Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2760

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
C/08/252498 / KG ZA 20-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming en toegangsverbod toegewezen. Het gevorderde op grond van artikel 557a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/252498 / KG ZA 20-166

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ALMELO,

zetelend te Almelo,

eiseres, hierna te noemen de Gemeente,

advocaat mr. M. Ichoh te Almelo,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden, hierna te noemen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,

beiden verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    het mailbericht van 12 augustus 2020 van de griffie van deze rechtbank, waarin aan de op dat moment verschenen partijen (de Gemeente en [gedaagde sub 1] ) is meegedeeld dat ter zitting zal worden beslist op het aanhoudingsverzoek dat van de zijde van [gedaagde sub 1] is ontvangen bij mailbericht van 11 augustus 2020,
    - de mondelinge behandeling in het gerechtsgebouw te [woonplaats] op 13 augustus 2020, waar partijen zijn verschenen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, dat vandaag - bij vervroeging - wordt uitgesproken.

2 Waarvan kan worden uitgegaan

2.1.

De Gemeente is eigenaar van een pand, inclusief buitenruimte en garagebox, staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente Ambt-Almelo, sectie [nummer] (hierna gezamenlijk: het pand). Het pand dient als loods respectievelijk opslagplaats.

2.2.

De Gemeente heeft haar pand in 2014 om niet tijdelijk in gebruik gegeven aan
[gedaagde sub 1] .

2.3.

Op of omstreeks 19 juli 2018 is in het pand een hennepplantage aangetroffen en ontmanteld. De Gemeente heeft vervolgens het pand, conform haar eigen Damoclesbeleid, gesloten en verzegeld voor een periode van zes maanden.

2.4.

Bij brief van 20 januari 2020 heeft de Gemeente [gedaagde sub 1] meegedeeld dat zij
- kort gezegd - het gebruiksrecht per direct wenst te beëindigen en beëindigd te houden. Daarbij is [gedaagde sub 1] in de gelegenheid gesteld om zijn eigen inventaris/eigendommen vóór 1 maart 2020 te verwijderen.

2.5.

Bij brief van 11 maart 2020 heeft de Gemeente [gedaagde sub 1] vervolgens nogmaals in de gelegenheid gesteld om zijn eigendommen te verwijderen en wel vóór 15 april 2020. Hieraan is geen, althans niet volledig, gehoor gegeven.

2.6.

Bij controle is de Gemeente gebleken dat het pand zonder toestemming (gedeeltelijk) in gebruik is genomen door [gedaagde sub 2] . Bij brief van 21 april 2020 heeft de Gemeente [gedaagde sub 2] - kort gezegd - meegedeeld dat dit gebruik onmiddellijk beëindigd dient te worden, dat het perceel ontruimd dient te worden en vrij dient te worden gemaakt van opslag.

2.7.

Op 20 juli 2020 heeft een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de Gemeente het pand bezocht om te onderzoeken of het pand inmiddels ontruimd en verlaten is. Dit was, volgens het door de gerechtsdeurwaarder opgestelde proces-verbaal van constatering, niet het geval. In het proces-verbaal staat vermeld dat de gerechtsdeurwaarder de constatering heeft gestaakt en het pand heeft verlaten omdat [gedaagde sub 2] hem ter plaatse de toegang tot het pand weigerde te verlenen, een ambtenaar van de Gemeente heeft belet om het pand af te sluiten en [gedaagde sub 2] ter plaatse de uitgang van het pand had belet met zijn auto.

2.8.

Bij brief van 21 juli 2020 heeft (de advocaat van) de Gemeente [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erop gewezen dat zij zonder recht of titel gebruik maken van het pand en dat zij daardoor onrechtmatig handelen jegens de Gemeente en zijn zij gesommeerd om uiterlijk op dinsdag 28 juli 2020 om 14.00 uur het pand volledig te ontruimen en ter vrije beschikking te stellen aan de Gemeente, bij gebreke waarvan de Gemeente een kort geding tot ontruiming zal starten.

2.9.

Op 28 juli 2020 heeft de Gemeente een gerechtsdeurwaarder de opdracht gegeven om het pand nogmaals te inspecteren om te bezien of aan de sommatiebrief uitvoering is gegeven. Gelet op het door de gerechtsdeurwaarder opgestelde proces-verbaal van constateringen, bleek dit niet het geval.

2.10.

In de door de - door de Gemeente ingeschakelde - bewakingsdienst opgemaakte rapporten van 1 en 3 augustus 2020 en de bijbehorende mailberichten van
3 en 4 augustus 2020 wordt vermeld dat er (een) slot(en) is/zijn vervangen en dat de sleutel van de Gemeente niet meer past.

3 Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

Het gevorderde door de Gemeente strekt in de kern tot ontruiming van het pand en een toegangsverbod tot het perceel waarop het pand zich bevindt.

3.2.

Wat betreft het voorafgaand aan de zitting gedane aanhoudingsverzoek is de voorzieningenrechter van oordeel dat, voor zover het niet als ingetrokken moet worden beschouwd doordat [gedaagde sub 1] - ondanks zijn hoge leeftijd en, naar hij zegt, ziekte - zelf is verschenen ter zitting en het woord heeft gevoerd, [gedaagde sub 1] voldoende tijd heeft gehad om (eventueel met hulp van anderen) een advocaat te (laten) benaderen om zijn belangen te behartigen in deze procedure. De dagvaarding is immers op 5 augustus 2020 betekend. Daarin kan dan ook geen reden zijn gelegen om het aanhoudingsverzoek te honoreren. Voor het overige heeft [gedaagde sub 1] ook geen onderbouwde argumenten aangevoerd die, mede gezien de belangen van de Gemeente, aanhouding van de zaak rechtvaardigen. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] ook meegedeeld ter zitting te zijn verschenen om het woord te voeren, ook omdat hij van dit geding af wil zijn.

3.3.

Het spoedeisend belang van de Gemeente bij haar vorderingen volgt uit de aard van de zaak.

3.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] niet heeft weersproken dat hij alleen het gebruiksrecht van het pand had en dat destijds tussen de Gemeente en hem is afgesproken dat hij het pand niet aan derden in gebruik mag geven. Door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is niet betwist dat er alweer geruime tijd geleden in het pand een hennepkwekerij is aangetroffen. [gedaagde sub 1] heeft ook niet gemotiveerd weersproken dat de Gemeente de gebruikersovereenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd.

3.5.

[gedaagde sub 2] heeft aangevoerd dat hij (een gedeelte van) het pand huurt van
[gedaagde sub 1] voor opslag (van hoofdzakelijk fietsen) en dat hij niet wist dat de Gemeente en [gedaagde sub 1] (slechts) een gebruikersovereenkomst waren overeengekomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vraag of er sprake is van een huurovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] binnen het bestek van deze procedure niet te beantwoorden. Ook indien er veronderstellende wijs van uit wordt gegaan dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , kan [gedaagde sub 2] dit niet baten tegenover de Gemeente. Nu niet is weersproken dat de Gemeente en [gedaagde sub 1] hebben afgesproken dat [gedaagde sub 1] het pand niet aan derden in gebruik mag geven, is de huur onbevoegd aangegaan. De Gemeente hoeft een gebruik uit hoofde van een onbevoegd aangegane huur in beginsel niet te eerbiedigen. Zij kan beëindiging van dit onrechtmatige gebruik afdwingen. Dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid door de Gemeente is gesteld noch gebleken.

3.6.

De Gemeente heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangeschreven en hen daarbij (ook) ruim de gelegenheid geboden om het pand te verlaten en te ontruimen. Dit heeft echter niet het door de Gemeente gewenste resultaat opgeleverd.

3.7.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter dan ook tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op dit moment reeds geruime tijd zonder recht of titel gebruik maken van het pand voor opslag van goederen. Daarmee handelen zijn onrechtmatig jegens de Gemeente. Daar komt bij dat de door de Gemeente aangebrachte sloten (deels) geforceerd zijn en zijn vervangen door andere sloten zonder dat de Gemeente daarvan sleutels heeft ontvangen, hetgeen, los van de vraag wie daarvoor verantwoordelijk is, ook onrechtmatig jegens de Gemeente is.

3.8.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staan de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet aan de ontruiming in de weg. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen omstandigheden gesteld die opwegen tegen het spoedeisende belang van de Gemeente bij het beëindigen van het onrechtmatig gebruik van het pand om op die manier als eigenaar weer vrijelijk te kunnen beschikken over haar eigendom. Dat de Gemeente nog geen concrete plannen heeft met het pand dat in een gebied ligt dat zij wil herontwikkelingen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde sub 1] tijdens de zitting heeft verklaard dat hij geen belang meer heeft bij het pand en dat hij er vanwege zijn leeftijd en vanwege ziekte niets meer mee wil doen. Ten slotte weegt mee dat de Gemeente [gedaagde sub 1] een ruime tijd heeft gegund om het pand te (laten) ontruimen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook niet worden gezegd dat de Gemeente de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft veronachtzaamd.

3.9.

De slotsom is dan ook dat de gevorderde ontruiming - op na te melden wijze - zal worden toegewezen. Gelet op de hoge leeftijd van [gedaagde sub 1] en de omstandigheid dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij iemand heeft die alle goederen van hem wil overnemen, acht de voorzieningenrechter een ontruimingstermijn van vier weken in dit geval redelijk. Op deze wijze krijgt [gedaagde sub 1] nog enige tijd om voor zijn rekening anderen in te schakelen die hem kunnen helpen om het pand te ontruimen en goederen over te nemen c.q. elders op te slaan. Het spreekt voor zich dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen spullen van elkaar mogen toeeigenen.

3.10.

Het gevorderde op grond van artikel 557a lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal worden afgewezen. In dit vonnis wordt niet de ontruiming bevolen aan ‘anderen dan aan gebruikers of gewezen gebruikers’, zoals verwoord in
artikel 557a lid 3 Rv. Met die woorden wordt gedoeld op (een) anonieme gebruiker(s), waarvan hier geen sprake is. Het artikellid is dus niet van toepassing. Bovendien is het gevorderde niet gericht tegen anderen, maar tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Voor een analoge toepassing bestaat geen aanleiding.

3.11.

De op voorhand gevorderde ontruimingskosten worden afgewezen nu deze kosten niet vallen onder de kosten ex artikel 237 lid 3 Rv en zij zich zonder nadere toelichting, niet lenen voor voorwaardelijke begroting.

3.12.

De Gemeente vordert tevens een toegangsverbod van het perceel voor de duur van twee jaren (onder II. in het petitum van de dagvaarding). De Gemeente heeft op grond van haar eigendomsrecht in beginsel de bevoegdheid een toegangsverbod op te leggen. Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, het verhandelde ter zitting, het herhaald forceren van de door de Gemeente aangebrachte sloten en het niet toelaten, althans het tegenwerken van inspecties, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij toewijzing van de vordering tot het opleggen van een toegangsverbod op straffe van een dwangsom. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ook geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen het gevorderde toegangsverbod. Het opleggen van een toegangsverbod op straffe van een dwangsom geeft de Gemeente een stok achter de deur om niet (weer) geconfronteerd te raken met (kraak)acties van [gedaagde sub 1] dan wel [gedaagde sub 2] . Het gevorderde toegangsverbod zal dan ook op na te melden wijze worden toegewezen. Voor een verdergaand verbod bestaat, mede gezien de toegewezen ontruimingsvordering, geen aanleiding. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

3.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (hoofdelijk) worden veroordeeld in de proceskosten van de Gemeente. Deze kosten zullen worden begroot op 1.846,06 (2 x dagvaarding ad € 105,03, griffierecht € 656,-- en salaris van de advocaat € 980,--). De nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten zullen op na te melden wijze worden toegewezen.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het bovengenoemde perceel, inclusief pand, buitenruimte en garagebox, staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente Ambt-Almelo, sectie [nummer] , blijvend te verlaten, met al het hunne en de hunnen, en ontruimd ter beschikking te stellen aan de Gemeente,

4.2.

verbiedt [gedaagde sub 1] voor een periode van twee jaren na ommekomst van de onder 4.1. aangeduide termijn, om bovengenoemde perceel, inclusief pand, buitenruimte en garagebox, staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente Ambt-Almelo, sectie [nummer] , te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,-- per dag of dagdeel dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 40.000,-- is bereikt,

4.3.

verbiedt [gedaagde sub 2] voor een periode van twee jaren na ommekomst van de onder 4.1. aangeduide termijn, om bovengenoemde perceel, inclusief pand, buitenruimte en garagebox, staande en gelegen aan [het adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente Ambt-Almelo, sectie [nummer] , te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,-- per dag of dagdeel dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 40.000,-- is bereikt,

4.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 1.846,06, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.6.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J. Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020.1

1 type: coll: