Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2820

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
8537587 \ EJ VERZ 20-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, waarbij werkneemster recht heeft op de transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats

Zaaknummer : 8537587 \ EJ VERZ 20-179

Beschikking van de kantonrechter van 21 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap OPHTEC B.V.,

gevestigd te Groningen,

verzoekster in het verzoek, verweerster in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.A.C. van de Wiel

tegen

[X] ,

wonende te [plaats] ,

verweerster in het verzoek, verzoekster in het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. P.H. Redeker


Partijen worden hierna Ophtec en [X] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ophtec heeft een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [X] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2020 plaatsgevonden. De zitting heeft via Skype plaatsgevonden in verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het Corona-virus. Ophtec is vertegenwoordigd door [A] (Chief Operating Officer), [B] (Chief Financial Officer) en [C] (Director HR), vergezeld door mr. Van de Wiel voornoemd. [X] is ook verschenen, vergezeld door mr. Redeker voornoemd en mr. R.H. Hulshof . Partijen hebben hun standpunten toegelicht en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekeningen gemaakt. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog stukken toegezonden.

1.3.

Ter zitting is gepoogd een minnelijke regeling tussen partijen tot stand te brengen, maar deze pogingen hebben niet tot een schikking geleid. Vervolgens hebben partijen verzocht om de zaak een week aan te houden voor overleg. Op 10 juli 2020 hebben partijen laten weten dat de onderhandeling niet tot een schikking hebben geleid en hebben zij de kantonrechter verzocht om uitspraak te doen.

1.4.

Beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Ophtec is een onderneming die zich richt op de ontwikkeling en vervaardiging van medische instrumenten en hulpmiddelen op oogheelkundig gebied. De heren [E] , [A] en [B] zijn respectievelijk de Chief Executive Officer (CEO), Chief Operating Officer (COO) en Chief Financial Officer (CFO) van Ophtec.

2.2.

[X] , geboren 7 oktober 1982, is op 1 april 2016 in dienst getreden bij Ophtec. De laatste functie die [X] vervulde, is die van Clinical Research Associate, met een salaris van € 4.361,- voor een 38-urige werkweek. Op de arbeidsovereenkomst is het Personeelshandboek van Ophtec (hierna: het personeelshandboek) van toepassing.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Dit beding luidt als volgt:

ARTIKEL 9 - Concurrentiebeding
1. Het is Werknemer verboden gedurende de arbeidsovereenkomst, alsmede binnen een tijdvak van twee jaar na beëindiging van de dienstbetrekking zelf een zaak, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van de Werkgever te vestigen, te drijven, mee te drijven of te doen drijven, als ook financieel of anderzijds, in welke vorm dan ook, bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin aandeel van welk aard ook te hebben.
(…)
3. Bij overtreding van één der in lid 1 omschreven verboden, verbeurt de Werknemer ten behoeven van de Werkgever een onmiddellijk opeisbare boete van € 500.000,- (…), vermeerderd met € 500,00 (…) voor iedere dag dat een eenmaal aangehangen overtreding voortduurt.
(…)

2.4.

De heer [F] is de direct leidinggevende van [X] op de afdeling Clinical Research.

2.5.

Bij e-mail van 27 november 2019 heeft [X] aan [A] het volgende geschreven:

(…)
De afgelopen weken/maanden heb ik van verschillende collega’s het verzoek gekregen werkzaamheden uit te voeren die op het bureau van [F] liggen (of thuishoren).

(…) Van [H] vernam ik dat hij met jou de suggestie heeft besproken dat ik de door [F] opgeleverde stukken in het vervolg controleer en (goed)keur, omdat, naar ik begrijp, zijn stukken – in kwalitatief opzicht, maar wellicht dat anderen ook gedachten hebben bij de kwantiteit – te wensen over laten. Van jou heb ik hierover nog niets vernomen.

Alhoewel ik zeker het belang zie van deze werkzaamheden, zal dit anderzijds wel tot gevolg hebben dat het resultaat van mijn reguliere werkzaamheden iets langer op zich zal laten wachten. Waar jij bepaalt waaraan ik mijn tijd besteed, ontvang ik graag jouw akkoord.


(…)”

2.6.

Naar aanleiding van de hierboven weergegeven e-mail heeft op 28 november 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen [X] , [A] , [F] en [G 1] (voormalig HR-advisor). [G 1] heeft van dit gesprek schriftelijke aantekeningen gemaakt. Bij brief van 29 november 2020 aan [X] heeft Ophtec dit gesprek bevestigd en, voor zover relevant, het volgende geschreven:

(…)
Aanleiding voor dit gesprek is uw e-mail (…) van 27 november jongstleden aan de heer [A] waarin u aangeeft werkzaamheden te moeten uitvoeren die volgens u bij uw leidinggevende liggen op basis van wat u van collega’s heeft gehoord, met name van de manager QA/RA.

De heer [A] geeft daarop aan dat dit bericht bij hem uitermate slecht is gevallen, aangezien het blijk geeft van een drietal aspecten welke niet acceptabel zijn. U was immers op 24 september jl. in een gesprek met [C] (Director HRM) en [A] hernieuwd op deze punten gewezen. Het betreft hierbij:

  1. Het door het uitsluitend richten van uw bericht aan de heer [A] passeren van de heer [F] , die uw direct leidinggevende is;

  2. Het doen van denigrerende uitspraken en aannemen van een eveneens denigrerende houding ten aanzien van uw direct leidinggevende;

  3. Het uzelf in een positie positioneren en/of profileren op grond van wat anderen zeggen, die niet juist en passend is en waarbij u de indruk wekt dat u zichzelf beter vindt dan de rest.

Dit bericht volgt op een reeks van incidenten over het afgelopen jaar, waarbij sprake is van eenzelfde houding, gedrag en toonzetting naar collega’s als [J] en [K] . Tenslotte stelt u zich al een aantal jaren niet coöperatief op tijdens uw eindejaar gesprek met uw direct leidinggevende en weigert u het hieruit voortkomende gespreksverslag te ondertekenen. Recent heeft u hem aangegeven het eindejaar gesprek als een bagatel af te willen doen, door in plaats van een gesprek te voeren de standpunten op papier uit te wisselen en niet persoonlijk de punten te bespreken.

De heer [A] benadrukt dat alle hierboven genoemde constateringen onacceptabel zijn. De handelswijze ten aanzien van het einde jaargesprek is dus niet aan de orde. In navolging van deze constateringen is u gevaagd hierop te reageren. U geeft daarbij aan het logisch te vinden de e-mail te hebben verstuurd aan de heer [A] , gezien de inhoud en aanverwante taken die hier voor u uit voortkomen. U licht dit toe, door een aantal voorbeelden te geven.

Uw reactie op deze constateringen wordt echter door de heer [A] als niet afdoende beschouwd. De inhoud van uw bericht, dan wel uw inhoudelijk functioneren, staat namelijk niet ter discussie. Wat als rode draad daarentegen naar voren komt is genoemde (onacceptabele) houding, gedrag, uitingen en toonzetting ten aanzien van uw direct leidinggevende als ook elders binnen de organisatie.

De heer [F] vult daarop aan de situatie erg vervelend te vinden. Hij heeft kennis genomen van uw bericht en is daarvan geschrokken. Hij is zich bewust van uw kritische opstelling, hetgeen hij respecteert, echter het bericht aan [A] valt hem zwaar voor wat betreft de toon en het feit dat er vooraf afspraken zijn gemaakt. En met name dat hij er niet in gekend is resulteert schaadt bij hem het vertrouwen en de onderlinge relatie en hij benadrukt dat dit een ‘wig’ creëert op de afdeling Clinical Research.

Hierop benadrukt u, dat u zich herhaaldelijk persoonlijk kritisch heeft geuit naar de heer [F] waarop de volgende dag ‘weer vrolijk over diens kinderen werd gesproken’. De heer [A] uit hierop zijn verbazing, aangezien het onmogelijk is op deze wijze te concluderen dat dergelijke uitlatingen de heer [F] niet emotioneel raken. De heer [F] beaamt dit.

Nogmaals wordt door de heer [A] benadrukt dat hij over soortgelijke incidenten – of het nu uw direct leidinggevende, collega’s of berichten betreft – de afgelopen jaren herhaaldelijk met u gesproken heeft. Tijdens het al eerder in deze brief genoemde gesprek dat u hierover had op 24 september jongstleden met de heer [A] en mevrouw [C] bent u zelfs met klem gesommeerd genoemde houding, gedrag en toonzetting aan te passen, aangezien het onacceptabel is en bovendien uw verdere ontwikkeling binnen Ophtec in de weg staat.

Om vertrouwen op verbetering te tonen is het in september bij een informele mondelinge waarschuwing gebleven. Dat is nu niet het geval! De heer [A] benadrukt daarbij dat hij het ernstig opneemt dat u eerdere aanwijzingen, feedback en tips negeert en wederom het gedrag vertoont waarvan u uitdrukkelijk is verzocht hiermee te stoppen.

De organisatie is hierdoor genoodzaakt u een formele schriftelijke waarschuwing te geven, die aan uw personeelsdossier wordt toegevoegd, Als u uw gedrag, houding en insubordinatie niet verandert, dan zullen verdere stappen moeten worden genomen en zullen verdergaande maatregelen niet worden uitgesloten. De hoop wordt uitgesproken dat het niet zover hoeft te komen.

Op de vraag hoe nu verder te gaan, geeft u aan hierover rustig te willen nadenken en na ontvangst van dit schrijven erop terug te komen. Tussen u en de heer [F] wordt afgesproken vooralsnog een intensievere gespreksfrequentie met concrete vastlegging van afspraken aan te houden, tenzij bovengenoemde en/of dit schrijven aanleiding geeft hiermee te wachten.

(…)

2.7.

Bij e-mail van 31 december 2019 heeft [X] uitvoerig gereageerd op de waarschuwingsbrief, waarin zij uiteindelijk concludeert dat de waarschuwing een feitelijke grondslag ontbeert. [X] heeft – kort gezegd – de achtergrond van en de aanloop naar het gesprek van 28 november 2019 geschetst en zij heeft bestreden dat in het afgelopen jaar sprake is geweest van een reeks incidenten en dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan insubordinatie. Verder heeft [X] verzocht om de gespreksnotities van 28 november 2019 van [G 1] .

2.8.

Bij e-mail van 7 januari 2020 heeft [A] geschreven dat hij naar aanleiding van de e-mail van 31 december 2019 met [X] in gesprek wil.

2.9.

Bij e-mail van 8 januari 2020 heeft [X] het gespreksvoorstel geaccepteerd, heeft zij opgemerkt dat zij nog geen inhoudelijke reactie op haar e-mail van 31 december 2019 heeft gehad en heeft zij aanvullende opmerkingen gemaakt over de waarschuwingsbrief.

2.10.

Op 9 januari 2020 heeft het gesprek plaatsgevonden waarvan [X] op dezelfde dag het gespreksverslag heeft gekregen. Bij e-mail van 22 januari 2020 (ruim 10 bladzijden) heeft [X] het gespreksverslag zin voor zin ontleed en daarbij voorzien van een reactie.

2.11.

Bij e-mail van 23 januari 2020 heeft [X] aan [A] het volgende meegedeeld:

(…)

(…)

Volgens jou komen we “als mens” niet tot elkaar. Je gaf ook aan dat je het vertrouwen kwijt zou zijn dat ik coachbaar ben. Dat het coachbaar voor het eerst in het bericht van (…) 9 januari 2020 is opgedoken, heb ik maar onbesproken gelaten. Van een gesprek, in de zin van dialoog, was op dat moment ook geen sprake; je gaf jouw ‘conclusies’. Verder gaf je aan dat ik – in jouw ogen – geen “medewerker/leidinggevende-relatie” zou kunnen onderhouden. Ook dat was nieuw voor mij. De enige keer dat ik van jou iets heb gehoord over managen, was toen je mij vertelde dat ik mijn manager zou moeten managen, maar dat sloeg op [F] . Wellicht zegt het (toch) iets dat ik, alhoewel mij die werkzaamheden zijn ontnomen, nog steeds benaderd wordt door collega’s die nog wel bij het SG RingJect-project betrokken zijn.

Je stelde dat ik lange epistels zou schrijven en er “van alles” bij zou halen. Op ‘detailniveau’ hebben we het over dat “alles” (helaas) nog niet kunnen hebben, ondanks de toezegging in je uitnodiging van 7 januari 2020. Je wees mij erop dat ik nu ook weer een lang bericht had gestuurd aan Jeanine, dat je overigens niet had gelezen. Dat is jammer; als de één openstaat voor door een ander aangedragen feiten en argumenten (en andersom), ligt een vruchtbaar gesprek, zo stel ik mij voor, alweer eerder binnen handbereik.
Naar ik van jou vernam, maak ik “het” super-juridisch en kun je daar niet mee werken. Dat is, zo gaf je aan, geen normale werkrelatie. Noem mij een rare, maar waar onze werkrelatie tot (en zelfs na) het gesprek op 28 november 2019 normaal was en is en mijn mail van 31 december 2019 ook maar een reactie was op de brief met nogal zware juridische context, gedateerd 29 november 2019, zit ik er dan erg ver naast als ik constateer dat niet ik die aanleiding en noodzaak van die, door jou genoemde, maar niet gelezen, “lange epistels” in het leven heb geroepen?

Je gaf aan dat je het heel jammer, echt oprecht jammer vond hoe een en ander was gelopen. Toen ik voor mijzelf wat aantekeningen maakte, zag ik dat je moest (glim)lachen en je je hoofd schudde.
(…)

(…)

2.12.

Ook bij e-mail van 23 januari 2020 heeft [A] gereageerd met:

(…)

(…)

Ten aanzien van al je andere mails. We hebben telkenmale aangegeven niet te reageren, omdat, zoals we inderdaad ook meermaals aangegeven hebben, de mails te breed en allesomvattend zijn, maar niet of nauwelijks, relevant ten aanzien van de waarschuwing. Het niet reageren op schrift door ons, mag niet verward worden met instemming/eens zijn, immers, je hebt een erg éénzijdige beschouwing en er staan aperte onjuistheden in. Daarover een pennenstrijd voeren dient geen enkel doel.
(…)

2.13.

Bij e-mail van 31 januari 2020 heeft [A] aan [X] een voorstel tot mediaton gedaan.

2.14.

Bij verzoekschrift van 10 februari 2020 heeft [X] jegens Ophtec aan de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Groningen, een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en tevens verzocht om een bevel tot overlegging bescheiden. Inzet was het laten getuigen van bij Ophtec werkzame personen, waaronder [A] , over (onder andere) het functioneren van [X] binnen Ophtec en de gang van zaken rondom de waarschuwingsbrief. Het verzoek tot overlegging bescheiden had betrekking op de handgeschreven notities van het gesprek van 28 november 2019 van [G 1] (zie 2.5.).

2.15.

Bij e-mail van 14 februari 2020 heeft [A] aan [X] nogmaals een voorstel tot mediaton gedaan.

2.16.

Bij beschikking van 7 april 2020 heeft de kantonrechter van deze rechtbank – na doorverwijzing van de zaak – de in 2.14. genoemde verzoeken van [X] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter toen onder meer het volgende overwogen:

2.5.5.

Een voorlopig getuigenverhoor druk zwaar op betrokkenen. Het draagt niet bij aan de constructieve houding die voor beide partijen nodig is om vruchtbaar met elkaar samen te werken. Toch is dát het doel dat [X] , en ook Ophtec, nog altijd nastreven. Het toewijzen van een voorlopig getuigenverhoor drijft partijen af van dat doel. Daar komt bij dat het hier gaat om een beginnend arbeidsconflict. Als een van partijen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou verzoeken aan de kantonrechter, dan zal onderbouwd moeten worden welk verbetertraject is gevolgd – als het gaat om ontbinding wegens disfunctioneren – of welke pogingen partijen hebben ondernomen om de arbeidsverhouding te normaliseren – als het gaat om ontbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding of verwijtbaar handelen. In beide gevallen mag worden verwacht dat Ophtec een nadere toelichting geeft op de waarschuwing en welk gedrag c.q. welke communicatiestijl zij in het vervolg van [X] verwacht. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de door Ophtec uitdrukkelijk aangeboden mogelijkheid van een gesprek waarin zij de opheldering geeft die [X] van Ophtec verlangt over de schriftelijke waarschuwing en over het afhalen van [X] van het SG Ringject-project. De door haar gewenste informatie en duidelijkheid kan zij buiten een getuigenverhoor om verkrijgen. Dat maakt dat [X] in dit stadium onvoldoende een in rechte te respecteren belang heeft bij de toewijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor.

2.17.

Op 10 april 2020 heeft de gemachtigde van Ophtec aan de gemachtigde van [X] geschreven dat Ophtec nog steeds bereid is om met [X] in gesprek te gaan onder leiding van een mediator. Op 30 april 2020 heeft Ophtec de gemachtigde van [X] gerappelleerd.

2.18.

Bij brief van 2 mei 2020 (12 bladzijden) heeft de gemachtigde van [X] gereageerd op het mediationvoorstel van Ophtec. In de kern komt de brief erop neer dat [X] geen mediation wenst zolang Ophtec de verwijten die zij [X] maakt niet concretiseert.

2.19.

Bij brief van 8 mei 2020 heeft de gemachtigde van Ophtec aan de gemachtigde van [X] geschreven dat Ophtec de ontdekking heeft gedaan dat [X] in ieder geval de afgelopen twee maanden veel zakelijke e-mails naar haar privé-e-mailadres heeft gestuurd. Volgens Ophtec heeft [X] daarmee in strijd gehandeld met de binnen Ophtec geldende regels ter bescherming van geheime en concurrentiegevoelige informatie. [X] wordt daarbij in de gelegenheid gesteld hiervoor een verklaring te geven.

2.20.

Bij brief van 11 mei 2020 vraagt de gemachtigde van [X] aan de gemachtigde van Ophtec om een concretisering van het nieuwe verwijt en wordt Ophtec gevraagd waarvoor zij een deugdelijke verklaring wil hebben.

2.21.

Bij brief van 13 mei 2020 heeft de gemachtigde van [X] vragen gesteld over de gang van zaken omtrent de digitale ontdekking van Ophtec en wordt Ophtec een termijn gegeven voor de beantwoording van die vragen.

2.22.

Op 15 mei 2020 is [X] op non-actief gesteld.

2.23.

Na de non-actiefstelling heeft Ophtec de volgende informatie op haar intranet geplaatst, om de medewerkers van Ophtec te informeren:

“Afgelopen vrijdag is [X] op non-actief gesteld en heeft Ophtec een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De afdeling klinische zaken is hierover vanochtend al op de hoogte gebracht. Er speelde al het één en ander dat tot een rechtszaak heeft geleid op verzoek van [X] . [X] is ons inziens door de rechter in het ongelijk gesteld, in ieder geval is haar eis niet toegekend. Meerdere pogingen van onze kant om met elkaar in gesprek te komen, hebben niet tot een werkbare oplossing geleid. De arbeidsrelatie is zeer verstoord geraakt. Mediation is meerdere malen aangeboden, maar door haar niet geaccepteerd, ondanks dat dit door de rechter uitdrukkelijk was aanbevolen. Daarnaast is recent gebleken dat belangrijke bedrijfsinformatie consequent en bewust naar haar privé mailadres werd verstuurd. Dit laatste is ontoelaatbaar: het gaat in tegen de richtlijnen zoals vastgelegd in ons Personeelshandboek en de Corporate gedragscode; in een mail met betrekking tot richtlijnen voor thuiswerken is door ICT recentelijk expliciet aangegeven dat dit niet mag. Zakelijk contact met [X] is niet meer mogelijk, omdat haar Ophtec mailaccount is afgesloten en de zakelijke telefoon niet meer gebruik mag worden. [F] zal het aanspraakpunt zijn voor vragen die het werk betreffen dat [X] deed.”

3 Het geschil

3.1.

Het verzoek van Ophtec

3.1.1.

Ophtec verzoekt de arbeidsovereenkomst met [X] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair op grond van verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, Burgerlijk Wetboek (BW), zonder dat [X] daarbij een transitievergoeding toekomt. Subsidiair verzoekt Ophtec ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, de zogenoemde g-grond.

3.2.

Het verweer en het tegenverzoek van [X]

3.2.1.

[X] verzoekt primair Ophtec niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken en subsidiair de verzoeken van Ophtec af te wijzen. [X] heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond. Verder heeft [X] verzocht:

I. te verklaren voor recht dat Ophtec de krachtens artikel 7:611 BW op haar rustende verplichting heeft geschonden telkens ter zake de afzonderlijke, in onderdeel 420 van het verweerschrift tevens verzoekschrift houdende zelfstandige tegenverzoeken genoemde gedragingen, dan wel ter zake van de daar genoemde gedragingen, in onderling verband beschouwd, dan wel terzake de kantonrechter anderszins gebleken gedragingen;

II. te verklaren voor recht dat Ophtec ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (waaronder nagelaten) (artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW) jegens [X] telkens ter zake de afzonderlijke, in onderdeel 420 van het verweerschrift tevens verzoekschrift houdende zelfstandige tegenverzoeken genoemde gedragingen, dan wel ter zake van de daar genoemde gedragingen, in onderling verband beschouwd, dan wel terzake de kantonrechter anderszins gebleken gedragingen;

III. te verklaren voor recht dat Ophtec onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X] (artikel 6:162 BW) telkens ter zake de afzonderlijke, in onderdeel 420 van het verweerschrift tevens verzoekschrift houdende zelfstandige tegenverzoeken genoemde gedragingen, dan wel ter zake van de daar genoemde gedragingen, in onderling verband beschouwd, dan wel terzake de kantonrechter anderszins gebleken gedragingen;

IV. te verklaren voor recht dat aan het eindigen, althans niet voortzetten van de arbeidsverhouding, ten grondslag ligt ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Ophtec;

V. het concurrentiebeding te vernietigen, althans te bepalen dat Ophtec geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding

VI. Ophtec te veroordelen tot betaling aan [X] van een transitievergoeding van
€ 7.806,68 bruto;

VII. Ophtec te veroordelen tot betaling aan [X] van een billijke vergoeding, door de kantonrechter te bepalen;

VIII. Ophtec te veroordelen de Rectificatietekst, ongewijzigd en zonder commentaar en in dezelfde opmaak als de te rectificeren tekst, binnen drie dagen na betekening van de beschikking:
a. op haar intranet te plaatsen en geplaatst te houden, onder gelijktijdige
verstrekking van het bewijs van de plaatsing aan de gemachtigde van
[X] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per
dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat Ophtec niet aan deze
veroordeling zal hebben voldaan;

b. per e-mailbericht aan alle medewerkers van Ophtec te verzenden, onder
gelijktijdige verstrekking van het bewijs van de ongehinderde ontvangst
door die medewerkers van dat bericht aan de gemachtigde van [X] , op
op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag, een deel van een dag
daaronder begrepen, dat Ophtec niet volledig aan deze veroordeling zal
hebben voldaan;

IX. Ophtec te veroordelen tot vergoeding van de door [X] ten gevolge van de onrechtmatige gedragingen van Ophtec geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

X. Ophtec te veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten, althans de forfaitaire kosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

4 De beoordeling

ontvankelijkheid
4.1. Alvorens tot de inhoudelijke behandeling van het verzoek van Ophtec over te kunnen gaan, moet de kantonrechter een oordeel geven over het primaire verweer van [X] dat de ontvankelijkheid van Ophtec in haar verzoek aan de orde stelt.

4.2.

[X] stelt dat Ophtec in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld doordat zij het inhoudelijk debat zou hebben gefrustreerd. Ophtec zou namelijk, ondanks verzoeken daartoe, geen concretisering hebben gegeven van de verwijten die zij [X] maakt. Bovendien heeft Ophtec veel producties in het geding gebracht zonder dat zij daarbij heeft aangegeven wat de relevantie van die producties is. [X] meent dat zij daardoor is geschaad in haar verweer en haar mogelijkheid tot nadere onderbouwing van haar tegenverzoeken.

4.3.

Anders dan [X] meent kan de mogelijke nalatigheid van Ophtec om gemaakte verwijten te concretiseren in onderhavig geval niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Voor zover al sprake is van een mogelijke nalatigheid in de concretisering van verwijten, zullen de eventuele consequenties daarvan betrokken worden bij de inhoudelijke beoordeling van de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden. Evenmin volgt de kantonrechter [X] in haar betoog dat zij is geschaad in haar verweer. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Ophtec in haar verzoekschrift op begrijpelijke en omstandige wijze haar stellingen over het voetlicht gebracht, waarbij Ophtec voornamelijk heeft verwezen naar overgelegde correspondentie tussen partijen. Vele door Ophtec ingediende producties betreffen bovendien de producties die door [X] zelf zijn overgelegd in de eerdere tussen partijen gevoerde procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. [X] is met die producties bekend. De kantonrechter ziet niet in waar [X] is belemmerd in de verweervoering en [X] heeft dat dan ook niet goed duidelijk weten te maken. Het voorgaande betekent dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van [X] wordt verworpen.

ontbinding

4.4.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [X] , zoals door haar is verzocht, een transitievergoeding en/of billijke vergoeding moet worden toegekend.

4.5.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [X] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

4.6.

Gesteld noch gebleken is dat een opzegverbod van toepassing is.

4.7.

Ophtec stelt primair dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen of nalaten van [X] . In dit verband verwijt Ophtec [X] dat zij in de periode kort na de waarschuwingsbrief van 27 november 2019 zakelijke e-mails met bedrijfsgevoelige informatie (automatisch) heeft doorgestuurd naar haar privé-emailaccount. Hiertoe zou [X] een instelling hebben toegepast op haar zakelijke e-mailaccount van Ophtec. Daarmee heeft [X] in strijd gehandeld met de bij Ophtec van toepassing zijnde regels, zoals de Corporate Gedragscode en het personeelshandboek. In deze regelingen zijn bepalingen opgenomen die – kort gezegd – waarborgen dat bedrijfsgevoelige gegevens van Ophtec niet zomaar op straat zouden kunnen komen te liggen. Ophtec is namelijk een bedrijf dat afhankelijk is van innovatie en daarom heeft zij bescherming van bedrijfsgeheimen hoog in het vaandel staan. Ophtec heeft, aan het begin van de coronacrisis, bij e-mail van 16 maart 2020 al haar medewerkers nog gewaarschuwd dat het niet is toegestaan om zakelijke e-mails door te sturen naar privé-emailaccounts. [X] heeft dat volgens Ophtec toch gedaan. Ophtec rekent dit [X] zwaar aan.

4.8.

[X] heeft hiertegen ingebracht dat zij niets aan haar accountinstellingen heeft veranderd, als gevolg waarvan al het inkomende zakelijke e-mailverkeer automatisch zou zijn doorgestuurd naar haar privé-e-mailaccount. [X] merkt op dat zij handmatig enkele e-mails betreffende (afspraken) over zorgverlof in verband met mantelzorg en e-mails betreffende haar arbeidsvoorwaarden naar haar privé-e-mail heeft gestuurd. Volgens [X] heeft zij sporadisch enkele inhoudelijke e-mails over lopende projecten binnen Ophtec, waar zij zich overigens mee bezighield, naar haar privé-e-mailaccount gestuurd. Dit heeft [X] gedaan omdat zij zich wilde indekken tegen het verwijt van Ophtec dat zij gedurende het thuiswerken vanwege Corona niet aan het werk was voor Ophtec. [X] heeft bovendien betwist dat die enkele inhoudelijke e-mails geheime of concurrentiegevoelige informatie bevatten.

4.9.

In reactie op de betwisting door [X] heeft Ophtec, zonder nadere toelichting, volhard in haar blote stelling dat [X] bedrijfsgevoelige gegevens heeft doorgestuurd naar haar privé-e-mailaccount. Het had gelet op de gemotiveerde betwisting van [X] op de weg van Ophtec gelegen om concreet toe te lichten over welke bedrijfsgevoelige gegevens het precies gaat. Dat heeft Ophtec niet gedaan. Het als productie 18 door Ophtec overgelegde overzicht van alle e-mails, die [X] naar haar privé e-mailadres zou hebben gestuurd, is ontoereikend om de kantonrechter te informeren over door [X] verstuurde bedrijfsgeheimen. En een goede toelichting heeft Ophtec daar niet bij gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat Ophtec, tegenover de gemotiveerde betwisting van [X] , haar stellingen dat [X] haar zakelijke accountinstellingen zou hebben veranderd en dat zij, tussen de e-mails die zij naar haar privé-emailadres heeft verzonden, ook bedrijfsgeheimen naar haar privé-emailadres zou hebben doorgestuurd, onvoldoende heeft onderbouwd. Ophtec heeft de aard en inhoud van de e-mails niet duidelijk gemaakt. Dit betekent dat de kantonrechter niet op grond daarvan tot de conclusie kan komen dat [X] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De arbeidsovereenkomst zal daarom niet op die grond worden ontbonden.

4.10.

Gelet op deze uitkomst zal de kantonrechter de AVG-aspecten hiervan verder buiten beschouwing laten.

4.11.

De arbeidsovereenkomst zal daarentegen wel worden ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsrelatie, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. Dat deze verstoring duurzaam van aard is, moge genoegzaam blijken uit de stellingen van partijen en de proceshouding die zij in deze procedure hebben ingenomen. Partijen zijn het daarover kennelijk ook wel eens, nu zij allebei verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op deze grond. De kantonrechter overweegt dienaangaande nog het volgende.

4.12.

De vertrouwensbreuk tussen partijen heeft een aanvang genomen met de naar het oordeel van de kantonrechter enigszins ‘overtrokken’ reactie van Ophtec op de e-mail van [X] van 27 november 2019 in de vorm van een formele waarschuwing. In reactie op de waarschuwing heeft [X] op zichzelf gerechtvaardigde (zij het veel te breedvoerige) vragen gesteld, die Ophtec onbeantwoord heeft gelaten. Het onthouden van die antwoorden blijkt uit de “verslagen” die Ophtec heeft opgemaakt van de gesprekken op 28 november 2019 en 9 januari 2020. Ophtec heeft aldus haar bezwaren tegen [X] onvoldoende geconcretiseerd. Dat de communicatie tussen Ophtec en [X] vervolgens volledig is ontspoord, moge genoegzaam blijken uit:
- de (aard van de) correspondentie tussen partijen;
- het verzoek van [X] om een voorlopig getuigenverhoor;

- het niet van de grond komen van mediaton of een gesprek onder leiding van een andere deskundige derde;
- de omvang die het procesdossier in deze zaak heeft aangenomen, en waarin [X] zich kennelijk genoodzaakt heeft gezien om een verweerschrift van maar liefst 119 pagina’s in te dienen, met daarbij 69 producties, alles bij elkaar circa 7 centimeter aan papier beslaand. Weliswaar heeft ook het verzoekschrift een vergelijkbare omvang, maar dit komt vooral doordat als productie 3 het verzoekschrift tot een voorlopig getuigenverhoor van [X] is opgenomen, dat alleen al 4,5 centimeter papier bevat.
- de ontdekking dat [X] in strijd met de binnen Ophtec van toepassing zijnde regels zakelijke e-mails heeft doorgestuurd naar haar privé-emailaccount en de (aard van de) correspondentie die daar het gevolg van is geweest.

4.13.

Wat er verder ook zij van de mate waarin [X] e-mails naar haar
privé-e-mailaccount heeft gestuurd en van de inhoud van die e-mails en het doel ervan, tekenend voor de verstoorde arbeidsrelatie zijn de e-mails die [X] heeft gestuurd op de vraag van Ophtec in de e-mail van 8 mei 2020, te weten de e-mails van respectievelijk 11 en 13 mei 2020. Daarin geeft [X] geen (duidelijk) antwoord op de vragen van Ophtec, maar stuurt zij Ophtec het spreekwoordelijke bos in en komt zij tenslotte met een lawine aan vragen met een termijnstelling voor de beantwoording daarvan door Ophtec. Voor zover daarvan al geen sprake was, heeft [X] met die e-mails van 11 en 13 mei 2020 laten blijken de normale werkgever-werknemersverhouding volledig uit het oog te zijn verloren. Aan deze arbeidsverhouding dient daarom hoe dan ook een einde te komen. Gelet op de verstoorde verhouding ligt herplaatsing van [X] binnen een redelijke termijn niet in de rede.

4.14.

De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2020. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, doch op een termijn van tenminste één maand.

transitievergoeding
4.15. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van Ophtec wordt ontbonden, maakt [X] aanspraak op een transitievergoeding. Nu Ophtec de hoogte van de door [X] verzochte transitievergoeding van € 7.806,68 niet heeft bestreden, zal Ophtec worden veroordeeld om dat bedrag aan [X] te betalen.

geen billijke vergoeding

4.16.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [X] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor, waarvoor de kantonrechter verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. In dit geval is de verstoorde arbeidsverhouding ontstaan door een onwelgevallige e-mail van [X] en een ietwat overtrokken reactie van Ophtec in de vorm van een formele waarschuwing, waarna een lawine van actie en reactie heeft geleid tot een uiteindelijk onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding, waarvan op zich aan geen van partijen in zo ernstige mate een verwijt kan worden gemaakt, dat daaraan juridische gevolgen moeten worden verbonden in de vorm van een billijke vergoeding of het juist onthouden van een transitievergoeding. Reeds gelet hierop stranden de verzoeken II en VII van [X] .

4.17.

Nu aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, hoeft Ophtec geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

concurrentiebeding
4.18. [X] heeft vernietiging van het concurrentiebeding (zie 2.3.) verzocht. [X] heeft als belang bij vernietiging gesteld dat het beding aanmerkelijk zwaarder op haar is komen te drukken. Ophtec heeft daarentegen als belang bij handhaving van het concurrentiebeding aangevoerd dat zij als betrekkelijk kleine speler in de oogheelkundige branche afhankelijk is van innovatie. Indien [X] overstapt op een directe concurrent en daarbij haar kennis en kunde toepast, dan mist Ophtec haar onderscheidend vermogen en zal zij niet kunnen overleven, aldus Ophtec. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat een rechtens te respecteren belang.

4.19.

Tegenover het belang van Ophtec staat het belang van [X] om elders een functie te kunnen verwerven tegen betere arbeidsvoorwaarden en met doorgroeimogelijkheden. Dit belang legt echter onvoldoende gewicht in de schaal bij de belangenafweging tussen partijen en wel om de volgende reden. [X] is nog jong. Gezien haar universitaire opleiding en aansluitende succesvolle promotie, alsmede de uitmuntende resultanten van een talentenonderzoek dat zij binnen Ophtec heeft afgelegd, kan ervan worden uitgegaan dat zij, in ieder geval gedurende de 2-jarige looptijd van het concurrentiebeding, een passende functie zal kunnen vinden buiten de oogheelkundige branche.

4.20.

Voor zover [X] heeft bedoeld dat het beding moeten worden vernietigd omdat het beding onduidelijk zou zijn geformuleerd, moet die stelling bij gebrek aan juridische grondslag worden verworpen. Eventuele onduidelijkheid van een beding kan niet leiden tot vernietiging ervan. De conclusie is dat het verzoek van Ophtec om het concurrentiebeding te vernietigen zal worden afgewezen.

rectificatie

4.21.

[X] wil een rectificatie van het bericht dat Ophtec na haar non-actiefstelling op het intranet had geplaatst. Volgens [X] heeft Ophtec daarin op onrechtmatige wijze persoonsgegevens verwerkt als bedoeld in de AVG en heeft zij de medewerkers onjuiste, onzorgvuldige en onvolledige informatie verstrekt. Bovendien heeft Ophtec in strijd met de AVG [X] niet over dit bericht en de daarin verwerkte persoonsgegeven geïnformeerd. [X] heeft een concrete rectificatietekst in haar verzoek opgenomen.

4.22.

De kantonrechter is van oordeel dat het informeren van de collega’s over de afwezigheid van één van hen niet valt onder de werkingssfeer van de AVG en dat, voor zover [X] daarover een andere mening is toegedaan, zij dat standpunt niet toereikend heeft onderbouwd. Dat neemt niet weg dat het bericht, dat Ophtec op haar intranet had geplaatst, een onjuistheid bevat, waardoor [X] in haar eer en goede naam kan worden aangetast, zodat dat bericht in haar belang moet worden gerectificeerd als in het dictum vermeld. Maar het gaat hierbij alleen om het aspect dat gebleken zou zijn dat belangrijke bedrijfsinformatie consequent en bewust naar het privé mailadres van [X] werd verstuurd. De informatie met betrekking tot het afgewezen verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor en een bevel tot overlegging van bescheiden is niet dermate bezijden te waarheid dat [X] daardoor in haar eer of goede naam wordt aangetast. Natuurlijk had Ophtec een verwijzing naar de beschikking van de kantonrechter kunnen meesturen, maar door dat na te laten handelt Ophtec niet meteen onrechtmatig. Ook het feit dat de kantonrechter niet specifiek mediation had aanbevolen, maar “een gesprek met een open vizier onder leiding van een derde persoon”, maakt het bericht niet meteen onrechtmatig, omdat het verschil daartussen naar de strekking nu eenmaal zeer gering is en omdat de kantonrechter in de beschikking aangaande het voorlopig getuigenverhoor de mogelijkheid van het inschakelen van een mediator wel degelijk heeft genoemd.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat de rectificatie slechts langs dezelfde kanalen behoeft te worden verspreid als destijds met het te rectificeren bericht is gebeurd, zodat het enkel op intranet moet worden geplaatst en niet ook per e-mail hoeft te worden verspreid. De verzochte dwangsom zal gemachtigd worden tot een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00.

De kantonrechter zal in de tekst van de rectificatie geen link opnemen naar de publicatie van deze beschikking op rechtspraak.nl (zoals [X] heeft verzocht), omdat niet is te voorzien wanneer deze beschikking op de site van Rechtspraak.nl gepubliceerd zal worden en daardoor de mogelijkheid bestaat dat Ophtec niet binnen 3 dagen na de betekening van de beschikking hieraan kan voldoen, hetgeen tot allerhande executieperikelen aanleiding kan geven. De kantonrechter is van oordeel dat aan de belangen van [X] door de inhoud van de rectificatie reeds voldoende wordt tegemoetgekomen en dat de toevoeging van de tekst van de beschikking gemist kan worden.

overige verzoeken van [X]

4.23.

heeft (verder) verzocht om een verklaring voor recht dat Ophtec de norm van goed werkgeverschap heeft geschonden dan wel dat zij onrechtmatig jegens [X] heeft gehandeld (zie verzoeken I en III) ter zake van de door haar aan Ophtec verweten gedragingen, zoals opgesomd in randnummer 420 van haar verweerschrift. In aanvulling hierop heeft [X] een schadevergoeding gevorderd zoals geformuleerd onder IX.

4.24.

De vraag die beantwoord moet worden is of voornoemde vorderingen kunnen worden aangemerkt als ‘daarmee verband houdende andere vorderingen’ als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW en, aldus, of [X] in deze verzoekschriftprocedure ontvankelijk is in die vorderingen.

4.25.

Artikel 7:686a lid 2 BW bepaalt dat gedingen die op het in, bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW (betreffende het einde van de arbeidsovereenkomst) bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift. Het derde lid van dit artikel schrijft voor dat in dergelijke gedingen daarmee verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingeleid met een verzoekschrift. Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 7:686a lid 3 BW bedoeld voor onder meer loonvorderingen, geschillen over een concurrentie- en/of relatiebeding, afgifte van ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen; derhalve vorderingen die direct verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst.

4.26.

Anders dan [X] is de kantonrechter van oordeel dat haar vorderingen I, III en IX niet kunnen worden aangemerkt als vorderingen die verband houden met het einde van het dienstverband, zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. De betreffende vorderingen vinden hun grondslag immers in de artikelen 7:611 BW en/of 6:162 BW.

4.27.

Gelet op het voorgaande zal [X] met betrekking tot de betreffende gedeelten van haar verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.

proceskosten

4.28.

In de uitkomst van alle verzoeken tezamen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.

5 De beslissing

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2020;

5.2.

veroordeelt Ophtec om aan [X] een transitievergoeding te betalen van € 7.806,68;

5.3.

veroordeelt Ophtec om de volgende rectificatietekst, ongewijzigd en zonder commentaar en in dezelfde opmaak als de te rectificeren tekst, binnen drie dagen na betekening van deze beschikking op haar intranet te plaatsen en geplaatst te houden, onder gelijktijdige verstrekking van het bewijs van de plaatsing aan de gemachtigde van [X] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat Ophtec niet aan deze veroordeling zal hebben voldaan, met een maximum van € 25.000,00:

“Op [ datum plaatsing van de te rectificeren tekst op intranet ] hebben wij op ons intranet een bericht geplaatst, waarin we de afwezigheid van [X] hebben verklaard.

Deze verklaring was feitelijk niet helemaal juist en onvolledig. De kantonrechter heeft ons daarom in zijn beschikking van 21 augustus 2020 veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie, teneinde de zaak in het belang van [X] in het juiste perspectief te plaatsen.

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen Ophtec en [X] bij beschikking van 21 augustus 2020 per 1 oktober 2020 ontbonden op de grond dat er sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. In de overwegingen van de kantonrechter komt naar voren, dat in het verstoord raken van de arbeidsverhouding zowel Ophtec als [X] hun aandeel hebben gehad. De verstoorde arbeidsverhouding is niet in overwegende mate aan één van beiden te wijten.
Anders dan in ons bericht van [ datum plaatsing van de te rectificeren tekst op intranet ] werd gesuggereerd, is volgens de kantonrechter niet komen vast te staan dat [X] consequent en bewust belangrijke bedrijfsinformatie naar haar privé mailadres heeft verstuurd. Op dit punt hebben wij dan ook ten onrechte een onjuist beeld van [X] doen ontstaan en hadden wij ten opzichte van [X] dan ook meer terughoudendheid in onze berichtgeving moeten betrachten.”

5.4.

verklaart [X] niet-ontvankelijk in haar verzoeken I, III en IX zoals genoemd onder 3.2.1.;

5.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2020.