Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2020:2692

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
08/045523-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 33-jarige man tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor poging tot doodslag en mishandeling. De man ging twee vrouwen met een bijl te lijf waardoor zij zwaar lichamelijk letsel opliepen. Hij sloeg één vrouw met de bijl op haar hoofd en op haar arm. Hierdoor ontstond een bloeduitstorting, een barstwond op haar hoofd en een zwelling op haar onderarm. De tweede vrouw sloeg hij met de bijl op haar schouder waardoor een kneuzing ontstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/045523-20 (P)

Datum vonnis: 18 augustus 2020

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ( [land] ),

huidig BRP-adres: [adres 1] ,

thans verblijvende in de P.I. Zwolle, afdeling PPC te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 mei 2020 en 4 augustus 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.E. Postma en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. A.L. Rinsma, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na de aanpassing omschrijving tenlastelegging van 4 augustus 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen, dan wel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 2: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen, dan wel [slachtoffer 2] heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een (kloof)bijl tegen haar hoofd en/of tegen haar arm, in elk geval tegen haar lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een (kloof)bijl tegen haar hoofd en/of tegen haar arm, in elk geval tegen haar lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar met een (kloof)bijl tegen haar hoofd en/of tegen haar arm, in elk geval tegen haar lichaam, te slaan;

2

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een (kloof)bijl op/tegen haar rug/schouder, in elk geval haar lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een (kloof)bijl op/tegen haar rug/schouder, in elk geval haar lichaam, heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 19 februari 2020 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar met een (kloof)bijl tegen haar rug/schouder, in elk geval tegen haar lichaam, te slaan.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor beide feiten het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken van het onder beide feiten ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad om zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] dodelijk te verwonden dan wel hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte heeft bekend dat hij heeft geslagen met de botte kant van de bijl (mevrouw [slachtoffer 1] ) respectievelijk met de steel (mevrouw [slachtoffer 2] ), maar heeft verklaard dat hij dat alleen heeft gedaan om hen en nog een tweetal andere aanvallers te verjagen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

De rechtbank stelt op grond van de voornoemde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 19 februari 2020 stonden bij verdachte vier personen te weten beide aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) en twee manspersonen voor deur van zijn woning. Verdachte zat op dat moment met zijn vriendin [naam] op de bank. Er werd op de deur en op de ramen en kozijnen geslagen en er werd geroepen dat hij naar buiten moest komen. Toen verdachte de deur opende om de confrontatie aan te gaan werd hij door één van de personen bespoten met een spuitbus met een rode vloeistof en hij werd door een ander geslagen met een stok. Verdachte heeft hierbij zelf ook agressief gedrag vertoond. Door de politie is later vastgesteld dat zowel verdachte als de voordeur en de muur van de hal onder de rode verf zaten. Verdachte is toen naar binnen gegaan om zijn gezicht schoon te spoelen en ging daarna weer naar buiten om wederom de confrontatie aan te gaan. Opnieuw werd hij bespoten en geslagen en weer was hij hierbij zelf agressief Hij is vervolgens weer naar binnen gegaan. De groep bleef staan bij de voordeur waarop verdachte een bijl uit het schuurtje heeft gehaald en weer naar buiten is gegaan om de groep te verjagen. Verdachte is achter de groep aangerend met de bijl en heeft [slachtoffer 2] geslagen op haar schouder met de botte kant van de bijl. [slachtoffer 2] heeft een blauwe plek bij haar schouder opgelopen. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer 1] twee keer geslagen eveneens met de botte kant van de bijl. De eerste slag kon [slachtoffer 1] afweren met haar onderarm en de tweede slag raakte haar hoofd. [slachtoffer 1] is in het ziekenhuis onderzocht door een forensisch arts en daar werd een verwonding en een zwelling op haar hoofd en een zwelling op haar linkeronderarm vastgesteld.

Ten aanzien van feit 1

Poging doodslag ten aanzien van [slachtoffer 1] ?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de handelingen van verdachte te duiden.

De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer 1] te doden Als verdachte vol opzet had gehad, dan had hij met de scherpe kant van de bijl geslagen. De vraag die dan voorligt is of er voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] kan worden afgeleid uit het handelen van verdachte.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of de overige verklaringen in het dossier, geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552).

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte twee keer met de botte kant van de bijl richting het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geslagen. Daarbij heeft [slachtoffer 1] letsel op haar hoofd en arm opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een essentieel en kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich vitale organen bevinden. Het meermalen slaan in de richting van en tegen het hoofd met een bijl is dermate gevaarzettend, dat de aanmerkelijke kans (in de zin van een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid) bestaat dat de voor het leven van het slachtoffer vitale organen beschadigd worden en de dood zal intreden.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van de handeling (het tot twee keer toe met enige kracht slaan richting hoofd) maakt dat verdachte kennelijk niet heeft vertrouwd op een goede afloop en daarmee uiteindelijk een keuze heeft gemaakt tegen het leven van [slachtoffer 1] en aldus de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt vast dat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer 2] te doden dan wel zwaar te mishandelen. Gegeven de plek op het lichaam waar [slachtoffer 2] is geraakt (schouderblad), het (relatief) geringe letsel alsmede het feit dat met de botte kant van de bijl is geslagen maken dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] door de klap zou komen te overlijden dan wel dat aan haar zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Verdachte heeft [slachtoffer 2] met de botte kant van de bijl op haar schouder geslagen waardoor zij licht letsel heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1

primair

hij op 19 februari 2020 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een kloofbijl tegen haar hoofd en tegen haar arm heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

meer subsidiair:

hij op 19 februari 2020 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar met een kloofbijl tegen haar schouder te slaan;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 primair en subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

5.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman ven verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte door meerdere mensen is aangevallen bij zijn eigen woning, waarbij hij onder de rode verf is gespoten en is geslagen met een knuppel. Deze aanval valt aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Naar het standpunt van de verdediging kon en behoefte verdachte zich niet onttrekken aan de aanval, omdat ook zijn vriendin aanwezig was bij de aanval en hij bang was dat de agressie zich op haar zou richten. Verdachte wilde slechts de belagers uit elkaar drijven. De raadsman stelt zich dan ook op het standpunt dat verdachte zich op een proportionele wijze heeft verdedigd en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het aangevoerde beroep op noodweer van de hand gewezen en geconcludeerd dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Verdachte is na de aanval weer naar binnen gegaan en had daar gewoon kunnen blijven. Hij is echter uit eigen beweging weer naar buiten gegaan en heeft zelf bewust de confrontatie weer opgezocht.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Verdediging hiertegen moet noodzakelijk en geboden zijn door de omstandigheden. Van een geslaagd beroep op noodweer kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Volgens de Hoge Raad moet de gestelde aanranding in dat geval in redelijkheid worden beschouwd als zodanig bedreigend voor de verdachte, dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De gestelde aanranding moet een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan. Dat wil zeggen dat er in de ogen van een derde of naar de uiterlijke verschijningsvorm beschouwd een onmiddellijke dreiging moet zijn. Daarbij is het bestaan van de enkele vrees onvoldoende.

Vaststaat dat verdachte door meerdere personen voor zijn eigen deur werd bespoten met verf en werd geslagen. Er was sprake van een dreigende situatie. De rechtbank is van oordeel dat op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte en dat daarom sprake was van een noodweersituatie. Verdachte heeft er op dat moment voor gekozen om naar binnen te gaan, de deur dicht te doen en zich uit de confrontatie terug te trekken. Hij heeft de tijd genomen zijn gezicht te wassen en de verf uit zijn ogen te spoelen. Omdat de personen nog steeds voor zijn deur stonden heeft hij een bijl gepakt en er voor gekozen om weer naar buiten te gaan en de confrontatie op te zoeken. Op het moment dat hij zich binnen had teruggetrokken was van een noodweersituatie was geen sprake meer en komt verdachte daarom geen beroep op noodweer toe. Ook voor de stelling van verdachte dat er sprake zou zijn van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn vriendin zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden. De rechtbank verwerpt dat verweer.

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 2 meer subsidiair

het misdrijf: mishandeling

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, deze overschrijding verontschuldigbaar is, daar deze is veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging die het gevolg was van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De raadsman doet dan ook subsidiair een beroep op noodweerexces en verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, waardoor een beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er op enig moment een noodweersituatie is geweest (voor zover hier relevant toen de verdachte voor de tweede keer naar buiten kwam), kan – gelet op het tijdsverloop dat gemoeid was met het halen van de bijl uit de schuur en het weer naar buiten komen en de agressieve toestand waarin verdachte reeds verkeerde – het uiteindelijke slaan met de bijl niet worden aangemerkt als het onmiddellijk gevolg van een door die aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Deze gestelde hevige gemoedsbeweging (in ieder geval voor een aanzienlijk deel bestaand uit woede) kan evenmin het gevolg zijn geweest van een aanval (of dreiging daarvoor) op de vriendin van verdachte, nu hiervan volgens de rechtbank geen sprake is geweest. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van een eventuele strafoplegging op het standpunt gesteld dat hij zich bij een bewezenverklaring van het primair onder feit 1 en 2 ten laste gelegde kan verenigen met de eis van de officier van justitie. Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring van het subsidiair onder feit 1 en 2 ten laste gelegde, heeft de raadsman bepleit verdachte een straf op te leggen die wat betreft het onvoorwaardelijke gedeelte niet hoger is dan de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee misdrijven, waarvan het eerste misdrijf als bijzonder ernstig moet worden geoordeeld. Hij heeft [slachtoffer 1] geslagen met een bijl op haar hoofd en op haar arm en hij heeft [slachtoffer 2] met de bijl op haar schouder geslagen. [slachtoffer 1] heeft daardoor een bloeduitstorting en een barstwond op haar hoofd en een zwelling op haar onderarm opgelopen. [slachtoffer 2] had door de klap met de bijl een kneuzing op haar schouder. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Naast het lichamelijke letsel dat beide slachtoffers hebben opgelopen, leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden.

Verdachte heeft bovendien met zijn handelwijze de buurtbewoners schrik aangejaagd. Het gaat om een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit geldt temeer omdat de feiten zich afspeelden op de openbare weg.

Met betrekking tot de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gezien in het uittreksel Justitiële Documentatie van 20 februari 2020 dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. In het dossier bevindt zich ook een uittreksel Justitiële Documentatie van 31 juli 2020 uit [land] , waaruit blijkt dat verdachte in [land] eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte niet degene lijkt te zijn geweest die de confrontatie heeft opgezocht en dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met in ieder geval twee andere personen bewust de confrontatie hebben opgezocht en als eerste zelf geweld tegen verdachte hebben toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en mede in acht genomen de straffen die voor soortgelijke zaken worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alle omstandigheden meegewogen en gelet op straffen die in gelijksoortige zaken zijn opgelegd en dat verdachte eerst zelf is aangevallen, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en feit 2 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 2 meer subsidiair

het misdrijf: mishandeling

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair en feit 2 meer subsidiair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

Buiten staat

Mr. M.B. Werkhoven is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie eenheid Oost-Nederland, district IJsselland met registratienummer [nummer] (onderzoek Dienblad/ON1R020020). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Ten aanzien van feit 1 en 2

1. De bekennende verklaring ten aanzien van de feiten die verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2020 heeft afgelegd;

2. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 19 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 86 tot en met 93, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…) Hij ging toen naar binnen en toen hij weer naar buiten kwam, had hij die hakbijl. (…) Ik zag dat hij de schoonmoeder met de bijl op haar rug sloeg. Daarna kwam hij naar mij en sloeg hij mij met de bijl. Hij deed de bijl boven zijn hoofd voordat hij mij sloeg. Ik weerde af met mijn rechter arm. Die bijl kwam toen op mijn arm terecht. Ik dacht toen, ik moet zo snel mogelijk het huis in. Ik hoorde dat hij toen riep: ‘ik maak jullie dood' en ‘ik vermoord jullie’. En daarna heeft hij mij ook nog op mijn hoofd geslagen met die hakbijl. Hij heeft mij twee keer met kracht geslagen. De bijl was ongeveer een meter lang, de bijl zelf was verroest. Ik denk dat hij mij met de stompe kant van de bijl heeft geraakt, anders had ik wel helemaal open gelegen.(…) Het is de vriend van mijn buurvrouw [naam] , zij woont aan de [adres 2] . (…) Ik heb mijn rechterarm zwaar gekneusd. Ze hebben in het ziekenhuis foto’s gemaakt. Het was niet gebroken, maar wel zwaar gekneusd. En ze hebben een scan van mijn hoofd gemaakt en aan de linkerkant van mijn hoofd zit een snee. (…)

3. Een proces-verbaal onderzoek wapen van 20 februari 2020, doorgenummerde pagina72, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

( …) Het betrof een gewone handbijl van een groot formaat. De steef had een breedte van 4 cm en een dikte van 3 cm. De totale lengte van de bijl betrof 81 cm.

De bijlkop was van staal en de scherpe voorzijde had een lengte van 12,5 cm.

De lengte van de bijlkop was 23,6 cm. Het totale gewicht van de bijl betrof 2,725 kilo. (…)

4. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 19 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 78 tot en met 85, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…) Ik zag dat hij de deur dicht deed en deze heel snel weer open deed. Ik zag dat hij een grote bijl in zijn handen had. Ik weet niet meer welke hand. Ik zag dat hij met de bijl op ons af kwam rennen (...) Ik zag dat hij [slachtoffer 2] sloeg met de bijl. Dit was op haar rug. (…) Ik zag dat hij mijn moeder op het hoofd wilde slaan met de bijl, maar mijn moeder kon dit afweren met haar rechter arm. Ik zag dat hij haar nog een keer kon slaan met de bijl. Dit keer raakte hij haar wel op het hoofd. (…)

Ten aanzien van feit 1

5. Een geschrifte zijnde een forensisch geneeskundige letselbeschrijving door W. Duijst, forensisch arts, ongedateerd en niet doorgenummerd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Volgens politie is betrokkene (BE) op 19 februari 2020 met een bijl op de arm en het hoofd geslagen (…) ontvangen informatie: Brief van dr. Mars, SEH-arts Isala klinieken, aan de huisarts dr. Heemskerk, d.d 19 februari 2020. (…) Links op de zijkant van het hoofd werd een zwelling van ca. 6 cm met een barstwond van ca. 3 cm gezien. Midden op de linker onderarm werd een zwelling (bloeduitstorting) gezien. (…)

De verwonding op het behaarde hoofd is een bloeduitstorting met een barstwond. Een bloeduitstorting ontstaat door de inwerking van stomp uitwendig geweld, zoals schoppen, slaan, stompen. Scheurverwondingen worden veroorzaakt doordat door stomp

uitwendig geweld de rekbaarheid van de huid wordt overschreden. De combinatie van een bloeduitstorting met een barstwond ontstaat door de inwerking van fors stomp uitwendig geweld.

De zwelling op de onderarm is een onderhuidse ophoping van vocht of bloed. Zwelling kan optreden als gevolg van beschadiging van het weefsel onder de huid en kan ontstaan door de inwerking van stomp uitwendig geweld zoals slaan, schoppen of stoten. (…)

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige] van 19 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 127 tot en met 129, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Op woensdag 19 februari 2020 tussen 14.30 uur en 15.00 uur, hoorde ik geschreeuw op straat. (…) Ik zag dat de deur van [adres 2] open ging. Ik zag dat de vriend van [naam] , die sinds de zomer in de woning verblijft, naar buiten kwam rennen met een bijl in zijn hand. (…) Ik zag dat de buurman slagbewegingen maakte in het luchtledige en vervolgens richting moeder. Ik zag dat hij moeder, met de achterzijde van de bijl, op haar hoofd raakte. (…)

Ten aanzien van feit 2

7. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 19 februari 2020, doorgenummerde pagina’s 98 tot en met 105, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

( …) Vandaag, 19 februari 2020, was ik bij mijn schoondochter op bezoek in [plaats] . (…)
en toen zag ik de buurman van nummer [adres 2] voor zijn deur staan. (…)Toen ik bij mijn schoondochter naar binnen wilde gaan zag ik hem een grote hakbijl pakken. Ik rende weg en zag dat hij achter mij aan rende met de bijl in zijn handen. Hij had de bijl in zijn rechterhand. (…) Hij probeerde me meerdere malen te slaan, hij miste me een paar keer en vervolgens voelde ik toch een klap op mijn rug door de hakbijl. (…) Hij raakte me op mijn rechter schouder. (…)