Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2842

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
08-303556-19, 08-095661-20 (gev ttz) en 08-011916-19 (TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 23-jarige man uit Rijssen is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 210 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk. De man sloot bijna een jaar geleden zijn vriendin op in een hotelkamer in Hengelo. Ook mishandelde de man later dat jaar twee hulpverleners en bedreigde één van hen.

Op 9 september 2019 waren de man en zijn toenmalige vriendin samen in een hotelkamer in Hengelo. Daar kregen ze ruzie omdat de man dacht dat zijn vriendin vreemdging. De vrouw heeft een paar keer tegen de man gezegd dat ze weg wilde, maar hij werd agressief en hield de vrouw tegen om de kamer te verlaten. Ze probeerde meerdere keren de deur te openen, maar werd iedere keer weggetrokken. In die kamer heeft de man haar ook geslagen. Het hotelpersoneel heeft aan de deur geklopt om te vragen of alles goed ging, maar de man voorkwam dat de vrouw naar de deur kon gaan.

Uiteindelijk heeft de vrouw de hotelkamer kunnen verlaten en is de man opgepakt Later in het jaar is de man opgenomen bij GGZ-instelling Dimence. Tijdens een gesprek met twee hulpverleners probeerde hij te ontsnappen Daarbij heeft hij de hulpverleners mishandeld en één van hen met de dood bedreigd.

De man erkent dat hij zijn vriendin een korte periode heeft vastgehouden op de hotelkamer, maar volgens hem was dat relatief kort en kan er geen sprake zijn van vrijheidsberoving. De rechtbank gaat daar niet in mee. Uit gegevens blijkt dat hij zijn vriendin tenminste 5 minuten van haar vrijheid heeft beroofd, genoeg om tot een bewezenverklaring van vrijheidsberoving te komen. Dat geldt ook voor de juridische kwalificatie ‘beroofd houden’. De mishandeling en de vrijheidsberoving op de hotelkamer heeft veel angst veroorzaakt bij het slachtoffer. Het heeft er alle schijn van dat (mede) door ingrijpen van het hotelpersoneel een einde is gekomen aan de vrijheidsberoving.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij zich schuldig maakte aan ernstige feiten, dat de man eerder is veroordeeld en het feit dat hij kampt met een persoonlijkheidsstoornis. Omdat de man heeft aangegeven dat hij geen behandeling wil – en daar niet aan zal meewerken – vindt de rechtbank het in dit geval zinloos om dit als bijzondere voorwaarde op te leggen. Wel legt de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op. Verdachte mag nu laten zien dat hij zonder hulp en behandeling niet in herhaling valt. Omdat de man eerder is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, en hij nu opnieuw in de fout gegaan is, wordt die voorwaardelijke straf – van drie weken – alsnog ten uitvoer gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers 08-303556-19, 08-095661-20 (gev ttz) en 08-011916-19 (TUL) (P)

Datum vonnis: 31 augustus 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachten] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.J. Jansen en van hetgeen door verdachte en diens raadsman mr. J. Michels, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de zaak met parketnummer 08-303556-19:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

feit 3: [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

in de zaak met parketnummer 08-095661-20:

feit 1: [slachtoffer 3] heeft mishandeld;

feit 2: [slachtoffer 3] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

in de zaak met parketnummer 08-303556-19:

1.

hij op of omstreeks 20 december 2019, in de gemeente Almelo,

een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze meermalen, in elk geval eenmaal in het gezicht en/althans tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te treffen en/of door deze te duwen en/of te schoppen en/of te trappen;

2.

hij op of omstreeks 20 december 2019, in de gemeente Almelo,

een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze meermalen, in elk geval eenmaal in het gezicht en/althans tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen en/of te duwen en/althans te treffen en/of door deze te bijten en/of door deze een of meer zogenaamde kopstoten te geven;

3.

hij op of omstreeks 20 december 2019, in de gemeente Almelo,

een persoon ganaamd [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je kop eraf' en/of "Ik steek je dood" en/of "Ik weet je te vinden, je gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

in de zaak met parketnummer 08-095661-20:

1.

hij op of omstreeks te 9 september 2019 Hengelo, gemeente Hengelo (O)

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door meerdere malen, althans eenmaal die [slachtoffer 3] in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen en/of die [slachtoffer 3] (met kracht) vast te pakken bij haar polsen en/of (vervolgens) die [slachtoffer 3] aan haar polsen omhoog te trekken en/of (met
kracht) te duwen;

2.

hij op of omstreeks 9 september 2019 te Hengelo, gemeente Hengelo (O)
opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door met die [slachtoffer 3] naar een hotelkamer te gaan en/of die [slachtoffer 3] weg te houden en/of weg te trekken bij de deur van de hotelkamer, terwijl die [slachtoffer 3] een en/of meerdere malen heeft aangegeven dat hij, verdachte haar (naar huis) moest laten gaan.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten in de zaak met parketnummer 08-303556-19 en in de zaak met parketnummer 08-095661-20 wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

In de zaak met parketnummer 08-303556-19

De raadsman heeft in deze zaak geen (bewijs)verweer gevoerd.

In de zaak met parketnummer 08-095661-20

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte en aangeefster hebben elkaar over en weer enigszins belemmerd de kamer te verlaten, maar niet elke korte inperking van de bewegingsvrijheid moet vertaald worden naar een vervolging voor wederrechtelijke vrijheidsberoving. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 08-303556-19 1

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte was sinds 12 december 2019 opgenomen bij Dimence in het kader van een inbewaringstelling. Na een incident is verdachte op 19 december 2019 in een extra beveiligde kamer geplaatst. Aangever [slachtoffer 2] is werkzaam bij Dimence en heeft op

20 december 2019 een gesprek gehad met verdachte. Tijdens dit gesprek probeerde verdachte de kamer te ontvluchten en hebben aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geprobeerd verdachte tegen te houden, waarbij een gevecht ontstond.

[slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte hem bij dat gevecht heeft geschopt, geslagen, een kopstoot op de wang heeft gegeven en hem in de schouder heeft gebeten. Verdachte heeft hem bedreigd met de woorden “ik sla je kop er af, ik steek je dood, ik weet je te vinden, je gaat eraan”.2 Van het aan de schouder ontstane letsel zijn foto’s gemaakt door [slachtoffer 2] die bij zijn aangifte zijn gevoegd.3

[slachtoffer 1] , eveneens werkzaam bij Dimence, heeft bij de politie verklaard dat verdachte intrapte op [slachtoffer 2] . Ook probeerde verdachte [slachtoffer 2] kopstoten te geven. [slachtoffer 1] heeft [slachtoffer 2] geholpen en heeft een klap in haar gezicht gekregen waardoor letsel is ontstaan. Ze weet niet hoe verdachte haar heeft geraakt. Zij heeft gehoord dat verdachte [slachtoffer 2] bedreigde met de woorden “ik pak jou wel, ik weet je te vinden”.4 De politie heeft van het letsel in het gezicht van [slachtoffer 1] een foto gemaakt die bij de aangifte is gevoegd.5

De aangiftes van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] worden ondersteund door verklaringen van hun collega’s [collega 1] en [collega 2] die getuige zijn geweest van het gevecht.

Zo heeft getuige [collega 1] verklaard dat verdachte om zich heen sloeg en dat aangevers geraakt moeten zijn. Verder heeft zij gezien dat verdachte [slachtoffer 2] schopte, sloeg en probeerde hem een kopstoot te geven. Verdachte heeft meerdere keren gedreigd met de woorden “ik maak je dood, ik pak je, ik weet je wel te vinden” of woorden van gelijke strekking. Zij heeft niet gezien dat [slachtoffer 2] is gebeten, maar heeft de beet later wel gezien.6

Getuige [collega 2] heeft gezien dat verdachte wild om zich heen sloeg en [slachtoffer 2] enkele keren raakte. [slachtoffer 1] is volgens haar ook wel geraakt door de maaiende armen van verdachte. Verdachte heeft geschreeuwd “als je mij opsluit vermoord ik jou, ik weet je te vinden, kankerhond” of woorden van gelijke strekking en keek daarbij naar [slachtoffer 2] .7

De rechtbank acht, gelet op deze bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 december 2019 [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te slaan, te schoppen en te bijten en [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] een kopstoot heeft gegeven. De aangifte van [slachtoffer 2] wordt op dat vlak onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen; getuigen hebben verklaard dat verdachte probeerde [slachtoffer 2] een kopstoot te geven.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 20 december 2019 [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

In de zaak met parketnummer 08-095661-20 8

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze feiten het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), vriendin van verdachte, heeft bij de politie verklaard op 9 september 2019 met verdachte naar een hotelkamer te zijn gegaan en dat hij daar agressief werd omdat hij dacht dat ze vreemd was gegaan. Ze heeft een paar keer tegen verdachte gezegd dat ze wegwilde, maar verdachte zei dat ze niet weg mocht gaan. Ze heeft meerdere keren geprobeerd de deur te openen, maar werd elke keer teruggetrokken en geslagen door hem. Ook is ze stevig bij haar armen en polsen beetgepakt. Ze heeft geprobeerd zich los te rukken en is toen met de vlakke hand door verdachte in haar gezicht geslagen, ze denkt een keer of drie, vier. Een medewerker van het hotel heeft aangeklopt om te vragen of het goed ging, maar verdachte was eerder bij de deur om deze te openen. Toen een tweede keer op de deur werd geklopt is ze wederom naar de deur gerend en werd ze voordat ze de deur opende en weg kon komen door verdachte teruggetrokken en geslagen.9

De verbalisant die de aangifte van [slachtoffer 3] heeft opgenomen, heeft letsel in het gezicht van [slachtoffer 3] gezien, te weten een kras naast het rechteroog en een kleine blauwe plek. Verder heeft de verbalisant op beide polsen een kleine blauwe plek geconstateerd.10 Van het letsel zijn foto’s gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd.11

Verbalisanten die op 9 september 2019 [slachtoffer 3] thuis hebben bezocht, hebben aan beide zijden van het gezicht ter hoogte van de jukbeenderen een lichte verkleuring en zwelling geconstateerd; ze hebben foto’s gemaakt van het letsel.12 De huisarts heeft op 10 september een medische verklaring afgegeven waarin staat dat hij onder andere een kras op de rechterkant van het gelaat en de knie ziet en een kleine blauwe plek boven het rechteroog.13

De politie heeft camerabeelden met geluid van 9 september 2019 opgevraagd bij het hotel en deze bekeken en uitgeluisterd. Verbalisant hoort rond 12.42 uur iemand aankloppen bij een kamer en hoort tussen 12.47 en 12.49 uur een vrouwelijke stem roepen “hou op, doet mij pijn”.. door zo! Laat mij gaan!, “Laat mij alstublieft gaan.” Laat mij gaan…..Nee!....Ik wil naar huis…..Ik wil naar huis nu” en “laat mij naar huis Au”!.14

Getuige [getuige] , werkzaam bij het hotel, heeft verklaard dat ze op 9 september 2019 geschreeuw tussen een man en vrouw heeft gehoord op kamer 409. Ze zag op haar lijst met kamernummers en gastennamen de naam “ [verdachten] ” staan bij kamer 409.15

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij [slachtoffer 3] één keer met de vlakke hand in het gezicht heeft geslagen als reactie op een klap die hij van haar heeft gekregen.16

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 september 2019 [slachtoffer 3] heeft mishandeld door haar meerdere keren te slaan en met kracht bij de polsen te pakken en dat verdachte haar wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.

Het verweer van de verdediging dat de bewegingsvrijheid van aangeefster zo kort beperkt is geweest dat niet gesproken kan worden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, wordt verworpen. Anders dan de verdediging stelt, blijkt uit de bewijsmiddelen dat de beperking van de bewegingsvrijheid van [slachtoffer 3] niet van korte duur is geweest. Daar komt bij dat wederrechtelijke vrijheidsberoving niet enige tijd hoeft te duren. Zo kan iemand slechts enkele seconden wederrechtelijk van zijn vrijheid worden beroofd. Anders is dat voor het beroofd houden. Daarvoor geldt wel dat de beperking van de vrijheid van beweging enige tijd moet duren. In de jurisprudentie wordt daarvoor een lage drempel aangehouden. Ook indien bij de dader niet het opzet bestaat de vrijheidsbeneming langer te doen duren dan enige minuten, is sprake van vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 Sr.17

Aangeefster heeft verklaard dat zij heeft geprobeerd te vluchten toen op de deur werd geklopt. Omstreeks 12.42 uur is op de deur geklopt. Tussen 12.47 uur en 12.49 uur heeft [slachtoffer 3] meerdere keren geroepen dat verdachte haar moest laten gaan, waarna zij de kamer heeft verlaten. Aldus heeft de wederrechtelijke vrijheidsberoving minimaal vijf minuten geduurd zodat is voldaan aan de ondergrens van enige minuten die geldt voor het beroofd houden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

in de zaak met parketnummer 08-303556-19

1.

hij op 20 december 2019 in Almelo, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze in het gezicht te slaan;

2.

hij op 20 december 2019 in Almelo, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze meermalen tegen het lichaam te slaan en te schoppen en door deze te bijten;

3.

hij op 20 december 2019, in Almelo, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik sla je kop eraf' en "Ik steek je dood" en "Ik weet je te vinden, je gaat eraan";

in de zaak met parketnummer 08-095661-20

1.

hij op 9 september 2019 te Hengelo (O) [slachtoffer 3] heeft mishandeld door meerdere malen die [slachtoffer 3] tegen het gezicht te slaan en die [slachtoffer 3] met kracht vast te pakken bij haar polsen;

2.

hij op 9 september 2019 te Hengelo (O) opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door met die [slachtoffer 3] naar een hotelkamer te gaan en die [slachtoffer 3] weg te houden en weg te trekken bij de deur van de hotelkamer, terwijl die [slachtoffer 3] meerdere malen heeft aangegeven dat hij, verdachte, haar moest laten gaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 08-303556-19:

feit 1

het misdrijf: mishandeling;

feit 2

het misdrijf: mishandeling;

feit 3

het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

in de zaak met parketnummer 08-303556-19:

feit 1

het misdrijf: mishandeling;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voorgesteld om bij een bewezenverklaring verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen op te leggen, waarvan 71 dagen voorwaardelijk, zodat verdachte per saldo niet meer terug hoeft in detentie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen, een bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat door zijn handelen medewerkers van Dimence die hem behandelden, tijdens het verrichten van hun werk zijn geconfronteerd met excessieve verbale agressie en fysiek geweld. Dat is onacceptabel. Uit het dossier blijkt ook dat het voorval diepe indruk heeft gemaakt op deze medewerkers die het nodige gewend zijn omdat zij regelmatig met agressieve patiënten werken. Dat het geweld buitensporig is geweest, staat voor de rechtbank dan ook vast.

Ook verwijt de rechtbank verdachte dat hij zijn partner [slachtoffer 3] heeft mishandeld en haar van haar vrijheid heeft beroofd. De mishandeling en de vrijheidsberoving op de hotelkamer, niet wetende wanneer dit zou eindigen, heeft veel angst veroorzaakt bij het slachtoffer hetgeen blijkt uit haar verklaring, de emotionele toestand waarin het personeel het slachtoffer heeft aangetroffen en haar emoties bij de politie. Het heeft er alle schijn van dat (mede) door ingrijpen van het personeel van het hotel een einde is gekomen aan deze voor het slachtoffer angstige situatie.

Verdachte heeft er ter terechtzitting op geen enkele wijze blijk van gegeven inzicht te hebben in het strafbare van zijn handelen en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. Enig oprecht berouw heeft verdachte niet getoond en de schuld legt verdachte telkens bij anderen. Dat rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 10 juli 2020 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een bedreiging en twee mishandelingen en wel op 24 juni 2019 door de politierechter in de rechtbank Overijssel. Verdachte heeft toen 40 uren werkstraf opgelegd gekregen en drie weken gevangenisstraf voorwaardelijk met drie jaren proeftijd met onder andere als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd verplicht ambulant zou laten behandelen. Verdachte liep wat betreft die straf nog in een proeftijd, maar de in die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelegen waarschuwing geen nieuwe strafbare feiten te plegen, heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw meerdere geweldsdelicten te plegen.

Reclasseringswerker B. Hoogenkamp van Reclassering Nederland heeft op 3 augustus 2020 over verdachte gerapporteerd. Een ambulante behandeling is niet van de grond gekomen omdat verdachte onvoldoende meewerkt en een wisselende motivatie liet zien. De reclassering acht een klinische behandeling noodzakelijk om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Het advies van de reclassering is verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en opname in een zorginstelling.

De rechtbank houdt ook rekening met de door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, opgemaakte en ondertekende Pro Justitia-rapportage van 17 maart 2020. In deze rapportage staat dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid, ADHD en afhankelijkheid van cocaïne en cannabis, naast het gebruik van benzodiazepines. De gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens wordt gevormd door een borderline persoonlijkheidsstoornis met tevens antisociale kenmerken. Behandeling is nodig om verdachte tot gedragsverandering te laten komen en zo het recidiverisico dat zonder behandeling als hoog wordt ingeschat, te verminderen. Deze behandeling zal in een klinische setting moeten plaatsvinden en gericht zijn op zijn verslaving, ADHD en persoonlijkheidsstoornis. Een dergelijke behandeling kan gerealiseerd worden middels een klinisch traject op een forensische dubbele diagnose-afdeling en gestalte krijgen binnen het juridische kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. De deskundige adviseert om bij een bewezenverklaring verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen.

Op zitting heeft verdachte verklaard nut en noodzaak van reclasseringstoezicht en een klinische behandeling niet in te zien en dat hij op geen enkele wijze zal meewerken aan een klinische behandeling. Hij heeft naar eigen zeggen zijn leven weer op de rit en heeft hulp en behandeling niet meer nodig.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 210 dagen moet worden opgelegd met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. Om verdachte ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan strafbare (gewelds)misdrijven zal de rechtbank de 70 dagen gevangenisstraf die na aftrek van het voorarrest resteren, voorwaardelijk opleggen.

Gezien de stellige weigerachtige houding van verdachte om mee te werken aan reclasseringstoezicht en een klinische behandeling en het feit dat verdachte in het verleden niet, althans onvoldoende heeft meegewerkt aan opgelegde voorwaarden, acht de rechtbank het opleggen van een meldplicht en klinische behandeling in dit geval zinloos. Het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, wetende dat verdachte niet aan deze voorwaarden gaat voldoen, komt feitelijk neer op het opleggen van en onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank vindt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur in dit geval zeer wenselijk, zeker nu verdachte heeft verklaard geen hulp en behandeling nodig te hebben. Verdachte mag nu laten zien dat hij zonder hulp en behandeling niet in herhaling valt.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de gevangenisstraf van drie (3) weken die de politierechter van de rechtbank Overijssel in de zaak met parketnummer 08-011916-19 bij vonnis van 24 juni 2019 aan verdachte voorwaardelijk heeft opgelegd, met een proeftijd van drie jaren.

De raadsman heeft primair om verlenging van de proeftijd verzocht en subsidiair om omzetting van de voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf van 90 uren.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten schuldig heeft gemaakt en het moet voor verdachte duidelijk zijn dat als hij zich schuldig maakt aan strafbare feiten terwijl hij in een proeftijd loopt, dit verstrekkende gevolgen voor hem heeft. Dat geldt des te meer nu de rechtbank verdachte wederom een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt met als doel hem ervan te weerhouden nieuwe (gewelds)misdrijven te plegen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a en 14b Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de zaak met parketnummer 08-303556-19:

feit 1: mishandeling;

feit 2: mishandeling;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

in de zaak met parketnummer 08-095661-20:

feit 1: mishandeling;

feit 2: opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 (tweehonderdtien) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 70 (zeventig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 24 juni 2019 met parketnummer 08-011916-19 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie (3) weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en D. van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Koning, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-Noord, met registratienummer PL0600-2019567355 van 22 december 2019. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 1] van 20 december 2019 (pagina 5, derde tot en met vijfde alinea).

3 Bijlagen proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 1] van 20 december 2019 (pagina’s 7 en 8).

4 Proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 2] van 20 december 2019 (pagina 10, alinea 1 en 2).

5 Bijlagen proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 2] van 20 december 2019 (pagina 12).

6 Proces-verbaal van verhoor getuige van verbalisant [verbalisant 3] van 21 december 2019 (pagina 16, eerste tot en met de vierde alinea).

7 Proces-verbaal van verhoor getuige van verbalisant [verbalisant 4] van 21 december 2019 (pagina 17, laatste alinea en pagina 18, eerste alinea).

8 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Eenheid Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-Midden, met registratienummer PL0600-2020057906 van 18 april 2020. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

9 Proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 5] van 11 september 2019 (pagina 2, halverwege tot het einde van de pagina en pagina 3, eerste zin).

10 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 11 september 2019 (pagina 14).

11 Foto’s pagina’s 15,16 en 17.

12 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] van 13 september 2019 (pagina 18, vierde alinea) en bijgevoegde foto’s pagina’s 20 tot en met 22.

13 Medische verklaring d.d. 10 september 2019 pagina 13, onder andere “kras op re kant gelaat en re knie” en “klein hematoon re/boven oog, drukp mn thorax, ook”.

14 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] van 30 oktober 2019 (pagina 26 omschrijving onder “Foto 12: gang kamers Personeel belt 12.35-12.47” en pagina 27 omschrijving onder “Foto 13: aankomst nieuw medewerker (leidinggevende) 12.47.21-12.49”).

15 Proces-verbaal van verhoor getuige van verbalisant [verbalisant 9] van 24 september 2019 (pagina 41, derde en vierde alinea).

16 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 augustus 2020, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

17 Hoge Raad 23 april 1985, NJ 1985, 891.