Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2890

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
08.245143.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 22-jarige man tot een taakstraf van 90 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het veroorzaken van een verkeersongeluk. De man kwam met zijn auto op de verkeerde weghelft terecht en botste op een tegenliggen. De man was tijdens het rijden afgeleid door zijn mobiele telefoon en merkte daardoor te laat op dat hij aan de verkeerde kant van de weg reed. Een aanrijding kon hij niet meer voorkomen en het slachtoffer liep daarbij lichamelijk letsel op. Naast de taakstraf legt de rechtbank de man een voorwaardelijke rijontzegging op van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.245143.19 (P)

Datum vonnis: 3 september 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E. Agelink en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M.Ü. Özsüren, advocaat te Harderwijk, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander lichamelijk letsel is toegebracht dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2019 te Staphorst in de gemeente Staphorst als verkeersdeelnemer, namelijk als (beginnend) bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting Van de J.J. Gorterlaan en/of gaande in de richting van de Gemeenteweg, daarmede rijdende over de weg, de Oosterparallelweg zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte gekomen in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting flauw naar rechts verlopende bocht, in strijd met het gestelde in artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of tijdens dat besturen van dat motorrijtuig (personenauto) handelingen aan die mobiele telefoon heeft verricht en/of uitgevoerd en/of niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het hem, verdachte tegemoetkomende verkeer en/of naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of niet het wegverloop van die weg (de Oosterparallelweg) heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Oosterparallelweg) is terechtgekomen en/of in strijd met het gestelde in artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte hem, verdachte tegemoet rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bedrijfswagen met aanhangwagen), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een, althans een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2019 te Staphorst in de gemeente Staphorst als (beginnend) bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting Van de J.J. Gorterlaan en/of gaande in de richting van de Gemeenteweg, daarmede heeft gereden over de weg, de Oosterparallelweg en gekomen in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting flauw naar rechts verlopende bocht, in strijd met het gestelde in artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 een mobiele telefoon heeft vastgehouden en/of tijdens dat besturen van dat motorrijtuig (personenauto) handelingen aan die mobiele telefoon heeft verricht en/of uitgevoerd en/of naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of niet het wegverloop van die weg (de Oosterparallelweg) heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Oosterparallelweg) is terechtgekomen en/of in strijd met het gestelde in artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en/of gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte hem, verdachte tegemoet rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bedrijfswagen met aanhangwagen), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen1 wordt het volgende vastgesteld.

Op 29 mei 2019 reed verdachte als bestuurder van een personenauto over de Oosterparallelweg te Staphorst.2 De bestuurder van een Mercedes bedrijfswagen met aanhanger ( [slachtoffer] ) reed in tegengestelde richting over de Oosterparallelweg. Verdachte kwam, gezien zijn rijrichting, in een flauwe bocht naar rechts op de linker weghelft terecht en botste aldaar tegen de Mercedes. De Mercedes reed uiterst rechts en trachtte middels een noodremming een aanrijding te voorkomen.3

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij zag dat de auto op zijn weghelft kwam en dat hij hierop het gas heeft losgelaten. [slachtoffer] verklaarde verder dat de auto er sneller was dan gedacht. Toen de auto dichtbij was, is hij gaan remmen. Hij zag dat de bestuurder van de auto een jongen was en dat de bestuurder naar beneden keek. Op het laatst zag hij hem omhoog kijken. Naar het idee van [slachtoffer] zag hij grote ogen en probeerde verdachte nog uit te wijken.4

Verdachte heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren van het ongeval.5

De politie heeft de telefoon van verdachte uitgelezen in het kader van het onderzoek naar de oorzaak van het ongeval. In Whatsapp stond een chatgesprek met contactpersoon “ [naam] ” waarin te zien is dat op 29 mei 2019, om 15.44 uur en 15.45 uur, chatberichten zijn verstuurd door verdachte. Om 15.46 uur heeft verdachte een foto ontvangen.6

De melding van het ongeval kwam om 15.46 uur binnen bij de verbalisant.7

Ten gevolge van het ongeval ontstond lichamelijk letsel bij beide bestuurders. Uit de letselverklaring blijkt dat [slachtoffer] een lichte hersenschudding, oppervlakkige schaafwonden in de hals, kneuzingen van de linker nier en schaafwonden in de linker flank heeft opgelopen. De arts verwachtte volledig functioneel herstel binnen 3 tot 6 weken.8 In een aanvullend verhoor op 7 oktober 2019 heeft [slachtoffer] verklaard dat hij nog kampt met pijn in zijn rug. Hij kan niet meer hardlopen of voetballen. Vanaf de dag van het ongeluk tot 25 augustus 2019 heeft [slachtoffer] niet (volledig) kunnen werken. Hij is vanaf 25 augustus 2019 weer aan het werk.9

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie kan het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte zijn telefoon heeft gebruikt op het moment van het ongeval. Daarnaast is er naar de mening van de verdediging geen bewijs voor lichamelijk letsel bij het slachtoffer als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid van verdachte. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Subsidiair is aan de orde de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW.

Gelet op de bij de vaststaande feiten en omstandigheden opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 29 mei 2019 zijn aandacht langer dan een enkel moment niet (voldoende) op de weg voor hem heeft gehouden. Immers, de politie heeft de melding van het ongeval om 15.46 uur ontvangen, terwijl verdachte om 15.44 en 15.45 uur nog Whatsapp berichten heeft verstuurd en om 15.46 uur een foto via Whatsapp heeft ontvangen. In aanmerking nemend dat er ook nog korte tijd is verstreken tussen het ongeval en het moment van melding ervan, vallen het moment van het ongeval en het telefoongebruik van verdachte nagenoeg samen. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte naar beneden keek, en op het laatst (de rechtbank begrijpt, vlak voor de aanrijding) omhoog keek.

Voor de rechtbank is vast komen te staan dat verdachte ten tijde van de aanrijding zijn mobiele telefoon heeft gebruikt en dat hij daardoor zodanig afgeleid was dat hij op de verkeerde weghelft terecht is gekomen en tegen de auto van [slachtoffer] is gebotst. Van een mogelijke andere oorzaak is de rechtbank niet gebleken. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte te hard reed en evenmin dat hij onder invloed was. Zijn auto had geen relevante mankementen. Indien verdachte niet zou zijn afgeleid door zijn telefoongebruik en de vereiste normale oplettendheid had betracht, dan had hij, naar het oordeel van de rechtbank, op dezelfde rijbaan kunnen blijven rijden om zo een aanrijding te voorkomen. Van slechts een enkel moment van onoplettendheid dat niet tot het zware verwijt kan leiden van artikel 6 WVW, zoals door de raadsman van verdachte is bepleit, is geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, alle omstandigheden in aanmerking genomen, schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden.

De vraag is vervolgens of het letsel van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als letsel als bedoeld in artikel 6 WVW. De raadsman heeft aangevoerd dat er geen bewijs is voor zodanig letsel, omdat het bestaan van het letsel slechts blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] zelf. De rechtbank oordeelt dat wél sprake is van het bedoelde letsel en overweegt daartoe als volgt.

Naast de verklaring van [slachtoffer] dat hij als gevolg van het ongeval tijdelijk niet kon voetballen en hardlopen, blijkt zijn letsel ook uit de letselverklaring waarbij de arts heeft verklaard dat volledig functioneel herstel pas binnen drie tot zes weken te verwachten was. Daarnaast heeft [slachtoffer] bijna drie maanden – van 29 mei 2019 tot en met 25 augustus 2019 – niet kunnen werken. Uit meerdere bewijsmiddelen blijkt dus dat bij [slachtoffer] sprake was van letsel waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de normale bezigheden is ontstaan en daarmee van letsel als bedoeld in artikel 6 WVW.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 mei 2019 in de gemeente Staphorst als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto) daarmede rijdende over de weg, de Oosterparallelweg, aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat hij, verdachte gekomen in een in die weg gelegen, gezien verdachtes rijrichting flauw naar rechts verlopende bocht, tijdens dat besturen van dat motorrijtuig (personenauto) handelingen aan een mobiele telefoon heeft verricht en uitgevoerd en niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het hem, verdachte tegemoetkomende verkeer en niet het wegverloop van die weg (de Oosterparallelweg) heeft gevolgd en geheel op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Oosterparallelweg) is terechtgekomen en niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan zoveel mogelijk rechts te houden en is gebotst tegen een over dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte hem, verdachte tegemoet rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (bedrijfswagen met aanhangwagen), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 van de WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

Het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht, dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 90 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van zes maanden, beiden met een proeftijd van twee jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, bij een veroordeling op grond van overtreding van artikel 5 WVW, verzocht om verdachte een rechterlijk pardon te geven en geen straf of maatregel op te leggen, omdat verdachte al voldoende gestraft is gelet op de gevolgen die verdachte heeft ondervonden van het ongeval.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft op 29 mei 2019 een ongeval veroorzaakt. Hij is met zijn auto op de verkeerde weghelft terechtgekomen en op een tegenligger gebotst. Hij was tijdens het rijden afgeleid door zijn mobiele telefoon, door het versturen en ontvangen van Whatsapp-berichten. Verdachte heeft daardoor te laat opgemerkt dat hij aan de verkeerde kant van de weg reed en kon een aanrijding niet meer voorkomen. Zelfs van een noodremming door verdachte is geen sprake meer geweest. Verdachte is een beginnend bestuurder en reed op een voor hem redelijk onbekende weg. Die omstandigheden maken het gebruik van een mobiele telefoon tijdens het rijden nog kwalijker. Van verdachte had juist verwacht mogen worden dat hij extra alert was.

Met de afdoening van deze strafzaak wordt niet alleen het doel van vergelding of speciale preventie gediend, maar ook het doel een breder signaal richting de maatschappij af te geven. Duidelijk moet zijn dat het gebruik van de telefoon of het actief zijn op sociale media tijdens het besturen van een auto letterlijk levens kost en dat daarvoor in strafrechtelijk opzicht verantwoording dient te worden afgelegd, met alle gevolgen van dien. Door zich bezig te houden met zijn mobiele telefoon heeft verdachte niet alleen zijn eigen leven, maar ook dat van zijn mede weggebruikers in gevaar gebracht. Verdachte zelf heeft als geen ander de consequenties van zijn gedrag moeten dragen en heeft ten gevolge van de aanrijding zeer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij heeft weken in het ziekenhuis gelegen, deels op de intensive care en heeft nog dagelijks te maken met gevolgen van het ongeval. Zo is hij fysiek minder belastbaar en wordt zijn contract bij zijn werkgever per 30 september 2020 niet meer verlengd. De rechtbank neemt deze gevolgen voor verdachte mee in de strafoplegging. Vanwege de ernst van het feit kan van een rechterlijk pardon, zoals door de raadsman bepleit, echter geen sprake zijn.

De rechtbank begrijpt dat er door misverstanden over en weer na het ongeval geen contact tussen verdachte en [slachtoffer] is geweest en dat geenszins sprake is van een weigerachtige opstelling van verdachte om met [slachtoffer] in gesprek te gaan.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder acht geslagen op het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie van 10 juni 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen.

Alles overwegende acht de rechtbank een straf zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b,14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 179 van de WVW 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel wordt toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 90 (negentig) uren;

- bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte van 40 uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de taakstraf en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. M.W. Eshuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Ham-Kolk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2020.

Buiten staat

Mr. M.W. Eshuis is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2019234683-1. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf van 29 mei 2019, dossierpagina 2.

3 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse van 4 juli 2019, dossierpagina 11.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] , dossierpagina 50.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 43.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 11 juni 2019, dossierpagina 56

7 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, dossierpagina 2.

8 Letselrapportage GGD IJsselland van 28 augustus 2019, dossierpagina 32-33.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer] van 7 oktober 2019, dossierpagina 52-53.