1] is de baas en [medeverdachte 2] voert taken voor hem uit. Op deze manier is [medeverdachte 1] niet in de picture.

In de maand januari 2016 meldt een informant dat de groep rondom [medeverdachte 2] bestaat uit onder andere [medeverdachte 11] (hierna ‘ [medeverdachte 11] ’), Henkie [medeverdachte 2] , [medeverdachte 12] (hierna ‘ [medeverdachte 12] ’) en [medeverdachte 3] (hierna ‘ [medeverdachte 3] ’).101 Ze gebruiken verschillende voertuigen, waarmee ze naar hennepkwekerijen rijden om deze te verzorgen en/of verdovende middelen te transporteren naar Duitsland.

Mede gelet op bovenstaande anonieme meldingen, die overigens slechts een fractie van het geheel zijn, is het onderzoek Travee ingesteld.

Onderzoek naar criminele organisatie

Op 10 september 2014 wordt een telefoontap aangesloten op het bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde telefoonnummer van [bedrijf 3] .102 Nadat [medeverdachte 1] op 23 september 2014 telefonisch contact heeft met een medewerker van [growshop] B.V. in Almelo (hierna ‘ [growshop] ’) over hennepgerelateerde goederen, wordt op 13 oktober 2014 een camera geplaatst met zicht op het pand van [medeverdachte 1] aan [adres 7] in Almelo. In de periode van 23 september 2014 tot en met 12 maart 2015 wordt waargenomen dat meerdere leveringen door [growshop] aan [medeverdachte 1] plaatsvinden.103 Uit de boekhouding van [bedrijf 3] blijkt dat in de jaren 2013, 2014 en 2015 voor € 142.000,- aan inkopen is gedaan bij [growshop] . Aan verkopen werd ruim € 60.000,- ingeboekt.104 Uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] hennepgerelateerde goederen bestelt waaronder trafo’s, lampenhouders, geïsoleerde slangen en een temperatuursensor.105

Er wordt meermalen kort na de leveringen waargenomen dat er personen naar [adres 7] in Almelo komen. Zo wordt op 14 oktober 2014 gezien dat er ruim twee uur na de levering twee busjes komen aanrijden, waarvan de kentekens mogelijk [kenteken] en [kenteken] zijn.106 Beide voertuigen staan op naam van [bedrijf 2] , waarvan [verdachte] (hierna ‘ [verdachte] ’) de bestuurder is, en worden nadien veelvuldig gesignaleerd bij diverse hennepkwekerijen. De inzittenden van de voertuigen zijn meermalen in beeld en verplaatsen pallets met een palletwagen. Eén van de inzittenden wordt herkend als [medeverdachte 2] .107 Een verbalisant herkent op een later moment de andere inzittenden als [medeverdachte 12] en [medeverdachte 11] .108 Er zijn aanwijzingen dat de door [medeverdachte 1] bestelde goederen onder meer door [medeverdachte 2] worden verplaatst naar een locatie in Hoogeveen, aangezien zijn telefoon een uur na vertrek aan [adres 7] gedurende bijna twee uren een mast aanstraalt in Hoogeveen.109 Het verdient in dat verband opmerking dat er in onderzoek Travee twee hennepkwekerijen in Hoogeveen zijn aangetroffen.

Medio 2015 is in het pand aan [adres 7] in Almelo opnameapparatuur geplaatst. Hieruit blijkt dat er in de periode van 12 januari 2016 tot en met 23 februari 2016 meermalen Duitse afnemers van de verdovende middelen in de loods komen.110Tijdens de ontmoetingen wordt telkens gesproken over soorten en hoeveelheden verdovende middelen en de levering en betaling daarvan. Op 12 januari 2016 zegt [medeverdachte 1] dat hij het wil brengen, maar dat is duurder.111 De afnemer zegt dat het naar Bremen moet. De afnemer vraagt of [medeverdachte 1] ook Haze heeft. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij dat hier verkoopt, gemakkelijk, en dat ze uit zijn hand eten. Als de afnemer zegt dat ze bijna elke week wat nodig hebben, zegt [medeverdachte 1] dat het geen probleem is. [medeverdachte 1] vraagt aan de afnemer of hij ook hasj neemt en deelt mee dat hij daarvan nu zes stuks heeft.112 [medeverdachte 1] zegt dat hij ook hasjiesj heeft.113 [medeverdachte 1] zegt daarna dat het beter is als de afnemer een garage heeft en zegt dat hij een chauffeur en een voorchauffeur heeft. De voorchauffeur zet het in de garage en twintig minuten later kan het worden opgehaald.

Tijdens de ontmoeting op 14 januari 2016 wordt tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de Duitse afnemers afgesproken dat ze 25 kilo wiet zullen leveren.114 [medeverdachte 2] noemt een bedrag van honderdzestien en een halve rug (de rechtbank begrijpt € 116.500,-), waarop de afnemer kenbaar maakt dat hij hier € 109.500,- heeft.115 De afnemer vraagt of [medeverdachte 1] alles markeert. [medeverdachte 1] zegt dat hij bij die normale niks erop schrijft, bij Haze een H of SH voor Silber Haze.116

Op 26 februari 2016 wordt een levering onderschept door de Duitse politie.117 Bij de levering is volgens de werkwijze gewerkt die [medeverdachte 1] heeft omschreven. Er is namelijk gebruikgemaakt van een voorchauffeur en een chauffeur die een tas met verdovende middelen in een garage achterlaat. Verder staan op de zakjes handgeschreven markeringen (N+, P, K II en SH). De bestuurder van één van de voertuigen is [verdachte] , die bij de rechter-commissaris verklaart dat hij het transport heeft verricht in opdracht van [medeverdachte 2] .118

Verder worden in de periode van 11 februari 2015 tot en met 30 mei 2016 op diverse plaatsen hennepkwekerijen opgerold. Het lijkt erop dat het merendeel van de hennepkwekerijen in verband met elkaar staat, omdat dezelfde voertuigen en personen steeds worden waargenomen op diverse kweeklocaties. De rechtbank zal hierna in een tabel per hennepkwekerij tot uitdrukking brengen ten aanzien van welke betrokkene een bewezenverklaring tot stand is gekomen en wat diens taak is geweest.

Gramsbergen (ZD01)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 2]

Baas, zette lijntjes uit, maakte afspraken, onderhoud, controleur en verkoop

[medeverdachte 9]

Onderhoud, contactpersoon en toezichthouder

[verdachte]

Contactpersoon en controleur

[medeverdachte 5]

Regelde pand ten behoeve van hennepkwekerij en wierf [medeverdachte 9]

[medeverdachte 10]

Opbouw

[medeverdachte 8]

Opbouw, onderhoud, toezichthouder, adviseur en controleur (technische man)

Buitenvaart in Hoogeveen (ZD02)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 2]

(Regel)baas, inrichter en wierf [medeverdachte 6] die hij aanstuurde en betaalde

[medeverdachte 12]

Rechterhand van [medeverdachte 2]

[medeverdachte 11]

Opbouw

[medeverdachte 9]

Uitvoerder van [medeverdachte 2]

[verdachte]

Huurder pand, inrichter, geheim vervoer naar hennepkwekerij

[medeverdachte 6]

Installatiewerk, oogsten en leegruimen kweekruimte(s)

Steenwijk (ZD03)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 2]

(Regel)baas en opbouw

[medeverdachte 9]

Opbouw

[verdachte]

Contactpersoon en bekeek planten

[medeverdachte 5]

Regelde pand ten behoeve van de hennepkwekerij

[medeverdachte 6]

Opbouw en ventilatie

[medeverdachte 7]

Camera-installatie, montagewerkzaamheden

[medeverdachte 14]

Camera-installatie

Lavalstraat Hoogeveen (ZD04)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 2]

(Regel)baas en inrichter

[medeverdachte 11]

Opbouw

[medeverdachte 6]

Ventilatie, oogst, inrichter

[medeverdachte 4]

Hennepplanten keuren

[medeverdachte 15]

Regelde pand ten behoeve van de hennepkwekerij, onderhoud, opruimen, toezichthouder, geheim vervoer naar hennepkwekerij en auto’s verwisselen

[medeverdachte 16]

Onderhoud

Zuidwolde (ZD05)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 9]

Onderhoud en had telefonisch contact met huurder pand

[medeverdachte 17]

Stelde het door hem gehuurde pand ter beschikking ten behoeve van hennepkwekerij, had telefonisch contact met [medeverdachte 9] , laten aanleggen waterleiding en geheim vervoer naar hennepkwekerij

Emmen (ZD07)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 2]

Benaderde pandeigenaar, keurde locatie, opbouw, knippen, maakte afspraken over en verrichtte betalingen

[medeverdachte 12]

Opbouw, onderhoud, knippen en betalingen

[medeverdachte 11]

Opbouw, onderhoud en knippen

[medeverdachte 9]

Onderhoud en had telefonisch contact met pandeigenaar

[medeverdachte 18]

Pand ter beschikking gesteld ten behoeve van hennepkwekerij, onderhoud, deelde mee in opbrengst oogst en had telefonisch contact met [medeverdachte 9]

Saasveld (ZD08)

Betrokkene

Taak

[medeverdachte 2]

Aanwezig bij oriënterend gesprek met pandeigenaar, knippen en betaling, keurde locatie, opbouw, zette lijntjes uit en regelde alles

[medeverdachte 12]

Aanwezig bij oriënterend gesprek met pandeigenaar en betaling en knippen

[medeverdachte 11]

Aanwezig bij oriënterend gesprek met pandeigenaar en betaling, opbouw, onderhoud en knippen

[medeverdachte 9]

Onderhoud, knippen en had telefonisch contact met pandeigenaar

[medeverdachte 19]

Pand ter beschikking gesteld ten behoeve van hennepkwekerij, deelde mee in opbrengst oogst, onderhoud en leegruimen kweekruimte

[medeverdachte 20]

Pand ter beschikking gesteld ten behoeve van hennepkwekerij, deelde mee in opbrengst oogst, knippen en had telefonisch contact met [medeverdachte 9]

Tot slot is er ook een hennepkwekerij in opbouw in Geesteren (ZD06) en een hennepkwekerij in Almelo (ZD09) aangetroffen. De rechtbank zal deze hennepkwekerijen buiten beschouwing laten voor het oordeel of iemand al dan niet lid is van de criminele organisatie, omdat bij geen van de verdachten een bewezenverklaring is gevolgd ter zake van die kwekerijen.

Overwegingen en conclusies

Vooropgesteld wordt dat volgens vaste jurisprudentie onder een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en 11b van de Opiumwet wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn: gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken.

Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een organisatie, heeft de rechtbank vastgesteld dat de TCI-informatie (zoals weergegeven onder het kopje ‘aanleiding van onderzoek’) voor een groot deel verankering gevonden heeft in het onderzoek Travee, dat heeft geresulteerd in het voorliggende strafdossier. Uit dit dossier kan worden afgeleid dat de hiervoor genoemde personen in wisselende combinaties betrokken zijn geweest bij een groot aantal hennepkwekerijen. De rechtbank is, gelet op voorgaande, van oordeel dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, zoals hierboven wordt omschreven, en daarmee ook van een organisatie. Deze organisatie bestond naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval uit [medeverdachte 2] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 9] , [verdachte] en [medeverdachte 5] .119 De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 13] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] niet tot deze organisatie behoorden. Hoewel ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] is gebleken dat zij, ieder voor zich, betrokken zijn geweest bij een aan de organisatie toebehorende hennepkwekerij, acht de rechtbank dit voor wat betreft de frequentie en taak van de betrokkene onvoldoende om van deelneming aan de organisatie te kunnen spreken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 1] tot deze organisatie behoorde. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat hij samen met [medeverdachte 2] partijen verdovende middelen, waaronder hennep, heeft verkocht aan (buitenlandse) afnemers. Of deze partijen hennep afkomstig zijn van de hennepkwekerijen van de organisatie, staat echter niet vast. [medeverdachte 1] is bijvoorbeeld geen enkele keer waargenomen bij de hennepkwekerijen van de organisatie. Dit zou, zoals een anonieme tipgever omschrijft, een bewuste keuze kunnen zijn om hem uit de ‘picture’ te houden, maar ook dat blijkt onvoldoende uit het dossier. Weliswaar spreekt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] over ‘die jongens van ons’, maar daaruit valt niet af te leiden dat hij op deze specifieke organisatie doelt. Het enkele feit dat [medeverdachte 1] door enkele afnemers ‘chef’ wordt genoemd (en zichzelf ook zo noemt), beschouwt de rechtbank evenmin als redengevend bewijs, omdat het ook zo kan zijn dat deze aanduiding alleen ziet op zijn hoedanigheid als onderhandelaar en/of verkoper van verdovende middelen. Dat [medeverdachte 1] in de jaren 2013, 2014 en 2015 meerdere bestellingen heeft geplaatst bij een growshop, zegt naar het oordeel van de rechtbank ook niets over zijn rol in de criminele organisatie.

Gelet op wat de rechtbank hiervoor ten aanzien van de onderscheiden hennepkwekerijen heeft overwogen en geoordeeld, was het oogmerk van de organisatie onmiskenbaar de grootschalige hennepteelt. Ten aanzien van alle deelnemers aan de organisatie is gebleken dat zij als medepleger met anderen betrokken zijn geweest bij het telen van hennepplanten in meerdere hennepkwekerijen.

De duurzaamheid en de structuur van deze organisatie volgt uit wat de rechtbank ten aanzien van de onderscheiden hennepkwekerijen heeft overwogen. Daaruit blijkt dat gedurende een periode van ruim twee jaren de genoemde zes personen in een bestendige vorm van samenwerking hebben geopereerd. Ten aanzien van hun onderlinge rolverdeling overweegt de rechtbank het volgende.

[medeverdachte 2] was de onbetwiste leider van de organisatie. Zo verklaart [medeverdachte 19] dat hij degene was die de lijntjes uitzette.120 [medeverdachte 5] zegt dat hij met [medeverdachte 2] afspraken maakte. Als hem wordt gevraagd waarom, antwoordt hij dat hij de man is waar het om gaat. Het is de jongen die de lijn uitzet en bepaalt wat er gebeurt. Zijn wil is wet.121 Ook [medeverdachte 6] verklaart dat [medeverdachte 2] hem vertelde wat hij moest doen.122 [medeverdachte 2] gaf ook andere leden van de organisatie opdrachten, zoals [verdachte] voor wat betreft het transport van verdovende middelen naar Duitsland. [medeverdachte 20] noemt [medeverdachte 2] de hoofdpersoon. Hij heeft gekeken of de locatie geschikt was voor een hennepkwekerij. Haar zus, [naam 9] , zou haar hebben verteld dat [medeverdachte 2] momenteel de tweede hoogste in rang is. [medeverdachte 18] verklaart ook dat [medeverdachte 2] de baas van het geheel was. Hij denkt dat omdat [medeverdachte 2] vaak het woord deed en in eerste instantie kwam kijken of de locatie geschikt was.123 De huurders dan wel eigenaren van de panden van de ontmantelde kwekerijen aan [adres 5] in Hoogeveen, [adres 8] in Emmen en [adres 9] in Saasveld hebben allen een bekennende verklaring afgelegd over hun rol. Zij hebben ook ieder voor zich verklaard dat zij met [medeverdachte 2] afspraken hebben gemaakt over de hennepkwekerij.124 Opvallend is dat de hennepkwekerijen ofwel werden gevestigd in panden van (leden van) de organisatie ofwel in panden van financieel kwetsbare personen, zoals [medeverdachte 15] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 20] en [medeverdachte 19] en [medeverdachte 17] .

De overige personen, te weten [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 9] , [verdachte] en [medeverdachte 5] hadden een uitvoerende rol binnen de organisatie. Zij waren voornamelijk betrokken bij het regelen van panden ten behoeve van de organisatie, de opbouw en inrichting van de kwekerijen, het onderhouden van de hennepplanten en ook het knippen van de planten. Ook fungeerden sommigen van hen als contactpersoon. Ten aanzien van enkele leden staat vast dat zij geheim vervoer verzorgden van carpoolplekken naar hennepkwekerijen. Tot slot heeft [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 2] verdovende middelen naar Duitsland getransporteerd.

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan bovenstaande criminele organisatie. De rechtbank zal voor de aanvang van de pleegperiode aansluiting zoeken bij de datum van de eerst opgezette hennepkwekerij waarbij de betrokkenheid van [verdachte] bewezenverklaard zal worden, te weten 1 augustus 2014. De einddatum van de pleegperiode wordt in dit geval gesteld op de datum van de aanhouding ter zake het transport van verdovende middelen naar Duitsland, te weten 16 februari 2016.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen ten aanzien van [verdachte] wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 16 februari 2016 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte, [medeverdachte 2] en andere personen welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep) opzettelijk telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 11 februari 2015 te Gramsbergen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk op het adres [adres 2] heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt een hoeveelheid van 900 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl verdachte het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door Enexis geleverde elektriciteit illegaal is afgetapt, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;

3.

hij in de periode van 9 februari 2015 tot en met 27 juli 2015 te Hoogeveen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt in een pand aan [adres 3] een hoeveelheid van 1354 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, waarbij ten behoeve van die hennepteelt een hoeveelheid door Rendo geleverde elektriciteit illegaal is afgetapt, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;

4.

hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 oktober 2015 te Steenwijk tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk op het adres [adres 4] heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt een hoeveelheid van 550 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zulks terwijl verdachte het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De rechtbank constateert dat het ‘illegaal aftappen’ van elektriciteit als buitenwettelijke term geen basis vindt in het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Dit onderdeel van de bewezenverklaring kan dan ook niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd.

Het overig bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in samenhang met artikel 11 van de Opiumwet en de artikelen 11a (oud) en 11b van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid van de Opiumwet;

feiten 2 en 4

telkens het misdrijf:

medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

feit 3

het misdrijf:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie houdt in het voordeel van [verdachte] rekening met het feit dat de redelijke termijn in ruime mate is overschreden, in die zin dat waar normaal per hennepkwekerij een gevangenisstraf van vier maanden of hoger nu een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden wordt geëist. Voor wat betreft de criminele organisatie wordt gekeken naar iemands positie en rol binnen de organisatie.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank in het geval van een bewezenverklaring primair te volstaan met een deels voorwaardelijke straf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Deze straf is passend, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat [verdachte] in de afgelopen jaren geen contacten met politie en justitie heeft gehad. De raadsvrouw vraagt de rechtbank subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat daarmee niet kan worden volstaan, als aanvullende straf een taakstraf op te leggen. Op die manier kan [verdachte] zijn baan en woning behouden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte] zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

[verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie hield zich op grote schaal bezig met het bedrijfsmatig telen, bereiden, bewerken en verwerken van hennep. De rechtbank overweegt dat [verdachte] een uitvoerende, maar niet ondergeschikte, rol heeft gespeeld binnen de criminele organisatie. Hij is door zijn betrokkenheid een onmisbare schakel geweest bij het in stand houden daarvan. De rechtbank beschouwt de mate van organisatie, waarin in gezamenlijk verband willens en wetens buitengewoon kwalijke feiten zijn gepleegd, als een strafverzwarende omstandigheid. Ook weegt de rechtbank het professionele dan wel bedrijfsmatige karakter van de organisatie mee. De rechtbank overweegt dat het gebruik van hennep een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van drugs vindt. Daarnaast heeft [verdachte] ten behoeve van enkele hennepkwekerijen gedurende enige tijd onrechtmatig elektriciteit afgetapt. Diefstal is een kwalijk feit en veroorzaakt schade. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat het illegaal aftappen van elektriciteit kan leiden tot gevaarlijke situaties, zoals kortsluiting en brand.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van 23 april 2020. Hieruit blijkt dat [verdachte] op 16 december 2013 door de politierechter in Noord-Nederland eerder is veroordeeld voor een soortgelijk Opiumwetfeit. De rechtbank overweegt voorts dat [verdachte] op 28 april 2017 ter zake het transport van verdovende middelen naar Duitsland door het gerecht in Bremen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat door de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.125 Wanneer de redelijke termijn wordt overschreden, heeft een verdachte op grond van artikel 13 van het EVRM recht op een effectief rechtsmiddel. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) leidt de rechtbank enerzijds af dat dit rechtsmiddel compensatie moet kunnen bieden voor de overschrijding en er anderzijds toe moet leiden dat (toekomstige) termijnoverschrijdingen worden voorkomen.126

In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op de dag van de inverzekeringstelling, te weten 10 mei 2016. Dit betekent, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren, dat [verdachte] in beginsel de afronding van zijn proces met een eindvonnis op 10 mei 2018 had mogen verwachten. Dit vonnis is echter gewezen op 2 september 2020, circa twee jaren en drie maanden later. De rechtbank stelt vast dat de zaak onderdeel uitmaakt van een zeer omvangrijk onderzoek, waarvoor 22 verdachten in juni 2020 hebben terechtgestaan. Om proceseconomische redenen is besloten de zaken van deze verdachten bij elkaar te houden.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft dat echter geen rechtvaardiging voor een voortdurende termijnoverschrijding van de vastgestelde duur en moet (een deel van) de periode aan de Nederlandse Staat worden toegerekend. De rechtbank overweegt dat deze overschrijding matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht, alles afwegende, mede gelet op de betrokkenheid van [verdachte] bij drie hennepkwekerijen en zijn deelname aan de criminele organisatie, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en geboden. De rechtbank overweegt dat de stelling van de raadsvrouw dat [verdachte] , door oplegging van een gevangenisstraf zijn baan en daarmee huis kan behouden, te weinig gewicht in de schaal legt om het opleggen van een taakstraf te kunnen rechtvaardigen. Gelet op de vereiste compensatie van de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank per hennepkwekerij (in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden) een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen. Voor het deelnemen aan de criminele organisatie acht de rechtbank, gelet op de uitvoerende rol, een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden op zijn plaats. De rechtbank komt tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van het voorarrest.

7.4

De voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis is geschorst voor onbepaalde tijd. De rechtbank acht termen aanwezig om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

Feit 2

Enexis B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Namens de benadeelde partij wordt door mr. A. Vaarkamp, advocaat in Zwolle, gevorderd [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 5.905,96 (zegge: vijfduizend negenhonderdvijf euro en zesennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bedraagt € 4.894,51 en bestaat uit de volgende posten:

- netwerkkosten elektriciteit/CAPTAR € 65,36;

- uurtarief inspecteur € 444,00;

- elektriciteitsmeter 3 fase € 35,85;

- kosten netmeting € 334,55;

- vooronderzoek en dossieraanleg € 57,45;

- dossierverwerking en aangifte € 114,91;

- opmaken factuur € 76,62;

- afhandelingskosten € 114,91;

- verbruik elektriciteit € 3.650,86.

Daarnaast is een bedrag aan € 1.011,45 gevorderd aan (buiten)gerechtelijke kosten.

Feit 3

Rendo N.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 56.688,54 (zegge: zesenvijftigduizend zeshonderdachtentachtig euro en vierenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- afgenomen elektriciteit € 56.148,54;

- monteurskosten € 240,00;

- administratiekosten € 300,00.

Feit 5

Rendo N.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert [verdachte] te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 16.404,32 (zegge: zestienduizend vierhonderdvier euro en tweeëndertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- afgenomen elektriciteit € 15.716,94;

- verwijderen herplaatsen meetinrichting € 220,00;

- elektriciteitsmeter € 171,00;

- gasmeter € 146,38;

- administratiekosten € 75,00.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, omdat diefstal van elektriciteit niet afzonderlijk is ten laste gelegd en de Rechtbank Overijssel in een zaak van een medeverdachte oordeelde dat in dat geval een rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde en de gestelde geleden schade ontbreekt.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit primair dat, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, de vorderingen van de benadeelde partijen geen bespreking behoeven. De raadsvrouw merkt subsidiair ten aanzien van de hennepkwekerij aan [adres 3] (feit 3) op dat een aanzienlijk deel van de vordering dient te worden afgewezen, omdat er in het dossier niet over vijf, maar twee oogsten wordt gesproken.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Feiten 2 en 3

De rechtbank zal de benadeelde partijen Enexis B.V. en Rendo N.V. niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat het schadeveroorzakende feit niet afzonderlijk als diefstal is ten laste gelegd. Aldus is door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet komen vast te staan dat [verdachte] door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Feit 5

De vorderingen heeft betrekking op het onder 5 tenlastegelegde. Nu [verdachte] van dit feit wordt vrijgesproken en aan hem geen maatregel wordt opgelegd, zal de rechtbank de benadeelde partij Rendo N.V. op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 57 en 63 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat [verdachte] het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 het misdrijf: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid van de Opiumwet;

feiten 2 en 4 telkens het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

feit 3 het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;

strafbaarheid verdachte

- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partijen Enexis B.V. (feit 2) en Rendo N.V. (feiten 3 en 5) in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vordering, en dat de benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. C.A. Peterzon en

mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Dienst Regionale Recherche, Eenheid Oost-Nederland met nummer 07Travee / 07TAC14006. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Pagina 8189.

3 Pagina’s 6300-6306.

4 Pagina 6155.

5 Pagina 6156.

6 Pagina 6157.

7 Pagina’s 6106-6114.

8 Pagina’s 6280-6287.

9 Pagina’s 6283.

10 Pagina 6255.

11 Pagina’s 6101-6105.

12 Pagina 6250.

13 Pagina’s 6114-6119.

14 Pagina 6207.

15 Pagina 6210.

16 Pagina’s 6212-6215.

17 Pagina’s 6300-6306.

18 Pagina 6325.

19 Pagina 6329.

20 Pagina 6285.

21 Pagina 6301.

22 Pagina 6339.

23 Pagina’s 6337-6344.

24 Pagina 700.

25 Pagina 6404.

26 Pagina 6014.

27 Pagina’s 6127-6134.

28 Pagina’s 6136-6138.

29 Pagina’s 6149-6153.

30 Pagina 6335.

31 HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458.

32 De rechtbank verwijst naar het vonnis van medeverdachte [medeverdachte 8] van 2 september 2020, waarin diens verklaring ter terechtzitting is opgenomen.

33 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.

34 Pagina 7060.

35 Pagina 7061.

36 Pagina 7112.

37 Pagina’s 7268-7270.

38 Pagina 7063.

39 Pagina 7139 en pagina 7374.

40 Pagina’s 7131-7132.

41 Pagina 7288.

42 Pagina 7291.

43 Pagina’s 7050-7059.

44 Pagina’s 7360-7372.

45 Pagina’s 7365-7367.

46 Pagina 7367.

47 Pagina 7370.

48 Pagina’s 7339-7342 (13 april 2015), pagina’s 7344-7348 (9 april 2015) en pagina’s 7349-7359 (8 april 2015).

49 Pagina 7491.

50 Pagina 7531.

51 Pagina 7492.

52 Pagina 7494.

53 De rechtbank verwijst naar pagina 700 voor de legenda.

54 Pagina 12107.

55 Pagina 7494.

56 Pagina 7531.

57 Pagina 7581.

58 Ter illustratie: pagina 7298.

59 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.

60 Pagina 8123.

61 Pagina 8124.

62 Pagina 8125.

63 Pagina 8189.

64 Pagina 6337 ( [verdachte] ), pagina’s 6343-6344 ( [medeverdachte 2] ), pagina 6338 ( [medeverdachte 9] ) en pagina 6341 ( [medeverdachte 6] ).

65 Pagina’s 8185 en 8187.

66 Pagina’s 8205 en 8211.

67 Pagina 8207.

68 Pagina’s 8187 en 8189.

69 Pagina 8186.

70 Pagina 8224.

71 Pagina 8247.

72 Pagina 8264.

73 Pagina 8312.

74 Pagina 8391.

75 Pagina 8392.

76 Pagina 8391.

77 Pagina 8199.

78 Pagina’s 8365-8370.

79 Pagina 8366.

80 Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 19 mei 2016.

81 Pagina 8423.

82 Pagina’s 8039-8040.

83 Pagina 8012.

84 Pagina 8022.

85 Pagina’s 8048 en 8057.

86 Pagina 8060.

87 Pagina’s 8060-8062, 8108 en 8110.

88 Pagina’s 8067, 8108 en 8111.

89 Pagina’s 8085-8093.

90 Medeverdachte [medeverdachte 7] is op 22 januari 2019 en medeverdachte [medeverdachte 14] is op 23 januari 2019 veroordeeld door de politierechter.

91 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.

92 De rechtbank verwijst ter raadpleging naar pagina’s 567-569, maar gebruikt deze informatie niet als bewijsmiddel.

93 Pagina’s 570-573.

94 Pagina 574 juncto pagina 518.

95 Pagina’s 576-580.

96 Pagina 578.

97 De rechtbank verwijst ter raadpleging naar pagina 2572, maar gebruikt deze informatie niet als bewijsmiddel.

98 De rechtbank verwijst ter raadpleging naar pagina’s 2528-2531, maar gebruikt deze informatie niet als bewijsmiddel.

99 De rechtbank verwijst ter raadpleging naar pagina’s 2536-2537, maar gebruikt deze informatie niet als bewijsmiddel.

100 De rechtbank verwijst ter raadpleging naar pagina’s 2603-2604, maar gebruikt deze informatie niet als bewijsmiddel.

101 De rechtbank verwijst ter raadpleging naar pagina’s 2606-2607, maar gebruikt deze informatie niet als bewijsmiddel.

102 Pagina 619.

103 Pagina’s 621-657.

104 Pagina 711.

105 Pagina’s 621 en 634.

106 Pagina 624.

107 Pagina 625.

108 Pagina 711.

109 Pagina 1048.

110 Pagina 16005.

111 Pagina 16027.

112 Pagina 16028.

113 Pagina 16031.

114 Pagina 16054.

115 Pagina 16052.

116 Pagina 16050.

117 Pagina’s 16199-16201.

118 Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van 22 mei 2019.

119 De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat deelname aan een criminele organisatie niet aan [medeverdachte 6] is ten laste gelegd.

120 Pagina 931.

121 Pagina 938.

122 Pagina 943.

123 Pagina 970.

124 Pagina 1009 ( [medeverdachte 15] ), pagina 1028 ( [medeverdachte 18] ) en pagina 931 ( [medeverdachte 19] ) / pagina 960 ( [medeverdachte 20] ).

125 HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

126 EHRM 26 oktober 2000, zaaknr. 30210/96 (Kudła/Polen), r.o. 158.