Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2758

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
08-069841-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 44-jarige man uit Groningen is veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijk rijverbod voor 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. De man reed op 5 oktober 2018 met zijn vrachtwagen door rood en reed vervolgens met onverminderde snelheid een kruising op. Hierbij kwam hij in botsing met een van rechts komende personenauto, met een fatale afloop als gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-069841-19 (P)

Datum vonnis: 25 augustus 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een vrachtwagen een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is overleden dan wel dat hij met die vrachtwagen gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt op de weg.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 5 oktober 2018 te Beerzelveld in de

gemeente Ommen, als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met

oplegger) komende uit de richting Almelo en/of gaande in de

richting van de kruising van de wegen, de Twentseweg-N36 en

de Beerzerweg, daarmede rijdende over de weg, de

Twentseweg-N36,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of

onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij, verdachte last had van de zon en/of

terwijl hij, verdachte tijdens het rijden een telefoongesprek aan

het voeren was,

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven

kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte

van die weg (de Twentseweg-N36) en/of de aldaar in zijn,

verdachtes rijrichting rood uitstralende verkeerslichten en/of

zich, -alvorens die kruising op te rijden-, niet heeft overtuigd

welke kleur voormelde verkeerlichten uitstraalden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto,

trekker met oplegger) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte

in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto trekker met oplegger)

tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij,

verdachte die weg (de Twentseweg-N36) kon overzien en

waarover deze vrij was en/of

ter hoogte van de kruising, terwijl de aldaar geplaatste, voor

hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting

gekeerde verkeerslichten reeds ongeveer 4,5 seconden rood

licht uitstraalden, inhoudende: "Stop",

in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement

geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het

Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod

of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) niet ingevolge

het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de

aldaar zich op het wegdek van die weg (de Twentseweg-N36)

voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

zonder te remmen die kruising is opgereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6

van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood is

gereden en/of een op de kruisende weg (de Beerzerweg) of op

die kruising, rijdende, toen ter plaatse voor hem, verdachte

dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een ander

motorrijtuig (personenauto), -die bij groen licht doende was die

Twentseweg-N36 met een bocht naar links in de richting

Almelo op te rijden-, niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat toen

voor hem, verdachte van rechts dicht genaderd zijnde andere

motorrijtuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een

ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 oktober 2018 te Beerzelveld in de

gemeente Ommen, als bestuurder van een motorrijtuig

(bedrijfsauto, trekker met oplegger) komende uit de richting

Almelo en/of gaande in de richting van de kruising van de

wegen, de Twentseweg-N36 en de Beerzerweg, daarmede heeft

gereden over de weg, de Twentseweg-N36 en

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat

door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto,

trekker met oplegger) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte

in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto trekker met oplegger)

tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij,

verdachte die weg (de Twentseweg-N36) kon overzien en

waarover deze vrij was en/of

ter hoogte van de kruising, terwijl de aldaar geplaatste, voor

hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting

gekeerde verkeerslichten reeds ongeveer 4,5 seconden rood

licht uitstraalden, inhoudende: "Stop",

in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement

geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het

Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod

of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde

motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) niet ingevolge

het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de

aldaar zich op het wegdek van die weg (de Twentseweg-N36)

voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen en/of

zonder te remmen die kruising is opgereden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6

van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood is

gereden en/of een op de kruisende weg (de Beerzerweg) of op

die kruising, rijdende, toen ter plaatse voor hem, verdachte

dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een ander

motorrijtuig (personenauto), -die bij groen licht doende was die

Twentseweg-N36 met een bocht naar links in de richting

Almelo op te rijden-, niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat toen

voor hem, verdachte van rechts dicht genaderd zijnde andere

motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het

verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de mate van schuld die verdachte aan het ongeval heeft de laagste culpoze vorm is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed op 5 oktober 2018 als bestuurder van een vrachtauto (trekker met oplegger) over de Twentseweg (N36), komende uit de richting Almelo. Verdachte naderde de kruising van deze weg met de Beerzerweg. Verdachte had eerder op deze weg gereden en hij wist dat er een kruising met verkeerslichten naderde. Op het moment dat verdachte het verkeerslicht naderde reed hij ongeveer 80 kilometer per uur en was hij handsfree aan het bellen. Ook stond de zon op dat moment laag, waardoor het zicht van verdachte enigszins werd belemmerd. Voor de kruising negeerde verdachte een rood verkeerslicht. Verdachte reed ondanks het rode licht door en hij kwam vervolgens op de kruising in aanrijding met de van rechts komende personenauto waarin [slachtoffer] reed. Als gevolg van deze aanrijding is [slachtoffer] overleden.

Ten aanzien van de vraag of de gedragingen van verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 opleveren, stelt de rechtbank het volgende voorop.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de

verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander kwam te overlijden. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam”. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer is gehandeld worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.1

De rechtbank is op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld. Het verkeersongeval is derhalve aan verdachtes schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte reed als beroepschauffeur in een vrachtwagen (trekker met oplegger) en hij naderde een kruispunt van wegen met verkeerslichten. Door een laagstaande zon had verdachte verminderd zicht. Verdachte zag niet dat de verkeerslichten die hij naderde eerst 4,5 seconden oranje en daarna 4,5 seconden rood licht naar hem uitstraalden. Verdachte heeft verklaard dat hij de weg kende en dat hij de verkeerslichten heeft gezien maar dat hij niet heeft gezien dat de verkeerslichten op oranje dan wel op rood stonden. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte pas 6,20 meter voor de verkeerslichten begon te remmen en zonder te stoppen passeerde hij die verkeerslichten en reed de kruising op. Verdachte zag vervolgens evenmin de voor hem van rechts komende Citroen C1 waarin [slachtoffer] reed, die door groen licht reed, aankomen. In dit geval is sprake van meer dan een moment van onoplettendheid. De rechtbank is van oordeel dat een beroepschauffeur, die met een grote combinatie een kruising met verkeerslichten nadert, en daarbij zich bewust is van een mogelijk verminderd zicht door een laagstaande zon, en daarbij tevens handsfree belt, uitsluitend met een bijzondere voorzichtigheid en grote oplettendheid deze kruising mag oprijden. Het is aan verdachtes schuld te wijten dat hij dit niet heeft gedaan en dit is hem te verwijten.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 oktober 2018 te Beerzerveld in de gemeente Ommen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) komende uit de richting Almelo en gaande in de richting van de kruising van de wegen, de Twentseweg-N36 en de Beerzerweg, daarmede rijdende over de weg, de Twentseweg-N36,

aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl hij, verdachte last had van de zon en terwijl hij, verdachte tijdens het rijden een telefoongesprek aan het voeren was, niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de

Twentseweg-N36)

en de aldaar in zijn, verdachtes rijrichting rood uitstralende verkeerslichten en zich, -alvorens die kruising op te rijden-, niet heeft overtuigd welke kleur voormelde verkeerlichten uitstraalden

en in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (bedrijfsauto trekker met oplegger) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Twentseweg-N36) kon overzien en waarover deze vrij was

en ter hoogte van de kruising, terwijl de aldaar geplaatste, voor hem, verdachte van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten reeds ongeveer 4,5 seconden rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", in strijd met het gestelde in artikel 62 van voormeld reglement geen gevolg heeft gegeven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, trekker met oplegger) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 van voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de Twentseweg-N36) voor die kruising aangebrachte stopstreep te stoppen

en die kruising is opgereden en in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onder c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te stoppen, door rood is gereden en een op die kruising, rijdende, toen ter plaatse voor hem, verdachte dicht van rechts genaderd zijnde bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto), -die bij groen licht doende was die Twentseweg-N36 met een bocht naar links in de richting Almelo op te rijden-, niet voor heeft laten gaan en is gebotst tegen dat toen voor hem, verdachte van rechts dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, omdat de zaak inmiddels al bijna twee jaar oud is en verdachte in die tijd op verantwoorde wijze heeft deelgenomen aan het verkeer. Ook is verdachte beroepschauffeur en dus voor zijn werk afhankelijk van zijn rijbewijs.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte negeerde een rood licht en reed met onverminderde snelheid de kruising op, waarna hij op de kruising in botsing kwam met een van rechts komende personenauto. Dit ongeluk had een fatale afloop: het heeft het leven gekost van [slachtoffer] . Dat heeft nog steeds veel invloed op het dagelijks leven van de nabestaanden, hetgeen ook blijkt uit de door de moeder van [slachtoffer] ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring. De rechtbank rekent het verdachte aan dat door zijn onoplettendheid een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met dodelijke afloop.

Bij het bepalen van de straf en de omvang daarvan heeft de rechtbank de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten in aanmerking genomen. Deze hanteren als uitgangspunt voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld van verdachte, het slachtoffer is overleden en de verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde, een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

De rechtbank constateert dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 juli 2020, in het verleden nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte zichtbaar veel spijt heeft van wat er is gebeurd. Ook het feit dat verdachte voor zijn werk dagelijks afhankelijk is van zijn rijbewijs en beroepshalve vele kilometers per jaar rijdt zonder grote verkeersfouten te maken, betrekt de rechtbank bij het bepalen van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. Gelet op hetgeen de rechtbank omtrent de persoon van verdachte heeft overwogen en om verdachte er van te weerhouden in de toekomst wederom soortgelijke feiten te plegen, zal de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 4.600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het bedrag wordt wegens immateriële schade gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd. De officier van justitie merkt op dat de rechtbank nog wel de bevoegdheid heeft de hoogte van de schade te schatten.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat hoewel de vordering niet is onderbouwd, verdachte bereid is een bedrag aan schadevergoeding te betalen. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat in beginsel alleen schade die – in juridische zin – rechtstreeks uit het bewezen verklaarde feit voortvloeit voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het door de vader van het slachtoffer gevorderde bedrag, in verband met het drie maanden niet kunnen werken, onvoldoende rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit.

De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr en 175 en 179 WVW 1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij, [benadeelde] , in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. D. ten Boer en

mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2020.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, district IJsselland, basisteam Vechtdal met nummer PL0600-2018449330. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de zitting van 11 augustus 2020, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik reed op 5 oktober 2018 omstreeks 17:45 uur over de N36 en ik was op weg naar huis. Ik ben beroepschauffeur en ik reed in een trekker met oplegger. Ik naderde de kruising van de N36 met de Beerzerweg en ik kwam vanaf Almelo. De zon hing vrij laag en ik had de schermpjes naar beneden. Het zicht was door de laaghangende zon iets minder, maar ik dacht dat ik alles goed zag. Ik naderde het stoplicht en was van mening dat het groen was. Als ik een kruising nader ben ik altijd wel extra alert. Ik heb toen wel even afgeremd, maar toen ik er van overtuigd was dat het groen was, heb ik weer gas gegeven. Pas op het laatste moment, net voor de kruising, zag ik dat het verkeerslicht rood was. Het kan kloppen dat ik pas ongeveer zes meter voor de kruising begon met remmen. Ik schrok heel erg van het rode licht en ik moest toen heel snel een keus maken. Ik ben zoveel mogelijk naar links uitgeweken om zo de afstand tot de auto’s die van rechts kwamen te bewaren. Ik heb niet gezien dat er daadwerkelijk auto’s de kruising opreden. Op het moment dat dit gebeurde was ik handsfree aan het bellen met mij collega. Op de kruising ben ik in aanrijding gekomen met de Citroën van [slachtoffer] .

2.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 6 oktober 2018, pagina’s 34 en 35, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van die getuige:

Ik reed in mijn personenauto achter de vrachtwagen. Ik reed al een tijdje over de N36 achter de vrachtwagen. Ik heb geen bijzonderheden over zijn weggedrag. Ik reed ongeveer 80 kilometer per uur op de teller. Dat reed de vrachtwagen dus ook. Wij kwamen op een gegeven moment bij de verkeerslichten waar het ongeval gebeurde. Ik wist dat er twee rijstroken voor rechtdoor zijn bij de kruising dus ik was van plan om de linker rijstrook te nemen zodat ik de vrachtauto voorbij zou kunnen rijden. Zodra er twee rijstroken waren ging ik naar links. Ik reed toen linksachter de vrachtauto. Wij reden beide nog ongeveer 80 kilometer per uur denk ik. Ik zag dat het verkeerslicht oranje werd en begon vaart te minderen. Ik reed toen links van de vrachtwagen. Ik zag dat het verkeerslicht rood werd, maar ik zag dat de vrachtwagen gewoon doorreed. Ik kon makkelijk op tijd stoppen. Ik zag dat de cabine van de vrachtwagen ter hoogte van de verkeerslichten was. Ik zag dat de cabine ineens hard naar beneden dook, hierdoor wist ik dat de bestuurder toen pas remde. Ik zag dat de vrachtwagen daarna meteen naar links uitweek, naar de linkerrijstrook voor rechtdoor. Ik zag dat de vrachtwagen de auto van het slachtoffer vol in de linkerzijkant ramde en dat zij samen op de verhoogde middenberm tot stilstand kwamen. Dit was midden op de kruising.

3.

Het proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 25 januari 2019, pagina 60, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van die verbalisanten:

Samengevat concludeerde hij het volgende:

- De VRI vertoonde geen relevante storingen die bijgedragen konden hebben aan het ontstaan van het ongeval.

- Drie van de vier lusdetectiekaarten waren defect, echter had dit geen gevolgen voor het functioneren van de vierde detectiekaart. Het gevolg hiervan was dat groentijden op verschillende richtingen bepaald werden aan de hand van een vooraf ingestelde waarde.

- Op het moment dat de personenauto de voor hem geldende stopstreep passeerde straalde het verkeerslicht van richting 12 al minstens 3,1 seconden groen licht uit.

- Op het moment dat de vrachtwagen de voor hem geldende stopstreep passeerde straalde het verkeerslicht van richting 02 al minstens 4,5 seconden rood licht uit.

- Voorafgaand aan de 4,5 seconden rood licht op richting 02 straalde het verkeerslicht op deze richting 4,5 seconden geel licht uit.

- Op basis van de detectorregistraties blijkt dat de vrachtwagen met een snelheid van tussen de 80,5 en 84,6 kilometer per uur het kruispunt was genaderd.

- Op basis van de gegevens uit de tachograaf en uit de verkeersregelinstallatie blijkt dat de bestuurder van de vrachtwagen op zijn vroegst 6,20 meter voor de stopstreep en op zijn laatst 16,86 meter na de stopstreep is begonnen met remmen, gerekend vanaf de voorzijde van de vrachtwagen.

Lijkschouw

Ter plaatse van de aanrijding werd door forensisch arts M. van Keulen, GGD IJsselland, een

korte schouw uitgevoerd. Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan Van Keulen of zij aanwijzingen had om aan te nemen dat het slachtoffer voorafgaand aan het ongeval onwel was geworden of

mogelijk al overleden was. Ik hoorde haar antwoorden dat dit niet zo was. Ik vroeg haar of

het slachtoffer overleden was als direct gevolg van de aanrijding. Ik hoorde dat zij dit

bevestigde.

1 HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.