Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2817

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
08.171780.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 25-jarige man uit Genemuiden tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval. De man had geen rijbewijs en was ook sterk onder invloed van alcohol en drugs. Naast de gevangenisstraf moet de man zich ook houden aan de bijzondere voorwaarden. Zo moet hij zich onder andere ambulant laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.171780.19 (P)

Datum vonnis: 27 augustus 2020

Vonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres]

.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. D.P. Poppe, advocaat te Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(feit 1 primair) schuld heeft aan een verkeersongeval waarbij anderen zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcohol en drugs, dan wel

(feit 1 subsidiair) gevaar op de weg heeft veroorzaakt en

(feit 2) onder invloed van alcohol en drugs een personenauto heeft bestuurd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 16 november 2018 te Zwartsluis in de gemeente Zwartewaterland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de rotonde N331 en/of gaande in de richting van de Stouweweg, daarmee

rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Grote Kranerweerd zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, onder invloed van alcohol en/of drugs, althans na het gebruik van niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en/of drugs en/of terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en/of terwijl het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geen verlichting voerde, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Grote Kranerweerd) en/of het zich op die weg (de Grote Kranerweerd) bevindende verkeer en/of naar links heeft gestuurd, naar links is gegaan en/of in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of geheel of gedeeltelijk rijdend op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Grote Kranerweerd) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Grote Kranerweerd) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een anderen (genaamd

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zulks terwijl hij, verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 november 2018 te Zwartsluis in de gemeente Zwartewaterland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de rotonde N331 en/of gaande in de richting van de Stouweweg, daarmee heeft gereden op de uit twee

rijstroken, bestaande weg, de Grote Kranerweerd en terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en/of terwijl het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geen verlichting voerde, naar links heeft gestuurd, naar links is gegaan en/of in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of geheel of gedeeltelijk rijdend op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Grote Kranerweerd) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Grote Kranerweerd) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2

hij, op of omstreeks 16 november 2018 te Zwartsluis gemeente Zwartewaterland een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het

verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol, amfetamine, cannabis en/of GHB, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 1,77 milligram ethanol per milliliter bloed, 250 microgram amfetamine per liter bloed, 2,7 microgram THC per liter bloed en/of 17 milligram GHB per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.

( art 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994 )

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de officier van justitie heeft verdachte zeer onvoorzichtig gereden, als gevolg waarvan sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan de aanrijding in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), waardoor het slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het letsel dat het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft opgelopen kan volgens de officier van justitie niet worden gekwalificeerd als (zwaar) lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Daarbij heeft verdachte onder invloed van alcohol en drugs gereden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen1.

- Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse opgemaakt door de verbalisanten

[verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dossierpagina’s 31 tot en met 48;

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 16 november 2018, dossierpagina’s 19 en 20;

  • -

    een geschrift, te weten een letselrapportage opgemaakt door S. J.Th van Kuijk, forensisch arts bij GGD IJsselland van 24 mei 2018, betreffende het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel, dossierpagina’s 29 en 30;

  • -

    een geschrift, te weten een rapport alcohol en drugs in het verkeer van het NFI van 13 december 2018, inhoudende het verslag van drs. R. Oosting, NFI-deskundige Forensische Toxicologie, dossierpagina’s 64 en 65;

  • -

    Het proces-verbaal ter terechtzitting van 13 augustus 2020, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte.

Op basis van de inhoud van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het slachtoffer [slachtoffer 2] door het ongeval (zwaar) lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6 WVW is toegebracht. In dit verband overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de arts niet kon zeggen of hij zijn klachten aan het ongeval heeft over gehouden. De rechtbank spreekt de verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrij.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 16 november 2018 te Zwartsluis in de gemeente Zwartewaterland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de rotonde N331 en gaande in de richting van de Stouweweg, daarmee

rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Grote Kranerweerd zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, onder invloed van alcohol en drugs en terwijl verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en terwijl het door verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) geen verlichting voerde, niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Grote Kranerweerd) en het zich op die weg (de Grote Kranerweerd) bevindende verkeer en naar links is gegaan en in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en geheel of gedeeltelijk rijdend op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Grote Kranerweerd) is gebotst tegen een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Grote Kranerweerd) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, zulks terwijl hij, verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij, op 16 november 2018 te Zwartsluis gemeente Zwartewaterland een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd, na gebruik van meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol, amfetamine, cannabis en GHB, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW 94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 1,77 milligram ethanol per milliliter bloed, 250 microgram amfetamine per liter bloed, 2,7 microgram THC per liter bloed en 17 milligram GHB per liter bloed bedroeg, (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6, 8, 175 en 176 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.

2.

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Humanitas of een soortgelijke instelling, ook als dat inhoudt meewerken aan een ambulante behandeling met een eventueel kortdurende klinische opname voor maximaal zeven weken.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit om te volstaan met het opleggen van een taakstraf, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren. De raadsman heeft daarbij onder meer gewezen op het tijdsverloop.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 16 november 2018 een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan zijn bijrijder, [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ook de bestuurder van de door hem aangereden personenauto, [slachtoffer 2] , heeft door het ongeval letsel opgelopen. Verdachte, die geen rijbewijs heeft, verkeerde daarbij sterk onder invloed van alcohol en drugs. Verschillende getuigen hebben beschreven dat verdachte zonder verlichting te voeren op de verkeerde weghelft reed en uiteindelijk frontaal tegen de auto van het slachtoffer [slachtoffer 2] is aangereden. Getuige [getuige] heeft verklaard dat verdachte daarbij reed als een dwaas. In de ambulance en in het ziekenhuis bleef verdachte schreeuwen om GHB. In het ziekenhuis heeft hij ook nog een verpleegkundige geslagen.

Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat het ongeval een grote impact op hem heeft gehad en dat het ongeval nog steeds onderdeel van zijn leven is. Hij ondervindt nog steeds beperkingen bij het lopen. Hij heeft zich voor zijn lichamelijke klachten onder behandeling gesteld van een fysiotherapeut.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 22 juni 2020. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van diefstal, bedreiging, drugsdelicten en dat hem tweemaal een geldboete is opgelegd voor het rijden zonder rijbewijs en éénmaal ter zake van onverzekerd rijden. Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht houdt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening met de straf die verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 26 februari 2019 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf van vijf weken waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren ter zake van geweld tegen beroepsbeoefenaars ziekenhuizen.

Bij haar beslissing houdt de rechtbank ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit het reclasseringsadvies van 26 mei 2020. Uit dit rapport blijkt dat verdachte gediagnosticeerd is met ADHD, zwakbegaafdheid, een reactieve hechtingsstoornis en een aanpassingsstoornis. Daarnaast is sprake van forse verslavingsproblematiek. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. De afgelopen jaren is, zonder resultaat, getracht verdachte te motiveren tot gedragsverandering. Er is geen sprake van zelfinzicht. Intensieve behandeling en begeleiding binnen een forensische kader is geïndiceerd. De reclassering heeft aanvankelijk overwogen om, in het kader van bijzondere voorwaarden, reclasseringstoezicht, een behandel- en begeleidingsverplichting bij Humanitas, het meewerken aan urinecontroles en dagbesteding te adviseren. Aangezien verdachte medewerking aan reclasseringscontact heeft geweigerd, heeft de reclassering uiteindelijk een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij sinds eind december 2019 ambulante begeleiding van Humanitas krijgt. Deze begeleiding verloopt volgens hem goed, hij heeft een gedragsverandering doorgemaakt, hij is beter in staat met zijn agressie om te gaan en hij is nu wel bereid mee te werken aan een meldingsgebod ook als dit inhoudt behandeling en begeleiding door Humanitas. De raadsman heeft ter onderbouwing een Evaluatie trajectplan over de periode van 30 maart 2020 tot en met 27 juli 2020 overgelegd.

De rechtbank acht het van het grootste belang dat verdachte door Humanitas begeleid blijft worden en ook behandeld gaat worden om het bij hem geconstateerde hoge recidivegevaar te verminderen. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf, inclusief de door hem gevorderde bijzondere voorwaarden passend en geboden.

Een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van verdachte, door een lichtere strafrechtelijks afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank verder in enige mate rekening gehouden met het verstreken tijdsverloop.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces maar heeft op het voegingsformulier geen bedrag aan schadevergoeding ingevuld. Op het voegingsformulier staat enkel geschreven dat hij via rechtsbijstandverzekering Achmea Interpolis een bedrag van € 2.041,-- vergoed heeft gekregen.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan indien er nog schade zou resteren haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.2.

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 13.250,-- (dertienduizend tweehonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- voorlopige schade ten bedrage van € 3.500,-- P.M. + toekomstige schade (overeenkomstig een bijgevoegde schadestaat);

- autoschade ten bedrage van € 2.250,--

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,-- als voorschot gevorderd.

8.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 6.264,15 met vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Dit bedrag bestaat uit € 2.514,15 (€ 3.264,15 minus een bedrag van € 750,-- dat reeds door de verzekering is vergoed), € 2.250,-- aan geschatte autoschade en een bedrag van € 1.500,-- aan immateriële schade.

Voor het overige dient de benadeelde volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

8.4

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn gehele vordering omdat deze vordering te ingewikkeld is en de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde materiële kosten onvoldoende zijn onderbouwd, dat het causale verband tussen de gevorderde materiële kosten en de bewezen verklaarde feiten ontbreekt, dat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij en dat een onbekend deel van de gevorderde kosten reeds door de verzekering is vergoed.

8.5

Het oordeel van de rechtbank

De opgevoerde schade is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist.

Bovendien is onduidelijk waarop de uitkering van de verzekeringsmaatschappij ziet en welke schade nog resteert. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden.

De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en

terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze

wet.

Feit 2:

Met misdrijf: overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland of een soortgelijke instelling, op de door de reclassering of soortgelijke instelling te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen bij een instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering of soortgelijke instelling dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

Na indicatiestelling kan een kortdurende klinische opname plaatsvinden voor maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering of soortgelijke instelling nodig vindt, voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek;

- draagt de reclassering of een door hen aan te wijzen instelling zoals Humanitas op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partijen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen, en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mulder, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2020.

Mr. R.M. van Vuure is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam IJsselland-Noord, met nummer PL0600-2018921. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.