Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2693

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
08/051523-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 34-jarige man is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar. De man heeft zich op 26 februari 2020 schuldig gemaakt aan een poging doodslag en een mishandeling. Hij heeft het slachtoffer vanuit het niets aangevallen met een mes. Hij heeft het slachtoffer meerdere keren in zijn borst, been en billen gestoken. Ook toen aangever door het raam probeerde weg te vluchten en weerloos uit het raam hing, bleef verdachte doorgaan met steken.

Tijdens zijn handelen heeft hij een tweede persoon, die probeerde verdachte te doen stoppen – in de arm gestoken.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op de ernst van het onder feit 1 bewezen verklaarde, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Omdat de rechtbank van oordeel is dat die ernst onvoldoende tot uitdrukking komt in de eis van de officier van justitie, zal zij een hogere straf opleggen dan geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/051523-20 (P)

Datum vonnis: 18 augustus 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] (Libië),

thans verblijvend in de P.I. Vught, afdeling PPC te Vught.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 09 juni 2020 en 4 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Menouar en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. S.M. Carabain-Klomp, advocaat te IJhorst, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden, dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Deventer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met één of meer (grote) messen, althans enige scherpe en/of puntige voorwerpen, één of meermalen (met kracht) in (de richting van) de borst(streek) (ter hoogte van het hart) en/of de benen en/of de billen heeft gestoken en/of geprikt, en/of met kracht (met een stok) op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Deventer, althans in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe en/of grote snee in en/of onder de linker borst (ter hoogte van het hart) en/of in de billen, heeft toegebracht door met één of meer (grote) messen, althans enige scherpe en/of puntige voorwerpen, één of

meermalen (met kracht) in de borst(streek) en/of de billen te steken en/of te prikken en/of te snijden;

2

hij op of omstreeks 26 februari 2020 te Schalkaar [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meerdere malen, in elk geval eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn arm te steken en/of te prikken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair, met uitzondering van het onderdeel ‘met voorbedachten rade’, en feit 2, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich wat betreft het bewijs op hetzelfde standpunt gesteld als de officier van justitie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank overweegt dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige gebezigde bewijsmiddelen, geen discussie bestaat over de vraag wat zich op 26 februari 2020 heeft afgespeeld. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier vast dat verdachte aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft gestoken met een mes in de borst. Toen [slachtoffer 1] vervolgens probeerde door het raam te vluchten, heeft verdachte hem in zijn been en zijn billen gestoken. Voorafgaand aan dit incident had zich in de hal een woordenwisseling tussen verdachte en een vriend van [slachtoffer 1] afgespeeld over een sigaret. Verdachte is toen een mes gaan halen uit de keuken en is naar de kamer van [slachtoffer 1] gelopen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het feitencomplex juridisch moet worden gekwalificeerd.

Voorbedachten rade

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in de tijdsspanne tussen het halen van het mes en het steken daadwerkelijk kon nadenken en heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven, zodat het ten laste gelegde onderdeel ‘met voorbedachten rade’ niet bewezen kan worden en de rechtbank verdachte daarvan zal vrijspreken.

Letsel

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer 1] heeft gestoken in de romp, been en billen.

Als gevolg van de steekpartij is [slachtoffer 1] naar het ziekenhuis gebracht, waar een letselverklaring is opgesteld door GGD IJsselland op 29 februari 2020. Uit de letselverklaring blijkt dat zich op de borst een 2 centimeter lange huiddoorklieving met een scherpe punt bevindt, waarbij enkele centimeters diep is doorgestoken tot vlakbij het hart. Op het rechterbeen bevinden zich twee huiddoorklievingen met scherpe punt van twee centimeter en langs de bilspleet bevinden zich twee huiddoorklievingen met scherpe punt van twee centimeter. De forensisch arts S.J. Th. van Kijk heeft, op vordering van de officier van justitie op 31 maart, in een letselinterpretatie vastgesteld dat de steekwond in de borst een bloeding in het hartzakje heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] had kunnen overlijden. Door de steekwonden in het been en de billen zijn geen grote slagaders of zenuwbanen geraakt, maar dat had bij dieper doorsteken wel kunnen gebeuren. De forensisch arts heeft geconcludeerd, op basis van literatuur en risicoberekeningen met AIS en ISS, dat deze steken het slachtoffer zeker fataal hadden kunnen worden. De rechtbank stelt vast dat verdachte aan [slachtoffer 1] potentieel dodelijk letsel heeft toegebracht.

Opzet

Naar het oordeel van de rechtbank had de verdachte opzet op de dood van [slachtoffer 1] . Het met een mes met kracht onder meer in de borst steken van die [slachtoffer 1] is namelijk een gedraging die naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op de dood dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachte aangever [slachtoffer 2] , geraakt heeft met het mes toen hij bezig was [slachtoffer 1] te steken. Hierdoor heeft [slachtoffer 2] licht letsel opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door in een kleine kamer waarin zich meerdere personen bevinden steekbewegingen met een mes te maken richting één van die personen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ook één van die andere personen zou raken. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zou verwonden, waarmee zij de mishandeling bewezen acht.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 26 februari 2020, te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met één mes, meermalen met kracht in de borststreek (ter hoogte van het hart) en de benen en de billen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op 26 februari 2020 te Schalkaar [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een mes in zijn arm te steken.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 2

het misdrijf: mishandeling

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de op te leggen straf, omdat zij heeft bepleit het onderzoek aan te houden zodat er een onderzoek naar de persoon van de verdachte kan worden gedaan middels een klinische observatie.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank acht het voor de beoordeling voor het opleggen van een straf of maatregel, niet

noodzakelijk onderzoek naar de persoon van verdachte te laten doen middels een klinische observatie. Er is daarom geen noodzaak om de behandeling van de zaak om die reden aan te houden, nu de rechtbank zich ten aanzien van de psyche van verdachte voldoende voorgelicht acht.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door aangever [slachtoffer 1] vanuit het niets aan te vallen met een mes, en daarmee meermalen te steken in de borst, been en billen van de aangever. Ook toen aangever door het raam probeerde weg te vluchten en weerloos uit het raam hing, bleef verdachte doorgaan met steken. [slachtoffer 1] heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Door de steek in de borst is er direct hartletsel ontstaan, dat [slachtoffer 1] , volgens de forensisch arts, zeker fataal had kunnen worden. Tijdens zijn handelen heeft hij aangever [slachtoffer 2] – die probeerde verdachte te doen stoppen – in de arm gestoken.
Dit zijn ernstige feiten en verdachte heeft door zo te handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Slachtoffers van dergelijke feiten ondervinden niet alleen pijn en letsel, maar vaak ook psychische gevolgen van die feiten. Voorts zijn de bewoners van het asielzoekerscentrum die oorlog en geweld in hun eigen land zijn ontvlucht, ongewild getuige geweest van de agressie van verdachte. Een asielzoekerscentrum is bij uitstek een plek waar de bewoners op zoek zijn naar een veilig en geborgen gevoel. Daar komt bij dat dit soort incidenten het aanzien van asielzoekers schaadt. De rechtbank rekent dat alles verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gezien in het uittreksel Justitiële Documentatie van 9 juli 2020 dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Verdachte kan worden aangemerkt als een first offender.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op de ernst van het onder feit 1 bewezen verklaarde, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Omdat de rechtbank van oordeel is dat die ernst onvoldoende tot uitdrukking komt in de eis van de officier van justitie, zal zij een hogere straf opleggen dan geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 2

het misdrijf: mishandeling

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

Buiten staat

Mr. M.B. Werkhoven is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen 1.

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in de bijlage zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

1. De bekennende verklaring ten aanzien van de feiten die verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2020 heeft afgelegd;

Ten aanzien van feit 1

2. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 26 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 150 en 151;

3. Een proces-verbaal van verhoor aangever van [slachtoffer 1] van 3 maart 2020, doorgenummerde pagina’s 155 tot en met 159;

4. Een geschrift zijnde een letselrapportage van GGD IJsselland door M.A.J. van Keulen, forensisch arts van 26 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 130 tot en met 139;

5. Een geschrift zijnde een letselinterpretatie van GGD IJsselland door S.J. Th. van Kuijk, forensisch arts van 31 maart 2020, ongenummerd;

6. Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, met fotomap, van 9 maart 2020, doorgenummerde pagina’s 52 tot en met 65;

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige van [slachtoffer 2] van 26 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 87 tot en met 94;

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige] van 29 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 99 tot en met 103;

Ten aanzien van feit 2

9. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 3 maart 2020, met foto’s letsel, doorgenummerde pagina’s 204 tot en met 209;

10. Een proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige] van 29 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 99 tot en met 103

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2020088853 (ON1R020024 DOPSLEUTEL). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.